HET HUIS HONSELAARSDIJK IN 1638

III.

En daar binnen…


Daar Gerard Honthorst reeds sedert eenige dagen zijn verblijf had op het paleis, was hij bij alle hofbeambten, hooge als geringe, goed bekend, evenzeer als zij onderricht waren van het doel zijner tegenwoordigheid; niemand verwonderde zich dus of deed hem eene vraag, toen hij met een jonkman, blijkbaar zijn leerling, zonder iets te zeggen, zijn weg nam naar dat gedeelte van het kasteel, dat voor het gebruik der Koningin was afgezonderd.

Het kasteel te Honselaarsdijk, zooals het door den stadhouder Frederik Hendrik kortelings was opgetrokken, bestond uit een hoofdgebouwen vier hoekgebouwen of paviljoenen, en rotonde op de wijze van torens, doch met het midden en met elkander verbonden door huizen en galerijen. In een dezer paviljoenen, dat over het water heen uitzicht had op de prachtige lanen van het park, genoot Maria de Medicis de gastvrijbeid van den Prins van Oranje. De schilder doorliep haastig de galerij, hield zich even op in eene antichambre, waar hij zijn mantel aflegde, en Diedrik begreep toen, dat hij dit kleedingstuk had gedragen om zijn ander gewaad voor het stof van den heerweg te beveiligen, en dat hij de eischen der hofetiquette niet geheel uit het oog verloor. Zijn gewaad was deftig, hoewel eenvoudig, effen zwart fluweel, met een platten halskraag van fijne kant; toen hij zijn grooten vilthoed had afgeworpen, plaatste hij een zwart lakensch calotje op zijne zwarte haren, die strak neêrhingen, en dit gaf hem een voorkomen van oudschheid, dat nog verergerd werd door zijne scherpe en harde trekken; maar tegelijk lag er iets geniaals in de uitdrukking van dit gelaat, dat met de grofheid der trekken als met de oudschheid er van verzoende.

— En nu hierheen, sprak hij, Diedrik vooruitschuivende, terwijl hij eene deur opende en eene damasten tochtgordijn wegschoof; zij traden toen een vertrek binnen, bewonderenswaardig van pracht en goeden smaak. Het was achtkantig, de lambrizeering en al het verder houtwerk was gebeeldhouwd en rijk verguld, het behangsel was geschilderd, maar door eene beroemde meesterhand, ieder der acht vakken gaf een afzonderlijk tafereel te zien, afgeperkt en ingevat door smalle gouden lijsten. Het volle licht van de drie smalle en hooge ramen, waarvan de zijden gordijnen geheel waren weggeschoven, viel op een troon geheel van purperzijden fluweel met gouden leliën doorweven, de draperiën waren gesierd door zware gouden franjes, en opgevangen door koorden en kwasten van gedraaid gouddraad. Zelfs de trappen der estrade waren met dezelfde rijke stof overdekt, en ook dáár blonken de leliën van Frankrijks wapen u tegen. Op de estrade stond eene prachtige stoel, en daarneven lagen drie opeengestapelde kussens, altijd van het purperen fluweel met de leliebloemen, gesierd met gouden ornamenten, en op die kussens de koninklijke kroon, niets dan deze, de schepter ook zou een anachronisme zijn geweest. De Koningin was niet daar; anders ook hadden wij niet het eerst de aandacht aan de meubelen gegeven, en Honthorst, die het zeker weten kon, ware niet dus onaangemeld binnengetreden. Op eenigen afstand van den troonhemel stond een schildersezel, en op een gueridon eenige benoodigdheden voor den kunstenaar. Dit prachtig vertrek was den eenvoudigen Meester Gerard tot werkplaats gegeven!

— Moet gij der Koningin geen bericht laten doen van uwe aankomst, vroeg Diedrik, bleek van ontroering.

— Dat is onnoodig. Zij heeft mij afspraak gegeven voor dit uur en weet dat zij mij vinden zal, de Koningin komt als zij gereed is. Ik ga intusschen eens opnemen, of ik wat vrede mag hebben met mijn arbeid van gisteren.

En nadat hij den doek had weggenomen van zijn stuk, bezag Honthorst het met aandacht, en een glimlach van genoegen verhelderde hem het gelaat.

Diedrik dit ziende, ging schielijk naast hem staan, maar trad even snel weêr terug, terwijl hij uitriep:

— En kan dit U voldoen, Mr. Honthorst?

— Gij vindt de gelijkenis dus nog niet volkomen? vroeg de schilder plagend, want Diedrik kleurde en verbleekte van toorn.

— Gelijkenis! riep deze nog meer geërgerd. Hoe! een man van Uw talent zal zijne reputatie wagen met dit te geven als het portret der Koningin Maria de Medicis, de fierste en bevalligste vrouw der wereld! Zoo ik mijne grootmoeder niet had gekend, kost gij mij dit als hare beeltenis aanbieden.

De schilder glimlachte, en zeide alleen: — Ik zal mij van dit vonnis beroepen, als gij het conterfeitsel voltooid zult zien! er moet nog veel aan gewerkt worden, hoewel juist niets veranderd op de wijze die gij zoudt verlangen.

Diedrik zweeg en haalde de schouders op, hij had geene woorden om zijne verontwaardiging uit te drukken, zonder den kunstenaar te beleedigen; dit zwijgen zou hem drukkend zijn geworden, zoo niet een gerucht van stemmen, voetstappen en herhaald klinken van eene kamerbel in het naaste vertrek zijne opmerkzaamheid had afgeleid; voor Honthorst scheen dit niets ongewoons te zijn, althans hij ging bedaard voort met eenige benoodigdheden voor zijn werk gereed te zetten, en wees er Diedrik het gebruik van aan, opdat deze later niet een al te linksche en onwetende leerling mocht schijnen; de jonkman luisterde slechts half, en riep op eens: Ik hoor de stem der Koningin; maar vreemd… die klinkt scherp en schel.

— Dat is niet vreemd, mijn jonge vriend! eene vorstin gebruikt een anderen toon, als zij in ’t openbaar zoetheden terug geeft voor klinkende lofspraak, dan waar zij in hare binnenkamers hare hofjuffers toespreekt, en zonderling de uren voor de kaptafel mogen voor deze wel pijnlijk wezen; maar nu toch klinkt die stem anders, mij dunkt zij wordt angstig en dof, daar moet iets ongewoons voorvallen… God behoede die rampspoedige vorstinne! Ha! daar komt toch iemand.

De persoon, die binnenkwam, was een oudachtig man in deftige hofkleeding. Het was Monsieur de Rioland, eerste geneesheer der Koningin.

— De dokter! riep Honthorst, dat spelt niets goeds.

— Het is ook geen goed, Mijnheer Honthorst! sprak deze ernstig. De Koningin, die reeds lijdende was ten gevolge van hetgeen haar op gisteren heeft getroffen…

— Op gisteren, Mijnheer de dokter?

— Ja, ge herinnert u, dat de Koningin in de séance voor u werd geïnterrompeerd door tijdingen uit Frankrijk?

— Maar al te wel… doch daar ik terstond daarop naar Delft ben gereden, en eerst dezen ochtend van daar ben teruggekeerd, vernam ik niet verder…

— Zij waren van zulken inhoud, dat de Koningin den verderen dag in haar vertrek heeft doorgebracht zonder iemand te willen zien dan Monsignor Fabroni, en dat tegen den avond mijne hulp noodig werd geacht… en nu, verbeeld u onze bekommering, Mr. Honthorst! nu zijn de tijdingen uit Engeland zoo weinig voldoende, dat de Koningin gansch bewogen en ontstemd is, en zich ontschuldigen laat bij u.

— Hare Majesteit moge daarin doen naar hare convenientie, alleen stem mij toe, Monsieur Rioland! dat ik geen geluk heb gisteren af te breken op een goed moment, om tijdingen uit Frankrijk, en vandaag niet eenmaal beginnen, om berichten uit Engeland! Op die wijze kan ’t conterfeitsel, buiten mijne schuld, lang onderhanden blijven.

— Ik geloof ook niet, Mijnheer Honthorst! dat iemand van u haast heeft gevorderd met de voltooiing, sprak de dokter met eene zekere beduiding, die de kunstenaar terstond vatte, want hij antwoordde:

— Ik ben niet gehaast als ik weet, dat men mij den tijd gunt… en om te beginnen, wil ik mijn oorlof nemen voor heden. De intentie van Hare Majesteit was integendeel dat gij wachten zoudt… Monsignor Fabroni is ontboden… en als mijne meesteres zich met dezen beraden heeft, verhoopt zij u nog eene ure te kunnen schenken….

— Ik ben de gehoorzame dienaar Harer Majesteit, hernam de kunstenaar, hoewel met een licht schouderophalen, want hij bedacht, dat in ’t eind een uur niet zoo groote verandering zou kunnen brengen in hare zaken, om op hare stemming en voorkomen invloed te oefenen.

Zoolang duurde het niet eens, de dokter werd geroepen; dames en edellieden traden bij afwisseling binnen, nu zij de Koningin niet daar wisten, om eenige woorden te wisselen met Gerard Honthorst, die als vermaard persoon hunne belangstelling wekte, en die, hoewel vernuftig en geniaal, zijn vernuft niet gebruikte om te kwetsen, noch de genialiteit dreef tot verzaking van goeden toon en heusche vormen, als te dier tijde menig kunstenaar zich veroorloofde. Hij sprak niet tegen zijn gevoelen, maar waar hij het voorzichtig achtte verzweeg hij dat; hij verlaagde zich niet tot flauwe vleierij, maar waar hij iemand iets aangenaams konde zeggen met oprechtheid, daar verzuimde hij het niet, en dan had dit uit zijn mond eene dubbele waarde, omdat het eene uitzondering was en geen regel in toepassing gebracht op iedereen en te allen tijde.

Niemand van die lieden lette op Diedrik; maar tot zijne verwondering, zeide ieder, wiens oog op het aangevangen portret viel, den schilder eene beleefdheid over de gelijkenis, zoowel als over de uitvoering.

— Laffe vleierij! dacht de jonkman bij zich zelven.

Op eens kwam er eenige beweging in de kleine voorzaal, de hovelingen op dit oogenblik in de kamer rangschikten zich, met het woord: de Koningin komt!

Pages schoven de gordijn terug. Honthorst, die zich gezet had om de draperie te schetsen, wierp zijn krijt ter zijde en stond op.

Maria de Medicis vertoonde zich, — zij leunde op den arm van haar vertrouwden gunsteling, Monsignor Fabroni; diens gemalin ging haar ter zijde, en vele hofdames en heeren volgden.

Of Diedrik ook zijne ziel in zijne oogen legde, kan men denken, en toch, hij moest zich leunen tegen den muur, waar hij stond, zoo sloeg op eens de schrik hem om ’t harte.

Maria de Medicis geleek volkomen op haar portret! En zelfs ware dat voltooid geweest, men had den eerlijken Honthorst nog wel wat van vleierij kunnen beschuldigen, bij vergelijking in dat zelfde oogenblik met het voorkomen der Koningin.

Want is het waarheid, dat de vrouw, zelfs de schitterendste schoonheid, hare beaux jours heeft, even waar is het, dat ze die het zekerst heeft, waar ze weet bewonderd, geliefd, toegejuicht te worden, zoo is het ook waar, dat op zekeren leeftijd (en wij zullen hooren dat de Koningin dien had bereikt) die dagen al zeldzamer en zeldzamer worden, en dat zoo zelfs jeugdige oogen, waaruit pas tranen zijn gevloeid, altijd iets van hun glans verloren hebben, die eener vrouw van Maria’s leeftijd groote schade lijden aan schoonheid als zij ze heeft rood geweend.

En zoo was het, men behoefde niet eens met de illusies van Diedrik dit lusthuis te zijn ingetreden, om, bij haar binnenkomen in dit vertrek, in Maria de Medicis niet die prachtige, fiere vorstin te herkennen, die onder zulk lofgeschater door hooge triomfbogen was heengetrokken, bewonderd en toegejuicht door breede volksscharen.

Haar gang was nu niet bevallig en waardig, als voegde bij het zwartfluweelen sleepkleed; maar met driftige en toch wankelende stappen deed ze de weinige schreden, die haar noodig waren om haar zetel te bereiken, en daar liet zij zich nedervallen met eene houding van malheid en lusteloosheid, die een scherp contrast daarstelde met de pretensiën van den troonhemel, die haar hoofd overwelfde. Hare trekken droegen de sporen van een doorwaakten nacht, zij kwamen scherper en dieper uit, en zelfs de gevuldheid der wangen deed ze meer spreken. De sterk geteekende wenkbrauwen, bijna te sterk voor eene vrouw, moesten zeker bij oogen, die van vroolijkheid en opgewektheid schitterden, de levendigheid van het gelaat verhoogen; nu, daar die oogen dof stonden en als ingezonken waren, gaven die zware wenkbrauwen slechts eene uitdrukking van strengheid en stroefheid, die groot nadeel deed aan de bevalligheid; hare ontstemming en vooral hare tranen hadden het blanketsel als eene onhandige toiletkunst voor heden ongeraden gemaakt, en de geelbleekheid van haar gelaat was dus door geen enkel roosachtig tintje afgewisseld. Zelfs de lippen waren bleeker dan ze anders schenen, en de mond had geen glimlachje, maar trok zich pijnlijk samen, met iets minachtends en bitters, dat alle gedachte aan minnelijkheid uitsloot, met één woord, Honthorst, die voor zijn patiënt Diedrik zeker iets in dien smaak had gewenscht, toen hij hem genezing spelde, vond dat het toeval hem boven verwachting had gediend en dat de kuur voor eene eerste zelfs wel wat over sterk was uitgevallen, want de arme jonge man scheen meer verpletterd dan geheeld. Voor zijne kunst achtte hij dit oogenblik verloren, zonder eenigen twijfel, en in die overtuiging zeide hij, na eene eerbiedige buiging, tot de Koningin:

— Ik durf niet hopen, dat Uwe Majesteit gezind zal zijn mij deze ure te geven voor het portret…?

— Integendeel, Mijnheer! wij zijn daartoe zeer gezind, wij hebben juist nu geene wichtiger bezigheid, en onze geneesheer raadde ons sterk aan deze afleiding te nemen.

De arme schilder verbleekte, en vermomde eene beweging van spijt en onwil, terwijl hij met een zucht zijn ezel terecht zette in het vereischte licht.

Nog eene hoop bleef hem om de marteling te ontgaan, als zijn penseel naar dit model, de trekken moest geven van haar, waarvan gezegd was, toen zij zich te Leiden voor een vensterraam eene wijle zonder masker vertoonde, dat men er in vertegenwoordigd zag alles wat de aarde het voortreffelijkst bezat en de eeuw het zeldzaamst, en waarvan de rector der Leidsche Universiteit had betuigd, uit naam van zijne collega ’s: »que sa seule présence, en leur comblant de gloire, terminait toutes leurs curiosité, (en vervolgde) car à quoi nous serviroit d’aller courre le monde, si vostre Majesté en est l’unique ornement?

Een blik werpende op het ongewoon getal hovelingen en vrouwen, die met de Koningin waren binnengekomen, sprak Honthorst half smeekend, half morrend:

— Ik neem de vrijheid Uwe Majesteit te doen opmerken, dat ik gewoon ben meer ruste tot mijn werk te vragen, dan die zich wachten laat bij de tegenwoordigheid van zoovelen.

Een glimp van voeldoening verhelderde even de trekken der vorstin, terwijl zij antwoordde:

— Wij zullen alleen zijn, mijn waarde Mr. Honthorst! en daarop tot het gevolg: — Gij hebt het gehoord, mijneheeren! uwe tegenwoordigheid zou den konstenaar hinderlijk kunnen zijn! De heeren en dames van het gevolg verwijderden zich met de gewone vormen.

Monsignor Fabroni bleef.

— Vicomte! zeide Maria tot hem, ik geloof dat onze nobele konstenaar niet voldaan zal zijn, vóór hij ons onder vier oogen heeft!

Honthorst wilde iets zeggen; maar de blik, dien de Koningin nu op hem wierp, was zeer verstaanbaar; hij zweeg dus, en Fabroni sprak, terwijl hij de wenkbrauwen samentrok:

— Ik weet dat Uwe Majesteit te allen tijde zooveel faveure heeft betoond aan de oefenaars van konsten, dat ik mij wel hoeden zal, mij te stellen tegen het verlangen van Mr. Honthorst.

Die woorden waren scherp genoeg, vooral tegenover de voormalige beschermster van Eleonora Galigaï; maar de Koningin, scheen gelukkig tot den prijs van eene hatelijkheid zijne verwijdering te koopen, want, na dit woord boog hij zich en ging, en zij zich wat meer opgeruimd terecht zettende op haar zetel, sprak tot Honthorst:

— En nu, signor amico! aan uwe taak, als ’t u gelieft.

— Uwe Majesteit gebruike eenige toegevendheid voor mij, begon Honthorst, — in waarheid en ter goeder trouw, nu wij samen zijn, vergeve mij Uwe Majesteit het goedronde woord! zoo ik heden mijn penseel eerlijk zal gebruiken, blijft mij ge ene kans dan door de wereld een logenaar of een onhandige gescholden te worden, Reeds is mij, arme konstenaar, wanhoops uiterste poging voorgeschreven in die taak, om bij den roep van schoonheid, die Uwe Majesteit voorafgaat en verzelt, niet al te zeer achter te blijven in het nabootsen uwer trekken, en bedenk, heden is het wezen van Uwe Majesteit dus ontstemd…

— Laas! laas! mijn goede meester! ik wete; doch mij dunkt, het moet mij toch veroorloofd zijn, in mijne binnenkameren die zware hofkunst niet te oefenen, die ik altijd door noodig heb te gebruiken onder ’t gewoel der feesten en van receptiën; die hofkonst, die de diepe droefgeestigheid der ziele leert verbergen achter ’t mom van gezette minnelijkheid…

— Wie zou ik zijn, zoo ik het mijne genadige vorstin misduidde, en mij niet veeleer gestreeld voelde door het vertrouwen, dat zij mij daardoor toont; alleen, zij moge dan ook om mijnentwille in bedenking nemen, dat ik een konstenaar als den heer Rubens tot voorganger heb bij het weêrgeven van hare trekken, dat hij daarbij het voorrecht had Hare Majesteit te kennen en te schetsen in de bloei harer jeugd, en omgeven van den vollen luister van ’t geluk, en dat de straalgloed van geluk en roem, waarmede hij u heeft weten te omgeven op het doek, slechts de weêrkaatsing was van hetgeen hij zag, terwijl ik…

— Bij den naam mijner Heilige patrones! Gij spreekt het uit, ik mis Rubens! zeker ik mis hem! riep de Koningin.

— Ik weet het, Mevrouw! antwoordde Honthorst, een weinig kleurende, zekerlijk wete ik dat ik Rubens niet ben, noch hem ooit gelijken kan in ’t konstig mengelen van fijn rood met ongelijkbaar wit; maar ik weet ook dat mijne manier zijne waarde heeft, en dat het krachtig weêrgeven als het getrouw navolgen onder de deugden hoort, waarop ik mij toeleg, ik ben geen Rubens; leider! niemand weet het beter dan ik; maar te meer ook mag ik op toegevendheid…

— Mijnheer! mijnheer! viel Maria in, hoe komt gij er op, dat ik u den mindere zou noemen van mijnheer Rubens in ’t aanzicht, wat uwe konst aangaat; Heiligen des Hemels! denk ik in ’t oogenblik aan uwe konst of die van Rubens!… veeleer is het. dat ik aan mijnheer Rubens gedenk als aan een vriend die mij placht goeden dienst te doen, en dies betreure ik hem in deze ure, want ik heb een vriend noodig!

— Een vriend, Mevrouw! sprak Honthorst, die herleefde, nu daaraan kan ’t u toch waarlijk niet gebreken…

— Meer dan gij denkt: vertrouwde personen te vinden is zeldzaam, en daarbij die men eens tot raadslieden genomen heeft, willen soms liefst hunne inzichten opdringen, in plaatse van naar de onze te handelen. Diensten te doen tegen hun gevoelen, daarvan ontschuldigen zij zich meest, of zoo niet, voeren zij die uit met slappen ijver, zoo niet met kwade trouw. En gedenkende hoe luiden van uw stand veelmalen in scherpzinnigheid van oordeel en in voorzichtige wijsheid in ’t onderhandelen met de beste staatsdienaren gelijk staan, en hen in goeden wil en ijver dikwijls overtreffen, zoo heb ik het oog op u geslagen, om u een groot en dienst te vragen…

— Ik ben de gehoorzame dienaar van Uwe Majesteit, en bekenne haar heden liever met mijn raad te dienen dan met mijn penseel…

De Koningin glimlachte.

—Gij, konstenaars! hebt al evenveel zorge voor uwe glorie, als wij voor de onze naar ik zie! wat mij aangaat, ik had noodig het voorwendsel van ’t portret te gebruiken, om de anderen te verwijderen, zonderling Monsignor Fabroni, die mijne opinie in dezen niet deelt, en die mijn ontwerp veeleer zou tegenwerken dan vorderen… (*)

— Ik dank Uwe Majesteit voor dit vertrouwen, en ik hoop het mij waardig te toonen, alleen… ik ben zoo min een Rubens in de diplomatie als in ’t coloriet… schoon ik geloove dat mijne nachtlichten voor hem niet wijken!

— Gij zult het wel genoeg zijn, om voor mij te doen wat ik noodig heb, en uw krachtig duister Messer Gerardo della notte! kan mij licht beter dienen dan zijn vleiend licht! sprak zij beduidend.

— Duister! Mevrouw! in het leven versta ik mij gansch niet op… fijne verwikkelingen, sprak hij ontrust.

— Hebt geene vreeze! het betreft geene fijne ontwarring eener politieke verwikkeling, maar een ridderlijken vriendendienst, daarbij rondheid, vastheid en voorzichtigheid de beste hulpmiddelen zullen wezen. Honthorst begreep, dat het tijd werd Diedrik te verwijderen, die gebleven was, ten deele uit schroom en verbijstering, ten andere, omdat hij als de gewaande dienaar van den schilder moeielijk vertrekken kon op een oogenblik, dat deze zich tot den arbeid zou zetten.

— Sinds het mijn werk niet betreft, zal ik de, vrijheid nemen mijn leerling te verwijderen, dien ik met mij genomen had om mij bij ’t schilderen het noodige aan te reiken.

De Koningin wierp even een blik op Diedrik, en sprak toen:

— Och, laat dien knaap blijven! Ik zoude mijne pages met mij gehouden hebben, zoo ik niet geweten had, dat dit den overigen hofluiden nog grooter ergernis zou gegeven hebben.

De volstrekte onbeduidendheid, waartoe die vrouw, voor welke hij zooveel had willen zijn, hem plotseling veroordeelde, voltooide in Diedriks hart wat het aanschouwen van nabij voor zijne zinnen had aangevangen. Hij luisterde dus van nu aan slechts met de belangstelling van medelijden en verwondering.

— Hoe de schijn ook van het tegendeel mag getuigen, ik ben in zoo hopeloozen en radeloozen toestand, als waarin nooit voor dezen vorstinne verkeerde, en opdat gij mij goed dienen moogt, zal ik u gansche opening geven van mijne zaken.

— Mevrouw! sprak Honthorst verschrikt. Ik zal u dienen zonder aanspraak te maken op zoo groot vertrouwen.

— Neen, gij zijt het waardig. Ik heb daarvan zekerheid. Niet enkel omdat Zijne Hoogheid de Prins van Oranje u prijst, — niet omdat de Prinses zijne gemalin u hoogelijk begunstigt, noch zelfs omdat alle grooten en prinsen in deze landen u als een zedig, waardig en welvertrouwd persoon aanprijzen, zelfs niet omdat de Koningin van Bohemen, die zoo uiterst veel zorge draagt voor de opvoeding harer dochteren, onder alle uitnemende konstenaars, die er in deze landen bloeien, u uitverkoren heeft om die minnelijke prinsessen te onderwijzen in de teekenkonst, zijnde dit een bewijs, dat niet alleen uwe bekwaamheid, maar ook uw persoon zich onderscheidt door de deugden van ernst, trouwen discretie, die zulken omgang met jeugdige vorstinnen noodig maakt!…

Honthorst kleurde sterk bij die lofspraak, gegeven in een oogenblik, waarin hij die niet op zich durfde toepassen, en hij viel in met een onrustigen blik op Diedrik.

— Als Uwe Majesteit mij geheimen te vertrouwen heeft, wenschte ik ernstelijk dezen jonkman te verwijderen; hij verstaat de françoise taal, waarin Uwe Majesteit zich uitdrukt.

— Toch laat hem blijven, dat is beter, men mocht vermoeden dat wij ons met iets anders bezig hielden dan met het portret, ik zal Italiaansch spreken, gij kent die taal!

En Diedrik ook! maar dat onderstelde Honthorst niet, hoewel hij bij wat nadenken had kunnen berekenen, dat de handelsbetrekkingen met Venetië en andere handelssteden van Italië die toentertijd onder de jonge kooplieden vrij gemeenzaam had gemaakt.

— Ik weet het van Rubens, vervolgde Maria, die u bij zijne doorreize door Nederland heeft bezocht, waar hij uw talent grootelijks heeft geroemd en de verdiensten van uw persoon niet minder heeft geprezen.

Honthorst boog zich verrast en gevleid.

— Maar gij kent ook de Engelsche taal, vervolgde Maria vleiend.

— Een weinig, natuurlijk gevolg van mijn verblijf te Londen. Waar gij een groot werk hebt volbracht voor den Koning en zijne gemalin, mijne wellieve dochter.

— Ja, eene schilderij vertoonende in mythologische voorstelling Hunne Majesteiten Karel I, de Koningin Henriette, en Zijne Genade den Hertog van Buckingham, een voortreffelijk liefhebher en voorstander der konsten; ook heb ik wijlen Zijne Genade in dat mythologisch tafereel voorgesteld als Mercurius, de vrije konsten opleidende…

— Een belangrijk werk, overwaar! en dat uitnemend gelukt moet wezen.

— Ook uitnemend beloond, voegde Honthorst er bij, er is mij voor betaald dertig duizend gulden, en als gifte boven dien prijs ontving ik nog van Hunne Majesteiten een prachtig zilveren tafelservies, en een uitnemend Engelsch rijpaard van den edelmoedigen Hertog.

— Maar gij vergeet nog een ander loon, dat gij u toen hebt gewonnen.

Honthorst zag haar vragend aan.

— De volkomene hoogachting en ’t volle vertrouwen van mijn schoonzoon en zijne gemalin! zoo zelfs, dat ik op hunne aanprijzing mij met gerustheid aan u vertrouwe in eene zaak, die van ’t uiterste gewicht kan zijn.

— Ik luister, Mevrouw! sprak de schilder, gerust dat hij nu de eenige toehoorder was die verstond.

— Lees eerst, en zij gaf hem een klein biljet; gij ziet dat ik op uwe kennis van de Engelsche taal rekende; niemand van mijn gevolg verstaat het, en ware dat, ik zou er niemand de lezing van gunnen.

— ’t Is van de hand Zijner Majesteit van Engeland zelf!

— Ja, dat zie ik, van het overige rade ik niets!

Honthorst las, maai veranderde van kleur onder ’t lezen.

— Dat is geene aangename mededeeling, die u daar gedaan wordt, Mevrouw!

— Ik vrees iets zeer onaangenaams… sprak Maria met eene uitdrukking van angst.

— Eene goede receptie in Engeland is u nog niet gewaarborgd, vervolgde Honthorst aarzelend en Maria aanziende, om de uitwerking van dit bericht gade te slaan.

— Ik begin mij zelfs te ontrusten of men mij zal toestaan derwaart over te komen.

— Leider! Mevrouw! kan ik u die onrust niet benemen. De Koning ontraadt Uwe Majesteit de reize naar Engeland in deze oogenblikken… Daar schijnt groote spanning te heerschen tusschen den Koning en zijn Parlement, en de Vorst bidt Uwe Majesteit in overweging te nemen, dat de redenen, waarom voormaals het geheele huis der Koningin naar Frankrijk is teruggezonden, niet hebben opgehouden te bestaan, maar veeleer in kracht zijn toegenomen, door vernieuwden invloed van hen, die het vorderden!

—Ah ja! men heeft in Engeland groote vreeze voor de belijders van den Katholieken Godsdienst! naar ik hoore… De overkomst van Uwe Majesteit, met een gevolg van Fransche en Italiaansche hovelingen en vrouwen, mocht daarom opschudding verwekken onder ’t volk, en gansch niet goed gezien wezen bij de grooten zelfs…

— Maar wat raadt Karel dan daarin, vroeg Maria driftig, de Koningin Henriet te schrijft mij, dat ik mij houden moet aan den raad des Konings, of liever niet komen.

— De Koning slaat voor wat mij ondoenlijk schijnt, hervatte Honthorst.

— Zeg wat het is!

— Uwe Majesteit zou zich moeten scheiden van geheel haar gevolg, en alleen zoodanige lagere bedienden met zich houden, als volstrekt onmisbaar waren. In Engeland zou men terstond in dit gemis voorzien, en op die wijze zou de uwe persoon tegen wantrouwen en desagrement van de zijde der natie verzekerd wezen…

— Voorwaar, dat is een offer, dat ik niet zal brengen, een eisch, waaraan ik niet zal toegeven! riep Maria met verontwaardiging.

— Uwe Majesteit heeft dus nog goede hoop naar Frankrijk te keeren? vroeg Honthorst, zich vergissende in hare vastheid.

 De tijdingen van gisteren hebben mij de laatste hoop daarop benomen. De tusschenkomst van den Stadhouder bij den Kardinaal is zonder uitwerking gebleven, en daarbij zoo de staatkunde Richelieu nog bewegen kon tot een glimp van verzoening, mijn zoon zal nimmermeer vergeven — noch vergeten. Daar was iets akeligs in de vaste overtuiging, waarmede die moeder zulk eene getuigenis gaf van haar eigen zoon. — En men wist dat zij geene valsche was, en dat zij eene vreeselijk ware voorspelling insloot van haar eigen lot. Toch is wellicht een vluchtige terugblik in haar leven niet overtollig voor de eene of andere onzer lezeressen.

Maria de Medicis, dochter uit het listig en heerschzuchtig geslacht der Florentijnsche Hertogen, was geene goede moeder geweest, en eene zware vergelding strafte haar met een onnatuurlijken zoon. Bij het leven van haar gemaal had zij moederlijke zwakheid voor hem getoond, zonder waarachtige moederlijke liefde; en na diens dood had zij het ongeluk gehad van te vergeten, dat zij, alleen Koningin-Regentes was, om een Koning op te voeden, niet om zelve heerscheres te zijn, of veeleer in plaats van hem, in wiens naam zij de rechten van het Koningschap uitoefende, waardiglijk voor te bereiden voor zijne grootsche taak, en als. moeder zijne liefde te winnen, terwijl zij hem als voogdes achting afdwong, dacht zij aan niets, dan aan de middelen om het tijdperk harer heerschappij te verlengen, zelfs boven dat zijner meerderjarigheid, en handelde daarbij zoo geheel tegen hare naaste plichten, dat er aan het Fransche hof geen knaap leefde, wiens zedelijke vorming zoo verwaarloosd was als de wees van Hendrik IV, en geen kind met meer liefdeloosheid uit ’s moeders tegenwoordigheid werd verdreven, dan het kind, dat eenmaal zijns moeders lot in handen zou hebben; de Koningin werkte dus zelve het eerste mede aan de vervulling van de profetie, die de slimme Bearnees, ruw, maar met voorzienige wijsheid uitsprak, toen zij zich tegen eene kastijding stelde, die de ferme vader noodig achtte en hij haar toevoegde: »Mevrouw bid God om mijn lang leven! want die ondeugende jongen zal u slecht behandelen na mijn dood!” — Intusschen gebruikte »de ondeugende jongen” den ledigen tijd van zijne jeugd zonder leiding, om de kopjes van kleine vogeltjes tusschen steenen te verpletteren, in afwachting dat hij steen en der verbrijzeling zou werpen op de moederlijke borst.

Ook heeft er wellicht nooit een Koning op den Franschen troon gezeten, zoo arm aan Koninklijke deugden, om menschelijke zwakheden voor het oog van zijn volk meê te dekken, als Lodewijk XIII, en zoo zijn groote Minister, hem niet had ter zijde gestaan, en tegelijk ter zijde gedrongen, dan zeker had Frankrijk eene treurige rol gespeeld in Europa te zijner tijd, in plaats van de schitterende, die het aanving op zich te nemen. Wat Maria de Medicis aangaat, zij had nog even den tijd gehad Richelieu in de regeering in te schuiven, toen reeds haar eigen gezag een machtigen schok onderging, en haar zeventienjarige zoon zijne heerschappij aanving met den overlegden moord van haar gunsteling, den Maarschalk d’ Ancre, en de rechtspleging tegen hare vriendin Eleonora Galigaï als tooveres openlijk verbrand op de strafplaats te Parijs. Hare verbanning naar Bloys, waar zij bewaakt werd als eene gevangene, volgde kort op den val hare lievelingen; van toen aan knoopte zij intrigue aan intrigue, om den verloren invloed te herwinnen, in plaats van door waardige rust de moederlijke achtbaarheid te handhaven, en welhaast na hare vlucht uit het kasteel van Bloys, was zij het punt van vereeniging, waarom Prinsen, grooten en burgers, ieder ontevreden gemoed en iedere gekrenkte ijdelheid, of ieder miskend belang, zich heen schaarde om, onder de leus van hare rechten, eigene bedoelingen te doen zegevieren. Zoo was het gekomen tot een openlijken burgerkrijg, waarbij moeder en zoon ieder aan eene zijde stonden, en hoewel die met één slag werd beslist in ’t voordeel van den Koning, de schuld lag aan beide zijden, de haat was ingekankerd, hoewel, na de onderwerping der Koningin, onder eene uiterlijke verzoening vermomd. Richelieu, door Maria’s hand op de eerste trede zijner fortuin gebracht, had zich in haar laatsten tegenspoed slechts een dubbelzinnig vriend getoond, een zelfde haat tegen Anna van Oostenrijk, de jeugdige gemalin van den Koning, hield hen eene wijle als bondgenooten samen, maar eindelijk bracht het belang van zijne staatkunde mede, zich Maria’s openlijken vijand te toonen, en van toen af was haar ondergang zeker.

Van Lodewijk XIII zou het moeielijk zijn te zeggen, tegen wien hij heimelijk de meeste achterdocht, ijverzucht en bitterheid voedde, tegen den Kardinaal, tegen zijne vrouw of tegen zijne moeder; maar zeker is het, dat hij den eersten het meest vreesde en het meest noodig had, zich van de tweede niet kon ontslaan. maar over de laatste ten minste de opgekropte boosheid van zijn gemoed kon uitstorten met schijn van recht, en zij werd het slachtoffer van Richelieu’s vervolging onder den naam en met den wil van haar zoon, vervolging die haar ten laatste het rijk uitdreef met een kleinen stoet van getrouwen, die toch voor de geringe hulpmiddelen, welke haar gebleven waren, nog een te talrijke was. Met willige gastvrijheid werd zij ontvangen te Brussel, aan het hof der Infante-Regentes, en de betrekkelijke rust, die zij daar vond, werd alleen verstoord door den dood dier Vorstin, die de rampspoedige Maria plotseling uit haar toevluchtsoord verdreef. In Engeland, waar hare dochter Henriet te Maria met Karel! was gehuwd, en op dezen den invloed oefende eener vrouw, die bemind wordt, hoopte zij eene nieuwe schuilplaats te vinden; maar totdat zij de zekerheid had die te verwerven, moest zij zich ergens ophouden; en uit nooddrang had zij reeds Spa gekozen, toen het haar inviel, dat de reis door Holland genomen, haar vele moeielijkheden zou sparen en licht eenig voordeel kon aanbrengen. Zij schreef aan den Stadhouder Frederik Hendrik, die door afkomst als politieke gevoelens zich, meer dan Maurits aan Frankrijk had aangesloten, en hoopte door zijne tusschenkomst haar doortocht door de Nederlanden te mogen nemen met toestemming van de Algemeene Staten; maar die toestemming was niet zoo gansch gereedelijk gegeven. De Staten-Generaal vreesden twee dingen: de groote financieele offers, die haar verblijf zoude vergen van de schatkist, en waarvoor men zich niets winnen kon dan de haat van den Kardinaal wiens bondgenootschap men wenschte, en de mogelijkheid dat bij bezwaren over hare ontvangst in Engeland, hare doorreize in een verlengd oponthoud mocht veranderen, dat, behalve de overige moeielijkheden, die het verwekken kon, zeker Nederland zoude maken tot een nieuw tooneel harer rustelooze bemoeiingen, om den Kardinaal te dwingen haar in Frankrijk terug te roepen. Intrigues, die altijd zonder ander gevolg werden afgesponnen, dan het verderf van wie er in gedeeld hadden, zoo zij onder het bereik gebleven waren van Richelieu’s wraak. Men wilde dus die doorreize beperken tot een stillen doortocht, waarvan de kosten niet voor haar gedragen zouden worden, en waarbij men haar verzoeken wilde met de meeste haast voort te trekken, zonder zich in eene der hoofdsteden op te houden, tot in Zeeland, om daar den eersten gunstigen wind den besten af te wachten tot den overtocht naar Dover. Maar Frederik Hendrik wist dit hard besluit te veranderen, door dien Heeren indachtig te maken hoe deze Koningin, hoewel nu zonder invloed, toch eenmaal den haren had gebruikt in hun belang en hen zelfs met duizenden had ondersteund, en dat in ’t eind zoo dankbaarheid voor bewezen weldaden tegenover eene gevallene weldoenster al niet tot de politieke deugden behoorde, toch als christelijke deugd door een Christenvolk behoorde geoefend te worden; met één woord, door welken drang van redenen dan ook, Frederik Hendrik overwon, en verkreeg zelfs meer dan hij aanvankelijk had gevraagd. Wij hebben het reeds gezegd, toen de Staten en de steden eens besloten hadden Maria de Medicis »een goed onthaal te doen,” maakten zij er voor hunne eigene voldoening, meer dan voor de hare wellicht, eene overluisterrijke ontvangst van. Met welk gevoel zij die hulde ontving, kunnen wij nagaan als wij alles samentrekken wat er was voorafgegaan, wat er nog onderwijl voorviel en wat zij verder vreezen moest. Dit geleide onder toejuichingen en feesten, als van stad tot stad, maakte het haar tegelijk onmogelijk ergens langer te vertoeven, dan hare gastheeren het vooruit besloten hadden, en om het zoo eens uit te spreken, regelden de programma’s der feesten te harer eere tegelijk den duur van haar verblijf.

Te ’s Hage, waar zijn doorgaand verblijf den Prins den meesten invloed gaf, had zij langer kunnen vertoeven dan elders, en toen het heengaan ook daar noodig werd, vond zij op Honselaarsdijk, in ’t eigen lusthuis van den goedhartigen Vorst, al de gastvrijheid, al de edelmoedige bescherming, waarop haar ongeluk en haar rang recht hadden, waren het ook niet hare deugden en volkomenheden, die men er mede eerde.

Maar ook aan den tijd van dat verblijf te Honselaarsdijk moest een einde komen, en toch… nog altijd wachtte de Koningin te vergeefs uit Engeland eenige verzekering van goede ontvangst; alle brieven, die tot hiertoe gewisseld waren, vermeden dat punt, stelden het in verre verwijdering; of onder woorden van verlangen en hartelijkheid, werd daarin meer dan eens de vrees uitgedrukt, dat men niet voor haar zou kunnen doen wat men wilde; welke pijnlijke gewaarwordingen, welken zielsangst deze toestand moest geven in het gemoed eener vrouw, zoo fier als Maria de Medicis, die gewoon was als Koningin te heerschen, en nog de behoefte aan heerschappij niet kon opgeven, wat daar voor die vrouw voor smarte en vernedering lag in wachten, in zulk wachten, kan men zich licht voorstellen, terwijl alles walt er in Holland voor haar werd gedaan, over haar werd gezegd en dat zij als hulde- en eerbiedbetuiging moest aannemen, er te pijnlijker de zwaarte van doen voelen en als bespotting werd van haar innerlijk lijden.

Eindelijk kwamen die brieven, die men als de beslissende had gewacht. Het officiëel schrijven uit naam van den Koning, dat voor geheel het gevolg der Koningin Maria geen geheim kon blijven, hield reeds zwarigheden in omtrent de reis en de overkomst der Koningin, die deze als voorbereiding een gering van haar te ontvangen aanmerkte, hoe hoffelijk en met hoe eerbiedige courtoisie ze ook waren vermomd; maar een briefje der Koningin Henriette bad haar, zich vooreerst te houden aan het eigenhandig schrijven des Konings, dat zij in ’t Engelsch hier bijgevoegd zou vinden, en dat door niemand dan een vertrouwd persoon, niet tot de hofhouding der Vorstin zelve behoorende, moest gelezen worden, en dat men iemand uit Holland, b. v. den schilder Honthorst, liever in ’t geheim moest nemen, om den schadelijken indruk te voorkomen, dien het op den goeden wil van het Fransch gevolg zou kunnen uitoefenen; het gold dan ook niets minder dan de vraag om hen te verstooten en te verlaten na zooveel bewezen trouw, eene hardheid, die de Koningin in eene eerste opwelling van edelmoedigheid met afschuw had vervuld, maar die zij toch later uit vorstelijk egoïsme, als eene treurige noodwendigheid begon aan te zien; want zij sprak als overwegende:

— Sommigen van hen zouden wellicht hun vrede kunnen maken met den Kardinaal, vooral waar zij zich over mij te beklagen hadden, daartoe ik hun vrijheid zou geven, anderen mochten wel, door mijne goede recommandatie, bij den Prins of de Prinses van Oranje hunne plaatsen vinden, voor de overigen zou ik iets kunnen doen… als ik later, zelve in Engeland zijnde…

— Dit verstooten van trouwe lieden vreeze ik zou een slechten indruk maken in dit land, Mevrouw! waar men het onder de plichten der Heeren rekent luiden, die hen goed gediend hebben, eerlijk te onderhouden en hun leven lang te verzorgen, sprak Honthorst, meer oprecht dan beleefd.

— Ach! het zou ook niet gaan, riep Maria, Fabroni en de anderen… en daarbij ik kan ze niet missen. Ik zie wel dat mijn ander plan een beter is, ik moet mij een nieuwen weg openen naar Parijs…

Honthorst zag haar vragend aan.

— Een nieuwen weg, Mevrouw? ik begrijp niet goed…

— Ja! die mij geopend zou worden door de wapenen…

— Uwe Majesteit heeft in ’t geheim een leger konnen samenbrengen? vroeg Honthorst ongeloovig en bijna schalk.

— Ik bedoel door de wapenen dezer republiek!

— Als Uwe Majesteit daarop rekent, de Staten zijn op vrij goeden voet van vrede met Frankrijk, naar ik meene.

— De Staten, die bedoele ik ook niet, Mijnheer! hervatte Maria met een dubbelzinnigen glimlach, maar… Gij zijt immers aan de zijde van den Stadhouder en volkomen aan diens belangen gehecht?

— Zekerlijk, mij klopt het harte voor Zijne Hoogheid en zijne gemalin! sprak de schilder gul en zonder eenige aarzeling.

— Zoo kan ik gerust voortvaren; de Stadhouder schijnt mij toe niet innerlijk dus één van zin te zijn, als men mijn uiterlijk toont, met de Heeren Staten, die hier naar mij dunkt de plaatse houden van de Signoria in onze Italiaansche republieken… Ik zou u daarvan niet konnen inlichten, Mevrouw! de Prins is niet gewoon mij te onderhouden over zulke zaken.

— En daarbij Zijne Hoogheid is niet wel te doorzien waar hij zich verbergen wil, hij aardt daarin op mijn gemaal, den Koning Hendrik zaliger, van wien men nooit recht zeker was hoe hij eigenlijk dacht, als het critieke punten gold.

—Dat schijnt mij goede staatkonst te wezen! glimlachte Honthorst.

— Ja, maar ondanks die wolke, waarin Prins Frederik Hendrik zich hult, meen ik uit onderscheidene teekenen opgemerkt te hebben… dat Zijne Hoogheid verdriet heeft van de aanmatiging dier Heeren; en dat hij somwijlen moeite heeft om genoeg subsidie te erlangen om den oorlog te continueeren, weet ik voor zeker.

— Ik heb geen genoegzame kennis van zaken, om die onderstelling van Uwe Majesteit tegen te spreken…

— Daarbij bestaat hier te lande nog eene verdeeldheid tusschen de Calvinisten en andere Hugenoten, Remonstrantschen genaamd, als ik meene….

— Dat ik u bidden mag, Mevrouw! rakel die sluimerende twisten niet op, onze goede Stadhouder en de wijsten onder ons doen al hun best ze te vergeten.

— Ik wil ze alleen gebruiken! Een van die partijen is misnoegd wegens den onderstand, dien de Prins gegeven heeft aan den Kardinaal tegen de Hugenoten, tijdens ’t beleg van Rochelle! Het oogenblik is daar, om dat misnoegen te stillen, — laat de Prins nu de Hugenoten dienen tegen den Kardinaal. Wel overtuigd dat de tusschenkomst der Staten-Generaal en van den Prins te mijnen behoeve vruchteloos zoude zijn, vanwege den onverzoenlijken haat van den Koning en de staatkunde van den Minister, heb ik opnieuw voormalige betrekkingen aangeknoopt met de onderliggende partij in Frankrijk, en ik weet dat het getal der ontevredenen overgroot is en met iederen dag toeneemt. De dood van Chalais heeft alle grooten en edelen tegen den Koning en den Kardinaal ontstemd, en velen, veel meerderen dan ik nu kan opgeven, zouden den val van den laatste willen, zelfs al ware hij tegelijk die van den eerste!

— Mevrouw! Ik versta mij niet goed op politiek… maar is de Koning Lodewijk XIII niet uw zoon?

— Mijn oudste, ja, maar ik heb nog een anderen zoon.

— Monsieur! de broeder van den Koning, die nu Hertog van Orleans is, zeide Honthorst verwonderd, dat zij een Prins noemde, die zijn vrede met Richelieu had gemaakt te haren koste.

— Ja, mijn zoon Gaston, hernam Maria met zeker welgevallen, een Prins die vele goede hoedanigheden heeft, hoewel de afhankelijkheid, waarin Richelieu hem houdt, hem belet uit te komen… Een Prins die zeker niet ongeschikt zou zijn voor de regeering…

— Maar Mevrouw… zelfs bij ontstentenis van den Koning is er een dauphin in Frankrijk… Heeft men Uwe Majesteit te dezer dagen niet gecomplimenteerd over de geboorte van haar kleinzoon…

— Voorzeker… Ook bedoel ik het regentschap… het mijne in zijn naam… Anna van Oostenrijk is zeer…jong… zij zal zich haasten het leven te genieten, na den val van den Kardinaal… zij heeft nog zoo weinig denkbeeld van regeerkonst… wij beloven haar de terugroeping van hare vriendin de Hertogin de Chéreuse, en zij zal tevreden zijn… Maar ik sprak van Gaston, hij is in ernst gezind zich aan de partij der Hugenoten aan te sluiten, waar wij mannen hebben als Condé Bassompierre en anderen; Vitry, de Graaf van Soissons en meerderen zouden zich terstond voor ons verklaren, zoo haast men zekerheid had van hulp buitenslands; Spanje zelf zou dit ondernemen met tolerantie zien, zoo al niet met hulp stijven, want de Kardinaal heeft zich een onvermoeid tegenstander getoond van het huis van Oostenrijk, dat tot iederen prijs gereed is weêrwraak te nemen… In Parijs zelf is mijn naam nog zoo geliefd, en kan daar nog zoo machtig werken, dat alleen de voorwaarde van mijn terugkeer en aandeel in de regeering, hun genoeg zou zijn om het uiterste te wagen tegen Richelieu. Dit zoo zijnde, Mevrouw! is het altijd vreemd, dat zij niet reeds eerder zijn begonnen, sprak Honthorst..

— Niet ieder oogenblik is rijp voor zulke ondernemingen, waartoe veel moet samenloopen. Nu zijn wij zoover gekomen, dat men mijn laatste woord wacht, en waar ik gisteren nog aarzelde, ben ik heden besloten, door hetgeen men mij uit Engeland schrijft…

— Het is mogelijk, Mevrouw! dat dit ontwerp uitvoerlijk is, ik ben zoo gansch vreemd aan de combinatiën der hoogere staatkunde, dat ik hieraf niet weet te oordeelen; dus ondersta ik mij Uwe Majesteit te vragen, waarom dit aan mij? sprak Honthorst, wiens trekken al strakker en strakker werden, en die kennelijk meer begreep dan hem lief was te hooren. Waarom dit aan u? Luister aandachtig, mijn goede Mr. Honthorst! zaken als deze zijn niet aan ’t papier te vertrouwen, en toch diende de Stadhouder ze te weten; gaarne had ik heden reeds ze met hem besproken, maar Zijne Hoogheid liet gisteren berichten, dat zijne gewone ongesteldheid, het voeteuvel, hem in den Haag terughield; of de Prinses nog heden komt is onzeker, en daarbij zij is zeer voortvarend… en ik weet niet of hare influentie hier ten goede zoude werken. Gisteren heb ik Mijnheer den Kolonel Douchant naar den Hage gezonden, met eene commissie aan de Staten, en om tegelijk hun gevoelen te ondertasten, en hij is nog niet terug. Mijnheer Fabroni is tegen alle andere ontwerpen dan zijne eigene, en dus zou ik niemand hebben om aan den Prins te zenden, zoo gij niet hier waart… Maar, Mevrouw! wat zal ik daaraf aan den Prins zeggen, wat zal tot uw welgevallen den Prins daarin kunnen doen? vroeg Honthorst, verdrietig.

— Maria zag hem aan met haar listigsten blik.

— Moet ik u dan alles zeggen, vroeg zij, begrijpt gij dan niet wat daarin ligt?

—Neen, Mevrouw! volstrekt niet! Zeg mij alles, of liever zeg mij niets; want voor mij heeft dit tafereel nog minder klaarheid dan een mijner Italiaansche nachttafereelen, sprak Honthorst met beduiding.

Maar de Koningin wilde hem niet verstaan, wilde zijn geheim wederstreven niet begrijpen, of zij hield zich overtuigd, dat haar einde hem met den aanvang verzoenen zou, althans zij vervolgde:

— Nu dan. Ik heb een middel uitgedacht om den Prins Frederik Hendrik een overwicht te geven in deze landen, groot genoeg om zijne weêrbarstige Staten welhaast naar zijne hand te stellen. Ik ga het u zeggen, opdat gij het den Prins zoudt voorstellen en deze zelf er van mag oordeelen.

— Zeg niets, Mevrouw! niets, wat verdeeldheid zou kunnen stichten tusschen den Prins en de Staten, want ik versta alles en ik kan dit niet langer aanhooren, riep nu op eenmaal Diedrik in zulk goed Italiaansch, dat der verschrikte Vorstin geen twijfel bleef of hij waarheid sprak.

—Heiligen des Hemels! riep Maria, wat is dat! ben ik dus verraden? en met de oogen wijd geopend van schrik staarde zij op Diedrik, terwijl zij met de uitgestrekte hand naar hem heen wees.

Hij was de estrade dicht genaderd, en stond nu daar in eene houding, die meer dreigends had dan ootmoedigs.

Honthorst, niet minder getroffen dan Maria zelve, was ook opgestaan, en riep hem nu toe: Meester Diedrik, voorwaar! gij stort mij in ’t verderf! maar toch dank ik u, want noch gij, noch ook ik mochten langer hooren, zoo wij trouwe wilden houden aan het Vaderland, en toch zwijgen, om geen kwaad te brengen over het hoofd van deze Vorstin.

— Zwijgen! Meester Honthorst, ik zou zwijgen waar ik zulke vondsten hoor tegen de rust en de eere van onze natie door eene vreemdelinge! riep Diedrik in de hoogste verontwaardiging.

— Bezadig u, om ’s Hemels wil, bezadig u! fluisterde Honthorst hem in; dit alles is van geene beduidenis zoo wij zwijgen, maar onvoorzichtiglijk verbreid kan het uiterst veel kwaad brouwen — ook deze ongelukkige Koningin, deze vrouw, gij zeidet, dat gij haar liefhadt…

— Ik weet niet hoe ik dus in doling heb kunnen zijn, hernam Diedrik verslagen, want hij was zich zelven een raadsel, en hij zag nog eens op de Koningin, die in ’t einde zwijgend en als verstijfd van ontsteltenis was blijven staan, maar bij wie de gloed van den toorn nu op het voorhoofd steeg, daar zij, na die samenspraak in hunne eigene taal tusschen Meester en leerling, den blik van den laatste nog stouter en koeler op zich zag rusten.

Zij onttrok zich daaraan door zich om te wenden naar Honthorst, en tot hem te zeggen op een toon van laatdunkende hoogheid:

— Meester Honthorst! gij moest toch uwe dienaren beter in respect houden, of ze niet in vorstelijke vertrekken inleiden… Die toon van minachting trof Diedrik scherper dan het toornigst verwijt; zijne gansche fierheid verhief zich en versterkte nog de verontwaardiging der vaderlandsliefde, en hij vergat dus geheel de rol, zoo gewillig en dankbaar op zich genomen.

— Ik ben geen dienaar van Meester Honthorst! Ik ben een vrijgeboren Nederlander, zoon uit een aanzienlijk Amsterdamsch huis, die niet langer kon aanhooren, dat men de stoffen samenbrengt, om in onze republiek discoord te stichten, dat op hare schade en de verkorting harer vrijheden kon uitloopen.

— En gij, gij, zijt niet verwonderd van die verklaring, Meester Honthorst! riep de Koningin. Honthorst haalde de schouders op en staarde verlegen voor zich.

— Dus een opzettelijk bedrog van u! en Maria’s oogen flikkerden van spijt en woede.

De schilder, die veel met Vorsten en Vorstinnen had omgegaan, wist dat hun toorn, zelfs de onrechtmatigste, nooit in zijn loop wil gestuit zijn, en zich liefst uitviert, eer men haar afbidt; die van Maria was niet onrechtvaardig, dien moest men dus bovenal die speling laten; ook antwoordde hij deemoedig:

— Ik heb schuld, Mevrouw! groote schuld, maar niet die welke Uwe Majesteit bedoelt; zoo haast het mij vergend is tot eene verklaring te komen…

— Ja! verklaar u, verklaar u: wij wachten, wij bevelen niet anders! riep Maria heftig.

— Vooreerst, Mevrouw! herinner u hoeveel malen ik uw verlof gevraagd heb om hem te verwijderen…

— Maar waartoe hem hierheen te brengen, zoo hij niet was wat hij scheen?

— Misschien zal Uwe Majesteit het vergeven, zoo ik haar alles zal hebben gezegd, begon Honthorst, nog genoeg verlegen hoe hij zijne ware bedoeling op wat gevallige wijze plooien zou voor het gehoor der Koningin.

— Dit bidde ik, Mevrouw! wil bedenken dat de zoon van zijn vader, een machtig Amsterdamsch koopman, even goede hope kon voeden op eene heusche ontvangst in dit paleis, als een mijner leerlingen… somwijlen uit den laagsten stand van ’t volk opgenomen…

— Maar juist onbeduidendheid was hier de beste qualiteit, merkte Maria aan.

— Ook zeker, had ik vooruit kunnen zien, dat deze zitting van Uwe Majesteit zoo groot verschil van onderhoud zoude opleveren met die van gisteren en eergisteren, overwaar ik had dit waagstuk niet aangevangen, zuchtte Honthorst.

De Koningin was intusschen meer bedaard geworden en had zich beraden.

— Het zij dan zoo, Mijneheeren! hernam zij, door verrassing zijt gij nu beiden in het geheim mijner plannen, dat ik slechts één uwer had willen aanvertrouwen, en wereldsche noch hemelsche macht kan maken, dat gij die geheimen niet weet; daarom is er voor mij maar ééne wijze om van uwe geheimhouding zeker te zijn, gij zult beiden die ontwerpen steunen, hetzij gij mijne inzichten deelt of niet; Mijnheer is de zoon van een rijk en machtig Nederlander, zooveel te beter, een zulk en heb ik juist noodig; gij, Mr. Honthorst! de gunst en het vertrouwen van alle Koningen en Prinsen zoudt gij verliezen, zoo het ruchtbaar werd hoe gij het mijne hebt geschonden, zoo dien mij dus ijverig en met oprechtheid.

— In alles, Mevrouw! zeide Honthorst, mits het niet zij in staatszaken, en bovenal niet zoo er de belangen der Staten of van den Prins in gemoeid zijn!

Maria deed of zij niet verstond.

— En gij, Mijnheer! vervolgde zij zich tot Diedrik keerende, gij schrijft aan uw vader, dat hij hierheen kome, en zich ten dienste stelle van de Koningin Maria de Medicis… zoo hij verlangt zijn zoon weer te zien…

Diedrik kon den glimlach niet bedwingen bij het denkbeeld van die uiterste tegenstrijdigheid. Zijn vader zich ten dienste stellen van eene Koningin! van de Koningin Maria de Medicis! de Katholieke, de listige Florentijnsche slange, als hij haar altijd noemde.

Maar de Koningin vervolgde ernstig. — Tot zoolang houde ik u hier als gijzelaar!

— Maar, Mevrouw! Mevrouw! liep Honthorst, dat is nu in trouwe een inval… zoo onuitvoerlijk als… Uwe Majesteit vergeve mij de uitdrukking… als onrechtmatig!

— Ik heb recht de wijze, waarop deze jonkman hier is binnengedrongen, en die waarop hij zich hier heeft gedragen, te nemen als gekwetste Majesteit, en mij dunkt, van deze beleediging zullen Mijneheeren de Staten toch hunne gast wel vergunnen zich te verdedigen of die te straffen, waar zij begaan is, en zoo niet. Zijne Hoogheid de Prins van Oranje, in wiens eigen paleis ik gastvrijheid geniet, zal mij toestaan mij daar tegen ongepaste aanvallen te verweren, zooals ik het zelve versta!…

— Zijne Hoogheid is zeker de ridderlijkste gastheer die er zijn kan, en Mijneheeren de Staten zullen altijd de grootste reverentie betoonen aan Uwe Koninklijke Majesteit; maar of het u daarom raadzaam of het doenlijk mag zijn dezen jeugdigen Heer in gijzeling te houden… sprak de schilder bedenkelijk.

— Of het mij doenlijk zal zijn, Mr. Gerard! Ik zal het doen, ziedaar mijn antwoord. Markies de Sourdiac! — zij ondersteld dien Heer zeker meer nabij dan hij werkelijk was, want zij verhief enkel hare stem, zonder eene schel te gebruiken of de dichte damasten tochtgordijn op te lichten. Ook kwam niemand. Honthorst had intusschen tijd gehad Maria dichter te naderen en in de uiterste vrees, dat de positie zich niet nog meer verwikkelen mocht door het vermeerderen der getuigen, fluisterde: hij Maria in:

— Mevrouw! beklaag veeleer den armen jonkman in plaats van hem te vervolgen, hij was niet wel bij zinnen, toen ik hem hierheen voerde.

— Ik versta u niet…

— Hij was ijlhoofdig van liefde… en het was om hem te genezen.

— Te genezen! herhaalde Maria.

— Soelaas te geven! verbeterde Honthorst ondanks zich zelven, dat ik hem gelegenheid gaf zich te verzadigen… met het aanzien van…

— Maar die fraaie passie zou dan opgevat zijn voor…

— Eene persoon zoo oneindig hoog geplaatst, dat zij niet anders heeten mag dan ijlhoofdigheid, hervatte Honthorst zich buigende.

— Ah! nu begrijpen wij alles, hernam Maria, terwijl zich de strengheid en de somberheid harer trekken verzachtten; welnu, Mijnheer! gij hebt gelijk, wij moeten geen ijlhoofdige straffen, wij zullen hem genezen.

— Dat was mijn intentie, Mevrouw!

— Maar gij hebt haar wat onhandig aangevangen, die genezing! glimlachte de Koningin.

De schilder meesmuilde op zijne beurt en haalde de schouders op.

— Ik heb gedaan wat in mijne macht was, mijne gebiedende Vrouwe!

— Zoo zal ik het overige doen! hernam Maria, een snellen blik op Diedrik werpende, die op verderen afstand stond. Laat ons samen, Mr. Honthorst! en zorg Monsieur de Sourdiac te verwittigen, dat ik zijns niet behoef.

Honthorst begreep, dat de genezing, die de Koningin op het oog had, vermoedelijk niet de richting zoude nemen, die hij had gevolgd, »maar, de onttoovering is nu toch reeds geschied en er is voor hem geen gevaar meer, aan die zijde ten minste, tegen het andere ga ik hem beschermen,” dacht Honthorst , terwijl hij zich verwijderde, na eene diepe buiging voor de Koningin.

Diedrik stond dáár wat vreemd en wat verlegen met zijne houding, toen de schilder hem dus in den steek liet, en de geheele verklaring van alles op zijne schouders wierp; hij had liever dit tooneel op eenige heftige wijze zien eindigen, ware het ook te zijnen koste, dan dus alleen te blijven met de Koningin, nu hij haar niets meer te zeggen had, dan dat hij hare intrigues afkeurde en geenszins te steunen dacht.

Men begrijpt uit dit woord, dat Honthorst juist had geraden, en dat de onttoovering werkelijk was geschied; maar of zij volkomen was, of de kwaal volstrekt tegen alle instorting gewaarborgd was, dit zal het vervolg leeren; wij zeggen liever eerst wat al tot de herstelling had medegewerkt. Natuurlijk het allereerst en het allermeest het zien der Koningin zelve van nabij, en beroofd van alles wat de illusie voor haar persoon kon versterken of slechts onderhouden; in zulk geval is iedere aanraking met de werkelijkheid voor al te hoog gestelde idealen gevaarlijk; maar waar zij deze vrouw gold, op dit oogenblik, moest zij vernietigend zijn. Het was juist niet hare mindere schoonheid, maar het was bovenal hare oudschheid, die op den jongen man de verpletterendste uitwerking had gedaan; hij had het gezegd, haar portret gaf eene vrouw van den leeftijd eener grootmoeder, en Maria de Medicis had werkelijk dit voorkomen; nog meer, hetgeen Diedrik in de overspanning zijner droom en niet had opgemerkt, of waarbij hij niet had doorgedacht; de weduwe van Hendrik IV had een zoon, die Koning van Frankrijk was, die echtgenoot en vader was, en een anderen, wiens tweede huwelijk eene der aanleidingen was van Maria’s ballingschap; zij had een dochter, die Koningin van Engeland was, om niet te spreke van de andere aan den Spaanschen Koning gehuwd! Ieder van die achtenswaardige betrekkingen, door Maria zelve, zonde eenige aarzeling, opgesomd bij hare mededeelingen aan Honthorst wierpen op den hartstocht van den jeugdigen Diedrik een glimp van belachelijkheid, die de uitwerking moest doen van doodend rijm op teere bloesems. Het oog opheffen tot eene Vorstin, was zeker eene ongerijmdheid, die hij zich zelven niet ontveinsde maar zij had al de poëzie van een tragischen toestand voor zich al kon zij nooit andere uitkomst hebben dan eene aanbidding in de verte, een staren in een glans, die verblindde, maar toch niet een zulke, die hem van schaamte deed blozen over zich zelven, en juist het zwevende, het onbestemde er van, kon het eerder voeden dan dooven; maar wat hij nu zag, wat hij nu hoorde; wat men hem nu deed ondervinden, was zoo ontnuchterend, dat hem niets van al zijn hersenschimmige smarten en gewaarwordingen overbleef, dan een gevoel van ergernis over zich zelven, dat de ergernis tegen haar niet weinig versterkte; want als wij gezien hebben, zijn toorn tegen de Koningin, in wie hij de vijandin van de rust zijns lands zag, had ook eene edeler beweegreden dan teleurstelling alleen. Daarbij kwam nog het gebrek aan minzaamheid, dat hij opmerkte bij de vrouw, waar zij niet openlijk vertooning moest maken met die lievenswaarde hoedanigheid, en de diepe minachting, waarmede vorstelijke trots zijn fijn gevoel had gewond; zekerlijk had Maria dit niet kunnen weten; maar hare laatdunkende blikken, op den leerling van Mr. Honthorst geworpen, vielen als vlijmend staal op den man, die daar was gekomen, om zijn hart aan hare voeten te leggen, maar niet om zijn voorhoofd door die voeten te laten vertreden. De Hollandsche burgerzoon kon de minnaar zijn van eene Koningin, maar niet haar hoveling, en toch nu de eerste gedood was, kon de laatste alleen den jongen Diedrik helpen eene goede figuur te maken tegenover eene vrouw; die hij minder dan ooit konde mededeelen wat in hem was omgegaan.

De houding van Diedrik, na het heengaan van Honthorst was dan ook onbeschrijfelijk linksch, en om te verbergen hoe weinig hij zich op zijn gemak voelde, nam hij het barste en stroefste uiterlijk aan, dat hem mogelijk was.

Maria, integendeel, verzachtte al meer en meer de uitdrukking van haar gelaat, gevoelde meer dan ooit haar overwicht als Koningin en als vrouw, en juist omdat haar scherpe blik in zijne strakheid den uitersten schroom doorzag, en zij daarvan de oorzaak meende te raden, wilde zij door winnende goedheid die nevelen wegvagen, en tegelijk dien pijnlijken indruk uitwisschen, dien hare heftigheid en onwil op hem konden gemaakt hebben; zij zag eene wijle zwijgend naar hem heen, en beval hem toen op zachten toon nader te komen; hare stem had weer geheel het fluweelachtige, dat Diedrik eens een oogenblik zoo vleiend had toegeklonken; het was niet de stem eener Koningin, die beveelt, maar eener vrouw, die aanmoedigt; ook had Diedrik een man moeten zijn als zijn vader, zoo hij niet onwillekeurig aan die uitnoodiging had gehoor gegeven, en reeds veel was het, daar zij hem een tabouret aanwees, dicht nevens haar zetel, dat hij bleef staan.

— Gij waart dan wel nieuwsgierig naar mijn… huiselijk leven, dat gij tot in mijne binnenvertrekken zijt doorgedrongen, onder zulke vermomming? begon Maria.

— Noem het geene nieuwsgierigheid, Mevrouw! het was iets anders… Mr. Honthorst heeft het zeer goed gestempeld: het was eene vlaag van uitzinnigheid, daarvan ik mij zoo diep berouwe, dat Uwe Majesteit zelve haar verschoonen zou, zoo zij in mijn gemoed konde lezen, en den moeielijken toestand konde peilen, waarin ik mij door deze onbedachtzaamheid heb gebracht.

— Zonder u daarvan verder rekenschap te vragen, vergeef ik het u, — sprak Maria, maar niet, dat gij beter betrouwen hadt op de hulp en de tusschenkomst van Mr. Honthorst, dan op onze goedheid; ik had den zoon van een voornaam Hollandsch Heer met vreugde tot mij toegelaten…

— Mijn vader zelf zou het mij niet vergund hebben, hij is een streng republikein!… en een Hollander van zulke gezindheid, dat al het vreemde hem onrust geeft en tegen is… antwoordde Diedrik, die maar volstrekt de vergoelijkende wendingen van den hoftoon niet vatten kon.

De Koningin, die reeds overwogen had, dat het haar ondoenlijk zoude zijn strengheid vol te houden, vond het raadzaam er niet mede te beginnen, en deed of zij dit laatste niet had verstaan.

— Maar in trouwe, riep zij, die stem is mij niet gansch vreemd: dit uiterlijk, en zij zag scherper op hem, dit uiterlijk is mij niet onbekend… het is mij of ik u meer heb gezien?

— Uwe Majesteit is wel goed zich dit te herinneren… ik ben de jonkman, die…. die u eens eene oorbagge heb terug gebracht… hernam Diedrik kleurende en ontdaan bij de herinnering van de groote beteekenis, die deze eenvoudige daad voor hem had gehad.

— Ah juist! nu ben ik er, en die teruggave werd gedaan met eene heuschheid, met eene hoffelijkheid… het foudraal dat mijn kleinood overbracht, was zoo rijk als het verlorene zelf! die wijze van handelen had iets grootsch, iets vorstelijks.

— Och neen, mevrouw! het was enkel de hulde van een burger aan de vorstelijke gast van zijne overheid…

— En gij hebt daarvoor niet eenmaal eenig tegengeschenk ontvangen, riep zij verdrietig; ik weet het, mijn gehaast vertrek heeft mij verhinderd daarop te denken.

— Uwe Majesteit! het was om bewijs te geven, dat men dit niet wachtte, niet wenschte, dat de oorbagge u op zulke wijze overhandigd werd, hernam Diedrik fier .

— Zou er dan toch niet eenig loon zijn uit te denken, zonder uwe fierheid te krenken, trotsche jonkman? vroeg Maria, half schertsend, half bitter.

— Uwe Majesteit heeft aangenomen, er was mij geene andere voldoening noodig.

Ditmaal moest Maria begrijpen, en hare gevoeligheid toonen.

— Het zij zoo! doch daar Vorstinnen moeielijk geschenken kunnen aannemen van burgers, zonder ze te vergelden, hebben wij het uwe aan eene onzer hofjufferen gegeven, die er begeerte naar toonde. ’t Is Mademoiselle d’ Arcy, die intusschen bereid zal wezen tot de teruggave, nu die ons mogelijk is geworden!

Diedrik begreep volkomen de bedoeling van dit woord; het verbitterde hem en maakte zijne houding nog meer gedwongen; maar hij wist geen antwoord dan een zulk, dat van zijne verveling getuigde.

— Mr. Honthorst toeft vrij lang met te komen, sprak hij, om zich ziende, als zocht hij dien met het oog.

— Mr. Honthorst zal niet komen dan op ons bevel, hernam Maria; maar nu gij hem mij herinnert, hij was mij aanbevolen als een treffelijk schilder en een abel man; aan zijne verdiensten als konstenaar wil ik niet te kort doen, doch hij blijkt mij een mensch, vrij, maar al te vermetel en te onbedacht in zijne handelingen; — zich te leenen tot deze mommerij van u!

— Mevrouw! overzeker de intentiën van Mr. Honthorst waren goed, ik alleen was de loshoofd, de onbedachte, de schuldige, ik beken het, door mijn uitval, daar hij mij aanbevolen had het striktste stilzwijgen in acht te nemen en alleen mijnen oogen vrijheid gaf zich te vermeiden.

— Hij bracht u als een spie in mijne tegenwoordigheid, is dat niet schuldig?

— Geen spie, maar een ongelukkige, dien hij tot helderzien, tot bewustheid van zijn toestand wilde terugbrengen, en het is hem gelukt, Mevrouw! welzeker gelukt, ik ben gekomen tot het volle besef mijner onmetelijke dwaasheid, om…

— Welnu…? lispte Maria, die wellicht aan de dagen terugdacht, dat Bassompierre haar stoute liefdesverklaringen deed.

— Om mijne oogen op te heffen tot eene koningin!

— Eene dwaasheid, dus gul bekend, is reeds ontschuldigd, mijn vriend! zeide Maria; maar te minder begrijp ik, dat gij u eene wijle als mijn vijand hebt aangesteld, noch hoe gij op u zelven verkrijgen kost, mij te beleedigen en te ontrusten…

— Maar, Mevrouw! hoe konde Uwe Majesteit zich dus de vijandin toonen van de rust en het welzijn dier zelfde menschen, die haar met zoo goede genegenheid en zoo schitterend eerbetoon hebben ontvangen in hun land, in hunne steden, in hun paleis? vroeg Diedrik, niet scherp, maar met al den gullen eenvoud van iemand, die alleen gewoon is met zijns gelijken om te gaan; onder den invloed van zijne passie ware hij zeker in woord en als in daden aan hare voeten geknield geweest; nu stond hij voor haar, recht overeind, en waar zij hem geene achting inboezemde, drukte hij zonder verschooning uit wat hij meende te moeten zeggen.

— Mijnheer! gij spreekt dus tot mij, tot eene Koningin! Gij ondervraagt mij!

Maar plotseling indenkende, dat die toon der koninklijke fierheid haar niet gelukken zou tegenover den stroeven jonkman, die wellicht in haar het liefst en het eerst de vrouw zou willen zien, of wel onwillekeurig medegesleept door het pijnlijke besef van hare onmacht om zich te laten gelden, riep zij uit op een toon van leed en ongeduld: o! Maar gij zijt dan gansch zonder medelijden voor de vrouw, dat gij eene Vorstin als mij dus zonder verschooning behandelt, — dat gij niet gevoelt hoe dubbel pijnlijk de beleediging vallen moet aan eene Koningin, die als ballinge zwerft buiten haar rijk.

Het beroep op zijne edelmoedigheid was niet tevergeefs gedaan.

— In trouwe, ik heb ongelijk, groot ongelijk, riep Diedrik getroffen, en liet zich nedervallen, de knieën buigende bij het besef van haar rampspoed. — Wil doch de gulgauwe woorden vergeven; maar ik ben niet zonder mededoogen, niet zonder eerbied voor het ongeluk dat zoo groot eene Vorstin dus onmachtig maakt.

— o! Zoo er medelijden in u was, zoudt gij er eer op denken mij te dienen, dan mij tegen te zijn, sprak Maria met haar verleidelijksten glimlach, en reikte hem hare hand als om op te staan, eene fijne, blanke, gevulde hand, die de schilders van Florence tot model hadden gewenscht, en die Honthorst zelf nog niet behoefde te vleien; en hoe het zoo kwam, Diedrik had het u zelf niet kunnen zeggen, maar hij drukte een kus op de zachte mollige vingeren, en met dien kus scheen hij opnieuw de betoovering in te drinken, waartegen Honthorst hem veilig had geacht.

— o! Maar, Mevrouw! wees zeker, dat ik waarheid spreek als ik u mijn medegevoel betuig, en dat ik het wensch te betoonen door alle diensten, die in mijne macht zijn.

— o! Indien u dat ernst ware!

— Mevrouw! wil gelooven! ik zeg nooit wat niet in volkomen oprechtheid gemeend is.

— En hoe licht zou het u vallen, dat wat ik u te vragen heb!

— Al ware het moeielijk, Mevrouw! mocht het moeielijk zijn! riep Diedrik in eene zekere overspanning.

— Niet waar, gij gevoelt het zelf, dat gij mij eenige vergoeding schuldig zijt…

— En ben bereid die te geven, mijne Vorstin! sprak hij met galanterie.

»e Kolonel Douchant!” klonk de stem van een page, die aandiende.

— Juist nu gestoord te worden, riep Maria met spijt, terwijl zij een onwilligen blik wierp op den Kolonel zelven, die binnenkwam.

— Uwe Majesteit had bevolen, dat ik onverwijld tot haar zou de komen bij mijne terugkomst, begon deze verontschuldigend.

— Het is zoo, Mijnheer! en gij hebt gelijk, wij zijn verlangend uwe berichten te hooren; zij wenkte hem te naderen, en sprak tot Diedrik met zacht bewogene stem en bijna als eene smeekende. — Het is mij goed, dat ik eerst weet wat hij brengt, eer ik uwe hulp inroep, alleen gij gaat niet heen, gij wacht tot ik u nader zal gesproken hebben?

— o! Zeker, zeker! ik zal wachten, riep de jonge man in verrukking, want in zijn oog scheen zij schoonheid en bevalligheid herkregen te hebben bij den blik, dien zij toen op hem wierp, en bij den blos van voldoening, die hare wangen kleurde.


Ingezonden op: 19 July 2001