HET HUIS HONSELAARSDIJK IN 1638

VI.

De Koningin krijgt bezoek.


Maar het was Honthorst niet toegezegd, dat hij even rustig zijn post betrekken zou. Om in de bedoelde gaanderij te komen, zonder den ongewonen weg te nemen, dien Jonkvrouw d’Arcy en haar geleider gekozen hadden om die te verlaten, moest hij eerst het hoekpaviljoen binnengaan dat er heenvoerde, en den ingang daartoe kon hij niet bereiken, zonder het plein over te steken en langs de groote hofpoort voorbij te gaan, die tegen over eene der ophaalbruggen lag. Die poort stond bij dag gewoonlijk open; tegen onbescheiden indringen van wie geen recht hadden binnen te treden, was er genoeg voorzorg genomen door eene goede wacht, en daarbij de eerbied voor een vorstelijk verblijf, voor het lusthuis van den Stadhouder, den geliefden Frederik Hendrik, hield het goede volk wel terug zonder stoffelijke belemmering; en personen uit een stand boven de volksklasse verlaagden zich niet om hunkerend op plein en basse-cour rond te dwalen, terwijl hun de intrede tot het lusthuis zelf niet veroorloofd was. De lustige en luidruchtige stoet, die deze poort binnentrok op het oogenblik dat Meester Gerard voorbij wilde gaan, was dus wel een gezelschap van rechthebbenden. De wijze ook waarop het zich aankondigde, getuigde dat. De schildwachten stelden zich en haie en bewezen krijgseer. Loopers en heidukken snelden vooruit, om ieder oponthoud, iederen hinderpaal uit den weg te nemen, door het enkel uitroepen van de namen der komenden.

En welke namen ook hadden zij te noemen!

»Hare Doorluchtige Hoogheid de Prinses van Oranje!”

En de witte telganger, die de fiere Vorstin, de prachtlievende Amalia van Solms droeg, trappelde brieschend en snuivend, onder den dwang van den strakken teugel, de poort in, den fijnen kop zoo trotsch opheffende, en den strakken hals zoo sierlijk krommende, als had hij bewustheid van den last, dien hij droeg.

Over hare amazone, van gebloemd, zwart fluweel, droeg zij een purperzijden vlieger of bovenkleed, met sabelbont omzoomd, eene voorzorg, die ’t vergevorderd seizoen en de nabijheid der zeekust, zelfs bij fraai weêr, niet overbodig maakte. Op haar kapsel droeg zij den ronden Franschen hoed met twee of drie afhangende struisveêren; voor ’t oogenblik dus had zij niets dat haar van andere dames van hoogen rang kon onderscheiden, dan die zekere wijze van zich te toonen en te houden, die terstond de vrouw schetste, fier op vorstinnenrang, en voor wie het gebieden gewoonte was geworden. Naast haar reed hare tweede dochter, de jeugdige Albertina-Agnes, en… was het een schuchtere page, die uit eerbied twee of drie passen achter de Prinses terugbleef, daar hij, als haar cavalier, het recht moest hebben aan hare zijde te rijden? Of was het niet het verschil van rang, dat hem zoo schroomvallig maakte tegenover eene Prinses, maar veeleer omdat hare ontluikende bekoorlijkheden reeds de aandacht trokken van den jonkman? — Dat laatste durven wij gerust onderstellen, want een loop er die de kleuren droeg van het Huis van Nassau, hoewel met de onderscheiding, die de Friesche tak had aangenomen, riep niet minder luid zijn naam, dan een der vorigen was uitgeroepen:

»Zijne Genade Willem Frederik, Graaf van Nassau!”

Willem Frederik van Nassau, tweede zoon van Ernst Casimir, was toen nog bij zijne vorstelijke verwanten van Oranje geliefd als een zoon, en hij had zich kunnen verbeelden naast zijne zuster te rijden, zoo zijn oog niet met een ander dan broederlijk gevoel op de zachte Albertina had gerust. Maar hare groote jeugd en de wisselende belangen der staatkunde benevelden zulke uitzichten voor den jongen Graaf. Toen deze groep was binnengetrokken met de statigheid, die de Prinses aangaf, riep een heiduk snel:

»Hare Majesteit, de Koningin van Bohemen, Keurvorstin van de Paltz!” En tegelijk schaarden zich allen ter zijde, die eerst den voortred hadden genomen, zelfs de Prinses, want de snelle draf, waartoe die stoute rijderes en de dames, die haar volgden hare vurige genetten hadden aangeprikkeld, liet zich niet zoo schielijk tot den pas dwingen, en ’t moest zelfs wat vreeze geven, voor wie het aanzagen… maar de uiterste behendigheid dier Amazone bleek: dicht bij de Prinses gekomen, dwong zij met een forschen ruk aan den teugel het dravende ros tot volkomen ruste, en zich buigende met bevalligheid en met eene lichtheid, als ware zij uit een armstoel opgerezen, groette zij de Vorstin met hare rijzweep.

Het was in waarheid een wonder aantrekkelijk schouwspel haar dus te zien, de Vorstin, nog meer belangwekkend door haar ongeluk dan door haar rang, en bekoorlijk meer nog door betooverende losheid en gratie van houding en manieren, dan juist door uitstekende schoonheid. Maar het eigenaardige van hare bevalligheid kwam juist het best uit, als zij een fier ros tot voetstuk had, eene rijkleeding tot draperie. Onder de Vorstinnen van haar tijd werd zij geroemd als de stoutste Amazone, en geheel het voorkomen dezer kleindochter van Maria Stuart beantwoordde aan die faam; hare gestalte, slank en buigzaam, getuigde van kracht en vastheid; hare houding was fier, maar zonder stijfheid; hare bewegingen waren vlug, maar besloten, en haar blik was snel en scherp. Zij had het gewelfde voorhoofd en de zonderlinge uitdrukkingvolle oogen harer grootmoeder; maar voor ’t overige waren hare trekken wel wat te sterk en te hard voor eene vrouw, en daarom paste haar zoo goed eene kleeding, die zonder het vrouwelijk karakter geheel te verliezen, toch eenige overeenkomst had met een mannelijk gewaad. Hetzij eene luim van het oogenblik, waarin zij zich met herinneringen van vroegere grootheid wilde begoochelen, hetzij enkel uit voorliefde tot het bevallige kostuum, de Koningin van Bohemen droeg de nationale kleeding van haar verloren rijk, die zich, met eenige wijziging, werkelijk goed eigende tot een rijgewaad. Geregen halve laarsjes van rood marokijn leder, scherp gepunt, in tegenstelling van het breede vierkante voetschoeisel der eeuw, en met borduursel van gouddraad en zijde opgewerkt, deden haar fijnen voet volmaakt recht; een ruime pantalon van fijn wit cachemir, zich vastsluitende aan die laarsjes, liet zich intusschen meer gissen dan zien, daar het onderkleed van gele damastzijde, met fijn sabelbont omzoomd, zeer laag nederhing; het open jasje of lang vest, dat zij daarover droeg, was van donkerblauw fluweel, met purperzijden voering, als te zien was uit de puntige, fladderende voorpanden, en de wijde mouwen, die, ter halverwege open, slechts ter verwarming der polsen schenen gebruikt te worden, waar zij dan ook gesloten en met bont omzet waren, die van ’t onderkleed deden werkelijk dien dienst, zij waren strak en sluitende; de keurs van goudlaken, die zichtbaar werd gelaten door het open overkleed, was rijk bezet met fijngeslepen Boheemsche granaten; waren het juweelen geweest, wij zouden de echtheid verdenken en… om redenen; maar voor de echtheid der rijen paarlen, die van haar hals nederhingen tot op den gordel durven wij instaan, omdat zij haar toekwamen van de Staten, die er haar meê begiftigd hadden, toen zij als gelukkige bruid van den Keurvorst Frederik de reize nam over den Haag, om naar zijne erflanden te trekken. Als verweduwde Koningin, waren zulke gedachtenissen van vroeger geluk zeker de laatste, waarvan zij zich zou ontdoen. Ook zag men op de kleine roodfluweel en muts, die zij droeg, nevens den breeden rand van bont, nog de aigrette met zes en dertig hangende diamanten schitteren, gelijktijdig door dezelfde gevers vereerd, die werkelijk, als zij overgingen tot hetgeen zij »een reëel compliment” noemden, bewezen, dat zij vorstelijke mildheid wisten te oefenen nevens burgerlijke spaarzaamheid. Die muts of barret, fonkelend van schitterende gesteenten en een weinig schuins vastgezet op de prachtige lokken, stond bij hare gelaatstrekken zoo uitnemend goed, en de mengeling van vorstelijke stoutheid en aanvallige vrouwelijke schalkheid kwam er zoo sprekend door uit, dat een Vorst voor haar gebogen zou hebben als voor een gelijke, en een burger toch moed zou genomen hebben haar de hand te kussen, niet als eene Vorstin, maar als eene schoone vrouw. Deze bekoorlijke vrouw dan, na zich gebogen te hebben, als wij zeiden, voor de Prinses van Oranje, zag even om naar de dames die haar volgden, terwijl zij zeide :

— Uwe Hoogheid was mij meer dan eene halve mijl vooruit; maar mijn verlangen haar in te halen was zoo groot, dat ik gereden heb, bij mijne trouwe! als een koerier die goede tijding brengt, en die kinderen mij ternauwernood konden bijhouden. Die kinderen… dat waren hare beide dochters en haar jongste zoon, Prins Robert, nog een knaap, maar zij hadden toch van geene kleine behendigheid in de rijkunst blijk gegeven, want zij had slechts eenige stappen op hen vooruit; — meer langzaam, meer voorzichtig, meer schuchter, of meer achteloos en minder begeerig, om aan het doel van den wandelrit te komen, volgde eene wijle daarna nog eene dochter der Koningin: Prinses Louise. Deze werd geleid door twee cavaliers, die beiden ook zich geene moeite gaven haar met hun voorbeeld haast te prediken. De een werd aangekondigd als:

»De Landgraaf Willem van Hessen!”

De ander scheen geen titel te hebben, die op zulke wijze nevens die der hooge personen mocht worden uitgesproken; maar zekerlijk zoo persoonlijke voordeelen in rekening waren gekomen, had hij niets behoeven toe te geven aan iemand van ’t vorstelijk gezelschap, zelfs niet aan den jeugdigen Landgraaf zelven, die voor den edelsten en beminnelijksten Prins van ’t stadhouderlijk hof doorging. Vreemd was het, dat deze geheele stoet, dus in twee groepen verdeeld, zonder eenig mannelijk geleide was dan de genoemde heeren, een klein gevolg van pages en piqueurs uitgezonderd, die welhaast aankwamen, voor. afgegaan door eenige staatdames der Vorstinnen, die, of door bescheidene terughouding, of werkelijk door mindere geoefendheid ietwat achtergebleven waren.

Het spreekt vanzelf, dat onze schilder, zich kruisend met zulk en stoet, niets had kunnen doen dan eerbiedig ter zijde treden, en met een pijnlijk gezicht den hoed afnemen, dien hij pas wat dieper in de oogen had gedrukt, om niet terstond herkend en aangesproken te worden door de personen, die hij zou ontmoeten. Toch troostte hij zich, terwijl hij bij zich zelven zeide:

— Dat ’s misschien eene uitredding voor vriend Diedrik, schoon hij het eene kwade fortuin zal noemen; dit doorluchtig bezoek, dat zij ontvangt, zal de Koningin wel voor vele uren beletten aan hem te denken, zoo niet maken dat zij hem gansch vergeet, en zoo ze zich zijner daarna mocht herinneren, heeft ze licht die gedachte diensten niet meer van doen, en ik zal dat moment waarnemen en zorgen, dat hij oorlof krijgt om te gaan, want deze lucht deugt niet voor dit jonge mensch, en zijn hierzijn bezwaart mij de consciëntie…

Terwijl de schilder deze overwegingen maakte, was een deel van het hooge gezelschap afgestegen met de hulp van allerlei soort van hofbeambten, in der haast toegeschoten.

De Markies de Sourdiac had de Prinses binnengeleid, en andere aanzienlijke heeren van het gevolg der Koningin Maria bewezen dezelfde diensten aan de Koningin van Bohemen en aan hare dochters. Willem Frederik had de stoutmoedigheid genomen zijne dame den arm te bieden…

Intusschen waren de twee cavaliers met de jonge Prinses Louise eindelijk genaderd. En Honthorst kon zijn uitroep van verwondering niet terughouden, toen hij in den eenen den schoonen jonkman van het balkon herkende.

—Ter sluik weggevloden en nu triomfantelijk te keeren in ’t gezelschap van Mijnheer den Landgraaf, en als geleijonker mijner bevallige leerlinge, de Prinses Louise! en dat hij het is, hetzij door de keuze der jonge Vorstin, hetzij door vrijpostige stoutigheid, dat blijkt wel, want daar helpt hij haar van het paard! voorwaar, die kwant verstaat de hofkonst.

Inderdaad, de jonge Graaf Willem was zelf uit den zadel gesprongen, maar had aan René de l’Espine de eer gegund de dame tot afstijgen de hand te reiken, en de minnelijke glimlach, waarmeê zij die hulp aannam, bewees, dat de Prinses er zich niet slechter door gediend achtte. Honthorst verbeeldde zich zelfs, dat de cavalier langer dan volstrekt noodig was hare hand vasthield; zoo dit waarheid was, dan strafte zij die stoutheid niet dan door dieper te blozen, en de straf, die hij had verdiend, trof slechts Mijnheer Baudrin, een edelman der Koninginne-moeder, die haar den arm kwam bieden om haar binnen te leiden, want een koele blik en een misnoegde trek op het lief gelaat was zijn loon voor die hoffelijkheid.

De l’Espine’s oog ook rustte lang niet vriendelijk op dien heer, terwijl hij zijne buiging maakte voor Louise; daarop wendde hij zich snel naar den Landgraaf. Deze was nauwelijks van zijn paard gesprongen, of hij had Honthorst opgemerkt en liep op den schilder toe, terwijl hij uitriep:

— Dat spelt mij goeds van mijn bezoek op Honselaarsdijk, dat ik bij ’t afstijgen terstond den man ontmoet, over wien ik den ganschen morgen gedacht en gesproken heb.

— Uwe Genade meent MIJ, Gerard Honthorst? vroeg de schilder, minder bevreemd intusschen dan hij zich voordeed, want hij was het meer gewoon, dat die groote heeren hem begroetten met eenige hoffelijkheid, als zij iets van hem verlangden.

Ganz gewiss U, heer Honthorst! schilder van Hare Doorluchtige Hoogheid de Prinses, en van hoeveel doorluchtigen en hooggeborenen niet al…

— Het strekt mij tot zonderling groote eere…

— Gij zegt dat zoo koel, omdat ge mij niet gelooft, maar ik zal u overtuigen, heer Ridder! en hij wenkte de l’Espine, wiens gezicht vrij strak stond na de gedwongen scheiding van zijne dame.

— Heer Ridder! is het niet waar dat ons onderhoud op den wandelrit nauw over ietwat anders geloopen heeft dan over de nobele konst van Mijnheer…

— Ongetwijfeld! Uwe Genade, hernam de l’Espine, vorschend op Honthorst ziende, dien hij niet kende, alleen de naam van Mijnheer…

— De schilder Honthorst! hernam de jonge Graaf levendig, en als met een blik van verwijt.

— Het is waar! het is waar! wij hebben veel gesproken over teekenkonst en bovenalover fraaie conterfeitsels, begon René meer gevat.

— Het is zoo, wij hebben niet met name van Mr. Honthorst gesproken, hervatte Willem wat verlegen, maar toch daar hij het is, die de Prinses Louise in de teekenkonst onderwijst…

— Gij, Mijnheer! riep de l’Espine levendig, en met courtoisie zich naar hem heen keerende, gij zijt het die de eere hebt…

— Ja, Mijnheer! ik, hernam Honthorst kortaf, want daar hij het gesprek tusschen dien jongen edelman en Mejonkvrouw d’Arcy niet had kunnen verstaan, schenen hem de samenkomst op het balkon en de wandelrit met de jonge Prinses van Bohemen bewijzen, dat die jonkman het hof maakte aan twee dames tegelijk, en het verminderde vrij wat de sympathie, die hij opgevat had voor diens bevallig uiterlijk.

— En gij begrijpt wel, heer Honthorst! hervatte Graaf Willem, dat het niet bijgeval was dat wij ons over zulke zaken onderhielden.

— Voorzeker neen, Uwe Genade! antwoordde Meester Gerard met zijn schalken glimlach; maar de Graaf was verhinderd dit antwoord te hooren; een page van de Prinses kwam schielijk naar hen toe en boodschapte, dat de Koningin haar doorluchtigen gasten, ter verwelkoming, was te gemoet gegaan tot in eene der antichambres, en dat er naar Zijne Grafelijke Genade was geinformeerd.

— ’t Is waar ook! ik ben hier gekomen om de Koninginnemoeder! riep de jonge Vorst, waarde heer Honthorst! sprak hij zacht, niet waar, straks vind ik u nog hier?

— Tot uwe bevelen, Heer Graaf! antwoordde deze.

— Kom, de l’Espine! volg mij! Deze ook keerde zich tot den schilder en scheen hem iets te willen zeggen; maar Honthorst deed alsof hij ’t niet opmerkte, en de jonge Landgraaf nam haastig Renés arm en voerde hem met zich.

— ’t Lijkt wel of ze mij vandaag allen van doen hebben, sprak Honthorst in zich zelven meesmuilend, en toch, als het er op aankomt, is er onder die allen niet een, die werkelijk naar mijne konst vraagt, om haar zelve, en naar den konstenaar… zeker niet meer dan als het middel, waardoor zij voor hunne begeerten of hunne ijdelheden voldoening wachten; doch de Koningin zal nu wel voor een goed uur bezet zijn; deze heeren vinden zoo ras niet hunne vrijheid weêr; Mejonkvrouw d’Arcy moet nu al voorlang zijn teruggekeerd of haar uitstap zou opgemerkt worden, ik heb dus niets beters te doen dan den armen Diedrik af te lossen, en hem voor te stellen den maaltijd te nemen tot Naaldwijk.

Maar reeds vond hij den jongen Amsterdammer niet meer op de plaats, die hij zijn post noemde, en evenzeer ontrust als ontevreden, nam hij haastig het noodigste in eene herberg van het dorp Honselaarsdijk en keerde toen schielijk naar het kasteel terug, om van Diedrik’s afzijn opheldering te verkrijgen.


Ingezonden op: 19 July 2001