HET HUIS HONSELAARSDIJK IN 1638

IX.

Bontgenoten.


De verhouding tusschen Mevrouw de Sourdiac en den Ridder de l’Espine moest wel eene vreemde zijn. Zij was de hooghartigste en vernuftigste vrouw van Maria’s gevolg; zij achtte zich de aanzienlijkste; wie zich tegen haar waagde, kon zeker zijn van een scherpen en bitsen strijd, en de Ridder nam tegenover haar den toon aan van een meerdere, van een strengen meester, en zij duldde dien toon, zij stelde tegen die aanmatiging nietsdan volgzamen deemoed, De Ridder, die zoo galant was tegen alle vrouwen, en die gewoon was over hare harten te heerschen, alleen met den tooverstaf zijner fijne galanterie, zeide haar geen hoffelijk woord, had voor haar geene andere dan koude en scherpe blikken; zij was eene coquette, die zeker zulk eene verovering zeer zou gewenscht hebben, en toch, zij getroostte zich zonder spijt zijn achteloozen toon, zijn voorbijzien van hare vrouwelijke voorrechten, Tot aan den vijver was hij zwijgend met haar voortgewandeld, en had haar geen woord toegesproken, geene vraag gedaan; — maar zoo haast ze zich dáár bevonden, liet hij haar arm los, ging leunen tegen een zwaren boom, kruiste de armen over de borst, en zeide toen:

— En nu, Mevrouw! is het hoog tijd, dat ik eindelijk ingelicht worde van hetgeen hier voorvalt.

— Och, mijn Hemel, Ridder! geloof mij, hier valt niets voor dat uwe aandacht verdient, of dat uw toorn behoeft op te wekken, ik althans heb in dit alles geene schuld!

— Valt er niets voor, Mevrouw! zooveel te erger! Ik meen, toch wij waren afgesproken, dat er groote gebeurtenissen zouden daargesteld worden, in zoover ze mogelijk zijn in dezen beperkten kring! Voorwaar, zoo er niets voorvalt, heeft men alle reden om over uw ijver voldaan te zijn! sprak hij met bijtende hardheid; maar wees op uwe hoede, Mevrouw de Sourdiac! dat gij den gunstigen tijd niet laat voorbijgaan, want het getijde der genade ook kan verloopen!

— Ik zie wel, Ridder! gij zijt ontevreden en… zeker gij hebt gelijk, ik ben er zelve verlegen mede, dat wij nog niet verder zijn; maar er zijn zaken, die men met overhaast dwingen niet verkrijgen kan.

— Neen, daarin hebt gij recht; maar men kan de gelegenheden aangrijpen als zij zich voordoen… het is zoo, daartoe behooren eene behendigheid en een goede wil, die men in de Markiezin de Sourdiac had gewacht, doch die ik niet in haar heb gevonden.

Zij glimlachte gedwongen als eene die gloeit van spijt, maar die niet boos durft worden, en die afleiding zoekt in scherts.

Ah ciel, Ridder! gij zijt dan ook heden in de slechtste luim van de wereld; uwe schitterende blauwe oogen, anders het azuur van den Italischen hemel gelijk, zijn duister en beneveld als de zware lucht in dit barre land! Ik wenschte dat ik de glimlachjes des Prinses Louise van Bohemen kon leenen, om zoo sombere wolken te verdrijven! sprak zij op haren vleiendsten toon.

— Er is hier geene sprake van mijn uitzicht, noch van iemands glimlachen, hernam hij strak; wij hebben de zaken te doen van onzen Meester, Mevrouw! en die gaan heel weinig vooruit. Gij kent Richelieu zoo goed als ik; ik moet morgen dépêches naar Parijs zenden; ik heb niets te schrijven, en gij vindt het vreemd, dat ik ontstemd ben en mijn misnoegen uitspreek!

— Niets te zeggen, Ridder! — vergeef mij, maar nu ook overdrijft gij…

— Het is zoo, ik kon schrijven dat de Koningin den Prins van Oranje schepen laat vragen voor haar overtocht naar Engeland; ik kon zeggen dat zij in de beste harmonie is met de Heeren Staten van Holland, die opnieuw voor morgen audientie bij haar hebben aangevraagd, als de Kolonel Douchant mij zeide; dat de Hollandsche grooten haar liefhebben en met iederen dag haar nieuwe hulde brengen; dat het tusschen haar en de Prinses van Oranje is als twee zusters, of liever als twee commères, die samen een huwelijk klaarmaken, en dat alles, dank zij het schrander beleid en de omzichtige handelwijs van den Vicomte Fabroni, die verder goed gesteund wordt door de andere grooten van het gevolg der Koningin, tot zelfs door Mevrouw de Sourdiac toe, welke allen in de volkomenste overeenstemming leven, en samenwerken, om hare Vorstin de waardigheid van haar rang te helpen ophouden, Ja! dat kon ik schrijven en zal het doen, wees er zeker van, Mevrouw! maar of dát in den geest van den Kardinaal zal zijn, en welk antwoord daarop moet volgen, laat ik u zelve ter overweging over.

— Luister, Mijnheer de Ridder! dat gij misnoegd en verlegen zijt, begrijp ik; maar gij zijt toch ook onbillijk en gij zoudt onwaar zijn, zeer onwaar, zoo gij zulke berichten afzondt: het is zoo, de Koningin heeft van haar vertrek gesproken als zeer nabij; maar gij weet uit welken drang zij zich daardoor meende te redden, en gij weet als ik, of liever door mij, wat haar dezen morgen de berichten uit Engeland hebben gebracht, dat zij ze met heete tranen en in de heftigste onrust beweent!

— Maar gij hebt gesproken van een biljet, dat zij schielijk aan de opmerking van u en van Mevrouw Fabroni wist te onttrekken! En wie zegt ons, dat zij niet daaruit haar stouten moed grijpt…

— Dat is niet te denken; het is zoo, het adres was eigenhandig van den Koning; maar daar zij het niet heeft geopend in ons bijzijn, is dit alles wat ik weet.

— Dat is juist het ergste, in zulk een geval moet men weten.

— Maar in ’t eind, ik kon toch de papieren van de Koningin niet ontvreemden!

— O, Mevrouw! er wordt wel wat anders ontvreemd, hier aan dit kleine hof! — Dit was van de l’Espine slechts eene hatelijkheid, die hij losweg heenwierp; maar de Markiezin had hare redenen om te denken, dat hij op een feit zinspeelde.

— Nu ja! men moet wel eens iets wagen; maar gij verwijt mij dat ik werkeloos ben, en gij dreigt mij met die aantijging bij den Kardinaal; hoor dan toch eerst wat ik verricht heb en gij zult zien… Van de eenstemmigheid met de Fabroni’s is reeds niets meer dan het uiterlijke.

— Maar zoolang die uiterlijke schijn bewaard blijft, is er nog niets gewonnen.

— Gij zult zien dat ik verder ben dan gij meent; ik heb het zóó aangelegd, dat welhaast eene vreeselijke uitbarsting zal volgen.

— Als gij het goede moment dan maar niet voorbij laat gaan, zooals daareven!

— Daareven?

— Wel zeker! waarom moest gij u in de plaats stellen van de Koningin, toen die cordate Hollandsche jonge man bezig was, haar, ten aanzien van allen en van de gemalin van den Stadhouder zelve, eene zulke figuur te laten maken, dat zij onredbaar verloren zou geweest zijn in ieders opinie… maar neen! Mevrouw de Sourdiac, voorzichtig en behendig boven allen! was zeker bang voor schandaal; zij moest hare Vorstin redden, en in groote haast! ’t is maar jammer dat ze op die wijze zich zelve diep in ’t verderf zal storten. Zulk een opzet, want onhandigheid kan het niet zijn, vergeef ik u niet, en ik moet er den Kardinaal rekenschap van geven!

— Maar gij zult toch eerst mijne verantwoording aanhooren! hernam zij verschrikt.

— Nu dan ik hoore, maar…

— Hetgeen gij mij verwijt, heb ik gedaan juist om te voorkomen wat nu is geschied. Ik zag dat de jonge Hollander de waarheid sprak, en dat hij die zou volhouden tot het uiterste.

— Dat zag ik zoo goed als gij, en op dat laatste rekende ik juist.

— Goed; maar hoe meer hij gelijk had, hoe grooter zijn gevaar moest wezen, en ik had hoop door mijne tusschenkomst zijne inhechtenisneming te voorkomen.

— Maar wat belang hadt gij bij zijne vrijheid? Ware ik het nog geweest, die hem mijn leven dank, maar, gij, gij?

— Weet dan, Mijnheer! ik had hem noodig; morgen moet de mijn springen, die ik tegen de Fabroni’s heb aangelegd, en, hij, hij zal mij dienen om de lont in ’t kruit te steken.

— O! was het dat?

— Ja, dat was het! en gij begrijpt toch wel, Ridder! dat ik dien jongen Hollander niet beschermd zou hebben, zoo hij niet noodig ware geweest! integendeel, zoowel als gij, had ik een éclat gewenscht op dat oogenblik, want daarbij ware menig andere ook in groote verlegenheid gekomen:… maar de Prinses zou Maria toch voor volkomen nederlaag hebben behoed, en de wapenen, waarmee ik zeker treffen kan, waren nog niet in mijne hand.

— Menige andere! wat bedoelt gij daarmeê Mevrouw? — en René trok de wenkbrauwen samen, alsof hij in hare ontschuldiging zelve nog meer reden vond tot verwijt.

— Daar moet iets zijn voorgevallen tusschen Lucienne d’Arcy en den Landgraaf bij hunne wandeling; gij hebt het niet kunnen opmerken, want gij waart in het hachelijkst oogenblik van uw strijd; maar ik wel, die het van uit de groote laan zien kon hoe ze ieder van eene andere zijde naderden! — En dan nog is mij de verwarring der Prinses Louise zeer verdacht…

Tot hier toe had de l’Espine tot haar gesproken koel, en wel ontevreden, maar zonder drift of heftigheid.

Nu scheen zijn toorn op eenmaal den teugel van zelfbedwang af te werpen. De aderen zwollen hem op het voorhoofd, dat zich hoog kleurde; de trekken van zijn beeldschoon gelaat verwrongen zich dus, dat het iets schrikwekkends werd, eene uitdrukking van kwaadaardigheid, die akelig was om aan te zien.

— Naar de Prinses Louise verbied ik u om te zien, of zelfs ook maar van haar te spreken, sinds uwe valsche tong een waas van dubbelheid weet te spreiden over het klaarste. Ik heb met haar gewandeld, en zij was daar met mij dat zij u genoeg!

— Het is mij genoeg, Ridder! mijn Hemel! ik heb immers niets meer noodig, dan te weten dat gij het zoo willt!

— Ja, ik weet wel, dat gij mij deze bekentenis ontlokken wildet; maar geloof, Mevrouw! het is geene confidentie, het is niets dan eene waarschuwing. En maak nu gebruik van hetgeen gij mijn geheim acht op de wijze die gij liefst wilt en u best dunkt; maar wees zeker, dat dit geheim in Frankrijk niet duur zal betaald worden, en in Holland uiterst gevaarlijk is te bezitten. Ik heb geen enkelen vertrouwde in dit kasteel. Dezen morgen, toen ik verwittigd was dat de Prinses was uitgereden onder een geleide, waarbij ik mij voegen kon zonder zwarigheid en als vanzelf, heb ik mij een paard laten brengen onder mijn balkon, en ben van dáár opgestegen, om de zalen of de gaanderijen niet door te gaan op het oogenblik dat men naar de mis ging, en dat altemaal om door niemand ontmoet te worden; nu zijt gij de eenige die mede weet, en als ik mij verraden zie, weet ik dus aan wie ik het te danken heb! En mijn dank zal groot en innig zijn, wees er zeker van, zoo groot als mijn hartstocht voor de Prinses!

— René ik vergeef het u, dat gij mij dit zegt; ik weet wel dat gij mij haat, dat gij aan mij niet denkt dan met koele minachting; maar gij weet ook dat ik u niet schaden zal, niet kan! Omdat, René omdat…

— Gij durft niet, dat is mij genoeg! Naar uwe redenen vraag ik niet! En nu van Lucienne! Ik heb oorzaak om te vermoeden, dat gij haar kwaad wilt, wees ook hiervoor gewaarschuwd: zij moge u heilig zijn, geen smet zelfs op het rein gewaad dier reine…

Mevrouw de Sourdiac geraakte zichtbaar in groote verlegenheid, — Maar, Ridder! riep zij eindelijk, als gij mij ieder middel tot intrigue ontzegt, hoe kunt gij dan willen, hoe kunt gij dan eischen, dat ik slagen zal? Lucienne is de twistappel, dien ik tusschen de Fabroni’s en de Koningin had willen inwerpen, en nu neemt gij mij dien uit de hand! Weet gij wel, Mijnheer de Ridder! dat ik op mijne beurt den Kardinaal van die tegenwerking rekenschap zou moeten doen, en dat zijne Eminentie weinig gediend zal zijn met allerlei protectiën en opvattingen uwer galanterie, die ook zijne zaak hinderlijk zijn?

De glimlach, waarmede de Ridder naar die woorden luisterde, was onuitsprekelijk minachtend, en er lag iets schimpends in den toon, waarmede hij antwoordde:

— Maar ongelukkige, dwaze vrouw! begrijp dan toch iets van de belangen waarmede gij speelt. Juist de Kardinaal zou u eene zulke fout niet vergeven! Iets ondernemen tegen Lucienne d’Arcy om haar te verderven, haar verdacht te maken! weet gij dan niet, dat hij in haar meer belang stelt dan in iemand van ons, dat hij haar zelf in Parijs terugwenscht, dat hij haar dáár een groot huwelijk voorbeschikt en dat, zoo ras zij toestemt, Frankrijk voor haar open ligt! Weet gij dan niet, dat Fabroni juist op haar, op hare uitzichten, op hare betrekkingen zijne hoop op terugkeer naar ’t vaderland heeft gevestigd?

— Nu dan! daar de Kardinaal den ondergang van Fabroni wil, is immers mijn toeleg gansch in zijn geest?

— Gansch niet! Fabroni gescheiden te zien van Maria, dat zeker wenscht Monseigneur! maar hij wil hem voor zich zelven! als dienaar, en niet als een verstooten gunsteling, die zijne toevlucht zoekt, maar als een geacht staatsdienaar, die zich met staatswijsheid scheidt van eene kwade zaak! Ondertast gij het verschil, Mevrouw?

— Heel goed, Ridder!… maar zoudt gij gelooven, dat er geen andere band was tusschen den Vicomte en Lucienne dan die van het belang?

— Welke andere kan er wezen… hij is haar voogd!

— Er is nog… liefde!

— Hoe dwaas een inval! hij, en zij!

— Maar wie is die Lucienne dan toch, dat men zich zooveel om haar bekommert? vroeg de Markiezin met een zeker ongeduld.

— Dat kan ik u nòg niet zeggen; alleen, wees voorzichtig en vergrijp u niet tegen haar! om uws zelfs wil!

— Maar, waarlijk, wat zal ik dan aanvangen, als ik alles moet opgeven, wat ik gecombineerd had? En de Markiezin deelde hem mede wat zij had ondernomen tegen Demoiselle d’Arcy en den Vicomte, De l’Espine schaterde van lachen onder die mededeeling, en hoe pijnlijk haar dit ook zijn moest, zij voelde zich verlicht en verheugd, toen zij den toorn en de bitsheid van den Ridder in een aanval van vroolijke luim zag opgelost, Toen zij geëindigd had, vroeg ze deemoedig:

— En nu wat raadt gij mij, eene andere intrigue uit te vinden, waarbij Lucienne gespaard blijft?

— Neen, laat deze blijven! ’t is heel goed dat er morgen eene uitbarsting plaats heeft; zoo komen wij wellicht achter het groote geheim van de Engelsche correspondentie. Ik zal dan mijn koerier niet afzenden, voordat ik bericht kan geven van deze uitkomst.

— Hoe, nu gij alles weet, staat gij mij den aanslag toe?

— Och ja, gij moet toch wat doen!

— En als nu de uitkomst noodlottig is voor Lucienne, zooals ik groot recht heb te gelooven, hoe zal ik mij dan verantwoorden bij den Kardinaal?

— Die verantwoording neem ik nu op mij alleen; maar begin nooit meer iets tegen haar buiten mij!

— Dat beloof ik u heilig!

— En gij zegt dan dat die leerling van Meester Honthorst beloofd heeft te doen wat zijn Meester heeft geweigerd.

— Hij heeft dien last aangenomen; meer weet ik er niet van.

— En is er middel om hem dat kerkboekje te bezorgen?

— Dat is de zwarigheid niet, hij heeft het reeds. In mijne verlegenheid had ik een page der Koningin, die onder mijn invloed staat, met de commissie belast, waarin ik zelve niet was geslaagd; ik had hem vrijheid gegeven zelfs buiten ’t kasteel hulp te zoeken. Uit des jonkmans eigen woorden heb ik verstaan, dat hij het daarbinnen heeft gezocht en gevonden, Maar in eene gevangenis kan die arme knaap toch niet werken.

— Zijne gevangenis zal niet straf zijn! Laat dat aan mij over, ik ben hem toch waarlijk wel een goeden dienst schuldig! — En nu, Mevrouw! de schemering valt, het zal noodig zijn dat wij terugkeeren naar ’t kasteel.


Ingezonden op: 19 July 2001