HET HUIS HONSELAARSDIJK IN 1638

X.

Voogd en pupil.


Wij hebben ons wat overhaast gescheiden van twee personen, die toch een weinig onze belangstelling verdienden: Monseignore de Vicomte Fabroni en Demoiselle Lucienne d’Arcy. De laatste scheen behoefte te hebben het onderhoud zonder verwijl te brengen op een hoofdpunt, althans zij sprak:

— Gij verdenkt mij, Mijnheer! ik heb het reeds dezen middag aan tafel opgemerkt! gij verdenkt mij, en zeker dat is niet goed van u, ik ben onschuldig.

— Ik verdenk uwe onschuld niet, goed kind! dan alleen van gebrek aan voorzichtigheid, en toch deze is eener vrouw even noodig, als deugd en goede beginselen!

— Maar waarin ben ik onvoorzichtig geweest, Monsignore? den ganschen ochtend heb ik gesleten met oefeningen der religie onder de leiding van een geestelijk persoon, als gij weet; in mijn vertrek teruggekomen, had ik nauw den tijd mijn vlieger af te werpen, en mijn haar op te strikken, of Dr. Rioland kwam reeds van uwentwege mij afhalen voor het middagmaal.

— Gij zijt dus te Naaldwijk niet met den Landgraaf van Hessen samengeweest?

— Monsignore!

— Wees niet al te zeer gebelgd over dien argwaan, Mejonkvrouw! alles brengt mij er toe u deze vraag te doen. De Landgraaf is vroeger uit Den Haag gereden dan de Koningin van Bohemen en hare Prinsessen; hij is in ’t dorp Naaldwijk gezien met twee paarden, waarvan zijn page er een bij de hand hield, en toen hij hier binnenkwam, was die jonge geheimzinnige cavalier met hem, van wien wij allen meer gissen dan weten, en dien Mijnheer de Kapelaan met u in gesprek heeft gezien, toen hij u tot de mis kwam roepen.

— Maar, Mijnheer! gij laat mij dan bespieden! riep Lucienne verdrietig.

— Ik laat u gadeslaan, mijne lieve! hernam hij ernstig, en dat moet gij mij vergeven, een zoo dierbaar pand!

Lucienne zweeg verslagen.

De Vicomte zweeg ook eene wijle en hervatte eindelijk:

— Dit bewijs van uwe verstandhouding met den persoon, die zich Ridder de l’Espine noemt, en met wien de Koningin zelve geene nadere bekendheid heeft, dan dat Bassompierre hem heeft aanbevolen als een vijand van den Kardinaal, is mij zeer tegen, en te eer, daar hij een bevallig en verleidelijk schoon cavalier is.

— Neen, Mijnheer! neen! wees daarop ten minste gerust, de Ridder de l’Espine is voor mij niet gevaarlijk, kan het niet zijn voor mij, want…

— Want? vroeg Fabroni uitvorschend, wat getroffen over hare plotselinge terughouding.

— Want, hij bemint eene andere, voegde zij er bij.

— Ah! is dat uwe reden tot gerustheid… en wie is de gelukkige schoone, die hem naar uw oordeel zulk eene uitsluitende passie inboezemt?

— Monsignore! dat is zijn geheim.

— Voorzeker, de kennismaking met dien jonkman oefent u in vele deugden, hernam Fabroni een weinig ironiek; maar strenger en ernstiger voegde hij er bij: -- Alleen daar gij ook vóór zijne overkomst hoedanigheden bezeten hebt, op wier behoud uwe ware vrienden voor u prijsstellen, zult gij de goedheid hebben, Mejonkvrouw! die vriendschapsbetrekking af te breken!

— Maar, Mijnheer de Vicomte! als die nu zoo nauw is, dat…

— Hoe nauwer, hoe meer noodig de scheiding, arm kind! die man is valsch, hij speelt eene dubbele rol, welke dan ook, en hij schijnt mij iemand toe, die alle personaadjen kan aannemen welke hij goed acht, Voor de tooneelspelers van Mijnheer den Kardinaal is dit zeker uiterst gepast; maar in ’t dagelijksch leven moet men zulke lieden mijden, ze zijn niet te betrouwen.

— Zoo gij wist hoe gij mij pijnigt met dit te zeggen, Mijnheer!

— Beter nu deze pijniging, dan later groot naberouw, mijn kind! En nu genoeg, want ik heb heden meer tegen u! Een middelaar als de l’Espine, en een minnaar als de Landgraaf. maken de zorge van een voogd niet overbodig. Ondanks mijn wil, hebt gij hedenmiddag zijn arm genomen op de wandeling.

— Gij hadt mij dát niet verboden, Monsignore!

— Kon ik het dan ten aanhoore van zoovelen anders verbieden dan met blik en wenk?

— Kon ik een heer als dezen weigeren? tenzij gij hem voorkomen hadt!

— Mevrouw Fabroni verhinderde mij daarin; gij kent haar zwak; wat haar nu in het hoofd speelt, weet ik niet; maar zij klemde zich aan mij vast, of zij vreeze had dat ik in der haast alleen naar Engeland zou oversteken, sinds de Koningin van vertrekken spreekt; ik moest u dus laten; — maar daar gij den jongen Vorst niet bemint, hadt gij er hem den schijn niet van moeten geven, door hem gunsten toe te staan.

— Ik heb nog niet gezegd, Mijnheer! dat ik hem niet bemin.

— Maar gij weet toch wel dat een huwelijk onmogelijk is! hernam Fabroni verbleekend.

Zij ook was bleek geworden, zuchtte en zweeg eene wijle, maar hervatte toen:

— Ik had hem te spreken, Monsignore! daarom nam ik zijn geleide aan.

— En de uitkomst van dat gesprek? vroeg de Vicomte, haar scherp in de oogen ziende.

— Zooals ik vreesde, hernam zij, met een diepen blos en met tranen in ’t oog; de Landgraaf zegt mij lief te hebben, en spreekt daartoe vele eeden van trouwen vele gloeiende betuigingen van hartstocht, en toch heeft hij voor mij geene hoogachting genoeg om er aan te denken, dat men zulke eeden niet doet dan met aanbieding van de hand!

— Verfoeilijk! riep Fabroni; ja, dus handelen zij, die ingebeelde jonge deugnieten! vorsten of niet, ze moesten aan de verachting der wereld worden prijsgegeven.

— Monseignore! ik heb hem de mijne getoond! sprak Lucienne kalm en eenvoudig; maar, en hier haperde hare stem, ik beken, het was eene overwinning, die wel bang viel en zwaar… want! ik bemin…

— Zwijg, mijne arme Lucienne! riep hij schielijk, haar de hand drukkende, en beheersch uw gevoel, want wij worden gevolgd, en het kon de persoon zijn, van wien wij spreken; hij zou uwe ontroering te veel in zijn voordeel uitleggen. Wij zullen dit gesprek vervolgen in uwe kamer.

— Zooals gij goedvindt, Mijnheer! maar ik moet u eene vrees mededeelen: de kamers van Mijnheer en Mevrouw de Sourdiac grenzen aan de mijne; kan er ook misbruik worden gemaakt van onzen geheimen toegang, hetzij om binnen te sluipen, hetzij om af te luisteren wat wij er bespreken…

— Ik acht dat onmogelijk; niemand van het Fransch gevolg kan in het geheim zijn van deze communicatie der vertrekken, en Mijnheer van Heenvliet gaf mij zijn woord, dat van de Hollandschen geen ander dit kent dan de hofmeester en hij zelf. Wat geeft u oorzaak tot deze vreeze?

— Ik heb daarvoor geene oorzaak, het is niets dan eene onbestemde vreeze.

— Nu, zoo willen wij dubbele voorzorg nemen, om die niet bestemd te maken! Maar zeg mij eens, mijn kind! weet gij iets van ’t voorgevallene bij de diergaarde met dien Hollandschen jonkman?

— Ik heb er niet veel van begrepen, Monsignore! maar geloof dat men hem onrecht heeft aangedaan, nadat men hem tot geweld heeft gedwongen.

— Maar hoe kan de Koningin daarin betrokken zijn? zoo stoute logen te verzinnen, zal toch wel niet opgekomen zijn in het brein van dat eenvoudige jonge mensch.

— Dat kan ik ook niet denken, ik onderstel dat werkelijk de Koningin hem bescheiden heeft bij de diergaarde… maar dat…

— Juist, de tegenwoordigheid der Prinses zal haar teruggehouden hebben van een eerste plan; wat wil Maria met dezen?

— Ik heb hem wel herkend, ’t is dezelfde die dezen ochtend den schilder bij ’t portret eene handreiking zou doen, en die de Koningin met zulke wondere, verwilderde blikken aanstaarde, toen zij binnenkwam.

— Maria heeft altijd aan allerlei lieden geheime diensten te vragen, sprak Fabroni, de wenkbrauw fronsend, als bij zich zelven; — mij verzwijgt ze belangrijke berichten, die zij ontvangen moet hebben en die haar in den uitersten drang kunnen brengen; mij verzwijgt zij het voornemen, om den Prins toebereidsels te laten maken voor hare afreis. Zij zendt Douchant , naar de Staten, zonderdat ik weet waarom, houdt geheime beraadslaging met een vreemdeling, met een Hollander, met een schilder, en gaat zich ten laatste vernederen de diensten in te roepen van zijn leerling. Ik beken het, dat verbittert mij, en ik zou meer zelfbeheersching noodig gehad hebben, dan ik voelde te bezitten, zoo ik mij straks in de quaestie had gemengd; ook zweeg ik, niet willende de moeielijkheid van haar toestand vergroot en door eenige vraag of aanmerking, die licht verspreidde bij het duister dat zij scheen te wenschen.

— O! gij zijt zoo goed, zoo trouw!

— ’t Is jammerlijk dat zij dat niet begrijpt als gij, mijn kind! Zij weet zelve niet wat ik voor haar ben. Mededeelingen, die Mijnheer de Groot uit Parijs hier in Holland aan zijne vrienden heeft gedaan, geven mij vreeze, dat de Kardinaal de Koninginnemoeder met nieuwe listen omspint, en nieuwe vervolging tegen haar heeft uitgedacht; ronde, openlijke handelwijze en omzichtigheid alleen kunnen haar redden bij zulke conspiraties van den Minister, en toch… en toch verkiest zij sluipwegen te gaan.

— Helaas, Mijnheer! soms moet men die wel nemen! vooral verdrukten, denk slechts aan mij!

— Maar uw geval, mijn kind! is gansch wat anders.

— Het belet toch niet, dat ik er door in groote moeilijkheid raak!

— Hoe zoo? vroeg hij verwonderd, is u iets onaangenaams overkomen?

— Neen, maar de eerwaarde Heer Heijdanus zegt, dat mijne toetreding tot de gemeente openlijk dient te geschieden.

— Is die man dol? dat kan immers niet zijn!

— Mijnheer van Heenvliet zegt dat hij gelijk heeft, en dat de aanneming tot lidmate op de wijze als wij hadden gewenscht, niet kan volstaan.

— Dan, arm kind! zult gij van uw verlangen moeten afzien! Ik kan tot zoo iets nooit mijne toestemming geven. Daarbij het zou dan niet meer buiten de Koningin kunnen omgaan, zij althans zou nooit toestemmen! zij zou u willen dwingen; zij zou zich laten vervoeren tot daden van despotisme, die hier in dit land, en vooral in zaken van religie, niet meer geduld worden, en al ’t volk tegen haar opzetten zouden; de Prins zelf, indien hij ze kon verschoonen, zou haar niet kunnen redden…

— Maar ik, ik was toch gered!

— Zelfzuchtige! en de Koningin?

— Maar, Monsignore! gij denkt alleen op deze, en gij vergeet dat het mijn zieleheil geldt tegenover eene bekrompene opvatting van onze meesteres.

— Wij zullen daarover niet strijden, ik geloof dat gij den moed zoudt hebben martelares te worden; ik voor mij heb geleerd mijne persoonlijke begrippen van religie aan den nooddwang van uiterlijke omstandigheden te onderschikken.

— Ik ben opgevoed in andere denkwijze, Monsignore! en gij zult mij hoop ik vergunnen, het hoogste belang ook de eerste rechten te geven…

— Ik zou u daarin gaarne uw wil laten, zooals ik altijd heb gedaan, overtuigd, dat de deugd der vrouwen door de religie moet gesteund worden, en dat een opgedrongen geloof hiertoe wis van geen baat kan zijn.

— En toch wordt mij zulke dwang aangedaan, hernam zij smartelijk.

— Van welken dwang spreekt gij, Lucienne?

— Dat men mij telken dage de mis doet bijwonen…

— Gij hebt daarentegen ook grooter vergoeding, die u daarover troosten moet.

— Door Uw goedgunstigen bijstand, ja; maar men heeft mij den twijfel in de ziel geworpen, of niet de Koningin van mijn geloof weten kan… — Denkt gij dat Maria het zou weten… dat ik tot de Calvinisten behoor…

— Neen! riep Fabroni met vuur, neen, zij weet niet! en gelukkig, want wee ons beiden, zoo zij kon weten! En juist daar om is het onmogelijk hier te effectueeren wat die Mijnheer Heijdanus wil!

— Ik kan niet meer terug! Alles is op Zondag aanstaande vastgesteld!

— Dan zal ik met Mijnheer van Heenvliet bespreken, om alles vooreerst te verschuiven… en later…

— Gansch af te stellen, dat is het juist wat ik vreeze, arm ballinge die ik ben…

— Meent gij, melieve! dat het u in Frankrijk hiermede beter zou vergaan?

— Daarom heb ik ook geene groote begeerte mijn vaderland weêr te zien.

— Dat zal toch eenmaal wezen, zoo ik hope, gij weet wat men u dáár voorbereidt?

— O, Monsignore! spreek daarvan niet, dwing mij daarin niet, ik smeeke u! liever blijve ik al mijn leven…

— In Nederland?

— Ja, Monsignore! zoo wij niet naar Engeland verreizen…

— En hoe zoudt gij dan hier blijven, ma mie? als de gemalin van den Landgraaf van Hessen wellicht? vroeg Fabroni ietwat bitter.

— Dat late ik den Hemel over , Monsignore! hernam zij, het schoone vrome oog naar boven slaande; — als eene simpele Jonkvrouw misschien, maar zeker als eene eerlijke vrouw!

— Lucienne! hoor dit eene! sprak toen Fabroni, zacht maar ernstig, gij weet wat ik reeds voor u gedaan heb, gij weet niet wat ik nog voor u zal moeten, kunnen doen; maar gij weet wel wat ik van u wensch, wat mijn eenige eisch is, maar wat ook onvermijdelijk geschieden moet. Van het huwelijk in Frankrijk hangt zooveel af voor u zelve, voor mij, voor de Koningin wellicht, dat, al had de Prins van Oranje een zoon, die u wettiglijk huwen wilde, ik die verbintenis voor u zou verwerpen. Zoo weinig behoeft gij het te betreuren, dat uw Landgraaf het niet meer ernstig meent. En hierover denk na, tot ik u zal komen zien in uwe vertrekken; dit zeggende, liet de Vicomte haar alleen. Zij hadden de gaanderij bereikt.


Ingezonden op: 19 July 2001