HET HUIS HONSELAARSDIJK IN 1638

XVI.

Het afscheid.


Ondanks den ernstigen wil om zijn vader te voJgen, was het afscheid nemen van Honthorst voor Diedrik meer een voorwendsel om zijn verblijf te rekken, dan eene volstrekte noodzakelijkheid, en te minder, daar hij Honthorst bij de Koningin wist, en het niet zeker was, dat hij hem nog zou kunnen wederzien. Maar er was iets dat hem dreef nog eene uitvlucht te zoeken, hij hoopte Lucienne d’Arcy te zien, en haar een woord te kunnen zeggen tot vaarwel. Een onderhoud durfde hij haar wel niet vragen, omdat hij haar eigenlijk niets had mede te deelen, dat voor haar belangrijk was, want hij durfde niet hopen dat hij hare belangstelling zou wekken, zoo hij haar zeide in welke mate zij de zijne opwekte, hoe vooral haar moedige geloofsijver hem getroffen had, en hoezeer het pijnlijke van haar toestand zijne deelneming wekte. Maar zonder een onderhoud te durven vragen, hoopte hij toch onbestemd op eene ontmoeting; in dit huis was hem reeds zooveel gebeurd, waarop hij niet had kunnen rekenen; de korte dagen van zijn verblijf waren bijna eene aaneenschakeling geweest van ongedachte avonturen en toevallige samenkomsten, als men nauwelijks door afspraak dus had kunnen daarstellen; hij was nu eenmaal in den tooverkring der illusiën, hij kon ook deze hoop niet van zich weren, en zeker om tot hare vervulling iets aan te wenden, begaf hij zich naar zijn ouden post in de gaanderij der schilderijen, die hem, als wij ons herinneren, alle bedenkelijke kansen bood om te slagen. Als Lucienne zich moest begeven naar het tegenover liggende paviljoen tot het onderhoud met den Prins, kon zij geen anderen weg nemen, dan dezen, tenzij uit de zalen der Koningin, en was zij nog niet derwaarts vertrokken, dan kon zijne berekening nauwelijks falen. Wat hij haar zeggen zou, wist hij zelf niet; maar hij rekende op de ingeving van ’t oogenblik, en dat was zeker het verstandigste wat hij doen kon. Ook Honthorst, zoo de Koningin hem ontsloeg, zou dezen weg nemen, en niemand kon het hem dus ten kwade duiden, dat hij hier zijn beschermer bleef wachten.

Dit wachten duurde intusschen veel korter dan hij zich had kunnen voorstellen, want nauwelijks trad hij de eene deur in, of de groote vleugeldeuren aan het tegenovergestelde eind der gaanderij werden geopend, en Honthorst kwam, Lucienne d’Arcy hoffelijk bij de hand leidende. Zij waren in een vertrouwelijk gesprek, waarvan wij den inhoud mogen hooren.

— Ik kan u niet genoeg danken, Mijnheer Honthorst! sprak Lucienne, voor de goedhartige intentie, daarmede gij uit den weg hebt geruimd, wat u dacht dat mij hinderen kon.

— Het was niets meer dan mijn schuldige plicht, zoodra het mij inviel, dat hier de adder school, daarmede men u wonden wilde, en daar ’t grootste gevaar nu voorbij is, vindt ge goed, dat ik de cantiques in hunne oude plaats zal terugbrengen?…

— Veel dank, dat is onnoodig, te lang reeds hebben zij hunne plaats gehad tusschen de litanieën, waartegen ze ijverden. Ook zoo ik tot hiertoe deze soort van dubbelheid heb geoefend, was het uit volgzaamheid aan den wil van Monsignore Fabroni, die het vergde in ’t belang van de Koningin, wier heftige en openlijke tegenstand in deze zaak hij vreesde, dat zich en tegen mij, en tegen haar zelve zou keeren; maar nu met de bescherming van den Prins, en ’t ontzag dat deze haar inboezemt, de verplichting die zij aan hem heeft, is er geen nood meer.

— Geen nood meer! Jonkvrouw! zeg dat niet al te onbedacht, en betrouw u veel meer op het laatste dan op de eerste…

— Hoe de Prins van Oranje zou mij geen woord houden?

— Dat zegge ik niet, in werkelijke ongelegenheid zal hij u bijstaan; maar vór het daartoe gekomen is, zal hij willen middelen, schikken, wijzigen, half te uwen gevalle, half ter wille Van de Koningin, en als ik wel heb, zou dit eindigen met u in den valschen toestand te laten, daarin gij zoo lang reeds hebt verkeerd.

— En die de kwelling is van mijn leven, die mij de ziele verteert van onrust.

— Dat voele ik voor u, en de Prins is geen man om in dit geval streng door te zetten tegen den wil eener Koningin, die hij zelf de hoffelijkste onderdanigheid toont uit edelmoedige gastvrijheid; daarom is ’t uwe zake voor u zelve te zorgen, en het nu onverwijld door te zetten zooals gij ’t verstaat. Bij uw gesprek met den Prins zult gij alles van hem verkrijgen, wat gij wilt; maak dus uwe conditiën goed en vast, en zorg dat hetgeen gij verkregen hebt zonder verwijl geëecuteerd worde.

— Ik begrijp al het wijze van uw raad, ach! licht mij nog beter in, en zeg mij wat zal ik bedingen?

— Eerstelijk beantwoord mij ééne vraag. Hoe is ’t dus toegekomen, dat juist de Waalsche predikant Heijdanus, die tot Leiden staat, uw Godsdienstleeraar is?

— Dat deel ik u volgaarne mede. Monsignore Fabroni, ziende dat ik niet van mijne religieuse opiniën was af te brengen, mogelijk vreezende dat ik nu eenmaal in een Protestantsch land mij bevindende, licht op eigene wijze trachten zou tot mijn doel te komen, en zeker ook geleid door de uitzichten, die zich voor hem en mij verbinden aan mijn huwelijk met een Franschen Protestantschen Prins, dat sinds lang onderhandeld wordt, is geëindigd met zich ganschelijk te voegen naar mijn wensch, en heeft zich geïnformeerd naar geheime middelen, om dien te vervullen. Nu geviel ’t, sinds wij hier op Honselaarsdijk zijn, dat zich de Weleerwaarde Heer Heijdanus op ’t huis te Heenvliet onthield bij den Heer van Heenvliet, die een vroom gereformeerd edelman en een groot geleerde is.

— Daarvan is maar een roep, Polyander! op die beide stukken kent hem ieder .

— Monsignore Fabroni is met hem welvertrouwd, dus gaf hij hem opening van mijne zaken, en er werd tusschen die beiden afgesproken, dat ik onderwijs in den godsdienst zoude erlangen van den Eerwaarden gast, die ’t goedwillig toestond; doch daar alles in ’t heimelijk gaan moest uit aanzien van de Koningin, vreesden wij dat die geregelde oefeningen in ’t oog mochten loopen, en ten laatste den lust tot bespieding wekken, die zeer licht tot ontdekking kon leiden, welke niets brengen kon, dan moeite en verdeeldheid in onzen kleinen kring. Daarin gaf Mijnheer Polyander raad, en deed ons een middel aan de hand. Monsignore Fabroni zelf leidde mij buiten ’t kasteel op heimelijke wijze en…

— Dit weet ik.

— Van Mevrouw de Sourdiac?

— Neen toch, van iemand die getuige was van een uwer geheime uittochten.

— Wij waren dan toch verraden?

— Neen! want die het zag was een trouwen discreet persoon, die u nog voor meer gevaar heeft geveiligd.

— De jonge Hollander! viel zij in met zekere levendigheid, of gis ik valsch?

— Zeer juist, Jonkvrouw! en zie, daar staat in de verte de persoon zelf; beter dan ik mag hij u zeggen, met wat goede intentie hij zich belastte met hetgeen Mevrouw de Sourdiac hem opdroeg.

Lucienne zag in de richting, die hij aanwees, en kleurde even toen zij Diedrik zag staan, die aarzelde te naderen, omdat hij hen niet wilde storen in een vertrouwelijk gesprek als hij zag, dat ze samen hielden.

Toen wilde Lucienne tot hem komen, maar Honthorst hield haar nog even staande, en zeide:

— Nu ik dit weet, Jonkvrouwe! hoor mijn raad. en ’t zal u niet kwalijk bekomen er naar te handelen. Vraag van den Prins dit: dat hij voor u de vergunning verkrijge, eenige dagen op het kasteel van Heenvliet te vertoeven. Laat Mijnheer Fabroni of iemand anders u derwaarts geleiden; kon ’t wezen vertrek nog heden, en doe daar dan wat uw gemoed en overtuiging u ingeven. ’t Zal licht zonder veel opspraak zijn in eene kleine dorpskerk, en is ’t geschied, dan ken ik onzen Frederik Hendrik er voor, om u te veiligen en te behoeden voor de wraak der Koningin, of de moeite die zij u zou willen aandoen.

— Ik zal dien raad zeker volgen, en nu laat mij een woord van dank spreken met dezen jonkman.

Zij was reeds dicht bij Diedrik genaderd, toen zij dit sprak, en deze had dus verstaan wat zij zeide; andere inleiding had hij nu niet noodig, zij zelve had hem de gedwongenheid van eene voorstelling bespaard; zij sprak tot hem met goedheid, met dankbaarheid, met een zichtbaar welgevallen zelfs in zijne antwoorden, doch niet op den toon der gelijkheid en met de goedwilligheid eener meerdere, die tracht af te dalen tot een mindere.

Diedrik was te fijnvoelend om dien toon niet te onderkennen en er niet een weinig door gekwetst te zijn; en hoe hij ook smeekend naar Honthorst opzag, deze sprak geen woord, dankbaar uit hare dwaling konde helpen en tot meer gemeenzaambeid en vertrouwen stemmen.

Ten laatste toen hij zeide, dat dit een afscheid was en dat hij Honselaarsdijk verlaten ging, had hij niet eens den moed er bij te voegen, dat het was om zijn vader te volgen, en zij, na eene wijle te hebben nagedacht, zeide:

— Dan zou ik u toch zoo gaarne een aandenken geven van den dienst en bovenal van de trouw, die gij mij hebt bewezen, en zij haalde een keurig bewerkt gouden doosje uit haar arm taschje en wilde het hem aanbieden.

Maar Diedrik werd vuurrood van verdriet en ergernis; hij had het kostbaar foudraal herkend, waarin zijn vader hem het oorsierraad aan de Koningin had laten terugbrengen.

— Dat ik u bidde, Mejonkvrouw! behoud dit zelve, het was eene kleine hoffelijkheid van mijn vader aan de Koningin.

— Het is waar van deze heb ik het ontvangen; maar… wie zijt gij dan — wie is uw vader?

— Mijn vader is Geurt Adriaansz., Amsterdamsch koopman en bewindhebber van de Oost-Indische compagnie, sprak Diedrik, en daarop boog hij zich diep, drukte Honthorst even hand, en vertrok haastig, nu met de zelfbewustheid, dat zijn aftocht geene nederlaag was.!


In haar onderhoud met den Prins van Oranje, richtte zich Lucienne werkelijk naar de raadgevingen van den schilder verkreeg alles wat zij wilde, gelijk der Koningin geene keu overbleef dan toestemmen in hetgeen Frederik Hendrik haar door Fabroni liet verzoeken. Ook geleidde de Vicomte haar nog in den avond van dien dag naar het kasteel van Heenvliet, en hoewel met voorkennis van Mevrouw Fabroni, toch zeker eenigszins in ’t geheim; want hij gebruikte een zeer eenvoudig karosken, en geene hofkoets, zooals de Vicomte doorgaans gewoon was als hij uitreed.

Wat er verder wichtigs was behandeld tusschen den Prins en den trouwen Staatsdienaar der Koningin, weet men niet, maar het had zeker invloed op de handelingen der laatste, die nu in overleg met Fabroni de Engelsche brieven beantwoordde en toestond dat hij zelf de draden harer Fransche intriguen afbrak; of het voor altijd is geweest, durven wij niet uitmaken.

De l’Espine moest eene ernstige ondervraging doorstaan van den Prins; maar hetzij behendigheid, hetzij de belangen, die hij diende dezelfde waren met de staatkunde van den Stadhouder. het gehoor eindigde in de beste verstandhouding, en met eene uitnoodiging van den laatste om te ’s Hage ten hove te komen; en daar de Koningin, op aanraden van Fabroni, den Ridder de l’Espine deed aanzeggen, dat zij hem niet meer konde considereeren als te behooren tot haar hofstoet, vertrok hij spoedig naar den Haag, waar hij zijn verblijf vestigde.

Toen Geurt Adriaansz. zijne zaken met den Ridder had afgedaan, vond hij zijn zoon hem wachtende, in diep gepeins geleund tegen eene der zuilen van de opene gaanderij der binnenplaats. Hij nam zijn arm, en welhaast voegde Honthorst zich bij hen, die de verstandhouding tusschen vader en zoon eene te gewenschte vond, om haar door eene onvoorzichtige vraag te storen. Hij was overgelukkig, toen hij eindelijk Diedrik uitleidde buiten de groote hofpoort en stelde voor hen te vergezellen tot aan ’t dorp Wateringen, waar Geurt Adriaansz. zijn wagen had besteld. De oude man beknorde hem in ’t vriendelijke over zijne inschikkelijkheid tegenover Diedrik, maar roemde zoo ijverig en zoo uitvoerig het dusgenoemde offer van zijn zoon, dat de schilder geene andere ophelderingen noodig achtte. Maar toen ze de ophaalbrug over waren gegaan, en Diedrik de allerlaatste schrede moest doen op het grondgebied van ’t huis Honselaarsdijk, zag hij hem wankelen en verbleeken, terwijl hij nog eenmaal omzag, om dat vorstelijk verblijf te groeten met een laatsten blik. En toch Maria de Medicis kon hij niet betreuren, want hij had haar leeren minachten; Lucienne kon niets voor hem zijn, want hij zelf was met zekere trotsche bitterheid van haar gegaan.

— Wat deert u, mijn jonge vriend? vroeg de schilder, terwijl hij deelnemend zijn arm nam.

— Niets, mij deert niets… of liever, mij deert… wat ik niet weet uit te spreken. ’t Is mij of dat huis daar zoo aanstonds in puin achter mij neer zou vallen, en banger kon ’t mij niet zijn dan nu, al gebeurde het… ’t Is mij of alle vreugd des levens mij op eenmaal ontvaart.

— ’t Is omdat de wereld der verbeelding u ontvaart, arme jonkman! sprak Honthorst zacht; die wereld op uw leeftijd zoo ruim en zoo rijk, dat gij haar bevolken kunt met al de rooskleurige tooverbeelden die gij wilt, maar die alle zich in nevelen oplossen, zoo haast de deugdelijke werkelijkheid haar met den top van den vinger beroert. Niet het kasteel zal achter u in puin storten, mijn arme jonge vriend! maar wel de luchtkasteelen, die gij zelf daarin hebt opgebouwd…

— En dat is goed ook, sprak de oude Geurt Adriaansz., die de laatste woorden had verstaan; want als we vijf jaar verder zijn en hij zijne drie kruisjes heeft, zal een goed steenen huis op de Prinsengracht en een kantoor, daarvan de firma in de vier werelddeelen zoo goed crediet heeft, als de Compagnie zelf, hem vrij wat beter te stade komen, dan zulke bontverwige en onvaste tooverpaleizen, als zich door ’t penseel op het doek laten scheppen. En ik houd, dat mijn zoon de wijsste partij heeft gekozen.

Diedrik antwoordde niet, hij zag nog eenmaal om, en hij , zuchtte.

Hij had gedroomd, en hij had nog geen blijdschap ontwaakt te zijn.

En nu sluit zich het vorstelijk lusthuis Honselaarsdijk voor ons als voor hen, die het middel waren, waardoor wij er binnentraden; maar nog niet over alles is toch uwe nieuwsgierigheid bevredigd, als ik hope, en om die te voldoen, volg mij eene wijle bij:


Ingezonden op: 19 July 2001