HET HUIS HONSELAARSDIJK IN 1638

XVIII.

De afreis der Koninginne-moeder.


De l’Espine had maar al te veel gelijk; het duurde nog tot den elfden october, eer een koerier uit Engeland brieven bracht, die de Koninginne-moeder zekerheid gaven dat zij met »ongeduld,” style de cour, gewacht werd door Hunne Majesteiten van Groot-Brittanje; tijding, die intusschen nog noodig had nader bevestigd te worden door twee Engelsche edellieden, tot dat oogmerk iets later afgezonden. En toch als eens bepaald was, had Maria de Medicis Honselaarsdijk moeten verlaten op den vijfden. Aan bewijzen van meewarige vriendschap van de zijde van haar vorstelijken gastheer en vrouwe ontbrak het toch niet; maar wat konden die anders dan haar het tegenwoordige verlichten; niets vermochten zij voor de toekomst; de overige eerbewijzen die men haar zonder tusschenpoozen bleef brengen, tot op het laatste oogenblik van haar verblijf in Holland, waren nauwelijks iets meer dan een vernis van hoofschheid, vergulde pleisters, die de diepe wonden dekten, maar niet eens lenigden. Reeds was zij te Vlaardingen in de boot gegaan, die haar naar het grootere vaartuig zou voeren, dat haar te Hellevoetsluis wachtte, toen er tegenwinden opstaken, die haar waarschijnlijk dwingen zouden, langen tijd te vertoeven in een schip, dat niet van wal stak (de Engelsche brieven waren toen ook nog niet aangekomen): men wist geen raad!, Toen besloot Mijnheer van Heenvliet, die de Koningin op last van den Stadhouder voortdurend geleidde, een stap te wagen om eene verzoening te bewerken, die hij tot hiertoe niet had durven voorslaan.

Hij bad de Koningin gunstigen wind te willen afwachten op zijn kasteel te Naaldwijk; de Koningin wilde alles, waardoor zij haar verblijf in Holland aan den vasten wal rekken kon. De ontscheping had plaats met vrij wat meer haast en vaardigheid dan de inscheping; men werd in der haast voor dien nacht geherbergd in het dorp Korendijk, en den volgenden dag trok geheel de stoet naar Naaldwijk. De Koningin en de voornaamsten van haar gevolg vonden verblijf op het kasteel; voor de overigen werd gezorgd zoo goed als mogelijk was daarbuiten. Hier zag Maria de Medicis Lucienne d’Arcy weder, en door tusschenkomst van Polyander werd eene verzoening getroffen, die tot uitkomst had, dat Lucienne de Koningin naar Engeland volgde.

Het vertrek derwaarts werd intusschen nog weer uitgesteld. Mijnheer van Heenvliet betoonde zich een gastheer, waardig zulk eene Koninklijke gast; hij liet den kerker van zijne heerlijkheid openstellen met het woord, »dat de tegenwoordigheid der Koningin als vanzelve gunst en genade met zich bracht.” De Koningin, die hem reeds een prachtigen diamanten ring had. gegeven tot een aandenken voor zijne dochter, wilde hem nu ook op eene andere wijze beloonen. Zij liet kopie maken van haar portret, door Honthorst geschilderd en aan de Prinses van Oranje geschonken, en gaf het haar gastheer tot gedachtenis. De Prinses van Oranje, die der zwervende Vorstin, tot het laatste oogenblik toe, al de oplettendheden bewees, waarmede eene edelmoedige ziel het ongeluk haar eerbied tracht te bewijzen, was den Heer van Heenvliet bijna even dankbaar voor zijne hoffelijkheid jegens Maria, als deze zelve; zij ook voegde haar portret bij dat der Koningin. Honthorst werd, als vanzelf spreekt, geroepen om die kopieën te maken, en had ons, zoo wij hooren wilden, en zoo wij hem niet te langwijlig vonden, nog veel kunnen mededeelen over Maria de Medicis, dat de la Serre niet heeft opgeschreven, en waarop Scriverius geene Latijnsche verzen heeft gemaakt. De portretten der beide Vorstinnen werden door Polyander opgehangen in dezelfde zaal van zijn kasteel, waar zij zoo menigmaal met elkander waren samen geweest; menige inscriptie in hardsteen gebeiteld of op toetssteen met gulden letteren gegriffeld, was bestemd voor de nakomelingschap de gedachtenis te bewaren van de merkwaardige gastvrijheid, door dit huis verleend aan de twee vorstelijke vrouwen. Of ze dien dienst werkelijk hebben gedaan?…

Het huis te Naaldwijk heeft dan meer op den tijd kunnen verwinnen, dan het huis Honselaarsdijk, waarvan geen spoor is gebleven, niet anders dan of Diedrik’s bang voorgevoel ware vervuld geworden, en ’t kasteel achter hem in puin ware ineengestort.

Geduchten, die paleizen bouwt!
Gaat tot dien bouwval en aanschouwt!

zou Beets ook hier kunnen zeggen met helzelfde recht.

Het huis door Frederik Hendrik herbouwd en verheerlijkt, zoo stout, zoo prachtig, zoo hecht, heeft niet eens meer eene ruďne te toonen, en toch het teere doek door Honthorst met kleuren overtogen, de portretten van Maria de Medicis zijn nog behouden, om van hem en van haar te getuigen…

Maar genoeg… bij het afscheid van Maria de Medicis en de Prinses van Oranje werden er vele tranen gestort; tranen aan wier oprechtheid wij gelooven… dankbaarheid ter eenere zijde en medelijden ter andere lokten ze uit.

Diedrik was niet bij dit afscheid; maar hij was te Hellevoetsluis bij de inscheping der Koningin op den twintigsten October, en toen de saluutschoten der kanonnen van hare welkomst aan boord hadden getuigd, zonderdat er met hem iets anders was gebeurd dan met ieder der andere toeschouwers van dit tooneel, sprak er uit zijn gelaat eene mengeling van weemoed en bitterheid, die men het best zou kunnen uitdrukken door het woord: Teleurstelling.


Ingezonden op: 19 July 2001