EEN KROON VOOR KAREL DEN STOUTEN

VI.


De diplomatieke samenkomst, die wij boven met een woord hebben aangekondigd, vond plaats even na den avondmaaltijd des Hertogs van Bourgondië of liever, deze werd er om verkort; want nauwelijks had men hem kennis gegeven, dat de map, die gewacht werd, was aangekomen, of hij stond van tafel op, wierp schielijk een kostbaar fluweelen bovenkleed over zijn harnas heen, wenkte den Grooten Bastaard, hem te volgen, en liet zich door twee fakkeldragers vóórlichten naar het bidvertrek der Abten van St. Maximijn, dat tot zijne geheimkamer was ingericht.

Er bevonden zich twee mannen: de eene was; naar den grijzenden baard te oordeelen, van meer dan rijpen leeftijd; de andere scheen nog niet volkomen de krachtigste jongelingsjaren te hebben bereikt. De oudste, dien Karel als Graaf van Varnemburg aansprak, droeg het lange Duitsche hofgewaad. Toen hij voor den Hertog het hoofd ontblootte, zag men de trekken van een veelbeteekenend gelaat en kleine lichtbruine oogen, die, onder de zware grijze wenkbrauwen, van leven en schranderheid flikkerden. De fiere, slanke jonkman, die hem vergezelde, was eenvoudiger gekleed dan hij; toch had zijne houding iets, dat hem genoeg onderscheidde, om hem niet voor een mindere des Graven te doen aanzien. Hij groette Karel van Bourgondië met een vriendelijken glimlach, die echter iets verlegens had, en met eene lichte beweging aan den breedgeranden hoed van zilvergrijze zijde, dien hij ophield.

De tegenwoordigheid van dezen jongeling scheen den Hertog eene aangename verrassing te zijn; ten minste hij naderde hem vroolijk, reikte hem welgevallig de hand, en sprak op vergenoegden toon:

»Bij de eer van onze Orde! nu stellen wij het beste vertrouwen in de beloften van Oostenrijk, als ze ons door zulken zendeling aangekondigd worden.

»Met uw welnemen, Doorluchtige Hertog!” hernam de Graaf van Varnemburg eerbiedig, doch eenigszins haastig; »de tegenwoordigheid van Mijnheer is geenszins eene tegemoetkomende en veel minder eene verbindende betuiging van mijn hof, maar kan ééniglijk beschouwd worden als een bewijs van hooge persoonlijke belangstelling van den Rijks-Baron (hij sprak dit woord met nadruk) in de zaken, die hier gaan behandeld worden.”

»En van zijne zeer oprechte toegenegenheid en eerbiedenis voor den persoon des Hertogs van Bourgondië” voegde de jonge Baron er met levendigheid bij.

»Om het even,” sprak Karel, wiens wangen zich sterk gekleurd hadden bij het woord van Varnemburg, »het is altijd goed, dat de belanghebbenden hunne zaken zelve drijven; wij hebben menige ondervinding van onderhandelaars, die de zaken, hun toevertrouwd, meer in verwarring gebracht en verwikkeld, dan toegelicht en vereffend hebben.” Dit laatste was eene hatelijkheid aan den Duitschen Graaf, als onderhandelaar hier aanwezig; maar de Staatsman beantwoordde haar alleen met een fijn spottenden glimlach en met de aanmerking, dat hij hoopte te bewijzen, hoe die regel niet van algemeene toepassing was; daarna ziende dat Karel gezeten was, plaatste hij zich, na eene lichte buiging, tegenover hem in den gereedstaanden zetel.

De Baron zette zich aan zijne rechterzijde, maar op eenigen afstand, en liet zijn donkerblauwoog, met eene soort van onrust en schroom van den een naar den ander afdwalen.

»Onder goedkeuring van Uwe Hoogheid,” begon de Graaf, op de twee hooge vergulde kandelaren wijzende, waarop zware waskaarsen branden, »zou ik van oordeel zijn, dat deze lichten helderheid genoeg verspreiden om deze samenspreking toe te lichten, en dat het raadzaam zou zijn, gindsche fakkeldragers te verwijderen.”

»Integendeel, Heer Graaf!” antwoordde de Hertog, in wiens toon iets was, dat getuigde van zijne veranderde luim; »wij oordeelen, dat dit vertrek te spaarzaam verlicht is naar aanzien van het gezelschap; en de bijen van onze Zuidelijke Staten leveren was genoeg op, om, bij eene gelegenheid als deze, de kloosterachtige somberheid van dit verblijf op te luisteren.”

»Maar die lieden zijn getuigen…” hernam de Duitscher, met een zijdelingschen blik op den Baron; »en hunne oogen en ooren blijven niet zoo werkeloos als hun mond.”

»Deze lieden zijn op ons bevel even stom, doof en blind als hunne fakkels zelve; daarbij, wie geeft opmerking aan dergelijke dienende wezens?” sprak Karel, en zeer scherp voegde hij er
bij: »wij verzorgen onze dienaren te goed en betalen hen te ruim, om niet zeker te zijn van hunne trouw.”

De karigheid des Keizers voor zijne hofhouding en ambtenaren was bekend.

Een diepe blos kleurde de wangen van den jongen Baron.

De Graaf glimlachte weder, doch ditmaal meer met verlegenheid dan ironie.

»Messire Antoni!” vervolgde Karel tot dezen, »laat nog twee mannen met wastoortsen ter wederzijden van die nis plaats nemen, opdat wij licht hebben over de tafel!” en met trots zeide hij: »En gij Graaf van Varnemburg! vergeef ons, wij zijn gewoon, bij dergelijke huishoudelijke aangelegenheden geen anderen raad te volgen dan dien van ons eigen hoofd.”

De Bourgondische Edelman, die met dergelijke handelwijzen van zijn meester gemeenzaam scheen, wenkte van achter diens zetel, waar hij stond, den zaakgelastigde toe met een gebaar, dat tot zwijgen maande, en daarop verwijderde hij zich, om het gegeven bevel te doen gehoorzamen.

De Duitsche Heeren zagen elkander aan met een licht schouderophalen, verwonderd en geërgerd over een zoo kleingeestig tegenstreven op een zoo weinig beduidend punt, ’t geen hun scheen te voorspellen, hoeveel lijdzaamheid zij bij dit samenzijn te gebruiken zouden hebben.

En ze mochten er zich waarlijk mede wapenen, want Karel was, door eene aanvankelijke teleurstelling, in dat lastig en dwarsdrijvend humeur geraakt, dat voor zijne omringenden onverdragelijker was dan sommige vlagen van zijn opgeruid en hartstocht, en dat voor zijne eigene belangen nog veel gevaarlijker was, daar het hem, als het ware tegen de uitspraak van zijn gezond verstand aan, vervoerde, om volmaakt strijdig te handelen met den raad van anderen, zelfs van de best gemeende waarschuwing. Een woord, dat over deze zielsgesteldheid zijns meesters inlichtte, en raad gaf, hoe daarbij te handelen, was het zeker, wat Antoni, bij zijne terugkomst in het vertrek, den Duitschen diplomaat als terloops influisterde, onder begunstiging der stoornis, door het binnentreden van de beide toortsdragers veroorzaakt.

Maar Karel’s achterdocht werd er door opgewekt, zelfs tegen een anders geliefden bloed verwant.

»Messire Neef! uwe plaats is aan onze zijde, meenden wij,” sprak hij met hardheid.

En die fiere edelman, die later een ander zijner landsheeren met de wapens in de hand zou durven trotseeren, gehoorzaamde dezen zonder ééne tegenwerping. Zóó groot was het ontzag, dat deze Hertog, tot in het kleine toe, voor zich had weten in te boezemen aan zijne Vorstelijke hovelingen, en dat in een tijd, waarin de Fransche kroonvazallen zich nog als onafhankelijke machten tegen hun Heer wapenden en verbonden, terwijl Karel zelf, door zijne aansluiting en deelneming, dien tegenstand had gewettigd.

Vlak tegenover de nis, waarin een levensgroot standbeeld van den Heiligen Petrus geplaatst was, zat de jonge Baron, en dus volkomen in het gezicht der beide toortshouders, die daar op Karel’s bevel hadden post gevat; maar ze stonden roerloos en stom als het marmeren beeld zelf, zonder eens naar de sprekende personen op te zien, en zóó zichtbaar zonder deelneming aan het voorvallende, dat men het den Hertog niet misduiden kon, zoo hij ze weinig meer rekende dan de lichtstandaarden, waarvoor zij strekten. Een hunner echter, op wiens gelaat iets pijnlijks lag, dat kon worden uitgelegd als onrust, als morrende verveling, wierp toevallig een schichtigen en schroomvalligen blik op den persoon tegenover hem, den belangwekkenden jongeling; en hij scheen zóó getroffen door dit gezicht, dat hij verbleekte en de lichttoorts een oogenblik waggelde in zijne sidderende hand.

Het was Romuald, de page van den Markgraaf Sigibert, die den zoon van zijn Keizer had herkend!

Het wordt eenmaal tijd, dat de lezer wete, hoe deze in het klooster was binnengedrongen, en wat hij er kwam verrichten. Toen de schalke Bertha haar wensch teleurgesteld zag, om den knappen jongeling tot geleider te hebben, had zij hem een wenk gegeven, dat hij, bij wijze van ontmoeting, zich met zijne schoone omstreeks de kapel zou samentreffen; toen zij dus alleen vliedende terugkeerde, vond zij hem op het aangewezen pad; en toen zij hem in snelle woorden en niet verzwakte kleuren het avontuur had afgeschetst, dat haar van Süschen had gescheiden, was het zijne eerste gedachte, zoowel als haar dringend verzoek, dat hij zonder verwijl de bedeesde schoone van de lastige plaaggeesten ging verlossen. Zij zelve zou wel veilig haars weegs gaan; zij zag de Zwarte poort reeds zoo goed als vòòr zich, »en hare veiligheid was voor hem ook van het kleinste belang” voegde zij er spottend bij.

Romuald ijlde dan voort, »op de vleugelen der liefde,” maar die vleugelen hadden hem nog niet ver gebracht, of hij ontmoette de twee teleurgestelde standaardjonkers, die voor den hoogeren rang der pages hadden moeten wijken bij den twist om de
Duitsche Helena. Bij de feesten, die de Bourgondische dienaren met de Oostenrijksche hadden in aanraking gebracht, was Romuald met één hunner genoegzaam in kennis geraakt, om hem deelgenoot te maken van zijne onrust over het schoone meisje.

»Was het uwe zuster of uw liefje?” vroeg de Bourgondië.

»Mijne zuster!” sprak Romuald, zonder aarzelen den titel kiezende, die hem het eerwaardigste recht scheen te waarborgen.

»Leugenaar!” hervatte de ander, die de onwaarheid in zijn blos las; »maar gij zijt reeds genoeg gestraft; mijne Heeren de pages.edelknapen, met name Jehan de la Clitte en Philippeau de Beaucaire, hebben haar in hunne macht binnen de muren van het klooster, en wees gelukkig met haar zoo gij ze wederkrijgt!”

»Wat moet ik doen? zeg, wat ik doen moet?” smeekte Romuald, doodelijk verschrikt door hun spot.

De Bourgondiërs beraadden zich te zamen; wat zij uitdachten, zou tegelijk eene goede wraak zijn voor de teleurstelling, die zij zelve hadden geleden.

Zij beschouwden Romuald met aandacht.

»Durft gij wat wagen?”

»Alles om haar.”

»Gij waagt niet veel, als gij behendig zijt,” sprak de langste, en wierp zijn bovenkleed uit. »Verwissel dit met uw wambuis, neem mijne tootschoenen en mijne gantelets; uw lang blond haar is van het onze niet te onderkennen. Ziezoo, die muts daarop. De Provoost zelf zou u nu den standaard in handen geven. Wie let er op, of uwe witte hozen juist van scharlaken zijn als de onze? Wij zijn honderd in getal in ’s Hertogs huis, meest allen Luxemburgers en Henegouwers; maar het eene rot kent nauwelijks het andere van wezen. De portier zal u niet weren, al kent hij u niet. Stap vrij en luchtig de voorpoort in. Onze Heer zal weldra komen; als ge hem ziet, legt gij hem uwe zaak vóór, op de wijze, die gij het best keurt, en het meisje zal te voorschijn komen, al hadden zij haar onder de aarde begraven, en de jonkers zullen hun deel krijgen, als verdiend is. Maar wacht u te bekennen, dat gij niet van de onzen zijt; Karel van Bourgondië is de man, om u zonder onderzoek als spion te doen opknoopen. Als ge wat slim zijt kunt gij echter licht dit noodlot ontgaan; welnu, zijt gij besloten?”

De Duitscher had zijne vermomming reeds voltooid. Wàt vroeg hij naar gevaar en bezwaren? Hij had de liefelijke engel, die geheel zijn hart vervulde, van, hij wist zelf niet welken jammer, te redden of te wreken, en hij gaf er zijn leven voor, zoo hij daarin slaagde. En er sprak veel voor dit goede vooruitzicht. De Bourgondische jongelingen gaven hem nog enkele waarschuwingen en aanwijzingen; en moedig stapte hij — hoe dankte hij zijn beschermheilige -- ongehinderd, schoon niet onopgemerkt, de groote voorpoort binnen. Snel vermengde hij zich in den stoet van lagere dienaren, zich slechts zooveel mogelijk op een afstand houdende van wie eene uitmonstering droegen aan de zijne gelijk. Voor alles wilde hij weten wat er van Süschen geworden was, en hij hoopte het te ervaren uit een of ander gesprek, dat hij schijnbaar onverschillig meende aan te knoopen, of door te luisteren naar de woorden der anderen; maar helaas! het Vlaamsch, het Bourgondisch, het Luiksch, het Henegouwsch, het Hollandsch, alle tongvallen en alle spraakwijzen van al Karel’s Vorstendommen kruisten zich hier, als bij de spraakverwarring van Babel, en de Duitscher , die anders genoeg Fransch kende, om met ware Bourgondiërs om te gaan, verloor hier den draad van iedere gissing; daarbij was het een gewemel en geloop en tegen elkander hotsen, een verdringen en verjagen onderling, waarbij er geenerlei vraag gehoord of beantwoord kon worden. — Eindelijk vatte hem een oudachtig man bij den arm, die, naar het uiterlijk te oordeelen aan den dienst van de keuken moest verbonden zijn.

»Ludwig! volg mij,” sprak hij in vrij goed Duitsch; »in de fruitkamer heb ik iets voor u, arme landsman! die bij den avondmaaltijd geen toegang hebt. Kom mee.”

Romuald, die het een weinig op zijne goede fortuin moest laten aankomen, volgde dien man dien hij ten minste verstaan kon, en die hem wellicht van dienst zou kunnen zijn, hetzij bij zijne nasporingen, hetzij bij zijnen wensch om den Hertog te naderen.

Een afzonderlijk korps dienaren was tot den dienst van Karel’s nagerecht verordend; die fruitkamer dus, waar de Luxemburger hem vóórging, was opgevuld met lieden van allerlei leeftijd, die er de plichten van hun dienst kwamen uitoefenen. Het was er reeds schemering, gelijk in geheel het klooster, waar licht en lucht maar zeer weinig toegang gelaten werd; niet vreemd was het dus, dat deze meester-spijsbezorger, die zeker door eenige gelijkenis moest getroffen zijn geweest, de vergissing niet ontdekte, maar de wijn en het koude wildbraad en de geurige druiven. die hij voor den lieveling ter zijde gezet had, met ronde gulheid aan den vreemdeling voordiende, terwijl deze inmiddels bij zich zelven overleidde hoe hij de gewenschte ondervraging aanvangen zou.

Maar nieuwe personen kwamen binnen. »Houd u hier wat ter zijde,” fluisterde zijn gastheer hem toe; »daar zijn de knechten fakkeldragers, die komen om de wastoortsen, welke ik moet afleveren.”

Nadat de man hem tot die bezigheid verlaten had, stond de Duitscher alleen in den gekozen hoek, toen op ééns een der binnentredenden de tijding bracht, dat de Hertog terug was.

Plotseling werd alles nog meer leven en werkzaamheid: men hoorde stemmen bevelen geven, en men zag ze met drift uitvoeren; geene hand bleef er werkeloos, geen voet twee minuten op dezelfde plaats, en om tot de orde te komen heerschte er eene vreeselijke ongeregeldheid. Romuald stond alleen, werkeloos tusschen dit gewoel, genoeg met zijne houding verlegen, en vol verlangen om verder te gaan, nu hij Karel in deze muren wist.

Zijne ledigheid had intusschen de aandacht getrokken van iemand, die, te oordeelen naar zijne kleeding en het witte staafje in zijne.. hand een der dienstdoenden onder de hofmeesters moest zijn.

Hij naderde Romuald met driftige gebaren en onvriendelijke woorden.

»Wij ontbreken heden zeven fakkelhouders voor de eetzaal en onze Heer onderhoudt honderd gezonde jongelingen, die geen vinger wtsteken, dan bij openbare optochten een standaard te dragen! ’t Is eene schande! daar staat weer een van die verwijfde luiaards. Hola, Meester!” en hij vatte hem bij den arm; ge zijt op eene plaats waar ge niet hoort; verdien ten minste vandaag uw brood, en volg mij met eene fakkel naar het refectorium. St. Brêve! eene wastoorts voor den Jonker.”

St. Brêve, dezelfde, die zich den jongen Duitscher had aangetrokken, zette een meêwarig gezicht, toen hij hem het geëischte in de hand gaf, maar deze vond zijn lot niet zoo hard als het zijn begunstiger toescheen: want hij begreep, dat hem daarbij de beste gelegenheid geboden werd om tot den Hertog te komen. Ook lichtte hij den hofmeester vóór met eene gewilligheid die dezen te eerder in eene betere luim bracht, daar hij haar niet had mogen wachten, en niet reden; want in eene huishouding zoo omslachtig als die van den Bourgondischen Hertog waar ieder meubelm, ieder stukvan het tafelgereedschap bijna een afzonderlijken bediende had, die er zorg voor droeg, maar wiens dienst zich dan ook verder tot niets uitstrekte, waren juist zij, die er zich zonder bepaalde werkzaamheden ophielden onder den naam van lediggangers, de lastdragers van ieders verzuimd werk, waarover ieder naar willekeur beschikte; daarom hadden de jonkers van den standaard, slechts tijdelijk in deze betrekking en meestal van vrij goede afkomst, zich dikwerf met moed verzet tegen dit willekeurig gebruiken hunner personen.

»Geef mij dan ten minste eene eerlijke plaats, nu ik eene taak op mij neem, die niet van mijn plicht is,” had Romuald den hofmeester gebeden.

En deze was hem hierin gaarne ter wille geweest, en had hem post gegeven aan des Hertogs eigen tafel. Met eene mengeling van vrees, van verwachting, van onrust, die toch werd afgeleid door het gezicht van al het vreemde en sierlijke rondom hem, had de jongeling, zoo staande, in altijd klimmend ongeduld, een tijd doorgebracht, die zeker lang was, maar die hem zonder einde scheen, totdat eindelijk zijn geduld en zijn stout ondernemen door eene uitkomst boven hoop en verwachting werden bekroond. Süschen veilig en ongedeerd te zien binnenkomen onder de bescherming van den Vorst, was hem een loon geweest, zoo zoet en heerlijk, dat hij zijn geleden angst en het moeitevolle van zijn tegenwoordigen toestand daarbij volkomen vergat. Alleen, toen de schoone veilig en gelukkig van dáár
ging, en gewroken door de vernedering harer beleedigers, had hij er een jaar van zijn leven voor willen geven, om haar te mogen vergezellen of volgen; maar zonder zich te verraden of achterdocht te geven, was het onmogelijk, en hij had nu reeds genoeg gezien van het Bourgondische recht, om zich aan niemands verkeerde opvatting te wagen. Met toenemend verdriet en afnemende lijdzaamheid zag hij dus een maaltijd aanvangen en voortduren, die hem op de plek als vastgemetseld hield, en hoe hij de stoornis zegende, die Karel van tafel dreef valt daarna licht te denken. Maar het was besloten dat hij tegenspoed zoude hebben; genoeg aan het hofleven gewoon, om ingewijd te zijn in die kleine listen, waarmede men zich daar een last van den hals schuift, was hij, na het vertrek van den Vorst, reeds aan den uitgang van de zaal genaderd, toen een dienaar van Messire Antoni van Bourgondië zich aan Olivier de la Marche wendde om meerdere toortshouders voor ’s Hertogs kabinet. Romuald werd opnieuw gebruikt, en een woord van tegenspraak, dat hij waagde, werd door den grooten Heer zóó hoog beantwoord, dat de jonge man, zich van spijt verbijtende, gehoorzamen moest. Tot zijne ergernis hoorde hij juist den portier de groote poort sluiten, nadat hij zijne gewone ronde had gedaan, om te onderzoeken, of er ook vreemdelingen waren binnengeslopen, en dezulken, die geen recht hadden te blijven, uit het huis te verjagen. Die poort knarste hem in de ooren als de deur van eene gevangenis. Het zien van den Aartshertog woog hem niet minder zwaar op het hart, hij was meermalen met zijn heer in diens tegenwoordigheid geweest; deze kon hem herkennen, en één woord of één gebaar van verwondering kon hem verraden. De toon, dien de onderhandeling nam, maakte hem niet geruster, want, gedwongen spion als hij was, voelde hij meer en meer, dat zijne tegenwoordigheid, zelfs met het volle bewijs zijner onschuld vóór zich beide partijen evenzeer moest beleedigen. Eene bekentenis van de waarheid was reeds niet meer doenlijk geworden.

De jonge Baron, of liever de Aartshertog (beter nog Hertog) van Oostenrijk, was intusschen van plaats veranderd, beleedigd wellicht door de onkiesche eigenzinnigheid van Karel die hem op deze wijze aan de blikken en herkenning van lage dienaren blootstelde, of wel, onaangenaam getroffen door die blikken zelve. — De Graaf van Varnemburg had nu de onderhandeling geopend, met de verzekering, dat de Keizer genegen was en beloofde de Staten en Vorstendommen des Hertogs van Bourgondië tot een Koninkrijk te verheffen, en dezen zelven tot Koning te kronen en de koninklijke eere en titels te verleenen; want ziet — wat onder het volk reeds eene openlijke en vastgestelde zaak scheen, was in het kabinet nog slechts eene hoop, die bevestigd moest worden, en eene belofte, waaraan nog Iedere waarborg van zekerheid ontbrak. Zóó loopt veelal het gerucht de waarheid vooruit, en zoo de volkeren dat beter in het oog hielden, zouden ze zich niet zoo vaak noodeloos ontrusten en minder grondeloos hopen, om niet zoo vaak te worden teleurgesteld.

»De kroning zal geschieden in deze stad van Trier, en bepaald bij deze samenkomst der beide Vorsten,” ging de Graaf voort; »de Hertog zal daarvoor den Keizer van het Duitsche Rijk ten eeuwigen dage houden en erkennen als Opperleenheer…”

»En ontslagen zijn van alle leenplichtigheid jegens Frankrijk,” viel Karel in.

»Dat punt kan hier niet worden beslist,” antwoordde Varnemburg.

»Bij St. Joris van Bourgondië!” riep Karel, »uw Keizer is te voorzichtig om een warm vriend te zijn. Zoo hij mij niet durft losmaken uit dien strik, uit aanzien van Lodewijk, dan zullen wij dien zelve doorhakken met het zwaard, op de wijze van onzen Neef en zeer hoog gehouden voorganger, Alexander van Macedonië Wat hij een gelukkig Vorst was!” voegde hij er zuchtend bij; hij had geene Leenheeren. Het is hard Oppergebieder te zijn in zijn land, en toch nog andere Leenheeren te moeten huldigen dan God en zijn Keizer.”

Het ernstige gelaat van den Duitscher ontplooide zich tot een onmerkbaren glimlach over de naïve ontboezeming; daarop ging hij voort: »De kosten der kroning komen geheel voor rekening van den Hertog…”

»Wij hebben geen oogenblik anders gemeend,” hernam Karel, ongeduldig over de langzame deftigheid, waarmede de diplomaat op een punt aandrong, dat hij reeds vooruit had bewilligd; »wij zijn hier niet samen. om over geldzaken te twisten, als Lombarden en kleine kooplieden; zoo de Keizer zooveel voortgang maakt als wij wenschen, zijn wij bereid zijn werk te betalen, als hij het begeeren mocht.”

»Oostenrijk kan van Bourgondië geene andere betaling aannemen dan die van bondgenootschap en trouw,” merkte de Baron aan met een ernst en vuur, die zijne vroegere beschroomdheid weêrsprak.

»Onze jeugdige Heer vormt zich,” begon de Hertog lachende; »hij gaat recht op het doel aan, beter dan één van ons. Maar wij ook kunnen korter weg nemen, dan, zooals wij doen, terug te komen op onze schreden; onze wenschen omtrent de vermeerdering van grondgebied zijn vroeger aangeduid. Wij eischen verder, dat de vier bisdommen, Doornik, Luik, Kamerijk en Utrecht aan ons oppergezag worden onderworpen; het is al te lastig; oor een Monarch, vier onafhankelijke Staten in het midden van zijn Koninkrijk; en daar het onmiddellijk leengoederen zijn van het Rijk, valt het den Keizer licht, hierin onzen wil te doen; wij zijn hiervoor tot groote opofferingen bereid; verder zijn onze aanspraken op Lotharingen bekend en rechtmatig; wij twijfelen geenszins, of uw meester zal ze ondersteunen.”

»Ik ben verplicht Uwe Doorluchtigheid het tegendeel te verzekeren,” sprak Varnemburg; »zoo haast de Prins Vaudemont in uwe handen was, heeft Koning Lodewijk een Duitschen Prins gevangen genomen, die in zijne hoofdstad studeerde; en daar die Prins een eigen Neef is van mijn Heer, moet Zijne Majesteit volstrekt onzijdig blijven in de zaak van Lotharingen . en Uwe Genade zelfs verzoeken, den jongen Réné geenerlei geweld aan te doen, uit vreeze van wederwraak.”

»Vervloekt! Lodewijk XI is een goed schaakspeler. Met Lotharingen zullen wij dan ons zelven helpen. Het ambt van Vicaris-Generaal van het H. Roomsche Rijk is toch te begeven zonder tusschenkomst van Mijnheer van Frankrijk, zoo wij hopen? Het zal goedstaan zoo een Koning van Bourgondië het voert!”

»En dan de Hertog van Oostenrijk?” vroeg Varnemburg bedenkelijk.

»Die treedt gaarne terug voor de aanspraken van den Hertog van Bourgondië, sprak Maximiliaan, met jeugdige voorbarigheid.

»Zoo zijn wij het eens!” riep Karel met glinsterende oogen. »Sire Antoni, lieve Neef! ontbied hier schielijk onzen klerk en geheimschrijver , opdat deze bewilliging op het papier worde gesteld.”

Maar Varnemburg zeide: »Nogmaals moet ik ernstig Uwe doorluchtige Hoogheid indachtig maken dáárop, dat de Baron bij deze onderhandeling noch persoon is noch stem heeft,” en, tot dezen gewend, voegde hij er bij, eerbiedig, maar met vastheid: »Mijn Heere! vergeef mij, zoo ik hier tegen uwe wenschen spreke, en met kleine aanmerking voor de hoogheid van uw rang; maar wil u herinneren, dat dit de voorwaarde was van uwe aanwezigheid bij dit mondgesprek, en dat ik verplicht ben de belangen te handthaven, die aan mijne zorg zijn toevertrouwd.”

De jonge Vorst boog zich eenigszins gedwongen; misschien berouwde het hem in eene voorwaarde te hebben toegestemd, die hem tot de volstrektste onbeduidendheid veroordeelde en die hem in een toestand plaatste, waarbij hij voor vernederingen als deze blootstond, die in strijd was met zijn karakter, en die hem geen enkel voordeel beloofde.

»Zoo word ik dan bedrogen en misleid!” sprak Karel met fonkelende oogen. »Men had mij hoop gegeven, dat deze eisch…”

»Zou worden toegegeven aan den schoonvader van onzen Hertog, Genadige Heer! maar niet aan den Hertog van Bourgondie.”

»Welnu! de verloving is zoo goed als geschied,” hernam Karel zachter; »wat zoudt ge dan nog aarzelen!”

»Met uw verlof, edele Vorst! Die verbintenis van een Zoon van Oostenrijk met uwe erfdochter is de éénige ejsch van onze zijde; en wij hebben recht daarvoor andere waarborgen te vragen, dan de onzekere beloften, die tot hiertoe zijn gewisseld; er moet vervulling zijn, eer wij in alle wenschen van uw kant, zonder voorbehoud, kunnen toestemmen.”

»De éénige eisch!” herhaalde de Hertog van Bourgondië met ergernis; »gij hadt er nog slechts moeten bijvoegen: een kleine! de éénige eisch! en gij vraagt mij de hand mijner dochter, dat wil zeggen, het recht op haar erfgoed, het recht op Bourgondië, op Vlaanderen, op Henegouwen, op Holland: het recht, in één woord, op alles, wat het mijne is of nog zal worden: in trouwe, ik zou zesmaal zooveel tijd noodig hebben in het opnoemen van wat gij begeert met dien éénen eisch, als gij, met al uwe Duitsche traagheid, om mijne vele aanspraken te herhalen; meen niet, dat de Leeuw van Bourgondië blind is voor zijne eigene grootte. En speel niet met zijn geduld, omdat hij zich een lam heeft getoond aan uwe zijde! Een enkele eisch! zich de erfopvolging te bedingen in mijne Staten, voor nu en voor eeuwig! Bijna het recht om ons te verdringen als het hun tijd wordt. Eene enkele eisch! bij God en St. Joris! die ééne eisch is mij harder dan tienduizend anderen. Vraagt mij de helft mijner vorstendommen, de helft mijner schatten, de helft van mijn leger, en gij vraagt mij nog niet zooveel!”

En hij had gelijk: eene hardere voorwaarde was er voor hem niet uit te denken, dan het uithuwelijken zijner dochter. Dat was hem de rechterhand ontnemen; dat was zijne gansche staatkunde verlammen; dat was hem gewelddadig scheiden van het bondgenootschap van alle Prinsen en van alle Vorsten in Europa, die hij met deze rijke hand tot zich wenkte, zoodra hij wilde; dat was hem versteken van het groote middel, waarmede hij vrede stichtte of oorlog kon voortzetten zoo vaak hij wilde; dat was een grenspaal zetten tegen al zijne staatzuchtige plannen; dat was hem het groote geheim afvergen, waarmede hij vrienden vleide en vijanden dreigde; dat was den arend de slagpennen uitrukken, den leeuw de voorpooten ketenen, den vos vergen, af te staan van zijne list.

Daarbij, zich een gelijke geven in den zoon van een machtig Keizer, in een jongeling, wiens fijnen geest hij had leeren waardeeren, wiens krachten dagelijks zouden wassen, die Roomsch Koning zou worden, en wellicht zelfs Keizer, eer Karel de oogen sloot! Neen voorwaar! zijne dochter uithuwelijken, haar ten huwelijk geven bovenal aan Frederik’s zoon, was de bitterste eisch, die hem kon worden voorgelegd, het smartelijkste beding, dat hem te maken was, zelfs al zou eene vurig begeerde kroon er de prijs voor zijn.

Men begrijpt, dat de prikkelbare Bourgondische Vorst, toen hij vond of voorwendde te oordeelen, dat men al den omvang van dien eisch niet scheen te bevatten, in die luide en bittere ontboezeming uitbarstte; men begrijpt, dat het bij een man van zijn warm bloed niet mogelijk was, met zooveel vuur te spreken, kalm nederzittende in een zetel; ook was hij sinds lang opgestaan en doorliep het vertrek met groote schreden; die ongeregeld waren en bijna wankelend van drift. — Een verschijnsel, dat men ook eveneens opmerken kan in dronken lieden en kleine kinderen, als een bewijs, dat de hartstocht het lichaam bedwelmt, evenals de onmatigheid, en zwak maakt als de hulpelooze jeugd. De Aartshertog, die reeds van den aanvang der onderhandeling af in pijnlijke onrust had toegeluisterd, liet nu in eene soort van vertwijfeling het voorhoofd op de vlakke hand rusten, als wilde hij de oogen sluiten voor een tooneel, waarvan hij evenzeer een machteloos getuige als een schuldeloos slachtoffer was. Het was zijn lot, zijne toekomst, zijn hart, waarover die twee menschen twistten; de een met eene koelbloedige vasthoudendheid, die hem telkens sidderen deed voor de gevolgen, en de ander met een aanmatigenden trots, met eene licht ontvlambare drift, die ieder oogenblik dreigde, zijne schoone verwachtingen roekeloos te vertreden en in blinden toorn om te werpen

Want Maximiliaan wenschte zijn huwelijk met Maria van Bourgondië. Om niet te spreken van de natuurlijke begeerte des achttienjarigen jongelings, om een gehuwd man te zijn; van den zoon van Frederik, in lage bekrompenheid tot eene drukkende afhankelijkheid veroordeeld, om meester te worden en onafhankelijke beschikker van den bruidschat eener schatrijke bruid; van de ontwaakte eerzucht in een jeugdigen vorst, en die gloeide van verlangen, om een zooveel beteekenend persoon te worden in den kring van Europa’s regeerende hoofden, als hij worden moest met Maria’s hand in de zijne; van de voortvarende verbeelding eener tot werkeloosheid gedwongen jeugd, die berekende, van hoevele Staten en van hoevele Kronen hij met haar de bezitter zoude zijn; van de opvlammende heerschzucht, die telde, hoevele knieën zich voor hem zouden buigen, en hoevele hoofden bukken, en hoevele menschenwillen zich schikken naar den zijnen alleen, zoodra hij vereenigd dáár stond met die glansrijke echtgenoot. Nu was hij niets dan zoon van een Keizer, wien het niet beloofd was, zelf Keizer te zijn; met haar was hij de schoonzoon van Karel den Stouten, die de Duitsche Vorstenkiezers dwingen kon en hunne keuze bepalen; maar zelfs buiten dit alles, meenden wij te zeggen, was er iets, dat de fijnvoelende jongeling onweerstaanbaar tot Karel’s dochter moest aantrekken, ofschoon hij haar nimmer had gezien, of door niets nog kende: het was eene mengeling van edelmoedigheid en ijdelheid. Van edelmoedigheid: want hij voelde, dat de jeugdige schoone, die van den eenen huwelijkshandel naar een anderen werd heen en weêr gesleept, aan zijne trouwe borst rust zou vinden; dat haar geluk veilig zou zijn in zijne handen; dat hij de teedere bloem zou kweeken en niet verplukken; dat haar van zijne dankbaarheid en zijn zachten geest een lot wachtte, zooals ze zich niet van ieder, zooals ze zich van geen harer vreemdsoortige huwelijkswervers beloven kon; en de belangstelling, die het indenken van dit voornemen hem gaf voor haar, boezemde hem eene gewaarwording in, die eene eerste liefde, altijd de reinste en meest poëtische, al zeer nabij kwam. En was het dan ook niet iets voor zijne ijdelheid, te zegepralen, waar zoovele anderen teleurgesteld waren of afgewezen; den schat weg te dragen, waarvoor al de vorsten van zijn tijd hadden gevleid en gebedeld, en zooveelopgeofferd en zooveel uitgeloofd? Neen, het was niet vreemd, dat hij de armen verlangend uitstrekte naar de toegewezene bruid; niet vreemd, dat hij sidderde van ongeduld, en verbleekte van vreeze bij dat spel, waarbij anderen voor hem om haar speelden, en dat hij tranen van teleurstelling moest verbergen door eene snelle beweging, nu zij voor hem scheen verloren te zijn; want Karel eindigde zijne toornige rede met eene luide en hooghartige dreiging.

»Noem uw beding eenvoudig, Mijnheer Graaf van Varnemburg! noem het gering, zoo gij wilt; maar wij zeggen u, dat wij niet gezind zijn, ook tot een begin van uitvoering daarvan over te gaan, vóór al onze groote eischen zijn ingewilligd en vervuld. Zoo waarachtig mijn goed zwaard geen rietstaf is, zoo waarachtig zal Maximiliaan’s hand de vingertoppen mijner dochter niet aanraken, vóórdat de Koningskroon op ons hoofd vaststaat, en geen priesterwoord den zegen spreken over den echt van Frederik’s zoon met mijn kind, vóórdat het nieuwe rijk van Bourgondië mij tot gewijd Koning heeft gehuldigd.”

Terwijl hij dit sprak, was de Hertog vlak voor den Graaf blijven staan; en de handen, die hij onder het spreken met driftige gebaren had bewogen, kruiste hij nu uitdagend over de borst, met de bedriegelijke rust, waar men eene kruitmijn in ziet, die op een vonkje wacht, om in verwoestenden gloed uit te barsten.

En de Graaf van Varnemburg was ook opgestaan, langzaam, maar met een fonkelend oog en gloeiende wangen, als iemand, die eene lang ingehouden verontwaardiging eindelijk lucht moet geven, schoou hij berekend had, wat dit toegeven hem kosten kon; want hij aarzelde een oogenblik eer hij sprak. De Aartshertog trachtte in deze seconde, met blikken en gebaren, zijns vaders gemachtigde tot matiging te bezweren; maar deze sprak koeler dan men verwacht zou hebben, doch beslissend:

»Zoo is Uwe Doorluchtigheid zonder oprechtheid geweest bij de eerste aanbieding, en zoo moet deze onderhandeling nul zijn en kan er niets worden gesloten?”

Maximiliaan’s zacht blauwoog zag angstig en smeekend naar Karel op, die den Graaf van Varnemburg als met de blikken mat; die tweemaal de greep van zijn zwaard krampachtig had gevat, en het tweemaal met drift in de scheede had teruggeworpen; die de lippen op elkander drukte, zeker om een luiden vloek te weerhouden; want iets dergelijks scheen hem op de lippen te liggen; dat was zichtbaar uit al zijne gebaren, uit al de trekken van zijn gelaat. Antoni van Bourgondië al dien tijd een werkeloos en lijdelijk aanschouwer, scheen nu voornemens partij te trekken van zijn stilzwijgen en van zijne onzijdigheid; ten minste hij wierp zich aan Karel’s voeten met deze woorden: »Mijn Genadige Heere, en wellieve broeder! aanhoor mijn raad, aleer gij verder gaat.”

Karel knikte ten bewijze van vergunning.

»Laat niet dezen Duitschen Heeren het voorrecht, uw bondgenootschap en uwe vriendschap op te zeggen. Wees de eerste om den wille van Bourgondiës eer, wees de eerste! Wat zegt u hunne kroon; hebt gij niet den fraaisten Hertogshoed der wereld? Uw Heer Vader, zoo goed, en toch zoo gevreesd. is als Hertog gestorven, en Uwe Hoogheid zal…”

»Genade, mijn God! Messire Antoni! wat onzin klapt gij, ons dwingend tot luisteren. Zie, Mijnheer van Varnemburg! te oordeelen naar zulke raadslieden, is het niet meer vreemd, dat wij geen anderen raad nemen dan van ons eigen hoofd en believen. Fij van u, Sire Neef! zoo le Glorieux niet wijzer wist te spreken, verjoegen wij hem als nar. Wie denkt er aan vrede te breken en vriendschap met den Keizer, onzen Opperleenheer en lieven Bondgenoot, wie denkt er aan de kroon gering te achten, die wij met zooveelomslag zijn komen halen? Hiervan is gansch de rede niet; de Jonkvrouw van Bourgondië is immers toegezegd en beloofd aan den Aartshertog; wie is er die meenen durft, dat wij ons gegeven woord zouden intrekken?”

Sire Antoni stond op met het strakke en verlegen gelaat van iemand, die eene bestraffing heeft ontvangen, waar hij dank had verwacht; maar toen hij zich weêr leunde tegen den armstoel zijns meesters en op de anderen nederzag, had hij dat air de rire sous cape van wie langs een gewaagden omweg tot zijn doel is gekomen. Een diepe kennis van het karakter zijns vorstelijken broeders had hem dit middel aan de hand gegeven, om hem in het midden van zijne drift te doen stilstaan, te laten inzien waarop hij toeliep, aan te wijzen wat hij onherroepelijk ging van zich stooten met een overhaast woord, en hem juist het tegendeel te laten doen van datgene, wat hem bij wijze van raad (den vorm, dien hij boven alles haatte) als eervol en nuttig werd voorgeschreven: niet dat de Bourgondische edelman bepaald het Oostenrijksche huwelijk wenschte; maar hij wist, dat Karel daarna hemel en aarde, schuldig en onschuldig, al wat hem omringde of nabij kwam, de schuld zou geven van wat hij zelf in dollen overmoed had vergooid.

De Graaf van Varnemburg had onder die afleiding ook tijd gehad om te bedenken, hoe zijn Meester, die de Keizerlijke eere zoo weinig achtte tegenover zijn persoonlijk belang, het hem tot fout kon aanrekenen, dat hij de kunst van achteruitgaan om beter te springen niet had in het oog gehouden; en hij begreep, dat toegevendheid nog niet schaden moest, zoolang er niet werkelijk gegeven werd.

»Uwe Doorluchtigheid geeft eene andere uitlegging aan mijne woorden, dan de bedoelde. Het was niet volstrekt de priesterlijke inzegening van de gezegde verbintenis, die als waarborg wordt geëischt, het is alleen eene meer vaste, meer bepaalde verzekering van haar kant, eene vormelijke en wettige verloving bij voorbeeld, waarmede mijn Hof zich tevreden zou houden…”

»Tot na de kroning, niet waar?” viel Karel in, en haalde zwaar adem, als iemand, die, na half verstikt te zijn, opnieuw moed schept. »En dat voegt ons uitnemend, want de vele kosten, die deze veroorzaken zal, heeft onze schatkist en de beurs onzer onderdanen te veel geledigd, om tegelijk zoo kostbare feesten te vieren als die zijn moeten, wanneer eene dochter van Bourgondië aan een zoon van Oostenrijk wordt ten huwelijk besteed; daarbij eischt haar uitzet onze zorge; wij zullen nieuwe beden moeten doen, en het is zaak, dat wij te dier gelegenheid in ons Koninkrijk terugkeeren… Daarbij zijn de toekomstige echtgenooten nog van teêren leeftijd. De Aartshertog is…”

»Achttien jaren reeds! en prinses Maria immers zestien?” riep deze met eene drift, waarover de Hertog glimlachte.

»Ik begrijp dat ongeduld,” sprak hij; »ik was zoo oud toen ik den slag bij Montl’hery won. Wij willen intusschen veel doen, om dat wachten dragelijk te maken. Ziehier reeds een brief van Maria, in antwoord op het schrijven van den Aartshertog.” En hij wierp den Baron een brief toe. »Wij hebben dien gelezen en ons zegel daaraan gehangen ten blijke van toestemming.”

De verzoeking om zijn incognito te schenden was voor den Prins te sterk; ook greep hij haastig naar de rol, die hij ontzegelde en las. Hij las blozend en met een welgevallen, dat eene soort van zenuwachtig lachje op zijne lippen bracht en tranen in zijn oog; plotseling stond hij op, en knielde voor Karel, die weer was gaan zitten.

»Mijn vader!” sprak hij ontroerd, en kuste hem de hand. De Hertog leide hem welgevallig de hand op de schouders en zag hem vriendelijk aan.

»Wees omzichtig, jonge man! spreek dit woord niet te luid, het mocht mijn neef Lodewijk in de ooren klinken. Het is gevaarlijk de verloofde mijner dochter te zijn. Mijnheer van Guyenne was het nauw geworden, of men gaf hem eene perzik vanwege zijn Koninklijken broeder van Frankrijk; hij at en hij stierf! Mijnheer van Calabrië is mede een zonderling schielijken dood gestorven, waar men Frankrijks hand in kennen kan.”

»O! wat zegt dat! Ik wil voor haar sterven.”

»Oefen veeleer kloeke bescheidenheid, opdat gij leven moogt voor haar en voor den troon van Bourgondië,” antwoordde Karel, terwijl hij hem oprichtte.

De Graaf, op wien dit tooneel de werking deed van een vervulden wensch, was nu de eerste, die aanbood, het overeengekomene op papier te stellen. Karel deed een geheimschrijver binnenroepen, die schielijk het schrijftuig van zijn gordel nam, en, bij de tafel geknield, neerschreef, wat men hem voorzeide.

»Ik reeken eigenhandig,” sprak de Hertog; »maar Zijne Majesteit…”

»Ik heb ’s Keizers handteekening in blanco bij mij. Mijne volmacht was zeer ruim.”

Toen de klerk zijne bezigheid had verricht, werd hij heengezonden, en Karel, teekenende, sprak:

»Ik gaf er veelom, dat deze zaak spoedig zijn beslag kreeg, en wie mij daarin zou willen dienen, kon zeker zijn van mijne Koninklijke dankbaarheid;” daarbij zag hij Varnemburg veelbeteekenend aan.

»Vrouw laat zich niet koopen, en bij gevolg ook niet verkoopen, meenden wij vroeger reeds aan te merken, toen Uwe Genade van het loon harer dienaren sprak,” antwoordde deze met eene buiging.

De Hertog verbeet zich de lip; hij begreep dat die man, die hem zoo nuttig had kunnen zijn, zijne kwade luim van zooeven nog niet vergeven had. Juist tegenstrijdig handelende met zijn bestendigen vijand, Lodewijk, was hij begonnen met een staatsman tegen zich in te nemen door onpassende ruwheid, dien hij door eene zoete hoffelijkheid wellicht voor zijn belang had kunnen winnen. Het was gezet, dat Karel ditmaal de straf zoude dragen van al zijne fouten.

De Aartshertog vroeg verlof, den brief zijner verloofde spoedig te beantwoorden. Het werd hem toegestaan. De Graaf van Varnemburg gaf den wensch des Keizers te kennen, dat de Hertog hem aanvankelijk hulde zoude doen van diegene zijner Staten, die hij onmiddellijk van het Rijk ter leen had. Die plechtigheid werd op den volgenden dag bepaald. Tegelijk nam Varnemburg voor &ijn meester de uitnoodiging aan tot een feestmaal, dat de Hertog dienzelfden dag dacht te geven, en dat ook Maximiliaan zoude bijwonen. Men scheidde dus, wederzijds zoo voldaan, als dat mogelijk scheen; Antoni van Bourgondië deed de Duitsche Heeren uitgeleide tot op de binnenplaats, waar ze hun klein gevolg vonden; het incognito van den Prins duldde geen ander ceremoniëel.

Toen de Hertog zich alleen zag, barstte hij in zijn luiden ruwen lach uit: — »O, die gauwe Duitschers! meenen zij ons niet verschalkt te hebben! Hun mijne dochter geven, die barbaren! ze zijn wel dwaas, dat zij er op rekenen. Eene fraaie winst, hunne kroon, zoo ik daarvoor al mijne andere plannen moest opgeven! De jongen zou immers geen behoorlijk bruiloftskleed kunnen aanbrengen! Waartoe word ik Vicaris-Generaal van het Roomsche Rijk, als hij mijne erfgename trouwt? Hij zou Roomsch Koning worden, den ouden Frederik in ’t Keizerrijk opvolgen, en ik mijn leven lang aan de linkerzijde van zijn troon staan, of naar leenmansplicht aan zijne voeten knielen. St. Joris en St. Antonius! staat mij bij! ik stik van de gedachte;” en hij stootte in ’t voorbijgaan den zetel omver, dien de jonge Vorst had gebruikt. »Zoo moge het den troon van het Duitsche Rijk vergaan,” riep hij, gloeiend van overspanning, »zoo ik dien niet beklim me! … Zeker! hij zal voor mij zijn, als Max mij niet in den weg is.” Hij bracht de hand nadenkend aan het voorhoofd. »Waarom niet? Als ik eenmaal Vicaris ben, heb ik een onbeperkten invloed in het Duitsche Rijk, dien ik steunen kan door mijn goud en door mijn staal. Deze keurvorsten hebben het eerste noodig, en zijn door het laatste te dwingen. Als ik eenmaal van Lotharingen meester ben, valt het mij licht, mij meer en meer naar het Oosten uit te breiden; Gelderland en Zutfen zijn reeds mijn; van dáár breng ik, zoo vaak ik wil, den schrik in de Duitsche Staten. De Roomsch-Koning is nog niet wettig verkoren. Ze zullen weten, wien ze te kiezen hebben! Men kan zoo na in ’t bloed geen oorlog voeren! De Geldersche Heeren zijn er door gevallen… Neen, zoo waar Maria van mijn bloed is! ik geef haar liever aan den Dauphin; ik zou daarbij tot mijne Duitsche plannen vrede hebben met Frankrijk… Ja, waarachtig, ik zal haar aan den Dauphin… beloven,” voegde hij er langzaam bij. »Vader Spiritibus, de goede Kardinaal-legaat, dien Z. Heiligheid ons te Nijmegen zond, om vrede te stichten tusschen Frankrijk en ons, moge dan mijnentwille zijn gang gaan… Als ik Keizer ben zal ik…”

In de droomen zijner gulzige eerzucht werd de Hertog gestoord door het terugkomen van zijn broeder; maar geheel zijn uiterlijk getuigde zoo duidelijk van die zielstemming, waarbij de borst zoo vervuld is, dat zij zich lucht geven moet door woorden, en dat zelfs in de eenzaamheid, zonder gestoord te willen worden door het spreken van anderen, dat de Bastaard zwijgend zijne vroegere plaats innam, en zoo zijne bevelen bleef afwachten.

Karel begreep dat zwijgen anders. Hij wenkte hem tot zich.

»Uw gelaat staat strak;” sprak hij; »is het omdat wij u een hard woord zeiden in het bijzijn van die Duitschers? Gij voelt u beleedigd? Het zij zoo! er vloeit genoeg Bourgondisch bloed in uwe aderen om ras warm te worden en traag te verkoelen. Wij vergeven het u; toch konden wij u dat niet sparen.”

»Mijn lieve Genadige Heere! ik was op een hard woord verdacht, toen ik het uitlokte. De verontwaardiging voerde u wat te ver af van een doel, dat gij anders nimmer uit het oog verliest. Ik wist, dat ik u zoo alleen dienen kon.”

»Ik heb u begrepen, en dank u. Vorsten hebben soms meer behoefte aan de afleiding van een simpel woord, dan aan den wijsten raad van hunne hovelingen. Maar niet alle Vorsten hebben hovelingen, zoo gezind als gij, om ter juister stond eene dwaasheid te zeggen, als vernuft en nutte raad zonder hulp zouden zijn… Zekerlijk, wat ik hun ging zeggen, zullen wij later wel zien, als het mij minder schaden kan.”

»Uwe Doorluchtigheid meent dus toch…”

»Den zoon van Oostenrijk niet aan mijn huis te vermaagschappen. Ik heb de mogelijkheid ingezien, om mijne ontwerpen op Duitschland door te zetten zonder die harde noodzakelijkheid; alleen ik dien eerst Koning te heeten.”

»Ik ben niet voor den Aartshertog. maar daar Uwe Hoogheid de Jonkvrouw van Bourgondië toch eenmaal uithuwelijken moet…”

»Uithuwelijken moet?” riep Karel, plotseling ontvlammende in eene drift, die de Bastaard in zijne huidige stemming weinig had gewacht. en die hem ontzet achteruit deed wijken; »moet, als ik er den dwang, noch het nut, noch het onvermijdbare van inzie! Zoo zeker Gods moeder Jonkvrouw was, zoo zeker zal mijn kind Jonkvrouw blijven, zoolang wij Hertog van Bourgondië zijn. Ik zweer u: den dag, dat ik Maria ten huwelijk geef, ga ik de wereld vergeten in een klooster der Franciscanen.”

En de man, die zóó sprak, had wel zeker van wereldverzaking geen enkel element in zich.

»Uwe Hoogheid is kortelings hertrouwd en nog in de volle kracht des levens,” antwoordde Antoni aarzelend; »misschien wordt later de erfopvolging in uw huis verzekerd, en uw rijk verblijd door de geboorte van een zoon.”

»Hm! wij weten niet of wij het wenschen moeten. Wij zagen liefst geen York op onzen troon… Niets meer daarvan; het maakt ons gemelijk; wil morgen nog uw oog laten gaan over de toebereidselen voor het feest. Wij vertrouwen U beter dan eenig ander op dit stuk, en die berooide Duitschers moeten zich stekeblind zien op deze pracht, opdat zij als geblinddoekte valken op de prooi toevliegen, die wij hun aanwijzen. Nog iets, het schrijven van Maximiliaan moet niet naar St. Hubert worden opgezonden; ’t is onnoodig, dat het onze jonge Prinses in handen komt. Haar antwoord op zijn eersten brief had iets dat mij verwondert, dat niet goed is, dat mij niet bevalt in één woord. ’t Is of eene andere haar leerde schrijven; als zich de stiefmoeder daarmede niet bemoeid heeft, moet er iets in haar omgaan, dat… dat ik nooit billijken zal. Zij schrijft dwaasheden; Vorstinnen moesten zoo niet voelen, of ten minste zoo niet schrijven. — Vooral met opzicht tot Maria betreur ik het, dat Mevrouwe Isabelle nu ter ruste is; God neme hare ziel in Zijn paradijs! haar kon ik deze zorg veilig toevertrouwen. Een tweede brief van dezen jongeling mocht de zaak erger maken. Wie zegt ons, dat hij geen geheim tooverpoeder insluit, dat haar kan tot hem trekken?” vervolgde hij lachende.

»Alchymisten zijn er in Duitschland vele, en de Zwarte Kunst wordt er sterk geoefend. Alzoo zorgt ge, dat de zijne haar niet toekome. want het is wel, zooals het tornooiliedje zegt:

Bien devons tenir celle chère,
Qui nous est garand et frontière,
Et la source et la minière
De notre force grande et fière.

En nu meenende, dat het uur der rust, voor u overige menschen, reeds lange dáár is, geven wij u oorlof en Gods vrede tot een goeden nacht; wij kunnen heden aan geen slaap denken.”

En hij had wél gelijk: de vriendelijke gave Gods, de liefelijke slaap heeft geene grooter vijandin, dan de vreeze en hoop der menschelijke eerzucht.

Toen de edelman drie schreden voortgegaan was, riep zijn wisselzieke meester hem terug. »Wie heeft den dienst in mijne slaapkamer, Messire?”

»De Sire d’Estampes en Heer Jan van Boschhuizen, gewone Kamerlingen.”

»Ha, die zijn mij juist niet de meest gewenschte. Neef Antooi! gij zijt mijn oudere, en wat meer zegt, mijne lieve en getrouwe bloedmaag; wij zullen die Heeren wegzenden; een gewoon escuyer zal mij ditmaal helpen ontkleeden, en ik noodig u mijn slapeloos leger met mij te deelen: ik moet nog veel met u spreken over dit nieuwe werk van Hercules, dat ik ondernomen heb, en hoop ten einde te brengen, zoo goed als de anderen.” Hij nam zijns broeders arm, en deze wenkte twee fakkeldragers, om hen vóór te lichten.

Romuald was nog weder een van hen, die tot dezen dienst gebruikt werden; maar, hetzij uit vermoeienis of uit gemoedsaandoening, zijn voorkomen had zoo iets uitgeputs en lijdends, zijne oogen stonden zoo glasachtig en zijn bleek gelaat zoo strak, dat de goedhartige edelman hem de fakkel ter halverwege ontnam, hem schielijk een: »Wacht mij hier!” toefluisterde, en zijn Vorst zelf den dienst bewees.

Toen Romuald, daarop vrij verlegen met zijn persoon, tegen den wand der gothisch gebeeldhouwde galerij bleef leunen, zag hij na eene korte poos den Bourgondischen Heer tot hem terugkeeren.

»Jonge man! ik wacht een dienst van u. Antoni van Bourgondië heeft knapen en heeren genoeg om zijne bevelen te volbrengen, maar dit eene kan alleen een dienaar van den Hertog voor hem doen. Deze sleutel opent u de kleine achterpoort. Gij vindt daar buiten een man, tot wien gij zeggen zult: »York!” en die u antwoorden zal: »bon t’en advienne!” Eerst dán geeft ge hem dit pakket, en gij hebt uwe taak verricht en deze tien tournoijsen verdiend. Alleen gij zwijgt; kan ik daar zeker van zijn?”

»Ja, mijn edele Heer!” antwoordde Romuald zonder aarzelen, en den Hemel dankende, want hij zag hier eene schoone kans, om eene plaats te ontkomen, waar hem met iederen voetstap nieuwe lasten en gevaren dreigden.


Ingezonden op: 19 July 2001