EEN KROON VOOR KAREL DEN STOUTEN

XI.


Sedert het vertrek zijner dochter was Karel in het midden zijner hovelingen verschenen met een gelaat, waarop te lezen stond: »Ga uit mijn weg, of ik verpletter u!” en in zijn weg komen beteekende: zie mij niet aan. want ik zal uw blik houden voor eene uittarting; spreek mij niet toe, ook zelfs niet om een bevel te vragen, want ik zal schuld weten te vinden in uw woord; bied mij geen ongevergden dienst, want ik zal vergrijp zien in uwe voorkomendheid. En allen lazen die sombere regels zoo vlug, dat elk, die niet gedwongen was met hem samen te zijn, hem ontweek en vermeed; maar zij deden het met behoedzaamheid, want dát zeker ware nadeelig uitgelegd geworden. Maar ook van de anderen, die blijven moesten, ontging niet één de uitwerksels zijner kwade luim. Hij twistte met zijne Grooten, ook dátt, als ze hem gelijk gaven; hij vitte op alles; hij deed nuttelooze vragen, en nam de voorzichtigste antwoorden in verkeerden zin op; hij herriep bevelen, die men juist had volbracht, en bestrafte gewoonten, die hij zelf had ingesteld; de wijsheid en het geduld van een engel hadden schipbreuk geleden op de scherpe klippen zijner onheuschheid. De eerwaardige Kanselier Hugonet zelf, die hem spreken kwam over de aanspraak bij de kroning, moest bitterheden slikken, waarbij alleen zijne zedelijke meerderheid hem kracht gaf tot dulden; en zoo geen der hooge personen. die den Hertog omringden, van ruwe bitterheid verschoond bleef, hoeveel te meer moesten niet min belangrijke leden der vorstelijke huishouding den last dragen van dien onedelen wrevel! Bij hen liep het zelfs tot persoonlijke mishandelingen, en toch, zij vergaten het zeker eerder, dan wie getroffen waren door een steek van de scherpe tong. Zoo was het avond geworden, en alle geplaagden telden de trage uren, die nog moesten worden doorgeworsteld, eer ze zich verschuilen konden in de eenzaamheid van hun nachtverblijf; maar het uur der vrijheid scheen later te zullen slaan dan anders; want de Hertog weigerde aan tafel te gaan, en veroordeelde dus allen, die met hem spijzen zouden, tot een gedwongen vasten. Hij liet zich voorlezen, maar hij luisterde niet; hij riep zijne kamerheeren om te spelen, maar hij stond op van het spel, eer het eigenlijk begonnen was; hij eischte van zijn hofnar, dat hij hem zou doen lachen, maar le Glorieux antwoordde, dat hij zelf in kwaad humeur was, eene grofheid, waarover geen der omstanders durfde glimlachen.

Dit alles was een slecht voorteeken voor het aanstaande Koningschap! Hoe moest dit gezicht zich verplooien, eer het bekwaam zou zijn de duizenden te verrukken met »de lachjes van den kroningsdag,” en toch, er lag slechts één enkele nacht tusschen beide zoo de gedachte aan de op handen zijnde vervulling van dien dierbaarsten wensch dien man niet blijder kon stemmen, niet beter verheffen boven eene verdrietelijkheid van het oogenblik, wat zou het zijn, als de lusteloosheid der voldane wenschen volgen zoude? Toch was misschien een onrustig verlangen naar den dag van morgen daarin gemengd, want eene nieuwe herinnering aan de plechtigheid scheen er eindelijk in te siagen hem beter te stemmen. Eene nog uitgeblevene beslissing van den Keizer over een klein verschil in het ceremoniëel werd den Hertog eindelijk geboodschapt, en daarop had hij een weinig zachter gevraagd, of de Koninklijke sieraden naar de kapel waren overgebracht; had den bewaarder der kroonjuweelen heusche woorden toegevoegd; had zich tot het avondmaal gezet; en zoo was het op éénmaal weder helder geworden aan den bewolkten hofhemel.

Maar in de eenzaamheid van het slaapvertrek overviel den Hertog van Bourgondië evenwel de booze geest der onrust, die den slaap weert; en het was diep nacht geworden, toen hij nog met ongeslotene oogen nederzat op zijn leger; hij had er niet eens aan willen denken het hoofd ter ruste neêr te vlijen, zóó zeker wist hij wat hij heden te kort zou komen bij den geringsten zijner vazallen. Maar welk een wezen ook ware hij geweest, zoo hij had kunnen slapen. Welk Vorst heeft geslapen den nacht vóór zijne kroning? Wie kan zich een Vorst denken, zoo versuft van hersens, of zoo koel van verbeelding, of zoo gewetenloos zelfs voor de nieuwe plichten, die hij zich gaat opleggen, dat hij slapen zou in een nacht als die? »Het zou mij beter zijn als ik aanschouwde, wat mij toch bezig houdt terwijl ik het niet zie,” sprak hij eindelijk, zich zeIven driftig opheffende van zijn vorstelijk ledekant.

Hij deed den Groot-Kamerheer wekken, en begeerde van dezen den sleutel der kapel; daarop liet hij zich een welgevoerd overkleed omwerpen, beval twee fakkeldragers en een schildknaap zijner kamer hem te volgen, en begaf zich door eene binnengaanderij naar de kapel van St. Maximijn, waar de kroning zou plaats hebben. De schildwacht, die dezen toegang bewaakte, herkende hem bij het fakkellicht en bracht zwijgend de gewone eerbewijzing; de ridder-schildknaap ontsloot de deur en bleef op zijn wenk terug; alleen de fakkeldragers volgden hem naar binnen. Toen Karel van Bourgondië in het midden van het kerkgebouw was gekomen, vormde zich een glimlach van welgevallen om zijne lippen, kleurde een blos van genoegen zijn wang. en glansde zijn voorhoofd van eene rassche blijdschap.

En waarlijk, voor een hart, prachtlievend als het zijne, was er stof tot verrukking; al de glans van zijn rijkdom schitterde hem hier toe in een kort bestek. De gansche koepel was behangen met kostbaar tapijtwerk uit de fabrieken van Utrecht en Vlaanderen. Op de altaren prijkten reliquiën van hooge Heiligen, ingekast in goud, of besloten in vazen, en heiligenkistjes van hetzelfde metaal of van zeldzaam hout, met rijke edelgesteenten bezet. Kruisen van allerlei grootte in verschillend metaal meesterstukken van smeêwerk en beeldhouwkunst dier dagen, lagen er in zulk eene menigte, dat het geduld moede werd ze te tellen. Zes kandelaren van zeldzame grootte, waaronder een paar geheel van goud, schitterden ter wederzijden van het hoog-altaar, waskaarsen dragende van ongemeenen omvang, en met bloemfestoenen omkranst, nog niet ontstoken, maar die hun zacht licht het eerst zouden werpen op een knielenden Koning. Op vier tafels, met goudlaken bekleed, stonden kerksieraden van zulk eene waarde en goede keuze, dat de Pauselijke Bisschop van Rome zelf die zou benijd hebben: de standbeelden der twaalf Apostelen in verguld zilver; tien andere beeltenissen van Heiligen in massief goud; een groot reliekkastje, geheel met diamanten bedekt, dat geacht werd gewijde overblijfselen te bevatten van de beide Apostelen Petrus en Paulus; maar boven alles was het een tabernakel van zuiver goud, dat de aandacht trok, en waarvan het fijne en keurige beeldhouwwerk tweemaal de waarde moest hebben van het metaal zelf. Een kleiner, maar nog meer schitterend voorwerp lag. er nevens ten toon gesteld: eene lelie van diamanten, die een der nagels van het gewijde kruis bevatte, en een splinter van dat kruis zelf, gevat in een fonkelenden edelsteen van verwonderingwekkende grootte. Ook maakte de Hertog eerbiedig het teeken des kruises, toen hij dicht langs die gewijde voorwerpen voorbijging; maar waar zijn vurig oog op staarde, dat waren de teekenen der koninklijke waardigheid: de schepter, de kroon, de mantel en de banier van het nieuwe koninkrijk, op eene credenz van ebbenhout tentoongesteld, vlak nevens den troonzetel, die voor hem stond bereid; dát was het, dát vooral, wat hem het harte kloppen deed, en de wangen gloeien van voldoening. Eene enkele lamp, van het kerkgewelf afhangende, wierp alleen haar flauw schijnsel over al die heerlijkheid; maar het scheen ditmaal den Hertog licht genoeg te zijn, want hij deed zijne fakkelhouders tot diep in het schip der kapel teruggaan, en zette zich neder op den ondersten trap van zijn troon, en bleef in een ernstig gepeins verzonken. Het was of zelfs zijn moed versaagde bij het denken aan de hoogte, die hij bestijgen ging; alsof zelfs hem eene huivering aangreep, nu hij weldra voor altijd den stap zoude doen, die zoo beslissend moest zijn voor hem, en voor die allen, die in zijne hand waren gegeven. Welke overwegingen moesten niet opkomen in zijn hoofd! Zou dat Hertogdom van Bourgondiëdat altijd de meerdere geweest was onder zijns gelijken, niet eene kans hebben, om de mindere te worden onder de Koninkrijken? Zou zijn weelderig Vlaanderen, zijn prachtig Braband,
zijn dapper Henegouwen, zijn Holland, nog hijgend en bloedend van de veeten, die het hadden vaneengescheurd onder het Beiersche Huis, nog nauw bevredigd met de Bourgondische heerschappij; zou Gelderland, dat nog heimelijk de rechten eerbiedigde van vroegere Heeren, dat hij overwonnen had, maar niet voor zich gewonnen; zouden al zijne verdere staten, al die velen, zoo verschillend in belangen, in voorrechten, in zeden, als in namen, zich onder één en denzelfden naam laten samenvatten, en rustig blijven? Zouden de twisten van het binnenland hem den tijd laten en de krachten, om zijn nieuw koninkrijk gevreesd te maken en uit te breiden, als hij het voormaals zijn Hertogdom had kunnen doen? Zou hij niet altijd, met de ééne hand den schepter laag neêrgebogen houdende over die hoofden, en hen den nek trappende met den geharnasten voet, slechts eene vedeeelde macht, een enkelen arm overhouden, om zijne grootsche ontwerpen daarbuiten door te zetten, O! hij voelde het, hij voelde het levendig; men zag het aan het schitteren zijner oogen, bij den blik, dien hij op de koninklijke teekenen wierp, dat alleen Karel de Stoute den moed kon hebben het ontwerp te vatten, en zich der kracht bewust zijn, die het zou uitvoeren. Hij plaatste zich voor de credenz en nam het tweesnijdend zwaard in de handen, het zwaard der gerechtigheid en der uitvoerende macht.

»U zal ik het meest noodig hebben,;’ riep hij veelbeteekenend; »gij zult mij helpen uitvoeren wat mijn raad hier heeft besloten;” daarbij bracht hij den middelsten vinger aan het voorhoofd. Opnieuw zag hij om naar den troon. Hij scheen nu zijne aarzeling overwonnen te hebben; want het zwaard nemende als staf, beklom hij dien met vasten en snellen tred, en zette zich neder met een vroolijken en trotschen blik, waardig en fier, of hij daar gezeten was geweest voor het oog van zijn verzameld volk. Hij liet den arm met welbehagen rusten op het purperfluweel van de leuning, en bleef met de andere hand altijd geleund op het kruis van het zwaard.

Hij sloot eenige minuten lang de oogen. Wat al wilde phantasiën, wat al reusachtige plannen moeten er toen niet door die gloeiende verbeelding en dat koortsachtige verhitte brein zijn heengewoeld! De laatste glimlach, die er trilde op zijn half geopende lippen, getuigde ten minste van blijde en innerlijke vervoering, van een toegeven aan de behagelijke influisteringen der eerzucht. Eindelijk sloeg hij zijne beide helzwarte oogen rondom zich heen, fier en fonkelend; maar plotseling verduisterden zij zich, en een somber: »Ha! ” siste hem door de tanden. De troonzetel, voor Frederik opgericht, was hem in het oog gevallen.

»Zooveel hooger dan de mijne!” riep hij met zinkende stem en hij liet de armen verslagen nedervallen. »Wat zegt een troon, als toch een ander boven mij zit? Zoolang niet dáár mijne plaats is, heb ik niets gewonnen; zoolang niet dáár mijne plaats is, heeft die kroon hare beteekenis verloren, die schepter zijne rechten, dat zwaard zijne macht. Koning zijn of niets is hetzelfde, als men geen Keizer is: voor den Keizer zijn Hertog en Koning gelijk; beiden moeten zijn stegelriem kussen; op beiden ziet hij neêr van zijn hoogen troon als op leenmannen. O! hoe schoon, Keizer te zijn van het Heilige Roomsche Rijk; hoe groot de mensch, die dat bereiken kan; hoe heeft hij al het andere beneden zich onder zijn voet; hoe geeft en neemt hij de landen der aarde naar welgevallen; hoe kan hij de geschillen der volkeren slechten naar willekeur! En dat is Frederik! en dat heeft Frederik bereikt, en dat kan Frederik! de lage kruipende gierigaard, dien ik omkoop met wat goud als een wagenknecht; die beeft als ik het voorhoofd frons; die verbleekt, als ik bij toeval de hand aan mijn zwaard sla; die mij voor geld al de landen van al zijne bondgenooten zou toewijzen, zoo hij durfde; die aan mijne voeten zou knielen uit vree ze en uit eigenbaat, zoo zijn zoon en al zijne keurvorsten hem niet opgericht hielden. Die Frederik, dien ik veracht zoo… als ik Lodewijk haat! en wat hij verkreeg, daar zou ik niet toe geraken! Frederik! uw troon voor mij! Ik wil! ik wil het Keizerschap, hoort gij! ik wil eene andere kroon, dan die gij mij geven zult; ik wil de uwe!” en hij stampte met het zwaard en met den voet op de trappen van den troon, dat het los opgeslagen houtwerk, vermomd onder het fluweel, schudde en waggelde als door een storm bewogen. Van den doffen toon der ootmoediging, was Karel’s stem onder het spreken gerezen tot den stemval der verachting en eindelijk had zij geschetterd in hartstochtelijke vervoering.

»Maar ik moest dáár zijn om hier te komen!” riep hij, in ééne vaart wegsnellende van zijn zetel naar dien van den Keizer,” Toch bleef hij daar met eerbied staan, zonder plaats te nemen, »Van hier gezien is de wereld klein, en de macht van wie hier staat groot; zoo klein de wereld, en zoo groot de macht, dat men haar in de hand kan grijpen, en verkneden tot den vorm, dien men begeert, ten minste als men Karel van Bourgondië heet en niet Frederik III. O! voorwaar, eer dit Koninkrijk van Bourgondië vele jaren ouder is, zal ik het zijn, die van deze plaats het lot der volkeren regel!”

En waarlijk, schitterend en grootsch als hij daar stond, scheen hij wel de man te zijn, die uit zou voeren wat hij voornam. In de beste kracht des levens, in de volste rijpheid des geestes; een man, wiens vastheid van wil alleen te vergelijken was bij zijne ondernemingszucht en wiens ondernemingszucht tot hiertoe altijd gerechtvaardigd was door de uitkomst! En toch, dat onafgebroken geluk zelf kon wel zijn val zijn, want het had hem geleerd op eigene krachten te bouwen, tot overmoed toe; het had hem verwaand gemaakt, tot blindheid voor der anderen helderzien, voor zijn eigen onjuisten blik; het had hem trotsch gemaakt en vermetel, in die mate, waarbij hij anderer rechten ontzag nog eerde; het had hem trouweloos gemaakt aan zijn gegeven woord, en niet eerlijk in het nakomen van heilige beloften; want hij, die striktheid wachtte, die trouw wilde van anderen, en meende dat het hem vrijstond van zijn woord eene valsche munt te maken, die hij aan anderen uitgaf, met den eisch, dat zij ze voor echt zouden houden, — hoe kon hij, die zóó handelde, zóó verstoken zijn van oordeel, of, in eigen hoogmoed verward, zóó laag denken van de menschen, dat hij nog trouw wachten durfde van hen!

In gedachten scheen hij de zitplaatsen voor al de hooge getuigen der plechtigheid te vullen en te rangschikken. Somtijds zelfs welontglipte hem een naam, dien hij noemde met de gewaarwordingen, die deze hem inboezemde. — »En dan die dáár met Bourgondische kleuren en een vrouwenschild,” sprak hij half vragend. »In trouwe, ja, mijne dochter! Hoe ze toch eene goede vertooning zou gemaakt hebben, uitschitterende boven al de vrouwen en dochters der Keurvorsten, in schoonheid van wezen, in gratie van gestalte, en in pracht, met haar feestkleed van enkel paarlen en goud! Hoe het mij zoet zou geweest zijn uit haar mond het eerst dat: »Koning!” te hooren; maar het kon niet wezen. Zij moest hier niet zijn. Ik kon haar hier niet houden en verhinderen, dat ze den Duitscher zag, en St. Joris weet, wat die twee kinderen beraadslagen mochten in de samensprekingen, die ik niet zou kunnen weren. Neemt ze nu alreede niet de partij van den Oostenrijker tegen haar Heer en Vader? Wat zou het zijn, zoo ik hem tijd gunde om haar nog verder om te zetten ter gunste van zijne zaak? Maximiliaan is van die, welke aan fijne abelheid te veel hebben, wat ze aan sterkte missen: nu reeds wil ik er Vlaanderen voor verpanden, dat ze liever mijne kroon zag vallen, dan zijn hoofd; welhaast, als zij hem tot man had, kon ze zich met hem verstaan tegen mij, om tot mijn troon te komen; God straffe hem, die mij de gedachte ingeeft van mijn eigen bloed! Mevrouw de Hertogin mengt er ook van het hare onder, ik ben er zeker van, en vrouwe van Kleef is ook niet zuiver op dit stuk; maar ik vrees geene van haar, noch allen te zamen; alleen ik wil ze niet in de gelegenheid stellen, om te ondervinden, dat ze niets tegen ons vermogen. Ik wil mijn onnoozel kind, dat nu nog rein is van kwaad, niet aan hunne ranken wagen; het mocht haar grooter verdriet geven, dan ze nu hebben kan van zijn verlies, en zeker meer, dan heel de Duitsche knaap waard is. Mij zel ven, die het kind altijd liefhad en nog heb, zou het pijnen… Maar hoe zal Frederik verbaasd zijn, als hij haar morgen niet ziet; hij moge het danken aan de voorbarige haast van zijn Heer zoon; mijnentwege denke hij er uit wat hij wil, ’t zal dan toch te laat zijn om ons te weigelen wat wij van hem wenschen…

Eene wijle afgeleid van zijne vorige gedachten, kwam hij toch weder daarop terug, na een kort gepeins; dat was te zien uit de drift, waarmede hij de credenz naderde, de kroon in de hand nam, en met zegepraal beschouwde, terwijl hij uitriep: »Ja, gij zijt schoon; hij liegt, die u gering acht; gij zijt schoon, maar gij zult eerst volmaakt zijn, als gij prijkt met den aardbol, en om dáártoe te komen, neem ik u morgen -- morgen! Zal het heden nooit dagen? Mij dunkt, wij hebben eene gansche nachtwake hier getoefd,” en hij zag ongeduldig op naar de Gothische vensterramen, of nog geen ochtendstraal op hunne kleurige glasschijven neêrschoot. »Morgen! ” herhaalde hij met een onuitsprekelijk zielsverlangen, in de spanning van al zijne trekken uitgeduid; »Morgen is alles het mijne! Morgen!” en het was of geheel zijn lichaam sidderde van hartstocht; want zelfs de hand beefde, die de kroon hield. — Neen, machtige Vorst! gij hebt het niet in uwe hand, het vervullen van uwe wenschen; neen! uw lot zult gij niet regelen naar uw wil; neen! daar is er boven u Een, die beschikken zal wat wezen moet; o! het zou u goed geweest zijn, zoo een dichter van uw tijd u had kunnen toeroepen, wat een dichter van onzen tijd, ook te laat, een uwer broederen nariep:

„Sire, tu peux prendre selon ta fantasie,
L’Europe à Charlmagne, à Mahomet l’Asie,
Mais tu ne prendras pas demain à l’Eternel!”

en als gij hem dan geloofd hadt, en als gij in dat geloof dan niet enkel gebouwd hadt op eigene krachten, het zou u zeker goed zijn geweest, want… maar Karel’s eenzaamheid werd gestoord; eene menschelijke gestalte vloog met gejaagde haast door het kerkgebouw; een vroeger gerucht aan eene der deuren bewees, dat het haar moeite moest gekost hebben, om tot hier door te dringen… Wie was de vermetele, die zulk eene eenzaamheid durfde storen? Het was eene vrouw, ja! maar wie haar zag zweven tusschen de pilaren door van het donkere tempelruim, in het lange witte kleed, ternauwernood geschoeid, met lange loshangende haren, met een gelaat, bleeker dan eene doodswâ, en uitgeteerd als dat van een lijk, zou in verzoeking zijn gekomen, haar voor eene verschijning te houden; de fakkeldragers ten minste kruisten zich en wenden doodelijk verschrikt het hoofd af; zoo ze gedurfd hadden, waren zij gevlucht. Karel zelf zag haar naderen met eene verbazing, die aan schrik grensde — terwijl hij vroeg:

»Is een van deze dooden uit het graf opgestaan, of komt mijne lieve vrouw Cecilia, die ik voor hooge patronesse houde, zelve tot mij?”

»Mijn groote Vorst!” riep Süschen — want ge ene andere was de gedaante — terwijl zij neêrstortte aan zijne voeten, hetzij door uitputting, hetzij uit eerbied; »ik ben eene sterfelijke ongestorvene; ik ben uwe dienstmaagd, die u komt waarschuwen voor groot verraad, dat aan u gepleegd is; — de Keizer —” en haar zenuwachtig hikken maakte de woorden bijna onverstaanbaar, »de Keizer zal u niet kronen; de Keizer is weggetrokken uit Trier.”

Karel de Stoute lachte luid en hartelijk; toch sprak hij toornig:

»Slimme tooverheks! wie u omgekocht heeft tot zulk een loos alarm, kan eene schrale voldoening vinden en alleen u eene kwade zaak maken; wij gelooven niet aan heksen, noch aan hare tijdingen; maar toch, als zij met zulke boodschappen komen, is de scherts te grof, en wij verbranden ze in het gele boetehemd.”

»O, zoo waarachtig er een God boven ons is, zoo zeker als Jezus moeder leeft, bij mijne zaligheid en bij de uwe, die mij nog liever is, het is waarheid wat ik spreek en, lacy! geen bedrog! Zij hebben den Keizer tegen u opgezet of verbitterd, tot hij besloten heeft, u geenszins tot een Koning te maken, en uit vreeze voor u heeft hij zich weggerept uit onze stad, met allen, die van zijn huis zijn!”

»Als gij tusschen de nijptangen mijner beulen gevat zijt, zult gij spijt hebben van uwe leugen, duivelsche heks!” riep Karel in eene soort van woede over eene zoo nuttelooze stoornis.

»Laas! Helaas! Heer I gij noemt mij met gruwzame namen, maar zoo gij gediend zijt met mijne pijniging, met mijn dood, zoo roep vrij uwe lieden; ik geef volgaarne dit leven voor u op! O! hoe ik wel gewenscht had, u anders en in blijder stond weêr te zien; en hoe ik van de Heiligen bidde, dat alleen de smart mij treffen mocht, want het is door mij — om mij — dat dit over u gekomen is, en toch…”

»Wie laat dit wijf tot mij?” riep Karel, stampvoetende van ongeduld; »was dan ééne vrouw niet genoeg, om mij razend te maken den ganschen dag!”

»Gij zelf, Heer! en met recht,” hervatte zij, »want ik ben u trouwen toegedaan, boven ieder wie er zijn mag, en ik bid u, wil u herinneren en mij dan gelooven; ik ben dezelfde, die gij menschelijk en barmhartig behandeld hebt, toen zij uwe bescherming noodig had; het arme Badensche meisje is wel uw geheugen ontgaan, maar ziekte noch ellende hebben mij u doen vergeten; zie deze keten!”

»Ja! de kleine Triersche!” riep Karel, met dat Vorstengeheugen, dat alles zoo goed bewaart, wat betrekking heeft op hun weldierbaren persoon. »Van u, kind! geloof ik geen boos opzet; maar gij moet in ijlende koorts zijn of in krankzinnigheid, om te spreken als gij doet. In trouwe, gij ziet er uit als eene gestorvene; gij waart wellicht ziek en komt tot mij in een dollen, wilden droom, wetende, dat het heden mijn vierdag is; maar gij komt veel te vroeg, en uw staat eischt het toezicht van een geneesmeester, beter dan een feestgewoel…”

»O! ik wilde zijn, als gij spreekt, Koninklijke Heer! zoo ik daarmeê onwaar kon maken, wat ik boodschap; zelfs ben ik ziek en alleen maar in ’t heimelijk weggeslopen uit het huis mijner vrienden, en alevel is waarachtig, wat ik zeide, de Keizer is weg en zal u niet kronen, En aan dit teeken zult gij onderkennen of het waarheid is. De groote klok der St. Simeonskerk zal eene wijle kleppen tegen gewoonte, als de laatste man van zijn volk veilig is ingescheept; dan zullen de burgers onder de wapenen komen, en de lieden van den Keurvorst want zij vreezen u. Luister!” riep zij plotseling met hartstochtelijke ontzetting, en greep zijne hand, als om hem opmerkzaam te maken.

Bij hare laatste verzekering had Karel toegehoord met den ernst van wie gelooft, maar zóó onbewogen strak in houding en gelaat, met zóó glasachtig starende oogen, dat hij een standbeeld scheen, in was geboetseerd; doch toen zij »luister!” zeide was het of hij werkelijk zonder adem was en zonder leven; hij liet zijne hand over aan de krampachtige drukking van het meisje — hij luisterde — hij hoorde — ja! waarlijk een klokgeklep! haastige tonen, maar die doordringend waren en schel.

Bij den eersten toon, die zijn oor trof, slaakte Karel van Bourgondië een gillenden kreet, die niets menschelijks meer had zooals alleen een razende wolf dien slaken kon, of een kwaadaardige krankzinnige, een gil, die de glasschijven deed rinkinken in hunne lood en gevatsels, en die schril en akelig werd teruggegeven door de echo’s van het holle en ledige gebouw; tegelijk stortte hij voorover op den harden zerksteen, de kroon in de rechterhand vastgewrongen. In dien bliksemsnellen val werd ook Süschen neêgerukt, die ge ene tegenwoordigheid van geest had gehad om hem los te laten; eene wijle geknield aan zijne zijde, vergat zij zich in uitroepingen van geklag en smart; hij moest dood zijn of krankzinnig, meende zij; en zij wist niet of ze tot God moest bidden om het behoud zijner ziel, of tot de menschen roepen om de redding van zijn lichaam. Zij waagde eene poging om hem het hoofd op te heffen; zijn voorhoofd was loodkleurig opgezet, bloedig: maar bij de eerste aanraking harer zachte vingeren, koud en stijf van ijzing, hief hij zich schichtig op, en zag haar sprakeloos aan, maar zoo woest en zoo dreigend, dat zij rillend heênvlood; zij durfde niet meer met hem alleen zijn.

»Wachters! Heeren!” riep zij, naar de deur der kapel ijlende, »uw Meester de Hertog raakt in waanzin, zoo gij niet te hulp komt! Hierheen, als gij hem trouw zijt, hierheen!”

Verschillende oorzaken hadden de bewoners van St. Maximijn reeds op die plaats verzameld. De Groot-Kamerheer was opgewekt om den sleutel af te geven; de schildknapen, die den Hertog hadden moeten volgen, hadden den slaap niet meer gezocht, maar bleven zich onthouden in de gaanderij, die naar de kapel leidde, ieder kwartier zijne terugkomst verwachtende, waarbij hunne diensten opnieuw zouden vereischt worden, zich meer verwonderend dan ontrustend, dan hun Meester zoolang terugbleef.

Met een moed, die alleen uit de hoogste spanning der zenuwen kan verklaard worden, had Süschen aan de voorpoort van het klooster gerucht gemaakt, en geëischt binnengelaten te worden. De portier had het haar aanvankelijk geweigerd, maar het zien van des Hertogs bekende keten, die zij hem voorhield; hare bede om den hofmeester te zien, aan wiens zorg zij door Karel was aanbevolen, en wiens naam zij ten naastenbij onthouden had, bewogen hem ten laatste den Sire de la Marche te roepen. Zij gaf haar verlangen te kennen, den Hertog te zien, en wel op staanden voet. Het was van het hoogste gewicht wat zij te zeggen had; het was zijne kroon, die het gold, voerde zijals drangreden aan. Olivier had Karel ’s ingenomenheid met dit meisje opgemerkt, was volkomen overtuigd, dat zij geenerlei kwaad kon bedoelen noch bedrijven; zij was hem zoo ernstig aanbevolen, dat hij meende niet te moeten weigeren. Hij zelf geleidde haar naar de kapel, loste de bezwaren der schildwachten op, maar bleef tegelijk in de nabijheid, in eene nieuwsgierige onrust, wat dit zijn kon, Karel’s schrikverwekkende kreet had hem ten uiterste ontzet, en wel was hij er op bedacht, zijn Meester bijstand te bieden, maar, als een man van overleg en beraden zin, als een hoveling vooral die Karel kende in zijne vlagen van wilde drift, achtte hij het raadzaam niet alléén te komen; hij snelde de kloosterwoning in en keerde niet dan verzeld door vele edelen en bedienden, allen gewekt en opmerkzaam geworden door het ongewone klokgeklep, dat aanduidde, hoe er iets bijzonders voorviel te Trier. Die allen kwamen dus toeschieten op Süschen’s geroep. Zij vonden den Hertog in eene verwildering, die bijna onbeschrijfelijk is; het bloed van het gewonde voorhoofd vloeide over zijn aangezicht, waarvan de trekken eene dierlijke woestheid hadden aangenomen; zijne oogen hadden eene uitdrukking, die huiveren deed; zijn dik gitzwart haar was te berge gerezen; een wit bruis stond op de ontkleurde lippen; hij liet van tijd tot tijd brullende klanken hooren, die geene verstaanbare woorden waren, maar die verwenschingen beduidden tegen den Keizer, tegen zich zelven, tegen God! Hij liep rond, zwaaiende in iedere hand eene fakkel, die hij zijn dienaars ontnomen had, en waarmede hij willens scheen de zijden draperiën en
behangsels te doen ontvlammen. Allen, die tot dicht bij hem durfden naderen, wierpen zich op de knieën en spraken hem toe bij zijn titel.

»Terug! — van hier! — wie roept ulieden? wij willen alleen zijn!” — stootte Karel bij tusschenpoozen uit, en ten laatste voegde hij er nog bij: »Nu dan, wat verlangt gij?”

»Wij meenden dat Uwe Hoogheid onze dienst begeerde; wij verlangen hare bevelen te weten,” sprak Olivier de la Marche.

»Wij bevelen u ons te helpen, dit vervloekte gebouw in brand te steken of in puin te doen storten!” hernam de Hertog met krijschende stem, en keerde hen den rug toe, zich heenwendende naar het altaar. De hovelingen overleiden onderling wat zij doen moesten, en het scheen hun toe, dat de lichttoortsen in die handen een gevaar dreigden, dat het allereerst moest worden afgewend; maar hoe? De jonge page Colonna, een Italiaan, die na den dood van Hertog Nicolaas mede in Karel’s dienst was gekomen, en die zijn lieveling was, ging moedig op hem toe, en sprak eerbiedig, doch vast:

»Mijnheer! het is niet oorbaar, dat gij u zelven toelicht; gun mij die eere.”

Karel antwoordde niet, doch hij wierp hem de fakkels toe, die gebluscht werden door dien val; maar hun licht was voort aan onnoodig, want behalve dat de komenden zich van toortsen voorzien hadden, goot het daglicht zijne eerste stralen uit op dit tooneel, dat het blauwachtig bleek verlichtte. Het was iets akeligs, dat zachte licht, in strijd met de glimmende vlammen der toortsen, vooral waar beider schijnsel tegelijk neêrviel op die aangezichten, verward en bleek van vreeze en onrust over eene woede, waarvan zij de oorzaak nog niet kenden, en op dien man, anders zoo vorstelijk, zoo waardig, zoo schitterend, die zich nu door razernij en hartstocht liet wegsleepen, om te handelen als een ijlende krankzinnige, en die, ondanks het menschelijk verstand, dat hem nog restte, alleen der wanhoop gehoor gaf over den eersten slag des tegenspoeds. En toch was die zielstoestand het natuurlijk gevolg van geheel zijn leven, van zijn karakter, of liever van de wijze, waarop zijn grootsche aanleg was verloren gegaan. Karel hield zich, in zooverre het niet zijn erfgoed betrof, voor den bouwheer van zijne eigene grootheid; hij meende zijn voorspoed, zijn krijgsgeluk, het gezag, dat hij verkreeg, over zijne naburen, den sidderenden eerbied, dien de menigte hem bewees, aan niets anders te moeten danken dan aan zich zelven, aan zijn beleid, aan zijn ijver, aan zijne kracht; hij meende, dat hij zijne toekomst evenzeer in eigen handen hield; hij meende dat hij zich zelven genoeg was in alles en te allen tijde; hij had er nooit aan gedacht, boven zich op te zien, en zijne kracht dáár te zoeken, vanwaar de sterkte uitgaat, die niet beschaamd wordt; hij miste het geloof in God, om het met één woord te zeggen; niet dat hij vergat vroom te zijn met de vroomheid van zijn tijd; niet dat hij verwaarloosde God te aanbidden nevens de wezens, wien men hem geleerd had goddelijke eere toe te brengen; wij hebben hem zien bidden en offergaven brengen; hij diende hen met gaven van zilver en reukwerk; in liefdegiften aan de armen; in het stichten van menig bedehuis; maar, om het zoo uit te drukken, hij beperkte hunne macht tot den Hemel; hij gaf hun geen deel aan de zijne op aarde, of ten minste hij dacht er niet aan, om de zijne aan de hunne ondergeschikt te maken; zijn godsdienst was eene verrichting der handen, die geen werkdadigen invloed had op zijn innerlijk leven; zij had hem van niet ééne zonde, van hoogmoed noch heerschzucht, van eigenbaat noch willekeur, van bedrog noch onbarmhartigheid kunnen terughouden. De God, dien hij aanbad, was niet de God van zijn vertrouwen, van zijne hope; niet het hooge Wezen, waarvan hij zich afhankelijk kende en zijn lot liet afhangen; — eene afhankelijkheid, die sterk maakt, in plaats van te verzwakken; die opheft, in plaats. van te vernederen; die groot maakt elk, wie eigen grootheld durft vergeten om klein te wezen voor God. Daarom was hij gelijk het huis op een zandgrond gebouwd, toen de rukwinden kwamen; daarom miste hij den steun, dien de afhankelijke weet te grijpen, maar dien hij hoogmoedig van zich gestoot en had; daarom was hij te zwak om heerschappij te voeren en te regeeren over zijne hartstochten, die nu als woeste dwingelanden zijn lichaam teisterden en zijne ziel schokten, en die hem deden woeden als een losgelaten everzwijn, terwijl hij zich als een groot en moedig man had moeten opheffen uit zijn spijt, om met oordeel de keuze te doen van de partij, die hem het waardigste zou zijn en het minst nadeelig. Zekerlijk, dat, wat voor hem verloren ging, was een smartelijk naoogen waardig! Voorwaar, het was eene teleurstelling, die eene groote ramp kon gelijk geacht worden voor een Vorst zoo fier, zoo eerzuchtig, zoo gretig naar macht; die, eene minuut te voren, aan een Keizersstaf niet genoeg had; die, zoo niet op het wereldgebied, dan toch op het meesterschap in zijn werelddeel het oog gericht hield, en die
plotseling” neêrgeploft werd uit zijne trotsche luchtkasteelen, om te hooren, dat hij niets meer zou zijn dan wat hij was, Hertog en Leenman van Frankrijk!

Neen! dat was hij niet komen zoeken met zooveel arbeid, met zooveel opoffering, met zooveel goud, met zooveel tijdverlies, met zooveel gloeiende hoop. Neen! dáárvoor hadden zich Bourgondië en Duitschland niet uitgeput, dáárvoor waren niet zoovele hartstochten in beweging gezet, om tot zulk eene uitkomst te komenn en zich het hart in het binnenste te doen samenkrimpen van spijt. Daar was meer in die teleurstelling dan verlies, daar was beschaming in, spot, vernedering! Beschaming, spot, vernedering door. Frederik III, tegenover hem, Karel den Stouten! Men kan gissen, hoe zwaar dit bij hem moest wegen! Maar zullen wij dankbaar zijn dat het rijk van den Leeuw zich niet heeft verwezenlijkt; dankbaar, dat Nederland, dat Vlaanderen, dat Bourgondië niet saamgesmeed werden tot een vast geheel, om met naam en zeden versmolten te worden, en verward en vergeten onder een ander Europeesch Keizerrijk van een nieuwen Karel den Groten; zullen wij dankbaar zijn dáárvoor, dat het afzonderlijk gebied vervallen moest aan een ander stamhuis, opdat Karel V zou heerschen, opdat Philips II woeden mocht, opdat een krachtig en groot gemeenebest zich vormen mocht uit het bloed en de banden van vertrapte onderdanen, opdat een vroom en ijverig volk biddend en werkend zich verheffen mocht tot een krachtigen bloei, die beter was dan de ontzenuwde weelde der Bourgondiërs, opdat ten laatste toch een Koninkrijk…” maar de gebeurtenissen worden hier te versch voor bespiegeling, en wel kan men gissen, maar hoe raden, wat gevolgd zoude zijn, als gebeurd ware, wat niet is voorgevallen? Wij verhalen liever, hoe de Groote Bastaard, die met den Heer van Chateau-Guyon tegenwoordig was, en die begreep, dat er uit Karel’s mond in dezen toestand geene duidelijke verklaring te hopen was, zoo mm als eene verstandige daad, het meisje had ter zijde genomen, dat men hem aanwees als de éénige, die de oorzaak van deze hartstochtelijke verwildering kennen moest. Hij ondervroeg haar streng en belangstellend; maar schoon ze bijna bezweek onder vermoeienis en zielsaandoening kon ze toch zijne vragen duidelijk beantwoorden, omdat ze niets had te zeggen dan de waarheid, die zij kende. Zij herhaalde hem dus, zonder Romuald’s naam te noemen, hoe de besluiten des Hertogs waren verraden geworden aan den Keizer; hoe zij zelve zeer gaarne in het belang van den eerste, dien ze haar Heer en Beschermer noemde, hem kennis had gegeven van dit verraad, maar verhinderd was geworden door eene zware ziekte, waarvan ze eerst kortelings was opgerezen; met één woord, juist wat wij weten, maar ook wat wij nog niet weten, hoe namelijk Romuald, een half uur na middernacht, in eene sombere verlegene houding aan het huis van Alterer was gekomen, en Bertha en Ulrich bij de heiligste namen bezworen had, om hem een afscheid, een onbeluisterd mondgesprek te gunnen met de herstellende, die uit hare slaperigheid was overgegaan in eene lijdelijke matheid, in eene hartstochtelooze onverschilligheid, waarbij zij al het verledene scheen vergeten te hebben, en die de herstelling harer lichaamskrachten aanvankelijk steunde. Hoe Ulrich meende, dat het weêrzien van den vriend haar goed zoude doen, terwijl Bertha de bede van den schoonen jongeling niet kon weêrstaan, schoon zij er geen voordeel uit hoopte voor de vriendin. Hoe Süschen, bij het zien van dit beeld uit de dagen der onrust, weêr teruggekomen was tot bewustzijn en herinnering.

Toen had Romuald haar, onder voorwaarde harer vergiffenis, verhaald, dat men hem gekerkerd gehouden had tot nu toe, en niet ontslagen, vóórdat de Keizer vertrokken was, uit vreeze van onbescheidenheid— »zóózeer wantrouwt men een verrader!” had de jongeling er in de bitterheid zijns harten bijgevoegd; — dat het gevolg van minderen rang zich eerst op de Moezelschuiten zoude inschepen omstreeks drie uren later, opdat de opschudding in Trier geen te vroegen argwaan mocht geven. En dat hij van zijne vrijheid had gebruik gemaakt om haar dit te zeggen en vergeving af te smeeken, daar hij schuldeloos oorzaak was van al dit leed. Ter vergoeding daarvan, droeg hij Süschen op, Karel van Bourgondië tegen den man te waarschuwen, die, schijnbaar uit ’s Keizers dienst verjaagd, den Hertog het eerste bericht zou komen brengen van Frederik’s aftocht, maar die niets was dan een huurling van Frankrijk, omgekocht, om van al de bewegingen der Bourgondiërs tijding te geven aan Frankrijk en Oostenrijk, die op het punt stonden bondgenooten te zijn. Romuald wist dat van zijn Heer en begunstiger, Sigibert, die hem nog even had bezocht, en zoo Süschen dit alles in korte woorden wist over te brengen, was het de kracht der liefde, die haar geheugen scherpte voor wat haar verstand nauwelijks vatten kon; zóóveel verraad en zóóveel trouweloosheid van zóó hooge personen onder elkander, en die men haar geleerd had te eeren als Gods vertegenwoordigers op aarde!

En waarlijk, het moest bevreemden en ontzetten, voor wie niet wist, dat het een tijd was, dat Vorsten, als gewone handelingen, daden bedreven, waarvoor een gering edelman zich te fier of te eerlijk zou geacht hebben; en het is ook waar, dat er voor den Keizer bijna geene andere kans overbleef dan deze laaghartige vlucht — want met een zachter woord is het wel niet te noemen — voor een Keizer als Frederik was, ten minste, die den krijg schuwde, nog minder uit lafheid dan uit kleingeestigheid; die, om der wille van zijn keizerrijk, den moed niet zou gehad hebben, Karel in het aangezicht zijne eischen te ontzeggen. of op de vervulling van diens beloften aan te dringen, dat de éénige ronde keizerlijke weg ware geweest. Ook was Karel de Stoute met de beste helft zijner uitmuntende krijgsmacht in deze dorpen gelegerd, en wat de overmoedige, gewelddadige man in het hevigste vuur van zijn toorn zou durven ondernemen, dat kon Frederik niet indenken, zonder die kille huivering van vreeze, die hem bewoog tot een heimelijk wegsluipen buiten zijn bereik. Karel’s woorden aan het feestmaal waren hem een bewijs geweest, dat deze zich het voordeel zijner stelling zeer wel bewust was, en niet al te schroomvallig om er partij van te trekken. Wat dus ook de Aartshertog smeeken mocht, dien men wel eindelijk met het plan moest bekend maken, hij wilde niets anders tegen bedrog overzetten dan list — en geenszins die koene, waardige houding aannemen, die misschien tot eerlijkheid van de andere zijde had gedwongen. Karel had nog zijne kroon gewonnen, als hij op dien avond het bezoek van den Aartshertog aan Maria had willen toestaan. Toen werkelijk de Jonkvrouw van Bourgondië gekomen was, begon de Keizer, zwak en twijfelmoedig als hij was, liever te gelooven aan het bedrog van Romuald, dan aan dat van Karel, en die samenkomst der jongelieden in tegenwoordigheid van den vader had hij in zijn hart tot het zegel gemaakt van diens oprechtheid. Maria’s aanwezigheid had zijn besluit bepaald, om de kroning te laten doorgaan; dan wij weten, met hoe weinig omzichtigheid, met hoe weinig hoffelijkheid zelfs, zij geweigerd werd: de Hertog van Bourgondië had zich zelf den slag toegebracht, die hem zoo diep zou treffen.

Toen Süschen van dit alles wist, wat men begrijpt dat zij weten kon, en toen Romuald haar had verlaten, bleef zij met duizend strijdige overleggingen op hare legerstede worstelen. Zij had vernomen, dat de Zwarte poort, juist die, welke naar St. Maximijn leidde, open zou blijven tot aan den morgen, om den laatstblijvenden trein des Keizers uittocht te verleen en; de grootste, de eenige zwarigheid was dus, heimelijk uit haar slaapvertrek, uit het huis te ontsnappen; want dit besluit stond vast bij haar, als de uitkomst van hare innerlijke beraadslagingen: de geliefde man moest uit haar mond het ongeluk het eerst vernemen, dat door geen anderen hem met meer medegevoel kon worden aangekondigd; daarbij had zij hem te waarschuwen voor de valsche dienstaanbieding. Zij dacht er niet aan, hoe gevaarlijk eene boodschap als de hare kon zijn, aan een man als dezen; zij dacht niet aan hare zwakheid, die haar tot hiertoe nog slechts vergund had, een ganschen dag zittende op te blijven; maar zij werd er pijnlijk genoeg aan herinnerd; want toen zij uit de tasch van Bertha, die in hare kamer sliep, den sleutel des huizes in hare macht gekregen, en na een los morgenkleed van witte wolle te hebben aangetrokken, zonder zich tijd te gunnen voor het ordenen harer lokken, het hoofd slechts gedekt had met de kap van haar kleed; toen zij hare
keten, haar talisman, bij zich had gestoken, en, met muiszachte schreden, de slapende voorbijtrad, en angstig en bevende de gastvrije huisdeur had ontsloten, toen voelde zij eerst, wat ze miste van vroegere krachten, van vroegere gezondheid, die zoo luchtige vlugheid had geschonken; maar zij voelde ook, dat zij voort moest, alevel voort; mocht zij bezwijken aan zijne voeten, het ware zoo! Zij had dien grootschen man reeds meer geofferd, dan haar leven; zij zou nu om zoo iets gerings zijne zaak niet opgeven! O! die heftige overspanning van een brandenden hartstocht brengt voor eene wijle bovenmenschelijke krachten aan, maar krachten ook, die sneller sloopen. dan de vreeselijkste zwakheid; Süschen dolf haar graf in dien nachtelijken tocht, waarbij zij nog te kampen had met al de angsten der schuchterheid; met al de vreeze des bijgeloofs; met al de ontzettingen der onwetendheid! O! wie het teêre kind voor korte weken zulk een tocht had voorspeld, de onmogelijkheid ware door haar met huivering bezworen geworden; en toch, zij heeft dit kunnen volbrengen; zij was zelfs na hare verklaring aan Antoni van Bourgondië nog niet weder ineengezonken, want onrust, schrik, ontzetting voor den zielsbeminde hielden haar nog opgericht. Zoodra de Bourgondische Edelen de wond kenden, waaraan hun meester bloedde, wisten ze beter de wijze, hoe die te verplegen; ook naderden ze opnieuw den Hertog, die intusschen, in den roes der driften voortijlende, zijne eigene kostbare en hooggeliefde sieraden had vertrapt, dooreengeworpen, verpletterd; hij trad met de beide voeten op den koninklijken mantel, dien hij neêrgerukt had van de credenz; hij had het zwaard opnieuw gevat, en verwondde zich daaraan bij zijne wilde en onvoorzichtige gebaren; zijne handen bloedden, maar hij voelde het niet, of liever, het was hem onverschillig; hij had zich het vel van de borst opgereten met zijne lange, scherpe nagels; en het was ijzingwekkend, afzichtelijk te zien, hoe hij de achtbaarheid van zijn voorkomen en de welvoegelijkheid gansch vergat, in het bijzijn van zoovele zijner Grooten, en zelfs van zijne lagere dienaren; de eersten waren edelmoedig en trouw, en hadden medelijden met die groote teleurstelling, die tot razernij voerde; maar de anderen, grover van gevoel, lager van beginselen, zagen niet allen toe met eerbiedigen weemoed, wij hebben het opgemerkt, hij was niet zacht voor wie hem dienden; hij had hun te vaak de uitwerksel en zijner driften en kwade luim doen voelen; te veel gestraft met hardheid, zonder liefde; te veel hooge koelheid gesteld tegenover hun ootmoed; te weinig ontzag gehad, ook voor hunne rechten, dan dat zij hem hadden kunnen liefhebben, gelijk zij hem vreesden; dan dat er niet onder hen gevonden werden, die zich in dit schouwspel met lage, doch niet onnatuurlijke zegepraal verlustigden, en velen van de menigte, die nu meer en meer aangroeide, hadden meer nieuwsgierigheid, hoe dit tooneel een eind zou de nemen, dan belangstelling, of het te zijner eere zoude zijn.

Karel scheen zelfs van zijne huisgenooten, van zijn bloedverwant zoo iets te vermoeden; want toen Antoni de Bastaard tot hem zeide: »Doorluchtige Vorst! gij ziet ons allen verpletterd door eene trouweloosheid…” liet hij hem niet uitspreken, maar strekte gebiedend het zwaard naar hem uit; en met eene daverende stem riep hij: »Terug! terug, verraders! want verraders zijn er onder u! Nadert mij niet, dan met den eerbied, die mij toekomt als Koning, als Keizer! want ik zal beiden zijn; ik zal het zijn, ten spijt van den bedelaar Frederik, en van de schelmen, zijne Keurvorsten.”

Antoni begreep; hij dankte den Hemel, dat de Hertog zich ten minste begon te uiten.

»Mijn Souverein!” sprak hij, »in trouwe, het denkbeeld is goed; zet u zelven deze kroon op het hoofd, in dezen zelfden oogenblik; hebt gij ge ene Bisschoppen genoeg om u te wijden; zijn wij niet met een goed getal hooge leenmannen hier, om u trouw te zweren: wat zoudt gij den Keizer danken, wat gij uit eigen kracht vermoogt?” En hij bood hem knielend de kroon aan, die hij had opgeraapt.

Karel lachte met een wilden lach, en nam die begeerig; een oogenblik bezag hij die aarzelend, — toen sprak hij met een diepen blik van argwaan, hoogheid en schranderheid:

»Opdat gij u morgen Hertog zoudt laten huldigen, uit eigen macht; opdat gindsche jonker baanderheer zou heeten, eer wij eene maand verder waren; opdat… Neen! bij de eer van St. Joris, niet alzoo!” en hij wierp het blinkend sieraad op den grond, en trapte het ineen onder den voet. Toen was er geene kroon meer voor Karel den Stouten.

Zoo had die doldriftige Vorst te midden zijner woede begrepen, dat met die daad, die men hem voorstelde, het gansche leenstelsel in duigen viel, dat eerwaardigeen vaste gebouw der middeleeuwen, dat van den Keizer af tot den kleinsten leenman toe zich aaneenschakelen en steunen moest, zou het opgericht blijven.

»Neen!” vervolgde Karel, »wij zullen ons zelven helpen; maar anders, maar beter, maar zóó, dat het Rijk er van gewagen zal, en dat geen Vorst meer den moed zal hebben, ons te bedriegen. In den zadel; Edelen en Vazallen! in den zadel! en wie mij trouw is, vinde den weg uit, dien de schurk is heengevlucht, en wij zullen hem terughalen, al verschool hij zich in het diepste van zijn Keizerrijk; al verschool hij zich in den schoot van den Heiligen Vader! en wij zullen hem terugsleuren aan den staart van ons ros, hierheen naar deze plaats; bij zijn grauwe haren zullen wij hem slepen voor dit altaar; en met de dagge op de keel hem dwingen, dat hij ons de kroon op het hoofd zette!” Des Hertogs harde en krachtige stem had dit weder zoo verstaanbaar gesproken, zoozeer op zijn eigen toon, dat ieder het verstond en begreep; vandaar ook, dat allen huiverden en verbleekten, als bij eene godslastering. De Majesteit der Keizeren van het Heilige Roomsche Rijk was iets zoo onschendbaars bij de volkeren dier eeuwe; de hand te slaan aan zoo eerwaard een gezag scheen zoo zeker eene heiligschennis, en Karel was zoozeer de man om te ondernemen, wat zijne driften
hem ingaven, dat al die onderdanen op het punt stonden om hun meester te schuwen, als een, die in den rijksban was vervallen. Adolf van Ravenstein, zijn geliefdste vriend en wapenbroeder, en Lodewijk van Bourbon, bisschop van Luik, zijn eerwaardige bloedverwant, traden nu toe.

»Mijn Heere!” sprak de laatste op ernstigen toon, »al ware gansch Bourgondië verloren, het betaamt geen Christenvorst dusdanig te woeden en zulke woorden te spreken in Gods huis! Wij zullen u eeren als den machtigste en grootste onder de menschen; maar gij moet den Heere Jezus eeren, in wien onze zaligheid is; en gij moogt niet dus met ongewijde voeten treden op Zijn altaar .”

Karel maakte onwillekeurig het teeken des kruises, en zag om zich; werkelijk stond hij op de plaats, waar alleen de Priester recht heeft den voet te drukken.

»Ik heb zooveel gedaan voor uw God en uwe Heiligen, en hebben zij eenmaal te mijner gunste beschikt, dat dit verraad mislukte? Ik ben zat van te dienen wie verlaten in nood.”

De Bisschop zag hem droevig aan bij dit antwoord, en zeide alleen: »Hebt gij hunne hulp ingeroepen?” toen ging hij ter zijde. Karel hief dreigend de hand op, maar verliet toch de plaats en nam den arm van Ravenstein. »En wat zegt gij daartoe, Neef?” vroeg hij.

»Mijne meening is, dat een bedaarde aftocht eervoller zijn moet dan eene gluipende vlucht. Frederik heeft het laatste gekozen; mijn Vorst! wat dunkt u van het eerste?

»Dat gij ons ter goeder ure aan onze krijgsdaden herinnert, en aan ons goed leger. Ja, wij blijven niet langer in een oord, waar men ons heeft verraden; — die Frederik, die slaafsche huichelaar, dat hij mij. dit heeft durven doen: o! het kan niet waar zijn; ik wil niet, dat het waar zij! Hoort gij allen, ik zeg het u, het is eene leugen; zoo durft een Frederik Karel van Bourgondië niet uittarten!” en hij geraakte weder in die verwoedheid, waarvan hij zooeven een weinig tot kalmte scheen te komen.

»Wij zullen lieden naar Trier zenden, om er de zekerheid van te hebben, Doorluchtige Heer!” sprak Ravenstein; »maar ge hebt mij nog uwe bedoeling niet duidelijk gemaakt.”

»Ik weet niet meer…” hernam de Hertog, naar den grond starende, en hij sloeg zich het voorhoofd met de gebalde vuist. »O! ik zal hierna nooit meer zijn wat ik was.” Dit woord werd opgevangen door het meest deelnemende hart, dat er onder de aanwezenden voor hem kloppen kon. Ontslopen aan de vriendelijke zorg van den Sire de la Marche, was Süschen zoo dicht mogelijk nabij den Hertog genaderd; hare ziel werd door de strijdigste gewaarwordingen geschokt, zij had zich haar held grooter gewenscht, anders; zij had hem verschrikkelijk kunnen zien, maar niet afzichtelijk; zij had hem leeuw gewild maar geen gierende wolf! Ook kon zij het niet verdragen, de klacht der moedeloosheid uit zijn mond te hooren; zij vatte er moed uit om hem toe te spreken; zij, het zwakke kind, nu al die mannen dáár in ontzetting terugbleven.

»Mijn Kollinklijke Heer!” riep zij, »dat is geene taal voor uw mond. Wie durft rneenen, dat gij niet altijd blijven zult, wie gij zijt? Hebt gij eenig ding verloren sedert gisteren? en waart gij toen niet de heerlijkste Monarch van de Christenheid? en zijt gij iets minder machtig, iets minder rijk, eenigszins kleiner van moed, of minder van daden? O! mijn genadige weldoener! als gij hier geene moeder hebt om u te troosten, of geene zuster, hoor dan het woord van uwe slechte dienstmaagd, en laat die lieden allen niet zien, dat gij betreurt, dat gij zóó betreurt, wat gij niet noodig hebt, om de meerdere te zijn van alle groote Heeren op aarde.”

Was het hare zachte, doordringende stem, welluidend als zoete muziek, was het de onuitsprekelijke liefelijkheid van haar wezen, zoo uitgeteerd, zoo bleek, en toch zoo engelachtig schoon; of was, zonder dit, de roes der hartstochten uitgewoed, en hernam de rede eindelijk hare rechten? Wij durven het niet beslissen, maar Karel keerde zich tot zijne Edelen met meer waardigheid en met kalmer oog: »Deze kleine heeft beter gesproken dan één van u; want zij herinnert ons, dat wij hier voor al deze lieden eene vertooning maken, die beter voldoet aan hunne ijdele nieuwsgierigheid, dan aan onzen plicht, om de hoogheid van onzen rang te handhaven. Graaf van Kleef! gij hebt mij zooeven gevraagd wat ik besloten had; ik meende toen te antwoorden: Trier te verwoesten, en als fakkels te gebruiken bij onzen terugtocht; maar deze kleine burgeres heeft hare stad gered; wij zullen ons beter beraden. Alleen wij zijn niet gewoon, staatsraad te houden met zoovele toeschouwers, noch in een kleed, waarmeê wij op zijn best eene vroegmis konden bijwonen. En het is niet voegzaam, mijne Heeren! dat zoovelen uwer onze eenzaamheid kwamen storen. Sire de la Marche! mijne hofmeesters zijn belast met de toebereidselen tot de afreize. Kom, Adolf! uw arm.” En Süschen voorbijgaande, keerde hij zich snel naar haar om. »Gij, hupsche deern wees gedankt; wij zullen u beloonen; gij zult met ons blijven: wij nemen u in dienst bij de Hertogin onze echtgenoote.”

»Echtgenoote, Heer!” vroeg Süschen met doffe stem en glasachtig starend oog; — »zijt gij een gehuwd man?”

»Wel zeker, kind! de Hertog van Bourgondië zou geene hand kunnen vrijhouden, al had hij er vier te besteden,” hernam hij schielijk verder gaande.

»O mijn God! wat ik eene groote zondaresse ben!” riep het meisje, en zonk neder nevens den pilaar, waartegen zij leunde. Karel de Stoute trad haastig door de rijën zijner vazallen en dienaren heen, die eerbiedig plaats maakten met eene mengeling van bewondering, ontzetting en medelijden voor dat grootsche en zonderlinge karakter, dat zich zoo bandeloos prijs kon geven aan zijne driften, en zich te midden daarvan toch weêr zóó kon beheerschen. Toen hij buiten de kapel was gekomen, bleef hij stil staan en zag even om. Adolf van Kleef wisselde een blik der hoogste verbazing met de andere Heeren; zij aanschouwden wat ze nooit hadden gezien: Karel de Stoute VERBLEEKTE!

»Helaas! al mijne grootsche plannen op Duitschland laat ik dáár achter,” sprak hij zacht en dof.

»Niet één enkele daarvan,” antwoordde eene krachtige mannenstem uit degenen, die ter zijde stonden.

»Het woord was niet voor u, gij dáár, die zoo vermetel spreekt,” hervatte Karel, terstond weêr zich zelf.

»Het kan zijn, mijn Hertog! maar als ik u aanwijs, hoe het waar kan worden? Mijne wapenen voegen u wellicht niet, maar mijn devies zal u gevallen; het luidt: Wraak, in den val van Oostenrijk!”

»Waarachtig, het klinkt goed,” riep Karel tevreden; »volg mij, man! wij willen u hooren in onzen raad. Wie zjjt gij?”

»Peter Archibald van Hagenbach, Landvoogd van Ferette,” antwoordde deze.


Ingezonden op: 19 July 2001