HET HUIS LAUERNESSE.

I.

In de Landsvrouw Maria.


Nooit heb ik recht begrepen, waarom men lange inleidingen schrijft om tot een eenvoudig romantisch verhaal te komen. Ik zie niet in, waarom lezer en schrijver met elkander eene lange reeks van volzinnen moeten doorworstelen, eer de een hooren en de ander spreken mag. Ik begin altijd liefst het eerst met hetgeen ik te vertellen heb: wat noodig is te weten en aangenaam, moet het verhaal zelf kunnen leeren; anders ware het beter, dat lezer en schrijver beiden niet begonnen.

Velen hebben zeker veelmalen de zon zien opgaan; allen hebben ten minste éénmaal gezien, hoe de lichtgevende dochter der hemelen met langzame waardigheid zich verheft uit het Oosten, en de nevelen van zich wegschuift, zooals eene Oostersche bruid den sluier terugslaat van haar aangezicht, bij het eerste samenzijn met den echtgenoot. Zij is ook de jonge bruid der aarde; zij is ook de trouwe echtgenoote van den vroolijken dag, die met haar geboren wordt, om met haar weg te sterven; zij is ook… dan, wat is zij niet, dat niet door hare tallooze beschrijvers van haar is gezegd geworden! Wij willen niets toevoegen. tot dien overvloed: maar wij vragen alleen, of er onder hen, die het zagen, niet ook sommigen waren, die het voor iets meer hielden dan voor eene schitterende tooneeldecoratie der Natuur, waarbij hunne toejuiching werd afgevraagd; of zij er ook wel eens bij gedacht hebben, hoe dit schouwspel, dat zich sedert den eersten scheppingsmorgen, door duizende jaarkringen heen, wiskundig ze ker herhaalt, de dagelijksche waarachtige bekrachtiging is van het Goddelijk machtwoord, gesproken bij de Schepping: »Daar zij licht!” »Waar het zoo licht is in de wereld der Natuur, mogen de menschen het niet donker maken voor elkander, en er is nog een beter licht dan dat van de zon: het licht van de Openbaring.” Dat nieuwe scheppingswoord, gesproken door den mond van een bezield en krachtig man, in den aanvang der 16e eeuw, klonk voort in alle Vorstenstaten van Europa, en zoude ook weêrgalm vinden in het Graafschap van Holland.

In 1521 zag een jonkman ook de zon opgaan; wij weten niet, of hij aan dit alles dacht: maar zeker moest het iets dergelijks zijn, wat hem met eene zachte geestdrift bezielde. Hij lag geknield op het hoogste punt van den golvenden zandgrond van waar men een ruim vergezicht had over den heerlijken omtrek. Er lag op het gelaat van dien jonkman eene roerende uitdrukking van bewondering en aanbidding: het is zoo, op zijne liefelijke trekken, bevallig en zacht, tot vrouwelijke weekheid toe, had een waas van dweepzucht haar onmiskenbaar zegel gedrukt; dan, het was niet die sombere dweepzucht, welke altijd neerziet in eenen duisteren afgrond, maar een mijmerend heenstaren naar eenen vriendelijken hemel. Het was de dweepzucht, die den dichter vormt; de dweepzucht, die verheft boven het lijden, die somtijds schade doet aan het lichaam, maar die, de ziel altijd reinigt van den booze. Er schitterden tranen in zijn zachtblauw oog, terwijl hij heenstaarde naar de zonneschijf, wier glans te dwaas met aardsch metaal vergeleken wordt. Bleek was zijne gelaatstint, en toch kleurde eene zachte verrukking die wangen met een flauw blosje. Op het voorhoofd gescheiden, hing zijn sterk blond haar in fijne, dunne lokken langs den hals neder tot op de schouders. De kleine mond met den blijmoedigen glimlach, het hooge zachtgeronde voorhoofd met den fijnen Griekschen neus, was in de schoonste samenstemming met de zuivere omtrekken van dat gelaat, dat geheel de uitdrukking had, die een schilder zoude geven aan dat van den apostel Johannes, den beminnelijksten der Discipelen, dien de Heer lief had bij uitnemendheid. Hij hield de handen samengevouwen; hij bad. Zijn gebed was een diep en ernstig gebed; dat werkelijk gemeenschap geeft met den hemel; een gebed; waarbij de gedachte de hulp der klanken niet noodig heeft, en waarbij het stamelen van duizelenden eerbied de hoogste welsprekendheid is. Eindelijk hief hij zich op. Toen had men eene teêre gestalte kunnen zien, bijna die van den knaap, wiens lichaamsbouw zich nog niet ten volle heeft ontwikkeld. Hij droeg, behalve de hozen en het wambuis der Duitsche jongelingen, nog een loshangend overkleed, langer en van donkerder stof dan men dit gewoonlijk droeg, eene zwarte zijden muts zonder veder, en in eenen eenvoudigen draagband eenen korten handdegen. Hij daalde het terpje af met trage schreden, als kostte het hem moeite, zich van die plek te verwijderen. Het was een treffend natuurtooneel, dat zich dáár aan hem vertoonde; onafhankelijk van het schitterende lichtspel des zonsopgangs, moesten Utrechts grijze torenspitsen, in het zuidwesten zichtbaar, moesten die burchten en kloosters in de verte, moesten die akkers en weilanden, welke toen reeds door de nijvere hand des Stichtschen landmans zoodanig werden bebouwd, moest dit alles, allengskens oprijzende uit eene nevel zee van dauwen dampen, bij eene lucht, wier vriendelijk blauw reeds eenen zoelen zomerdag voorspelde, werkelijk dien levendigen indruk maken op den jongen, onbedorven mensch, wiens gemoed niet verstompt is voor het ware schoon. Voortgaande op een smal voetpad, dat langs eene versch gemaaide weide heenliep, zag hij herhaalde malen om, met die zekere onrust van wie iemand verwacht, die niet aankomt; en zoo kunnen wij hem altijd volgen, tot waar hij, na een kwartier uur gaans te hebben. afgelegd, eindelijk bij een huis is genaderd, dat het midden hield tusschen de boerenwoning dier eeuwen de burgerhuizing. Het was ook de welvermaarde herberg: de Landsvrouw Maria, zooals het bontbeschilderde uithangbord te kennen gaf; en er moest wel veel kwade wil zijn bij den aanschouwenden reiziger, om in dat donkerbruine beest, dat toch vier poot en had, niet een paard, in die opgeschikte vrouw niet de jonge Gravin Maria te herkennen, en in ’t geheel. niet eene voorstelling te zien van den val, welke haar het leven kostte. Op den dorpel dier woning werd onze jonkman ontvangen door een frisch landmeisje, dat blijkbaar met eenig verlangen naar hem had uitgezien; want hem begroetende met eenen gullen glimlach, sprak zij, terwijl zij hem binnenleidde: »Het was nog wel vroeg voor eene morgenwandeling,. Meester Paul! en het is goed, dat gij daar terug zijt. Kom binnen! eene jonge maag heeft wel een krachtig vroegstuk noodig, als jonge beenen vóór zonsopgang eenen langen weg hebben afgelegd.”

»Al te veel zorg voor mij, goedig maagdelijn!” antwoordde hij, haar volgende. Een Hoogduitsche tongval was in de uitspraak van zijn Hollandsch onmiskenbaar. Eene minder vriendelijke begroeting dan die van het meisje lag er op het norsche gelaat van den man, die blijkbaar als huisheer de eerste plaats had ingenomen aan de lage eikenhouten tafel, waarop het ontbijt gereed stond. Zwijgend reikte hij hem den groven houten beker tot den morgendronk, en zwijgend ook plaatste de jonge man zich over hem.

De kwade luim van den huisheer moest zich toch lucht geven. — »Meester Paul, of Meester poëet, als dat uw hand. werk is — komt hij nu heden, die makker, dien gij hebt willen afwachten?”

»Ik wenschte het, Meester Barendz; ik ben op hem hopende, maar zonder zekerheid; daarom ook vertrek ik nog heden, zonder langer te toeven.”

»Nu, met Stichtsche rondheid gezegd, dat verheugt mij; want zie, ik houd niet van die jonge linkers, die den ganschen dag niets te doen hebben dan in geprent gekrabbel te lezen. en ’s ochtends, nog vóór de vroegmetten lange wandelingen doen, als geen Christenmensch, die een goed handwerk drijft, nog op ’s Heeren wegen te zien is. Vele uren in den omtrek, bij poorter en huisman, staat mijn huis ter goeder naam en faam, en om eenen vreemden Overlander wil ik niet…” Een driftig binnenstormen van meerdere gasten spaarde den rederijken man eene langere woordverkwisting. want het was den jongeling aan te zien, dat er niet veel antwoord volgen zoude; deze toch haalde bedaard een boekwerkje te voorschijn, en begon met ingespannen aandacht te lezen.

Wij zouden geweten hebben, waarom hem die norsche ontvangst gewerd, zoo wij getuigen hadden kunnen zijn van een gesprek, dat even vóór zijne terugkomst voorviel tusschen Barendz en het jonge meisje, zijne dochter. Als een huisvader, die op orde gesteld was, had hij gevraagd, waarom hij de huisdeur zoo vroeg ontgrendeld vond.

»De jonge vreemdeling is uitgegaan, om de zon te zien opkomen, Vader!”

»Hm! Hm! dat kon wel eens de noorderzon zijn; die Overlandsche snaken teren ten laste van een gezeten man, en betalen dan vaak met een »Godloon ’t je”, dat zij hem uit de verte toeroepen. Is het nu niet al vier dagen, dat hij hier in mijn huis toeft? weet ik eenmaal, van waar hij komt, en waar hij henen gaat, en dat in eenen tijd, waarin zoovele zwervelingen, Waldenzen, Albigenzen, Hussiten, Lutheranen, en hoe die ketters meer heeten, ons Land komen overstroomen, als zwermbijen in de Julij-maand?”

»Van de bijkens weet men, dat zij honig brengen!” hernam Stijntje, met die gevatheid, welke geene vrouw ontbreekt, als zij eene luim of eenen gunsteling heeft te verdedigen. »Van dezen jonkman weet ik, dat hij geen bedrieger zijn kan; het heeft al den schijn, dat hij op den heuvel gegaan is om te bidden.”

»Om te bidden! en kon hij dat dan niet op zijn kamerken doen? Heb ik dáár dan niet een goed conterfeitsel van de gebenedijde St. Adelgunde, waarbij een vroom Christen zijne aandacht verrichten kan?”

»Ja maar, Vader! wij begrijpen dat zoo niet. Meester Paul is zeker een klerk, een Rederijker, of, zoo ze anders zeggen, een poëet, die verzen rijmt, en ik heb wel gehoord, dat de zoodanigen gaarne peinzen in de vrije buitenlucht.”

»Peinzen is geen werken, en van ledigloopen komt weinig goeds; dat zien wij aan onze monniken. St. Adelgunde vergeve mij het woord! En om kort te gaan, ik wil den jongen niet langer huisvesten; als hij heden niet van aftrekken spreekt, dan zal ik het doen: laat hem naar Utrecht gaan, dáár zwerft er zoo menig een om, die…”

»Vader! Vader!” riep het meisje, en een traan blonk in haar oog.

»Nu dit nog, dat hij met zijne vreemde fleemtaal u het hoofd verbijsterd heeft,” sprak de vader, rood van ergernis over dit bewijs hare deelneming in iemand, die zoo weinig het geluk had hem te behagen.

»Vader! gij verzaakt de billijkheid, met zóó te zeggen: Krelis Louwen heeft mijn woord en ik denk aan geen ander, en Meester Paul spreekt nooit zulke onvertogen woorden tot mij als de Prior van St. Marie, wanneer die hier afstapt. Alleen ik heb hart voor hem, omdat hij zoo geestig weet te vertellen uit… uit… ja ik geloof, dat hij het leest uit de Duitsche legendeboeken. En ik zeg u, Vader! dat gij hem zoo hard niet zoudt vallen, indien gij wist, dat hij evenveel carolusguldens te verteren had, als wij nu penningen bij hem vermoeden.” — En waarschijnlijk geen antwoord wenschende op eene zoo scherpe aanmerking, die haar, ondanks haar zelve, ontvallen was, liep Stijntje het woonvertrek uit, de gelagkamer in en plaatste zich daarop in de huisdeur, om haren beschermeling af te wachten.

»Met vrouwen is waarachtig geen praten,” bromde nu Barendz bij zich zelven; »dat heeft eene tong, dat is scherp, dat stuift op, en dat is slim genoeg, om te zien, waar het hem eigenlijk schort. ’t Is zoo, had de snaak nog eene goede pakkaadje bij zich; maar; och arme, een bundeltje! ik geloof, bij mijn’ Patroon! dat het niets anders dan boeken zijn. Boeken! ik wilde toch wel eens weten, waar boeken nuttig voor waren. Maar nu staat het vast, ondanks Stijntje en haar gekijf, ondanks Stijntje en haar gegrien, de vreemdeling zal mijne deur uit en dat nog wel vóór den noen.” Met dit heusche voornemen was het, dat de waard zijnen gast een zoo hoffelijk gelaat toonde.

Wij hebben de andere lieden vergeten, die later waren binnengekomen. Het waren vijf monniken. Zij droegen het ordekleed der Capucijnen. Zij hadden plaats genomen aan eene kleinere tafel, dicht bij het smalle venster met kleine in lood gevatte ruiten, mogelijk opdat het te lichter mocht zijn bij hun spel: want zij hadden dobbelsteenen en een verkeerbord geëischt, en vingen aan te spelen met de graagte van eenen uitgevaste, wien men spijzen voorzet. Stijntje had bekers en eene schenkkan gebracht; menigvuldige plengingen van den zoeten kruiderwijn werden niet gespaard. Het spel baart twist, en het twisten ruwe woorden. Het moet eene zeldzaamheid zijn, zoo een driftig speler uit den lageren stand niet tevens een roekeloos vloeker is. Onze monniken, min beschaafden, in eene eeuw, welke nog op lagen trap stond van gezellige verfijning, maakten geene uitzondering op dezen regel. Zij speelden; zij twistten; zij stieten ergerlijke taal uit. Zij deden meer: zij plaagden Stijntje; zij deden het met die aanmatigende gemeenzaamheid, met die hinderlijke aanrakingen, waarmede ook nog in onze dagen menig laaghartige man dienende vrouwen en herbergmeisjes bejegent, hetzij dan om aardig te schijnen, hetzij om eene meerderheid te toonen welke zóó ten minste gelijkstelling wordt. Daarbij ontbrak het niet aan onderlinge kluchtige toespelingen op hunnen stand, of een dwaas snoeven op de handigheid, waarmede zij heden de vroegmis wisten te ontduiken, om zich een paar uren in ongeoorloofd vermaak te kunnen verlustigen, en dat alles doorspekt met, en verbloemd onder een Latijn, dat zich nu zelfs de claviger van een gymnasium zoude geschaamd hebben. Men denke zich den indruk, welken dit. geven moest op eenen ernstigen en beschaafden toeschouwer, zooals de jongeling was, met wien wij het eerst kennis hebben gemaakt. Lang had zijne lectuur hem van hun ergerlijk gesnap afgeleid, maar al minder en minder werd zijne aandacht, en al meer en meer begonnen zijne bleeke wangen te gloeien; van ingehouden verontwaardiging zwollen hem de aderen op het voorhoofd, een edele toorn tintelde er in zijn oog. Hij las niet meer, hij staarde hen zwijgend aan; maar zijn zwijgen zeide onuitsprekelijk veel.

»En dat zijn toch de lieden, om wier luiheid te voeden wij groote lasten dragen,” fluisterde eindelijk Stijntje half luid tegen haren vader.

Een der monniken had het gehoord. »Hoogst natuurJijk, snibbige deern! gijlieden betaalt, en wij eten; daarvoor geven wij u ook, in Nomen Deus, het brood des levens, en wij leiden u tot de fonteine, die den eeuwigen dorst lescht. Proficiat, Broeders! (en hij ledigde zijnen beker.) En wij houden u af van de ketterijen, en wij bidden voor uwe zielen, en wij…”

Toen stond de jongeling op en trad nader tot bij de tafel, waar zij zaten.

»Bidt voor u zelven, ongelukkigen! die den God lastert, welken te verkondigen het uw plicht was.”

»Gij ten minste zijt niet geroepen ons te vermanen, leek!” riep een der paters met monnikentrots.

»De roeping is tot allen, gelijk de Schrift voor allen is,” hernam Meester Paul met zachtheid; doch met zekeren nadruk.

»De Schrift voor allen! Hoort gij het, Fraters! hoort gij het? Onnoozele nieuweling! in welk convent denkt gij uwe gelofte af te leggen? en in welken Kerkvader hebt gij dat gevonden?”

»Ik heb de gelofte afgelegd, om te spreken in den naam der waarheid, en ik zoek mijne kennis bij de éénige, ware bron van alle licht.” Hier nam hij het boek op, waarin hij vroeger gelezen had, en drukte het met vuur aan zijne borst. Het was een nieuwe Latijnsche overzetting van ’t Evangelie.

Die geestdrift scheen den monniken eene onbetaalbare stof tot vroolijkheid. Geen hunner eigene snedige gezegden was zoo algemeen toegejuicht geworden als Paul’s ernstig woord. Onuitputtelijk waren zij in schimpende aardigheden, die zijne zachte stem zeker overschreeuwd zouden hebben, zoo hij had willen spreken; maar hij zweeg; hij zag het, zij zouden hem toch niet begrijpen.

Één hunner echter, die het minste had gedronken, wendde zich met een ernstig gelaat tot Barendz, die, evenals zijne dochter; de stomme, doch niet ondeelnemende getuige geweest was van dit tooneel, en zeide, terwijl hij hem ter zijde trok:

»Wacht u voor dien jongen man dáár; hij is een volksverleider, het blijkt zonderling klaar uit zijn spreken, hij is een Duitscher uit Saksen, een Lutheraan, een ketter — huisvest hem niet!”

Onderwijl vervolgden de andere monniken hunnen spot — »Dwaze knaap; druk liever een meisje aan uw hart, dan een oud passieboek; — meisjesgezicht! zoo gij monnik zijn wilt, ik ruil mijne pij tegen uwe gulden vrijheid! — »Ja! ja! dat is recht, de kap zal hem goed staan, geef hem eene pij, geef hem eene pij!” Die aardigheid vond bijval, de laatste spreker wierp zijn Geestelijk gewaad af, en scheen willens er den jongeling mede te bekleeden; twee anderen traden vooruit, om hierbij behulpzaam te zijn. De jonkman… dan, de beweging ter zelfverdediging werd hem gespaard; in de geopende deur vertoonde zich eene ernstige hooge gestalte, die met gestrenge waardigheid in het rond zag, en die toen tot de monniken zeide, op eenen toon, veelbeteekenend genoeg, om hen allen te doen verbleeken: »Gijlieden zoudt werkelijk wèl doen, een kleed af te leggen, dat gij zoo weinig eert.”

Zij antwoordden niet; maar er lag veel beschaming en veel onrust op hunne trekken.

Hij droeg toch ook een Geestelijk gewaad, maar blijkbaar niet van hunne orde. Hij was dus hun prior niet. Er lag misschien evenveel achting voor zijnen persoon, als ontzag voor zijnen rang, in de stille verslagenheid, waarmede zij zijne berisping verdroegen, en waarmede zij het gebeurde zochten te bemantelen. Zij wierpen de dobbelsteenen ter zijde, schoven het verkeerbord zachtkens weg, raapten de monnikspij op, en één hunner zelfs nam zijn breviaar.

Zonder zich verder met hen bezig te houden, richtte de achtbare man het woord tot den jeugdigen vreemdeling.

»En gij ook reeds zoo vroeg in zulk slecht gezelschap? van uw zedig uiterlijk kon men iets beters verwachten.”

»Eerwaardige Heer! ik koos het bijzijn dier menschen niet. Ik deelde noch hun spel, noch hunnen beker; ik nam in dit huis mijn verblijf, omdat… omdat…”

»Welnu!” en de scherpe blik des ondervragers rustte doorborend op Paul.

»I! waarom zoude ik het U niet zeggen?” hervatte deze met vertrouwen — »omdat ik den leidsman mis, op wiens aankomst ik hier te vergeefs heb gewacht, den man, wiens nutte raad mij besturen zoude in dit land, waar ik gansch vreemdeling ben.”

»En werwaarts voert uwe reis?”

»Vooreerst naar Utrecht.”

»Hebt gij dan geen’ enkelen beschermer in de bisschopsstad?”

»Ik zoude er eenen kunnen hebben, zoo mijn vriend ware gekomen. o! Zeker moet hem iets kwaads bejegend zijn: hij kent mijne diepe verlatenheid; zelfs een brief tot mijne aanbeveling is onder zijne bewaring.”

»Mag ik weten, aan wien die luidt?”

»Aan eenen machtigen Heer, den Vicaris van zijne Hoogwaardigheid den Bisschop van Utrecht.” Toen was er onder de monniken één, die eenen luiden lach niet weêrhouden kon.

De ernstige Geestelijke zag naar hen om. »Ik had gehoopt, dat de schaamte u zonder mijn bevel van hier gedreven zoude hebben. Verwijdert u thans.” Zij gingen werkelijk, en wierpen den herbergier eene welgevulde beurs toe; dezelfde, die over Paul met Barendz gesproken had, zag nog eens met eenen loenschen blik om naar den man, die hen verjoeg.

»Verbintenissen met de Lutheranen!” mompelde hij: »ik beloof u, Heer! ik zal deze ontmoeting niet vergeten.”

»Ik ben de Vicaris zelf” sprak de Geestelijke tot Paul toen zij alleen waren, en voor het eerst vriendelijk, voegde hij er bij: »Ook zonder dien brief zijt gij bij mij aanbevolen; uw gelaat draagt een opschrift, dat tot ieder menschenkenner spreekt. Gij zijt een Duitscher, en komt misschien van Wittenberg?”

Vroolijk verrast boog zich de jongeling toestemmend.

»Ik weet, van wien uw brief zijn moet. Is hij wel? heeft hij rust? gij zult mij van hem verhalen. Eene gelukkige bestiering voert mij hierheen. Ik moet een bezoek afleggen op een Kasteel niet ver van hier; maar de vrouwe van Lauernesse is gastvrij en gij kunt mij volgen. Pak uwe goederen bijeen, ik zal intusschen rekenen met uwen hospes; maar haast u, want wij hebben niet veel tijd: mijne knechten hebben reeds te lang gewacht met de paarden, en ik houd er niet van, het geduld van menschen of dieren onredelijk op de proef te stellen.” — Er was iets vriendelijk gebiedends in de spreekwijze van den Vicaris, dat geene tegenspraak duldde. Ook was het den jonkman van te veel belang, dien beschermer gevonden te hebben, om niet volgens zijne wenschen te handelen. Zijne kleine toebereidselen waren spoedig gemaakt, een vlugtig »vaarwel!” werd Stijntje niet zonder hartelijkheid toegeroepen, en spoedig reed hij, op het paard van eenen der knechten, rustig naast den Vicaris voort. Men heeft eene kleine opheldering noodig omtrent diens plotselinge verschijning bij een tooneel waar hij als geroepen aankwam. Hij was ook geroepen. Stijntje had het getrappel van paarden opgemerkt, dat door de anderen bij hun gedruisch niet gehoord werd. Zij was naar buiten gegaan. Zij had eenen Geestelijke gezien. zijn achtingswaardig voorkomen had haar getroffen; zij had gemeend niet beter te kunnen doen dan zijne hulp af te smeeken tegen den moedwil der monniken. Wij weten, hoe zij geslaagd is.


Ingezonden op: 19 July 2001