HET HUIS LAUERNESSE.

II.

Wat de Vicaris was, en de keuze der Jonkvrouw.


Slechts op zeer korten afstand van Utrecht, aan de Biltzijde der stad, lag een huis, dat, sinds de dagen van den laatsten Graaf uit den Hollandschen stam, was erkend geworden als eene adellijke Ridderhofstede, hebbende torens en ophaalbrug, vijvers en versterkte kanteelen.

Dat was het huis Lauernesse. Ik raad niemand, ook zelfs niet den vurigsten oudheidminnaar, om heden nog rond te zien naar een overblijfsel van dit Kasteel; want het huis is in puin gestort en het puin is gruis geworden, en de Stichtsche landman heeft er den ploeg door heen gedreven, en er groeit nu misschien welig koren op de plek, waar de Vrouwen van Lauernesse gewoon waren zich voor haren bidstoel neder te werpen; en de vijvers zijn gedempt geworden, of besproeien als afgeleide akkerslooten het frissche weiland van eenen veehouder, die er niet aan denkt, hoe trotsch voorheen dáár die zwanen zwommen, met die kleurrijke wapenbanden om de ranke witte halzen. Op den tijd, waarvan wij spreken, dacht wel niemand er aan, dat dit gebeuren zoude, en zoo een voorbarige weeprofeet den bewoners dit toekomend verval had voorspeld, ze zouden den ontijdigen boetprediker als een en onheuschen vreugdverstoorder hebben van zich gestooten; want het was nu hoogtijd op het Huis. Dat bewezen duidelijk de breede banieren van Lauernesse, die, op de torentoppen geheschen, de kleine strakke vaantjes der gewone dagen vervangen hadden. Dat verkondigde, luide en ver, het statig klokgeklep, dat de vromen naar de kapel riep, om de feestmis bij te wonen. Dat bewees kennelijk de neêtgelaten valbrug, het teeken van vrede en gastvrijheid. Met fijn wit zand, in grillige figuren opgeharkt, was het ruime voorplein bestrooid, en de donkere rookwolken, die uit meer dan éénen schoorsteen, uit den achtervleugel opstegen, voorspelden den komenden, dat er iets beters in de keuken werd toebereid, dan de gebraden visch van eenen vastendag. Het was ook een gewichtig feest, dat men zoude vieren: de geboortedag van de meesteres des huizes, de dag die haar meerderjarig maakte. Wel was het te denken, dat al hare verwanten en vrienden ditmaal zouden toestroomen, en de gastvrijheid macht niet te kort schieten op eenen dag als deze. Toen ook de Vicaris, in een. later ochtend-uur, met zijnen beschermeling de openstaande slotpoort binnentrad, en de vroolijke rijen der bedienden overzag, die allen in feestelijken dos en in bezigen ijver heen en weder liepen, zeide hij tot dezen: — »Gij hebt geen geluk, mijn Zoon! Wij treffen de Jonkvrouw van Lauernesse reeds niet meer alleen, en ik zal noode een gunstig oogenblik vinden, om over u te spreken, ten minste in ’t eerst.”

Een jonge Edelknaap in de kleuren van het Huis, rood en groen, afgezet met zilver, naderde hen. Er was een blijkbare kamp tusschen blijde vertrouwelijkheid en eerbied in de wijze, waarop hij den Vicaris groette.

»Gij ook hier, eerwaarde Heer! Dat zal Mejonkvrouwe welkom zijn; dat is zeker eene verrassing van zijne Hoogw…”

»Voorbarige!” hernam de Geestelijke, glimlachend met den vinger dreigende, en meer ernstig voegde hij er bij: »wilt gij, mij eenen dienst doen, Enriquez? Zie dezen vreemdeling! gij zijt jong, hij is ook nog een jongeling: laat de jeugd de jeugd in bescherming nemen, en…” hier begon hij zacht tot hem te spreken, »hoort gij, totdat ik de Jonkvrouw gesproken zal hebben.”

»Uw Eerwaarde kan op mij vertrouwen,” hernam Enriquez, en met gulle minzaamheid op Paul toegaande, nam hij hem bij de hand, en zonder dat deze den tijd had, zijnen beschermer eenwoord toe te voegen, zag hij zich door den rasschen knaap in vluggen zwaai medegesleept.

In de bovenzaal, die de Vicaris kort daarop binnenging, waren reeds vele Heeren en Edelvrouwen bijeen: daar waren de Heeren van Zuilen en Zuilichem, Heer Adriaan van Boeckhorst met zijne verloofde, Engel uit den Eng; een der Heeren van Enckevoort, enkele leden van het geslacht der van Wijngaardens, de van Rhedes, de Zonnevelds, allen van Utrechts besten adel, en meerdere Stichtsche patriciërs. En geen wonder, dat zij zich allen schaarden rondom de jonge vrouw, die met hare hand eenen grooten naam, eene uitgestrekte bezitting en veel invloed te vergeven had. Veel invloed ongetwijfeld, want de Lauernessen hadden in al de Stichtsche twisten altijd meer de zijde der steden gekozen, dan die der Bisschoppen, en hadden zich van vader op zoon, van erfgenaam op erfgenaam, eene overwegende stem weten voor te behouden, dáár, waar het de algemeene belangen der Provincie gold, afgescheiden van de bijzondere belangen der Geestelijke Heeren. En dáár de Geestelijke Heeren afwisselden, maar de Steden bleven, met hare vooroordeelen en vriendschappen, had het huis Lauernesse in die allen trouwe en machtige bondgenooten, die zich zeer zeker zijn veeten en grieven als hunne eigene zouden aantrekken, en die altijd als gereed stonden, om de zaak te verdedigen van hen, in wie wij eenen krachtigen steun vonden tegen weinig beminde meesters.

Sinds 1457 vond zich dit geslacht ook nog van die zijde gesterkt. Door de vrouwelijke linie verwant aan den bastaardtak van Bourgondië had het in Bisschop David eenen welwillenden beschermer gevonden, en in den nu regeerenden Kerkvoogd Philips zelfs eenen hartelijken vriend; ook had Herbert van Lauernesse, toenmaals Erfheer van het vrije Riddergoed, zich in 1458 en vervolgens onzijdig weten te houden in de bloedige veeten tusschen Utrecht en Amersfoort, eene onzijdigheid, die zich verschoonen liet door zijnen zwakken lichaamstoestand (hij leed aan eene verlamming) en het afzijn van een mannelijk oir. Want juist nu was die frissche boom, die zoo hecht en diep wortel had geschoten in de Stichtsche aarde, en die de kruin zoo trotsch verhief, ver boven de kruinen van al die anderen, zijn versterven nabij. Eene enkele loot vertegenwoordigde nog slechts dit geslacht: eene dochter van Heer Herberts dochter, slechts een meisje dat haren naam en haar wapenschild, hare rechten en hare macht zou de geven in de hand van eenen echtgenoot. Daarom ook hadden de Edelen en de Steden, de Bisschop en de groote Prelaten van Utrecht, alle gezamenlijk het oog gericht op dat teêre minderjarige spruitje, dat er na den val van den ouden stam nog behouden bleef. En dit was de groote vraag. die zij zich allen deden: wie zou die echtgenoot zijn? Hoe kruisten zich die aanspraken, hoe botsten zich die belangen! hoeveel hadden die wenschen van eischen! Want zij allen achtten zich gerechtigd den kostbaren buit den hunnen te noemen; en waarlijk, onafhankelijk van dat alles, was de persoon van Ottelijne van Lauernesse een schoone prijs. Zij zelve had te beslissen, wie dien zoude wegdragen: haar grootvader had in zijnen uitersten wil bepaald, dat zij niet vóór hare meerderjarigheid tot den echt zoude gedwongen worden; dat zij zelve eene stem zoude hebben in eene daad, die voor haar leven verbindend moest zijn. Geen der aanzoeken was dus tot hiertoe beantwoord geworden; nu echter, nu was zij meerderjarig. Men denke zich de verwachting van die allen, die daar bijeen waren! Toen ook de Vicaris in dezen kring binnentrad, vond hij veel minder vroolijk feestgejoel, dan wel een zwijgen, als dat van onrustige spanning en belangstellende nieuwsgierigheid, die zelfs zóó ver ging, dat nog niemand hunner het kostbare ontbijt had aangeroerd, dat, in de overgulle kwistigheid, dier tijden, op de credenzen en breede aanrechttafels te prijken stond. Het binnentreden van den Vicaris maakte eenige verandering in dit tooneel. Men begroette hem met al wat de eerbied voor zijnen rang en de achting voor zijnen persoon het meest vereerends en kenmerkends hadden; men stond op, men omringde hem, men voorkwam hem met kleine opmerkzaamheden, men heette hem driewerf welkom. Men moet den Vicaris kennen, zooals hij door het geheele bisdom heen bekend was, om den veelzeggenden eerbied te begrijpen, dien men hem heeft zien toebrengen door ieder der personen, met welke hij in aanraking is geweest. Het is wel mogelijk, dat er eene miskende deugd kan bestaan; het is zeker, dat somtijds deugdzamen en goeden verdrukt worden en onbarmhartig vervolgd; het is eene waarheid, dat verheven zielenadel meer zijne beschimpers vindt, dan zijne aanbidders, omdat hij niet altijd begrepen wordt; maar wanneer een man, in eene betrekking geplaatst, die hem de handen ruim laat om zeer veel kwaad te doen, al het goede doet, dat in zijne macht is, en beleid genoeg heeft om met schranderheid door te zetten, wat hij weet goed te zijn; en wanneer zulk een man, machtig genoeg om alles te kunnen dienstbaar maken aan zijn eigenbelang, blind wil zijn voor zijn eigenbelang, om helderziende te kunnen blijven voor dat van anderen, wanneer een hooge staatsdienaar waarachtig Christen is, en de Christen een man van moed en van oordeel, als zulk een man zich op die hoogte geplaatst ziet in tijden van algemeen misnoegen, of van algemeen lijden, of van algemeen zedenbederf — dan wordt die man een god der hulpe voorde zwakken, die hij ondersteunt, een ontzagbre rechter voor de boozen, die hem vreezen, een vereerd, hoewel niet nagevolgd model, voor wie met hem gelijkstaan; dan stijgt de eerbied voor zijne grootheid, naarmate men zich en anderen kleiner ziet, en de ondeugden van de anderen, die hij niet heeft, rekent men hem dan nog weder voor deugden toe. In gewone tijden zoude hij een braaf man heeten, nu wordt hij meer dan een gewoon sterveling; in gewone tijden zoude ieder hem met achting de hand toereiken, nu knielt men met aanbidding neêr aan zijne voeten. De man was Boudewijn Gerardz van Heerte, Vicaris van het Bisdom Utrecht, en wat meer zeide dan dit alles, wat zijn ambt kracht en invloed bijzette, vriend, innig vertrouwde vriend van den Bisschop. Hij had het geestelijk kleed aanvaard uit volle, vrije verkiezing; geene armoede dwong hem, geene zucht tot lediggang verlokte hem tot het gemakkelijk monniksleven; geen trots verleidde hem tot het kiezen van eenen stand, die toch in zekere mate altijd te heerschen gaf. Als éénige zoon van een welgesteld Utrechtsch burger, was er in zijne moederstad voor zijne eerzucht een ruim veld geopend, en hij had zich het leven gemakkelijk kunnen maken, ook zonder de afzondering van een klooster; maar hij had nog in zijne jeugd dat stil verblijf gezocht, om, ontheven van elke aardsche beslommering, zich vrijelijk te kunnen overgeven aan zijne zucht voor de letteren en wetenschappen. Maar in het klooster had hij niet gevonden, wat hij zocht; rust genoeg, maar geen gemeenschappelijk streven naar een groot doel. De lage en plompe onkunde der monniken van zijnen tijd, hunne onverschilligheid omtrent datgene, waarvoor hij in warme geestdrift gloeide, hunne slaafsche gehechtheid aan ledige godsdienstvormen bij volslagen gebrek aan godsdienstzin, zouden hem welhaast ondragelijk zijn geworden, zoo het niet eene waarheid was, dat de meest wijze ook altijd de meest toegevende zal zijn; hij vergaf hun, en waar hij een ernstig woord ter verbetering konde spreken, daar sprak hij het, zonder zich echter te veel te vleien met eenen goeden indruk; doch wetende, dat het voorbeeld de krachtigste prediking is, begon hij met zich zelven te hervormen, eer hij aan de hervorming van anderen dacht. Het samenzijn met de monniken werd eene louterende proef voor zijne Evangelische deugd; toch stond hij die moedig door, en toen hij in 1515, door Bisschop Frederik van Baden, uit de duisternis van het klooster tot openlijke Geestelijke waardigheden geroepen werd, had hij zich eenen schat van praktische Christelijke wijsbegeerte verworven, die hem den meester maakte van zich zelven en anderen. Nu in een beter licht gesteld, was hij opgemerkt geworden door de groote mannen van zijnen tijd, die vóór en nevens hem de behoeften en eischen der eeuwen de groote worsteling, die zóó  aanving, met een bekommerd en belangstellend oog gadesloegen. Zoo had hij de eer eenen vriendschappelijke verbintenis met Erasmus; zoo was de verheven jongeling Melanchton een voorwerp zijner oplettendste aandacht en heimelijke vereering, Toch was hem als Priester de eere en de éénheid der bestaande Kerk te lief, om niet de ruwe bitsheden af te keu en, waarmede de Augustijner monnik Luther toenmaals, in brandende geestdrift, de zieke Kerk trachtte te genezen, en om niet met een kloppend hart toe te zien bij de geweldige slagen, die der ongeneeslijke zouden worden toegebracht. Hij was, om het met een woord onzer eeuw uit te drukken, van de. behoudende partij; hij hoopte alles van den tijd, van langzame wijzigingen, van trapsgewijze verbeteringen, en bovenal van waardige voorgangers.

Daarom ook, toen Philips van Bourgondië Bisschop van Utrecht geworden, het oog op hem sloeg, om de moeielijke plichten der Geestelijke voogdij met hem te deelen, had hij zich gaarne en gewillig met eene taak belast gezien, die hem in staat stelde, ook het zijne toe te brengen tot het verhoeden van de algemeene schipbreuk der Kerk. En het Sticht, dat juist niet gewoon was met zijne Kerkvoogden in te stemmen, juichte Philips toe in zijne keuze. Voor het dagelijksche leven was Vicaris van Heerte, of Vader Boudewijn van Utrecht, zooals men gewoon was hem te noemen, niet dat, wat hij wenschte te wezen en werkelijk had moeten zijn. Hij wilde zoo gaarne de broeder zijn van die anderen, en, ondanks zich zelven, was hij altijd hun meerdere; iets verstrooids, iets afgetrokkens, iets minachtends voor kleinigheden, die bij anderen veel zeiden, gaf hem eene tint van stroefheid en ernst, welke menig schuchter hart van hem verwijderde of voor hem deed terugwijken; hij wist dit, en zoovaak; hij het vermoedde, trachtte hij het te voorkomen met al den schat van liefde, en hoogere beschaving, die de zijne was. Zijn uiterlijk moest ook veel toebrengen tot den eerbied, dien zijn persoon inboezemde. Ofschoon nog in middelbaren leeftijd, schitterden er reeds grijze haren tusschen den gitzwarten krans rondom de gladde kruin; rustig en kalm waren zijne trekken, hoewel stout en gebiedend, vooral door den eenigszins vrijen opslag van. het oog, welks donker blauw men met zwart had kunnen verwarren. Hij was rijzig en mager, zijne houding statig en deftig, bij al den eenvoud zijner gebaren. Voeg bij dit alles eene stem, minder welluidend dan diep doordringend, eene stem, die ontroerde en wegsleepte beide, en daarbij iets fantastisch zonderlings in de kleeding, die het midden hield tusschen het gewaad des priesters en het wereldlijke kleed van den geleerde. Een wijde lakensche overrok, van een somber bruin, had met de loshangende mouwen bijna eene soutane geleken, zoo hij niet met eenen smallen rand van vossenbont ware omzet geweest. Ook was dat gewaad korter dan de monnikspij, en liet nog veel van de beenkleedenen zien, mede van laken en zwart van verwe even als de bonnet, waaronder hij nog het calotje droeg, dat toen reeds een veel gebruikt kruindeksel was, zelfs voor leeken. Dit alles gaf aan zijn uiterlijk een voorkomen van statigen eenvoud, iets onderscheidends, waarbij het in niemand zoude opkomen, hem gelijk te stellen met eenig geordende, terwijl het evenzeer onmogelijk werd hem te verwarren met Heer of burger. O! voorzeker, had hij willen misbruis maken van al de voordeelen zijner zedelijke, maatschappelijke en lichamelijke meerderheid, dan had hij een gevaarlijk Priester kunnen zijn.

Toen wij zeiden, dat alle aanwezigen den Vicaris met vreugde in hun midden zagen, dachten wij niet aan een enkelen man, die op eenen hoogdravenden en vrij belissenden toon bezig was het woord te voeren tegen twee of drie vrouwen, welke met belangstelling naar hem luisterden, en die plotseling zwijgen bleef, met een verdrietig en teleurgesteld gelaat, zoodra hij de deftige gestalte van Vader Boudewijn in het oog kreeg. Deze persoon; een man van eenen korten, ineengedrongen lichaamsbouw, had die oogbekoren de ronding van vormen, die door St. Antonius bij uitsluiting aan goedaardige lieden wordt toegekend. Bovendien las men in geenen der weinig betekenende trekken van zijn welgevuld aangezicht eenen zweem van hartelijken hartstocht; maar het zoude ook even moeielijk geweest zijn, er iets in te vinden, dat naar geest en schranderheid zweemde. Zijne kleine, ronde, bijna uitpuilende oogen, van eene mat-grijze kleur, waren vaneengescheiden door eenen der breedste en platste neuswortels, die zich ooit op een Europeaansch aangezicht had vertoond;. en de duchtige neus, waarvan hij de stamvader wast, vormde een juist geheel met de dikke bloedroode lippen van den kleinen, altijd glimlachenden mond en met een paar bolle glimmende koontjes, welke iets van hun blinkend rood verloren, toen hij dengene bemerkte, wiens komst zijne rede afbrak. Deze personaadje, die de achtbare ordekleeding der Dominikaners droeg, was de huiskapelaan van Lauernesse en de biechtvader der Jonkvrouw. Het was zijne schuld niet, dat men hem als den jongsten zoon van een groot huisgezin, als den onhandigste. tot het beroep des vaders, als knaap in een klooster had gestuwd, zonder er over te denken, of er ook eenige geschiktheid in hem konde liggen tot den stand, dien men voor hem koos. Het was zijne schuld niet, dat hij in de monnikspij niets had gezien dan eenen vrijbrief tot een gemakkelijk, ledig, zorgeloos leven, een leven van onwetendheid en werktuigelijke Godsvereering. Hij had geene andere voorbeelden om zich gezien; en hij had niet genoeg gezond verstand, of, al ware dit zoo geweest, niet genoeg goeden wil, om eene uitzondering te kunnen of te willen zijn. De Heeren van Lauernesse waren gewoon hunnen huiskapelaan te kiezen uit het klooster, waarvan hij Broeder was, en de keuze was op hem gevallen als op iemand van een goed humeur en onergerlijke zeden. Hij was juist bezig zijne toehoorderessen uit te leggen, hoe alle profetiën omtrent den Anti-Christ toepasselijk waren op Luther, den Duitschen Augustijner, die zulke gruwelijke aanslagen smeedde tegen de zielen der vromen, toen Vader Boudewijn zich vertoonde, en hij wist genoeg,. hoe deze alle gesprekken over dit punt met de leeken afkeurde, om niet liever te zwijgen, dan zich aan eene berisping te wagen. Het is wel jammer van de kostelijke bloemen zijner welsprekendheid; want hij was welsprekend op dit punt!

Mijne lezers zullen misschien opgemerkt hebben, dat wij de jonge meesteres des huizes niet onder de aanwezenden in de zaal hebben opgenoemd; want dat de kleine, leelijke, uitgemergelde gedaante, die toch met zekere aanmatiging de eereplichten waarnam, de erfdochter der Lauernessen niet zijn kon, was eene waarheid, die van zelve in het oog viel. Wij gaan hen inlichten, waarom zij niet dáár was. Zoodra de mis in de huiskapel, door Jonkvrouw Ottelijne met eenen zweem van ongeduld aangehoord, was geëindigd, had zij getijdeboek en kerkkap snel in de handen gegeven van eene juffer, die haar opwachtte, en zich toen afgezonderd in haar bidvertrek, waar zij zich neêrwierp in haren armstoel, met eene uitdrukking van misnoegen en moedeloosheid op het lief gelaat, die weinig paste bij het blijde feest van heden. Eindelijk, na eene lange poos zóó te hebben gezeten, stond zij op, en als had zij behoefte aan iemand tegen wien zij zich kon de uiten, riep ze luid het jonge meisje, dat haar niet gevolgd was.

»Heeft mijne Jonkvrouw mij geroepen?” vroeg deze binnentredende.

»Ja, Grietje! hoor, kom hier bij mij; zeg mij, zijn die lieden reeds allen dáár?”

»De Heeren en Edelvrouwen? Ja, mejonkvrouw, zij wachten allen op u, en het geeft Donna Teresia werks genoeg, hun ongeduld tevreden te stellen.”

»Ik weet het, Griete, het is gansch niet heusch van mij, de hoffelijke plichten eener goede gastvrouw willens te verzuimen, en toch, ik kán niet anders; ik heb dat nu eenmaal zoo voorgenomen, en ik wil mijn besluit uitvoeren, ten minste zoo…” en plotseling zich zelven in de rede vallende, vroeg zij: »gij weet immers wel zeker, Griete! dat Meester Aernoud Reinierz nog niet hier is?”

»Deze niet, maar wel de Heer van Nichtevecht en de Jonker van der Aêm.” antwoordde het meisje, haar schalks aanziende.

»Als Meester Aernoud nog komen mocht, geleid hem dan hierheen,” vervolgde Ottelijne, zonder acht te slaan op Griete’s aanmerking. »Ik meen het u reeds te hebben gezegd?”

»O ja, Mejonkvrouw! reeds veelmalen, en Enriquez heeft dat bevel immers ook,” hernam de kamerjuffer ongekunsteld; »maar in waarheid, die Utrechtsche Heer is een fraaie gast, zóó laat te komen.”

»Zóó hij komt!” zuchtte Ottelijne, »dat zoude hard zijn, zoo hij niet kwam. Ik zal dan dien stap alleen moeten doen, die moeielijk is en vrij zwaarder dan ik mij voormaals had voorgesteld. Was slechts mijn Heer voogd hier; om mij heen heb ik niemand, die mij steunen kan tegen die Edelen…, en dan Vader Luciaan, die onuitstaanbare Vader Luciaan, bij wien ik op geen enkel woord rekenen kan, krachtig en van goed verstand — en bij dit alles wordt het laat.”

»Leider ja, liefste Meesteresse! te laat om zulke gasten te laten beiden zonder oorzaak.”

»Zonder oorzaak, Griete! Weten zij dan niet, wat er in het testament van Heer Herbert is vastgesteld? Zij kunnen toch weten, dat eene vrouwe ten minste, dat ik huiverig moet aarzelen tegen dit oogenblik.”

»Zoo uwe Edelheid met den eerwaarden Vader Boudewijn te rade ging!”

»De Vicaris! is die hier? Meisje! waarom hebt gij mij dit niet terstond gezegd?”

»Zijn Eerwaarde kwam juist, toen ik door u geroepen werd, en ik zoude…”

»Dan heb ik moed om te gaan!” hernam Ottelijne opstaande. »Roep schielijk Enriquez, ik zal zijnen arm nemen.”

»Wees zoo goed ook een weinig op den mijnen te rekenen, schoone Jonkvrouw!” sprak toen een jonkman van een fier en stout uitzicht, in de rijke uitmonstering van eenen Keizerlijken Hopman, die plotseling de deur opende en in den ingang staan bleef.

»Mijn Aernoud!” riep Ottelijne, zich aan zijne borst werpende. zonder acht te geven op de tegenwoordigheid van Griete, die in hooge verwondering die kennis en die gemeenzaamheid aanzag.

»Heil zij u en zegen met dezen dag, mijne zielsbeminde!” sprak Aernoud verder, met iets ernstigs en plechtigs in de stem, terwijl hij haar hartstochtelijk in zijne armen drukte, »en dat God en zijne Heiligen u in hunne hooge hoede mogen nemen!”

»Amen!” sprak zij, met eenen nauw merkbaren glimlach naar hem opziende.

»Maar spreek, melieve! wat kan het zijn, waartoe gij Enriquez,…

»O ja!” antwoordde zij, en naar Griete omziende: »verwittig mijne gasten, dat ik kome.”

Toen het meisje zich verwijderd had, sprak de Jonkvrouw, terwijl zij haren vriend naar eene zitplaats voerde, op den toon van een zacht verwijt: »Gij komt wel laat, mijn Aernoud! Ik durfde voor heden niet meer op u rekenen, en toch, uw bijzijn is mij zoo nut als gewenscht. »Gij komt van Utrecht..,”

»Ditmaal van Dordt, Ottelijne! gij ziet eenen Keizerlijk-Grafelijken Hopman vóór u.”

»O! dat is eene vriendelijke verrassing van u,” hernam zij vroolijk, en nu eerst op zijne kleeding lettende: »hoe goed staat u die krijgsmansdos! Hoor, ik zal u eenen kostbaren draagband stikken! Gij hebt dan Meester Florisz, gesproken. Gij zijt nu wel verontschuldigd over uw marren.”

»Ik heb den Pensionaris gesproken,” hernam hij, alsof er veel gewicht lag in dat woord.

»En?…” vroeg zij, blozende de oogen neêrslaande.

»Hij verzocht mij zijn schriftelijk antwoord u te brengen,” hernam hij, eenen opgerold en brief uit zijnen draagband halende, en dien haar gevende, na hem te hebben gekust; eene fijne hoffelijkheid dier dagen.

»O! die schalke voogd!” sprak zij, met vrouwelijke drift het roode was losmakende, en de regels vluchtig doorloopende, bijna beginnende met het einde; toen gaf zij het geschrift weder in zijne hand.

»Mijne Dierbaarste! ik kon het gissen,” hernam hij, na gelezen te hebben. »maar ik bid u, een ernstig woord, eer wij verder gaan. Gij twijfelt niet aan mijne liefde; gij kunt niet twijfelen aan eene trouw, die, twee jaren lang, door veel en velerlei is beproefd geworden, ik heb altijd aan de uwe geloofd, en dat geloof is noodzakelijk geworden tot mijn geluk; maar hoor, wat ik mij zelven zeide, toen ik hier heenreed, overtuigd, zooals ik het toen reeds zijn kon, van de toestemming uws voogds: »Gij hebt Ottelijne tot vrouw begeerd. Zij heeft u gewild; zij is zacht en goed, zij is de schoonste bloem van het Sticht. Gij zijt de benijdenswaardigste onder de stervelingen. Maar, hebt gij ook bedacht, wie zij is, en wie gij zijt? Zij, de erfdochter der machtige Lauernessen, de adellijke Jonkvrouw de nicht van den Bisschop, die Graven en Baronnen zich ter bruid zouden wenschen: en gij… niets dan een burger, het is zoo, een vrij burger van Utrecht, voor wien eene plaats op het raadhuis zoude openstaan, zoo hij het wilde, maar toch een, die haar geenen rang heeft aan te bieden, dan dien van poortersvrouw. Hebt gij moeds genoeg, om zoo rijk te durven worden en zoo machtig — door eene vrouw?” Want het plan van vroeger, Ottelijne! waarbij gij uwe goederen zoudt verleijen aan uw moeders maagschap, was dwaas en kan niet worden uitgevoerd; als burger ben ik niet arm, maar ik zou de Jonkvrouw van Lauernesse niet dien stoet kunnen geven van knechten en juffers, waaraan zij gewoon is: ik heb eene moeder, die weduwe is, ik heb zusters, ik heb eenen broeder. En gij, Ottelijne! gevoelt gij u sterk genoeg, om eenen gemaal te kunnen zien in den man, wien gij met uwe hand zooveel gegeven zult hebben? Want weet, ken mij in mijne gebreken, ik wil oprecht met u zijn: ik ben niet zoo als de vroolijke Hofjonkers en Edellieden, opgeruimd, blijhartig, loszinnig heenloopende over eene daad, en een woord voor niets anders tellende dan eenen klank. Ik ben stroef, ernstig, somber, nadenkend: ik weeg blikken, ik tel woorden! en zie, zoo één blik, één woord, ééne daad van u het mij herinnerde, dat gij tot mij waart nedergedaald, Ottelijne, het ware voor altijd gedaan met ons beider geluk. Het ware voor u en voor mij beter geweest…” Hij zeide dit laatste met eene doffe zachte, doch diep ernstige stem, en liet daarbij hare handen los, die hij, in het vuur van zijn spreken, in de zijne genomen had, en zijn scherp oog zag haar droef en vragend aan. Maar zij stond dien fellen blik kalm en rustig door. Zij vestigde haar zacht blauwoog op het zijne. Er lag eene heldere bewustheid van eigen kracht, en eene heilige overtuiging van de trouw harer ziel, in de reine kalmte, waarmede zij hem bleef aanzien.

»Gij zult mijn Heer zijn en mijn Gemaal. En zeg niet, dat ik tot u nederdale, want gij zijt groot, mijn Vriend! en edel van hart, gij zijt een edelman naar de ziel, en een hooggeborene naar den geest; en ik ben ook niet als die anderen: ik acht ze niet die trotsche pronknamen; ik zie in die rechten overweldiging en onrecht; ik lach met die kindsche vooroordeelen.”

»Dat zijn geene ledige pronknamen, edele Jonkvrouw! dat zijn geene overweldigingen, die geërfde rechten; dat zijn geene vooroordeelen. die men belachen moet, die van eene hooge geboorte en hoogen rang onder de Edelen des Lands! Wie ze gering acht, de handvesten der Steden, de vrijheden der burgers, drijft een ruwen onvoorzichtig spel; wie lacht met de voorrechten der Edelen, lacht eenen gevaarlijken lach, want die alle zijn de vaste grondvesten, en…” doch de spreker eindigde dien volzin niet, want hij zag Ottelijne bleek en ontzet nederzinken op haren zetel. Dat koel beraad, die lange aarzeling, was meer dan zij dragen kon, zij begon te wanhopen aan eene liefde, die zich zóó wist te verbloemen. En toch, er lag zielenadel en zielssterkte beide in die verloochening van zoo groot eenen hartstocht, als de zijne was voor die vrouw, en zoo deze den traan had kunnen zien, dien hij telkens terugdrong, en die altijd weder opwelde in het mannelijk oog, dan zeker had zij hem niet miskend. Toen zij het deed, vergat Aernoud de rol, die hij zich had opgelegd; snel schoot hij toe haar ter hulpe, steunde het schoone hoofd, dat hij zag nederbuigen, kuste de oogen, die zich sloten als bij eene bezwijming; en gaf haar namen, zoo zacht en vleiend, als nooit nog zijne lippen hadden uitgesproken. Zijn angst verried al de volheid zijner liefde, zijn angst verried al wat er edels lag in zijne vroegere terughouding. Met onuitsprekelijke teederheid zag zij naar hem op, toen zij tot zich zelve kwam.

»Mijn Vriend! mijn edele groothartige Vriend!” sprak zij, »de proeve was te sterk; en ziet gij, zij was onnoodig. Hoor nu ook mij: mijne keuze is niet de uitkomst van een overijld besluit, genomen in een uur van opgewondenheid, ras en vluchtig, en even daarom veranderlijk. Twee lange jaren heb ik tijd gehad, om mij daarop te beraden, rijpelijk en met ernst, en ik heb op dat alles gepeinsd, en…” vervolgde zij, zich vermannende tot eene koelheid, waarbij haar de oogen vochtig werden, »ik heb ook acht genomen op het nutte.

»Gij zijt een man van een schrander beleid, verre boven het beleid van die anderen, die alleen dapper zijn; gij zijt krijgsman, naar den wensch, dien gij mij hebt ingewilligd; de éénige, inschikkelijkheid, die ik van u vroeg, maar ook de laatste, die ik van u vragen zal. Een vastberaden, moedig, helderziend gemaal past mij, de arme, zwakke weeze, tegenover machtige vrienden en hardnekkige vijanden; want wien ik ook kieze uit die Edelen, elk, dien ik niet kies, wordt een ijverzuchtig vijand van eenen vriend, die hij was. Laat het een krachtvol Edelman zijn, de gemaal, die mij wacht: dezulken hebben meer krijgslust dan zucht tot billijkheid, en meer heerschzucht dan vredezin. En zoo zal hij zich van de vermeerderde macht bedienen, om te overweldigen en te verdrukken; hij zal mijne ongelukkige vasallen wikkelen in zijne veeten, die hen niet aangaan; hij zal hen tot slachtoffers maken, die recht hadden op zijne bescherming, Huw ik eenen zwakken Edelman, die, door vroegere onmacht gedwongen, tot vrede neigt en rust: hem zal men verachten en haten, en de anderen zullen hem aanvallen; maar gij, gij, vereenigt…… neen, laat mij uitspreken, het is recht, dat gij nu luistert — den moed van den Edelman met het rijp beraad en de vredelievendheid van den Burger; gij brengt mij niet ééne veete aan. Op u zullen zij allen te zamen ijverzuchtig zijn; maar wie hunner zal het wagen, een en Keizerlijken Hopman den oorlog aan te doen? Zij weten te wel, wat het zegt, des Keizers vrede te verbreken: zoo heeft Meester Florisz het geoordeeld, die een schrander en scherpzinnig man is. Zelfs mijn Hoogwaardige Heere, de Bisschop, dien ik in het diepste geheim raadpleegde over mijn voornemen, heeft het goedgekeurd; men kent en eert u in geheel Utrecht: gij zult. een goed Heer zijn voor mijne onderdanen; gij zult de waardigheid van onzen rang handhaven en schragen, en, wat meer zegt dan dit: ik heb u lief boven allen! En gij nu?” vroeg zij met een zoet glimlachje.

»Ik zal dan zoo zalig zijn, als mijne stoutste hoop het mij voorstelde,” antwoordde hij, met eene verrukking, die hij niet meester was, en waarvan blikken en gelaatsverwe getuigden; en hij kuste onstuimig de kleine, blanke hand, die nu de zijne zoude worden, en hij riep met eene hartstochtelijkheid, die hem veel natuurlijker was dan die vorige gedwongene kalmte: »Ottelijne, mijne Ottelijne, voor eeuwig! De Heer, die mij hoort, en al zijne goede Heiligen weten het, welk een trouwen teeder gemaal ik voor u zijn wil. En wat ik zijn kan voor de aangebeden engel mijns harten, dat hoop ik beter met daden te toonen dan met flauwe woorden.”

»Kom dan, mijn Aernoud! en haasten wij ons, om aan die anderen bekend te maken, wat zij nu recht hebben te weten.”

»Welke anderen ?”

»Mijne, vrienden en huwelijkswervers, die dáár allen bijeen zijn, in de groote banketzaal. Het was om mij daar binnen te leiden, dat ik Enriquez tot mij riep; ik was toen moedeloos en teleurgesteld, want ik had vreeze, u niet hier te zullen zien. Nu geef mij den arm, mijn hoffelijke Heer!”

»Ottelijne!”

-»Niet waar? ik eisch eene groote proef van uwen moed.”

»Ik weet dat gij dien niet hebt verdacht. Daarom, sinds gij het wilt, laat ons gaan, melieve! en men zal zien, of een Keizerlijk Hopman en een burger van Utrecht het hoofd durft opheffen onder den Adel, en of hij hen achting zal weten af te dwingen; want nu ben ik krachtig en sterk, in de keuze van mijne Jonkvrouw.”

En werkelijk, zijn trotsch en eenigszins zwaarmoedig gelaat hief zich op met eene fierheid, eenen geboren Rijksvorst waardig, toen hij zijne Ottelijne aan den arm voortleidde, en haar bracht in het midden van de feestzaal.


Ingezonden op: 19 July 2001