HET HUIS LAUERNESSE.

IV.

De morgen van het feest.


Nooit misschien had eene zoo eenvoudige handeling, als het binnentreden van twee personen in de groote feestzaal van Lauernesse, zoo velerlei hartstochten in beweging gebracht en zoovele strijdige gewaarwordingen opgewekt, als er zich zichtbaar uitdrukten op de gelaatstrekken van al die aanwezigen bij het binnentreden van Ottelijne en haren verloofde.

Daar waren verrassing, toorn, teleurstelling, schrik, spot, gekrenkte trots, verbeten spijt, geveinsde blijdschap, oprechte deelneming op al die gezichten leesbaar. Maar ook waren er lippen, die zich ongekunsteld tot eenen glimlach plooiden; eenen glimlach van welgevallen en bewondering. Het was ook zoo iets hoogst bevalligs en liefelijks, die twee jeugdige menschen, het gelaat blinkend en blozend van geluk en blijde aandoening, de oogen schitterend van levenslust en reine vreugd. De jonge man, die er zoo moedig uitzag, in dien schilderachtigen, rijken krijgsmansdos; het borstharnas van gepolijst staal, ditmaal met opzet aangegord, om der geliefde eene verrassing te schenken, met den korten wapenrok, zwart en wit gebandeerd, de kleuren van den Keizerlijken Landsheer. En zeg niet, dat ze dof moesten staan of somber, zelfs niet bij het zwart-fluweelen beenschoeisel, alleen opgetroesd boven de knieën, want de gouden gordel met in gekaste edelsteenen, die het vasthechtte aan de rusting, gaf het iets zoo uitgezocht schitterends, dat er juist die eenvoud der verven vereischt werd, om het niet pronkend te maken. Een zeer smalle kraag met breede plooien, gestevigd door ingeweven gouddraad, was slechts even zichtbaar van uit den prachtigen halsband, die hem ophield, en gaf iets deftigs aan het gelaat, dat, naar Bourgondische mode, nog troonende boven den Oostenrijkschen invloed, geheel glad was, zonder moustache of baard. Zijne gitzwarte lokken echter had de jonge Utrechtenaar niet aan die mode geofferd; rijk en welig schemerden ze nog henen door het net van zilverdraad, dat ze gevangen hield. Daarenboven droeg hij den trotschen rozenhoed van groen fluweel, met de zeven rozen of knoop en van fijn bewerkt goud, den opgeslagen rand, en de negen liggende pluimen, wit en zwart zooals de banen van den rok. Van het wambuis was niets te zien, dan alleen de strakke fluweelen mouwen, aan den pols getooid met opstaande lubben van dezelfde stof als de halskraag. Geen ruim overkleed met loshangende mouwen gaf eene zwierige gevuldheid aan dit enge gewaad; maar Aernoud’s welgebouwde leest moest er door winnen, als zij onder fulp noch zilverlaken werd vermomd; daarom ook was het geene schade, dat de volledige toestel eener wapenrusting, de armbeschutsels en de dijplaten, en wat daar meer is, waren weggelaten, als lastig en weinig voegzaam bij een feest.

En nevens hem die lonkvrouw, in dat kostbare kleed van rooskleurige damastzijde, rijk gevoerd en gestikt en geheel met sabelbont omzoomd. Deze bouwen, (zooals men het zou kunnen noemen met een woord van lateren tijd), hoelang ook en wijd, verborg toch niet gansch het onderkleed van wit satijn met prachtig goudborduursel gesierd, maar was vóór in bevallige plooien opgenomen en rondom aan den gordel vastgehecht, die door eenen schitterenden gesp was gesloten. De witte mouwen van het ondergewaad sloten zoo strak om den arm, dat ze deszelfs mollige ronding eerder afschetsten dan verbloemden; en de wijdere van het eigenlijke kleed dartelden ongebruikt ter zijde, schoon haar wiegelend zwieren aan menig gebaar eene bevallige statigheid bijzette. Schoon nog geen spijtige kraag den poezelen hals ontsierde) was het toch gezegd, dat geen bewonderend oog op zijne blankheid rusten zou; een breed gouden halssieraad, met ingezette edelgesteenten, omsloot dien, en gaf kunstpracht, waar men natuurschoon had mogen eischen. Jammer ook, dat dezelfde modewet dat goudblonde haar weerhield in natuurlijke lokken te krullen; gelukkig dat ze niet gansch omsluierd waren, en nog twee breede vlechten, van achteren door een haarnaald opgenomen, ontsnappen mochten aan den dwang van het hoofdhulsel, dat met geslepen barnsteenen, die nog altijd als haar sieraden het meest in gunst stonden, tot verkwisting toe was bezet. Moet ik nog spreken van scharlaken kousen en de fluweelen schoenen, met strooipaarlen bestikt, die wel nooit fijner voetjes omgeven konden, opdat ge u Ottelijne zoudt voorstellen zooals ze daar stond naast haren Aernoud! En dan, hoe bevallig die scherpe verscheidenheid in het voorkomen van dit paar! Aernoud’s geheele uiterlijk teekende hooghartigheid en moed, vastheid en ongetemperde scherpheid, iets van den adelaar en iets van den havik! Ottelijne was de duive, de zachte duive, die het heldere oog met vertrouwen en ootmoed naar hem opsloeg. Men kon het gissen, dat zijn wil onverzettelijk moest wezen, als de fiere onbewegelijkheid zijner trekken; dat een glimlach hunnen straffen ernst slechts moeizaam zou verzachten; dat de smart die zwarte oogen zoude doen bliksemen, maar niet schreien, en dat het noodlot die gestalte verbrijzelen konde, maar niet doen buigen. Met éénen opslag herkende men in hem eenen dier mannen, die aantrekken door een zonderling overwicht op de vrouwelijke verbeeldingskracht; die de schoonheid niet noodig hebben, om te bevallen; die de liefde meer afeischen dan afsmeeken; maar die, in vergelding daarvan, eene liefde teruggeven, diep en ernstig als hunne ziel, hartstochtelijk en verheven als hun karakter. Zij, daarentegen, was geheel de vrouwelijke vrouw; de buigzame, teedere, die men doodt met eenen blik; die hare laatste levensvonk wil geven voor eenen glimlach; die liever offer wil zijn dan godin; die afstand heeft gedaan van zich zelve, om slechts te zijn in een’ ander: en toch lag. er ook vastheid in haren blik ook kalme fierheid op haar voorhoofd; maar het was de vastheid der onwankelbare trouwen de fierheid harer zelfbewuste vrouwenwaarde. En juist om haren mond en in de groefjes van hare wangen speelde de gulle glimlach van scherts en blijmoedigheid, dien men op de zijne te vergeefs zoude zoeken. En voor de vlammen in zijn oog had het hare eene liefelijke rust, die bijna koude scheen; maar in die schijnbare koelheid, zoo wel passend bij de sneeuw van haren hals, lag een verborgen gloed. die in uren van hartstocht spreken zoude. Zóó was Ottelijne van Lauernesse, zóó Aernoud Bakelsze, op het oogenblik, dat zij zich aan die menschen vertoonden, zalig van liefde en sterk door geluk, een paar lievelingen van haar, die zoo zeldzaam dezelfde gunstelingen hebben: de fortuin en de verdienste.

Zij werden op eene zonderlinge wijze ontvangen: daar was een pijnlijk zwijgen en een pijnlijk spreken; daar werden begroetingen gemompeld en verwenschingen weerhouden, gelukwenschingen uitgesproken, en uitingen der ontevredenheid gesmoord.

Hoezeer ook de Jonkvrouw zich met moed gewapend had om luide en beslissend hare onherroepelijke keuze te verkondigen, toen zij zich daar in het midden zag van al die mannen en vrouwen, onder welke zij velen door een woord verpletteren zoude; toen zij al die blikken als op zich gericht voelde toen miste zij voor een’ oogenblik den adem, om dat woord uit te spreken; toen klemde zij zich vast en schuchter aan haren vriend, en haar oog zocht angstig rond naar eenen glimlach van bemoediging. Aernoud voerde haar zwijgend naar hare plaats, met eene mengeling van spijt en zegepraal; het was hem aan te zien, dat de rol, die hij ditmaal speelde, hem te lijdelijk was; dat het hem moeite deed, zijne geliefde het woord niet te kunnen besparen, dat hare vrouwelijke blooheid zooveel moest kosten; maar het had bespottelijke voorbarigheid of bespottelijke aanmatiging kunnen heeten, zoo hij zelf gezegd had: »Ik ben de uitverkorene van deze vrouw!”

»Aernoud Reiniersz, van Utrecht,” riepen sommigen die hem kenden.

»Een Utrechtenaar,” voegde twee Amersfoortsche Edelen er bij, die zich evenmin bedwingen konden.

»Voert een poorter van den Bisschop ons de schoone Edelvrouw voor de oogen weg?”

»Een zoon van Schepen Bakelsze,” sprak de Jonker van der Aêm, met zijnen degen spelende.

»De beleediging geldt ons allen,” borst de Heer van Nichtevecht los; »een burger…!”

»Van Utrecht,” voegde Aernoud er bij, zóó trotsch en uitdagend het hoofd opheffende, alsof hij had kunnen zeggen: »Graaf van Holland!”

Zij onder die Edelen, die het Utrechtsche burgerrecht verkregen hadden, of nog hoopten machtig te worden, zwegen eenigszins beschaamd.

»Dat geldt voor adel,” liet zich een fijn, pieperig stemmetje hooren; »en mijn neef, Zijne Eminentie de Kardinaal Adriaan, zeide eens…”

»Dat zekere menschen liever zwijgen moesten, dan ten ontijde van groote namen brallen,” fluisterde van Zuilichem den spreker in.

Die morrende uitroepen, zoovele luide misbillijkingen harer keuze, zoovele onverheelde beleedigingen voor den man, dien zij liefhad, hergaven Ottelijne al de sterkte, die zij behoefde; zij moest gewond worden, om te durven wonden. Nu ook hief zij het hoofd met fiere waardigheid op: haar blik ontmoette een en anderen, die goedgekeurd op haar rustte; vrouwen hebben bij hare beste daden zulk eene aanmoediging noodig, en luide sprak zij, dat allen het hooren konden:

»Het testament van Heer Herbert geeft mij heden het recht, over mijne hand te beschikken: de man, die mijn Heer zal zijn en de Heer van Lauernesse, is Aernoud Bakelsze Reinierszoon!”

De verwondering of het ongenoegen der aanwezigen steeg niet bij deze verklaring, daar met Ottelijne’s binnenkomen alles was gezegd; maar de verschillende meeningen konden zich nu lucht geven.

De heeren van Jaarsveld en Nichtevecht verwijderden zich driftig en met trots, alleen Vader Boudewijn groetende. Van der Aêm wierp zijnen volgeschonken beker omver, en zag uittartend op Aernoud. De jongste van Zuilen wierp eenen langen, smartelijken blik op de Jonkvrouw, boog zich tot haar en zeide, met eene stem die beefde: »Beschuldigen kan ik u niet, gij hebt mij nimmer hoop gegeven; dwaas slechts was ik, die te koesteren.” Ook hij verliet de zaal.

De overigen bleven: sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen omdat ze minder diep gekrenkt waren; enkelen zelfs boeide de uiterste grimmigheid aan de plaats.

»En de toestemming der voogden?” vroeg een bejaard Edelman, die voor zijnen zoon geworven had.

»Zal geen hinderpaal zijn voor onze wenschen,” hernam Aernoud, die meende nu te kunnen spreken. »Meester Floris Oem, van Dortrecht, zoude dit zelf door zijne tegenwoordigheid bevestigd hebben, ware het niet, dat noodwendige bezigheden hem in zijne stad terughielden.”

»En het is mij opgedragen, der Jonkvrouw de verzekering geven, dat Haar Hoogwaardige Heer Neef, de Bisschop van Utrecht, zijn zegel hecht aan hare keus, en die volkomen goedkeurt,” sprak Boudewijn van Heerte, de verloofden naderende. »Ontvang mijne gelukwenschen, meester Aernoud! en zoo de vriendschap van eenen armen Priester u tot nut en heil kan zijn bij uwe schoone vooruitzichten, neem dan de mijne, die u sinds lang was voorbehouden. Edele Ottelijne! uw oog heeft niet gezien naar het hooge, maar gij hebt gekozen in reinheid en in eenvoudigheid des harten; reinheid en eenvoudigheid zijn schoone deugden der Christelijke vrouw, die zoete vruchten brengen van rust en geluk. En gij, Heeren en Edelen! laat er geene bitterheid zijn en gramschap tusschen u en deze verloofden. Valt der weeze van Lauernesse niet hard, omdat zij zich geenen gemaal koos uit uw midden. Eén slechts onder u allen konde het geweest zijn. En zoudt gij, die nu vrienden zijt, allen elkanders vijanden zijn geworden, omdat eene Jonkvrouw maar ééne hand heeft weg te schenken? Zult gij, die de eersten des Lands genoemd wordt, niet genoeg ware Christenen zijn, om het groote gebod, »Wees blijde met den blijde! met een oprecht gemoed te volbrengen? Zou iemand uwer dezen waardigen jonkman een kwaad hart durven toedragen, omdat het gevoel eener vrouw voor hem heeft gesproken? Zou iemand uwer aarzelen hem de hand te reiken?” Zij bleven allen zwijgen. En aan het vonkelen der oogen, en aan de gedwongen rust in de houding der meesten, was het te zien, dat het alleen eene zoo eerbiedwekkende stem als die van Vader Boudewijn zijn moest, die de bittere woorden op hunne lippen terughield.

»Sinds de geboden des Hemels niet genoeg kracht hebben op uwe gemoederen, om ze te brengen tot liefde en welwillendheid,” vervolgde de Vicaris streng en ernstig, »sinds de macht, die onzichtbaar is, niet meer te werken schijnt op menschen, die alleen hunne zichtbare aardsche belangen in het oog houden, moet ik u bevelen, in den naam der zichtbare macht van uwen Leenheer, den Bisschop, dat gij den vrede bewaren zult in zijn gebied; en verder, aanmerkt dit: gij kunt hem beleedigen in den meest geachten burger zijner stad, en in zijne welbeminde nicht.

»Philips van Bourgondië vraagt uwe vriendschap voor Aernoud Bakelsze!”

Altijd nog hetzelfde aarzelen en zwijgen; hier en daar zelfs eene hand, die krampachtig naar de linkerzijde greep. Het was zoo iets hards voor eenen Stichtschen Edelman, zich eenen wensch of een bevel (misschien synoniem) van den Bisschop te hooren voorschrijven. Zij voelden, dat zij zouden moeten buigen; maar hun trots sprak nog luider dan hun belang.

Ottelijne zag met bekommering op naar Aernoud; maar hare smeekende blikken hadden niet noodig eenen opkomenden storm te bezweren. Rustig en kalm trad hij voorwaarts, midden onder de mannen, die de vlammende oogen op hem gericht hielden, en die er uitzagen, als hadden zij de puntige zwaarden even gaarne op hem gericht.

Hij ving aan met de houding van iemand, die bedaard zijne beurt van spreken heeft afgewacht, maar die weet, dat hij het in zijne macht heeft, een geschil voldoend te eindigen.

»Ik bid u, mijne Heeren! zijt heusch en vroed. Het zoude te hard wezen, dat Stichtsche Edelen van eenen Utrechtschen burger ridderlijkheid moesten leeren; maar wat dunkt u, is het hoffelijk, den schoonen feestdag eener Jonkvrouw te bederven, door de twisten der mannen? Is het welberaden, al deze vrouwen tot getuigen te nemen van bittere redenen en dreigende blikken? Zijn er niet vele andere plaatsen en beter gelegen uren, om een mannenwoord met elkaâr te spreken? Aernoud Bakelsze is genoeg bekend, om niet juist op Lauernesse te worden opgezocht. Wie zich ergert aan de keuze mijner dame, hij vrage mij rekenschap af van de middelen, waardoor ik hare gunst heb verkregen; maar hij vrage die niet hier! Wij zijn hier allen gasten: laat ons der gastvrouw hare taak niet te moeielijk maken, door den beker van welkomst en vriendschap af te wijzen, dien zij zoo gaarne zag rondgaan. Later worde mijn vijand wie wil; maar voor heden moesten wij vrienden wezen: en wat dunkt u, zoude het niet goed zijn, zoo wij het wierden voor altijd? Zoude het niet raadzaam zijn, dat, in deze tijden van onrust en woeling der gemoederen, de goeden en sterken zich aaneen sloten, in plaats van te vragen: wie is burger, wie Edelman? Ik eer den adel; ik betwist niet één uwer voorrechten; ik heb eerbied voor al de instellingen, die u handhaven: maar wat ik anderen geef, eisch ik ook voor mij zelven, en ik wil niet miskend worden — doch ik bid u, laat ons elkander steunen en dragen; laat ons niet door huiselijke twisten den Keizer uitlokken zich te mengen in onze zaken: de Majesteit mocht bemiddelaars zenden! vreemde bemiddelaars, die wij zouden moeten dragen, hoe onverdraagzaam ook jegens elkander. En daarom, zoo mijne woorden goed zijn, neemt dan de hand van vriendschap, die ik u toereik, en den zoenbeker, dien ik u aanbied.”

Bij den eersten volzin van Aernoud hadden die Edelen zich beschaamd gevoeld; bij den tweeden boeide hen de hoop op voldoening, en hoe verder hij voortsprak, hoe meer ze gevoelden, dat hij gelijk kon hebben, en dat het waarlijk de tijd was, om persoonlijke grieven ter zijde te zetten. Hollanders hebben te allen tijde een juist begrip gehad van hun waar belang, en maar zeer zelden heeft het hen aan gezond verstand ontbroken, om de partij te kiezen van het nutte tegen hunne hartstochten; ook aarzelden zij niet meer, vooral daar hun trots zich voldaan zag.

Die burger immers, van wien zij aanmatiging hadden kunnen wachten en zegepraal, kwam tot hen; hij vroeg hunne vriendschap, en niet zij gingen hem die aanbieden; niet op het bevel van eenen Bisschop, niet om de vermaning van eenen Priester, maar uit eigen vrije overtuiging was het, dat zij die zouden aannemen; en daarbij begrepen zij onzeker, dat er nog een andere adel was, dan die, waarop zij trotsten, en dat deze man daarvan niet was misdeeld, en dat in het eind niemand hunner het recht had Jonkvrouw Ottelijne te beletten hare neiging te volgen, noch Meester Aernoud, om het geluk aan te nemen, dat men voor hem had bestemd. En werkelijk ook gingen zij allen op hem toe en reikten hem de hand, met die rondborstige gulheid, die bij eene verzoening geene nagedachte kent, en met dat verzaken van toorn, dat zoo goed staat bij de macht en de sterkte; en de groote zilveren beker, die rondging, werd door alle mannen tot den bodem toe geledigd. De meeste vrouwen hadden alleen dit oogenblik afgewacht, om zich tegen Ottelijne te uiten; de gelukwenschingen stroomden, voorspellingen van heil en vreugde klonken luide, handdrukken en kussen werden gewisseld, malvezei en kruiderwijn schuimden in. de bekers, die werden opgeheven onder luide betuigingen van vriendschap en goed heil. De lust tot gastmaalvreugde kwam weder boven: men deed eere aan den rijken disch; de vroeger verstrooide en niemand belang gevende gesprekken werden nu in gezelligen, vertrouwelijken vriendenkout herschapen. Vader Boudewijn had thans gezegepraald: men was waarlijk blijde met den blijde!

Men begon zijdelingsche vragen aan den Vicaris te richten over den Kamper toltwist; men ondervroeg den Hopman naar den staat der nieuwgeworven krijgsbenden. Men plaagde de Gooilieden met den schertsenden bijnaam van Oosthollanders; men sprak over de Gelderschen, en gaf zijne ergernis lucht over Karel van Egmond en diens lastige nabuurschap; men sprak over den Keizer en over de landvoogdes; over de nieuwe plakkaten en over de nieuwe beden; over den Utrechtschen Kardinaal Adriaan Florisz, die eerst den jongen Graaf had opgevoed, en die nu, in plaats van éénen minderjarigen kweekeling, alle meerderjarige Spanjaarden onder zijn bestuur had: dit laatste onderwerp werd behandeld tot groot genoegen van den kleinen, zwakken, bleeken man, die zijn flageoletstemmetje reeds eenmaal heeft laten hooren, en die misschien reeds voor den honderdsten keer willens is geweest om te vertellen, hetgeen ieder weet, dat hij een eigen neef is van den grooten Heer, die Spanje regeert. Na van den Kardinaal gesproken te hebben, kwam men gemakkelijk tot den Paus, en van dezen was de overgang zoo natuurlijk tot Luther, dat ook die zijne beurt zoude gekregen hebben, tot bijzondere voldoening zeker van Vader Luciaan, zoo niet een woord van den Vicaris de tongen had ingebonden. juist toen dit een plotseling en eenigszins gedwongen stilzwijgen gaf, kwam een der dienende knapen haastig de zaal binnen en overreikte Heer Boudewijn eenen zwaar gezegeld en brief.”

»Van waar?” vroeg deze.

»Een ijlbode bracht dien van Wijk bij Duurstede, eerwaarde Heer!”

Wijk bij Duurstede was de tijdelijke verblijfplaats van Bisscbop Philips. — De Vicaris brak haastig de zegeldraden los; groote rimpels plooiden hem het voorhoofd terwijl hij las, en zijne lippen verbleekten.

»Laat mijne lieden opzitten, wij moeten onverwijld voort,” sprak hij den wachtenden knecht toe, met gebaar en oog tot spoed dringende.

In brandende nieuwsgierigheid omringden hem daarop de mannen, die opstonden van hunne zitplaatsen; slechts ondervroegen zij hem meer door blikken en gebaren, dan door woorden. Hun bescheiden eerbied overtrof nog zelfs hunnen weetlust. Maar Vader Boudewijn antwoordde zonder gevraagd te zijn, ofschoon meer in zich zelven, dan tot hen:

»Ik had dit kunnen wachten! Onzalige Overstichtschen, die niet hebt willen luisteren naar de milde stem des vredes en der verzoening. Ik vrees, gij zult het zien, wat het zegt, den vos in uwen schaapstal te halen en den goeden herder buiten te sluiten. Mocht gij niet de straf dragen van uwen onberaden toorn! Vrienden en lieve getrouwen! Karel van Gelder is in Zwol. De Bisschop roept mij ijlings tot zich, om raad te schaffen.”

En daarop verliet hij de zaal, na een vluchtig afscheid van Ottelijne en Aernoud.

Hoe zichtbaar ontrustend die tijding: »Karel van Gelder is in Zwol!” ook gewerkt had op den Vicaris; in. het gezelschap, dat achterbleef, gaf zij niet die stoornis, die men pad kunnen verwachten.

Het is zoo, sommige Bisschopsgezinden en Stichtsche grondbezitters klonk zij schel in de ooren, als eene dreigende profetie van plundering en landverwoesting: want Karel van Egmond, de gevreesde Hertog van Gelderland, die met nabuur en leenheer in vijandschap leefde, en zich aan verdragen noch landvrede stoorde, eenmaal meester van Zwol, meester van Overijsel, zoude zich niet ontzien, zijnen ouden vijand, den Bisschop, op eigen bodem te overvallen; en men begreep, dat hij zich niet in den toltwist tusschen Kampen en Zwol hadgemengd, dan om er zijn voordeel mede te doen. Maar gewend zooals ze waren, aan veeten en bloedige krijgsdaden, zagen zij veel minder op de rampen, die hunne onderzaten dreigden, dan wel op de goede kans, die zich zoude aanbieden, om hunnen ouden haat tegen de Gelderschen lucht te geven. En ze zouden gemeend hebben een slecht denkbeeld te geven van hunnen moed, zoo ze zich, op het vooruitzicht van eenen oorlog, overhaast van een feest verwijderden, dat slechts één en dag duren moest. De Amersfoortsche en andere stedelijke Heeren toonden zelfs geenen zweem van bekommering, en stelden zich voor, het feest van Lauernesse ten einde toe te helpen vieren, al schakelden zich ook dagen bij dagen daaraan. Men had toen nog zulke bekrompen denkbeelden, van algemeene volksbelangen; het woord Vaderland werd bijna niet anders begrepen, dan als het kleine plekje, waar men gebied voerde of bescherming vond, zoodat een Amersfoortsche Edele of een Utrechtsche stedeling niet zou geweten hebben, waarom hem de wonden van den Bisschop pijn zouden doen.

De orde van den ontbijtdisch was niettemin gestoord; men was opgestaan, zonder het bekende glaasje na de dankzegging, en zonder die dankzegging zelve, en men begon in groepen de zaal te verlaten, om in de vrije lucht de dampen van de krachtige morgendranken en gekruide wijnen en nog sterker aangezette gemoedsaandoeningen te verdrijven, of zich door lichaamsbeweging tot den grooten middagmaaltijd, die volgen moest, voor te bereiden; want het was niet anders! een feest was in die dagen eene volgreeks van kwistige opdisschingen, waaraan altijd eere werd gedaan; onze voorvaderen zagen even gaarne een sappig wildgebraad op hunne tafel, als een mollig maagdelijn aan hunne zijde, en goudgele hypocras in den beker, als een goudgeel gelokt hoofdje, dat zich leunde aan hunne borst; zij waren zoozeer menschen der werkelijkheid, en zoo weinig de personen voor eenen æsthetischen roman; zij wisten zoo in het geheel niets van zwakke zenuwen en slappe magen: maar ook, welke krachtige lichamen, en welke onbuigzame hoofden, en welk een ongeschokt natuurlijk verstand! En welk eene macht tot werken, en welk eenen moed tot dragen, en welk staalvast geduld; maar ook welk eene onwrikbaarheid van wil!

Welk eene vaste en degelijke aarde voor een goed zaad! Luther’s geest bevruchte die athleten-stof met een bezielend denkbeeld; Philips’ despotische arm drukke de krachtige massa met zijnen tirannen-scepter, en ge hebt de hervorming, die zij de hunne maken, en ge hebt de gespierde worsteling met Spanje, waarin zij zegepralen!


Ingezonden op: 19 July 2001