HET HUIS LAUERNESSE.

IX.

Een herinnering.


Wie Wijk-bij-Duurstede nu bezoekt, zou er de oude, doodsche en vervallen stad niet op aanzien, dat zij vroeger in kleineren omvang alles had bevat, wat de luisterrijke Bisschopsstad zoo verheerlijkte. Vele Utrechtsche Kerkvoogden, en bovenal de twee Bourgondische, David en Philips, hadden in dit Wijk meermalen de wijk genomen, als het hun in hunne Hoofdstad te bang werd, als ze grieven hadden tegen hunne burgers, of om minder kenbare redenen, maar dán ook zag men er den ganschen wemelenden stoet van Abten, Koorheeren, Kanoniken, Proosten en adellijke leeken, die het gevolg van die Prinselijke Priesters uitmaakten: en er werd toenmaals meer aardsche weelde en geestelijken hoogmoed langs hare oude straten omgedragen, dan er nu keurig ooft of frissche moesgroenten wordt langs getorst. Mijn kroniekschrijver haalt deze stad aan als een toonbeeld van de waarheid des spreekwoords »Nering is geen erfgoed,” en roemt hoogelijk haren bloei van vorige dagen: en geen wonder! hare gelukkige ligging maakte haar tot handelen scheepsstad, terwijl hare Bisschoppelijke Heeren niet nalieten, hun geliefd oord van rust van tijd tot tijd met alles te begunstigen, wat haar mocht bevoordeelen of hoog stellen onder de steden hunner heerschappij. Zoo waren de tolontvangsten aan Rhenen ontnomen, om er haar mede te begiftigen; zoo had men er zelfs in 1521 eene munt en menig ander privilegie, waar vele naburen met ijverzuchtige oogen op staarden. In de stad zelve echter woonden de Bisschoppen niet. Duurstede, het Slot, waarvan zij gedeeltelijk haren naam ontleende, huisvestte den Heer met zijn Hof. Daar er van dit gansche deftig versterkte Kasteel, behalve een toren en eenig muurwerk en eenig gedeelte van het eigenlijke woonhuis, niets is overgebleven, om met goed recht tot het voorkomen van het geheel te besluiten, zou het mij vrijstaan, dien ouden Vorstenzetel naar verbeeldingslust op te trekken, en er poorten en portalen en zalen en gangen in te dichten, die er waren en niet konden wezen en die toch den lezer voldoen zouden; maar naar ik meene, heeft juister pen dan de mijne vroeger reeds die taak volbracht, en ik zoude in tegenstrijdigheden vervallen moeten, of in navolging. Om mij voor beide te wachten, bid ik u te gelooven, dat ge portalen, zuilen-gangen en zalen zijt doorgegaan, dat ze allen waren gesierd en gemeubeld, zooals dat in het Kasteel Duurstede voegde op eenen tijd, dat de regeerende Bisschop er huis hield; dat er edelen, hooge en lage geestelijken, leeken, edelknapen en knechten heen en weder liepen of dienst deden, en dat ge u nu met mij bevindt in een vertrek niet grooter of prachtiger dan menig ander, maar dat er toch uitzag als had niet iemand van die opgenoemden het recht, er ongeroepen binnen te gaan, »En nu, mijne Heeren! zouden wij wel doen, die lastige toltwisten voor eenen tijd dáár te laten, en op gesprekken te denken, die de ziel beter verpoozen!” De man, die zóó sprak, steeg daarbij af van eenen hoogeren prachtig en zetel, wenkte twee mannen in krijgsmanskleeding, dat ze zich verwijderen zouden, en zette zich, in eene losse en ongedwongen houding, aan eene tafel, waaraan drie andere personen zaten te schrijven of in perkamenten bladerden.

En met niet meerdere voorafspraak ziet de lezer zich in tegenwoordigheid van Bisschop Philips en van zijne trouwe vrienden en raadsmannen, Gerrit van Nimwegen, zijnen hofkapelaan, die later zijn geschiedschrijver werd, Jacob Uit-den-Eng, Deken van St. Pieter, die, als Wij-Bisschop, voor Willem van Enckevoort nog eenmaal den zetel zoude beklimmen, aan welks voeten hij nu zat, en Boudewijn van Utrecht, de Vicaris van het Bisdom, die geene andere levensbeschrijvers heeft dan ons.

Er is zeer verschillend geoordeeld geworden over Philips van Bourgondië en wij zullen ons niet stellen als scheidsvrouw tusschen berispers en lofredenaars; wij willen alleen opgeven wat wij van hem weten, en hem daarna laten handelen, zooals wij meenen, dat hij kan gehandeld hebben.

Men heeft hem den Goeden bijgenaamd, maar er zijn meer vorsten geweest, wien men ook dat Goede naast den naam geplaatst heeft, en die toch niet zoo geheel goed waren. Gerrit van Nimwegen heeft van hem gezegd dat:

Hij den krijg en onrust heeft gehaat —

en tevens:

Als hij door list en schandelijke treken,
Nog in den krijg onnozel werd verwart,
Wist zijn gedult des vijands magt te breken,
Die hem zoo trots ten strijd had uitgetart.

Maar dat was in een grafschrift, en men heeft grafschriften niet altijd voor waarheid sprekende karakterschetsen erkend. Een oud lied ook weerspreekt hetzelve een weinig, en maakt ons bang voor hem, als zijnde een slecht Kerkvoogd, die:

… Regeerde acht jaren tot ’s lands schaden,
Die zijn’ tijd meer ov.erbragt in kostelijke banketten
Dan in de wapenen.
St. Martijns erfdeel aan vreemde hoven hij verzetten,
De vrije landen met dienstbaarheid hij verpletten:
In de oorlogen was de fortuin zijn stiefmoeder,
Hij overtradt d’ oude costumen, privilegien en wetten,

Maar dat oud lied kan wel gedicht zijn geweest door eenen bitsen tijdgenoot, die, evenals Willem Heda, niet geneigd was, het goede van den man te willen opmerken.

Erasmus heeft hem geprezen, noemende hem: »een Bisschop, niet min roemwaardig door zijne deugdsieraden, dan door den adeldom van zijne voorouders,” maar Erasmus was genoeg man van de wereld, om den Grooten van zijnen tijd kransen toe te werpen, die wat frisscher en voller waren dan ze hun toekwamen; onder anderen, waar hij zijne zeden prijst, zou men er iets op kunnen afdingen, als zijn vriend van Nimwegen verhaalt, dat hij na den eenen dag te veel gedronken te hebben, altijd de sterkte had, zich ’s anderen daags te onthouden, om de zaken weder in het evenwicht te brengen, en als deze zelfs van zijne natuurlijke kinderen spreekt.

Maar de lof van Erasmus kan ons toch wel ten waarborg zijn, dat hij een vriend was van geleerden en Letterkundigen, die de wetenschappen en hare beoefenaars eerde, en beschermde naar vermogen; dat hij meer overhelde naar verlichting, dan naar duisternis, en dat hij zijne onderzaten niet moedwillig gedrukt of belast zal hebben. In zijnen tijd ging het met het bisdom slecht, dat is zoo; maar het was toen ook een slechte tijd voor Bisdommen, vooral met naburen zooals Karel van Egmond, de Gelderschen Hertog, en met eenen Roomschen Keizer, zooals Karel de V, Hollandsche Graaf; en het pleit altijd voor Philips, dat Utrecht eerst onder zijnen opvolger geheel het wereldlijk zwaard heeft moeten scheiden van den herdersstaf, en den Keizer heeft gegeven meer dan des Keizers was.

Het is wel zeker, dat de Oostenrijksche staatkunde betere verwachtingen had, toen ze den Badenschen Bisschop de plaats zag ruimen voor eenen zoon van Bourgondië en het is niet onwaarschijnlijk, dat deze, met trouwen moed voor zijn volk die verwachtingen heeft teleurgesteld, op welke alleen zijn zetel was opgebouwd. Daarom ook gelooven wij, dat de fouten, die men van hem heeft gezien, en veel van wat zijnen tijdgenooten in hem heeft mishaagd, met recht te stellen is op rekening van den drang der tijden, van de geheel bijzondere omstandigheden, waarin, hij geplaatst was. Noch opvoeding, noch gemoedsaard hadden hem voor den Geestelijken stand bestemd. Natuurlijke zoon van Philips den Goeden, Hertog van Braband, bruiste hem het warme Bourgondische bloed driftig en fier door de aderen; slechts zijne zachte moeder, de Brusselsche Jonkvrouw Margaretha Post; vermocht het, den trots te matigen van zonen, die eenen Vorst als vader kenden; en Karel den Stouten als halfbroeder. Door de zorg van dezen laatste, die zijn oudere was gewerd hem, onder het oog dezer vrouw, eene opvoeding, zooals het den zoon zijns vaders betaamde, en zijn gelukkige aanleg had het in zijne macht gegeven, om er een juist gebruik van. te maken; ook had hij met gelegenheid en vatbaarheid beide zijn voordeel gedaan; ten minste in al de verschillende betrekkingen, waarin later het lot hem plaatste, hoe uiteenloopend ze ook zijn mochten, en hoe weinig hij er op was voorbereid, heeft hij zich altijd met oordeel en schranderheid gehandhaafd. Ondanks den dwarsbalk in zijn wapen, als lid van het Vorstelijk regeerend geslacht erkend en geëerd, was hij reeds in zijne eerste jeugd een geliefd edelman aan het hof van Gravin Maria, en een vertrouwd krijgsoverste in het leger van Keizer Maximiliaan. Als aankomend jongeling zelfs zijn hem stadhouderschappen toevertrouwd geworden, die hij met eer heeft bekleed. Eervolle gezantschappen hadden hem van tijd tot tijd naar verschillende land en heengevoerd, in merkwaardige Vorstenhoven binnengeleid. Zijn scherpziende blik had daarbij veel opgemerkt, zijn weetlustige geest had veel onderzocht. Ook Rome had hij gezien; en een onbevooroordeeld oog, dat zien wilde, moest zich ergeren over Rome, en Philips heeft zijn hard, maar billijk oordeel over de Christenstad niet verbloemd. Geen wonder dus, dat het waarheid kan zijn, wat Heda van hem getuigt, dat hij niet zeer ingenomen was met den Godsdienst en eene kleine achting had voor de geestelijken. Ieder, die toenmaals Rome kende, zooals hij, moest vrijgeest worden of Lutheraan. Philips heeft misschien tusschen die beide geweifeld. over den geestelijken stand en deszelfs plichten ten minste heeft hij denkbeelden in het hoofd gehad, die niet voegden onder de mijtermuts van eenen Roomsch-Katholieken bisschop. En toch werd hem die op het hoofd geplaatst, verzwaard nog bovendien met al de vergulde lasten van eene Vorstenkroon! Plotseling en nog nauwelijks tot rust gekomen van eene gezantschapsreis naar Denemarken, waar hij Christiaan II diens schoone bruid Isabella had toegevoerd, zag hij zich den ring en den herdersstaf van het Sticht in eene hand geduwd, die gewoon was eenen Admiraalsstaf te zwaaien en een krijgszwaard te dragen of eenen hofdegen.

Neen waarlijk, hij had andere ontwerpen, toen hij zich geheel meende toe te wijden aan de verfraaiing van zijn goed Slot Zuidburg, met dien hartstocht voor de bouwkunst, dien hij, zelfs onder al de beslommeringen zijner kerkvoogdij, niet verloochend heeft. De Admiraal van Holland had wel nooit kunnen denken, dat hem een bisdom op den hals zoude worden geschoven. Hij had er niet naar geleefd. Hij had minnaressen gehad en bastaardzonen. Geen groot vergrijp in zijnen tijd tegen de zeden, voor eenen Ridder, die daarenboven krijgsman was; Hertog Philips van Bourgondië had de zijnen erkend, en liet ze opgroeien nevens den wettigen broeder: zoo ook deed menig adellijk Heer, en het kwetste niemand; slechts voor eenen Bisschop klonk dit alles een weinig hard, en toen men hem Bisschop maakte, was hij nog in volle mannelijke kracht, en zijn levensvuur niet gansch verkoeld! Daarom ook heeft men geen recht, hem van huichelarij te verdenken, als men hem zeggen hoort, dat hij niet zelf, hij niet het eerst, die zonderlinge standverwisseling had begeerd; want alles in hem, zijne aangenomen gewoonten, eene geneigdheid tot rust, niet ongewoon in hen, die, na veel gezien en veel gedaan te hebben, eindelijk alleen genieten willen, de toestand van zijn hoofd, en misschien zelfs die van zijn hart, streed met de nieuwe plichten, die hij zich zag opgedrongen. Zijne ingenomenheid met de nieuwe waardigheid moest juist niet sterker worden bij den tegenzin der Utrechtenaren, die, ja, hadden toegestemd in de schikking, welke Karel had begeerd, onmachtig als ze zich kenden om hem tegen te staan, maar in wier geheugen de dagen van zijnen broeder David nog te frisch bewaard waren, om geheel verzoend te zijn met een en anderen zoon van Bourgondië en wier bittere spijt, dat ze steun en bescherming moesten vragen, waar ze die vroeger hadden verleend, alleen hun wantrouwen evenaarde in den beschermer dien ze hadden moeten aannemen. En ondanks dit alles schijnt Philips van Bourgondië zich als Bisschop te hebben bemind gemaakt. Hij wist soms eene Vorstelijke achtbaarheid te paren aan eene vriendschappelijke gemeenzaamheid. Hij toonde eene hartelijke belangstelling in de welvaart zijner burgers, was voor hen licht genaakbaar; sprak hen toe uit eigen beweging, en was van zijn volk geliefd: iets, dat beter voor hem spreekt, dan zijn grafschrift.

Bisschop Philips had nog veel van den krijgsman behouden onder het Geestelijk purper; gelijk men zijn harnas nog dikwijls zag blinken onder het violet fluweel van zijnen mantel, en de ijzeren handschoen nog meermalen de vingeren drukte, die gewijd waren tot het Heilige Sacrament des Vormsels. Van daar ook doorgaans iets in zijne gebaren, dat streed met het achtbare wijkleed, en vaak in zijn spreken uitdrukkingen, die niet pasten bij zijn fluweelen schoeisel. In zijn scherp oog, geheel dat van zijnen vader, schitterde moed, maar geen strijdlust; zijn eenigszins gebogen neus gaf iets fiers aan zijn gelaat, dat zelfs niet onbevallig was, hoewel zijn groote mond en zijn breede lippen hem eene uitdrukking gaven van hardheid en zinnelijkheid, die niet voor hem innam. Iets stroefs en onverschilligs, dat licht in het oog viel, moest meer van hem terugschrikken dan tot hem aantrekken, met één woord: hij moest spreken, om den onaangenamen indruk van zijn voorkomen te verbeteren. Maar ook als hij sprak, vooral als hij bevallen wilde, als hij innemen wilde, sleepte zijn goedhartige en gemakkelijke toon u onwederstaanbaar weg, en gij begreept niet, hoe gij u in hem hadt kunnen vergissen, en gij kondt uwe bewondering niet onthouden aan eenen Vorst, die het u zoo licht maakte te vergeten, dat hij het was, en aan eenen Geestelijke, die zich zoo vrij hield van iedere Geestelijke gemaaktheid. Daardoor juist was hij het sprekendste tegenbeeld van den Vicaris, die zijnen stand nooit vergat, en wiens hooggestemde geest en ernstig karakter ternauwernood scherts en ongedwongenheid begrijpen, en die moeielijk vergeven konde in iemand met een zoo eerwaardig ambt bekleed als de Utrechtsche kerkvoogd. En nu wij den lezer weder met den Vicaris samenbrengen, verzoeken wij hem, zich een weinig zijner te herinneren; wij hebben vroeger zooveel van hem gezegd, dat niemand van ons vergen zal het hier te herhalen. »Lastig!” sprak hij, op eenen toon, waarin bijna afkeuring lag. »Uwe Hoogwaardigheid zegt dit toch niet met ontkenning van de noodzakelijkheid der beraadslagingen, die ze vorderden?”

»Behoede ons!… Neen, mijn erntfeste Vriend, zonderdat hadden wij u laatstmaal niet tot ons geroepen met een overijling als hielden de Gelderschen reeds ons slot Duurstede in nauw beleg, en onzen eigen Hoogwaardigen persoon in klem en boeien. En sinds de laatste veertien dagen hebben ons geene andere woorden in de ooren geklonken, dan die van Kampen, Zwolle, Karel van Gelder,het Zwarte Water, enz. Ieder, die tot ons den mond opent, spreekt van toltwist; ieder bevelschrift, dat wij te teekenen hebben, handelt over toltwist; al de goede penningen, die wij tot zooveel nutter zaken besteden konden,worden gebruikt voor den toltwist: in het kort, het pijnt ons af tot kwalijk wordens toe. En nu hebben wij er immers in voorzien; en van Hoorn af over zee zullen mijne trouwe Overijsselschen met wapenen en voorraad worden bijgestaan, en de uitvoering van dat besluit is nu immers aan vrome en edele mannen toevertrouwd, en daarom, dunkt ons, was dit het rechte uur, om dit ongeneugt eens wat te verzetten onde ruw goedvinden echter, mijn trouwe loods!” voegde hij er bij, half scherp, half schertsend tot den spreker gewend; maar deze antwoordde stoutmoedig en onverbiddelijk: »het is van God te hopen, dat al het bloed, dat weder gestort zal worden in dezen oorlog, even licht zal te verzetten zijn, en dat het Sticht zich ook eens met lichtigheid zal kunnen oprichten van de slagen, die overweldigers en beschermers beiden het in dezen misschien zullen toebrengen.”

»Bij God en mijn zwaard!… ik wil zeggen, bij St. Maarten!..” borst de Bisschop los, »dat klinkt als een verwijt! Zal dat dan voor onze rekening komen, dat bloed, waarvan gij spreekt, en die rampen, die gij voorziet? Hebben wij dan die rampzalige twisten aangestookt? Hebben wij dan niet altijd gewenscht,datmen ze sussen zoude? En toch, op ons zal de beschuldiging vallen van dit alles te hebben in de hand gewerkt met slim opzet en kwaad bejag! zoo waarachtig ik een Bourgondië ben, evenals Karel de Stoute, zoo waarachtig is dit een logen. Had men ons gehoord, men had de inzichten van mijne Heeren de Staten van Utrecht beter ondersteund, zooals wij dat hebben gewenscht en ook aldus bevolen. Maar nu is de teerling geworpen, en helpe God de arme onderzaten en hen, die van dit alles de oorzaak zijn! Ik wasch mijne handen in onschuld, naar de wijze van Pilatus; die anderen mogen toezien!” En daarbij drukte hij zich den grooten Duitschen hoed, dien hij ophad, diep in de oogen, stiet met luidruchtigen toorn eene voetschabel ter zijde en liep toen onstuimig heen en weder, de beide vuisten op de heupen gerust.

»Dat ik niet tot hen heb behoord, dat weet God!” zuchtte de Vicaris, terwijl hij de hand op de borst legde.

Gerrit van Nimwegen en de Deken van St. Pieter zagen, elkander veelbeteekenend aan, hetzij ze zich niet gansch onschuldig kenden aan de raadgevingen, die nu mishaagden, hetzij dat ze die stormbui maar liefst in stilzwijgen wilden laten afdrijven. Ze stonden gelijktijdig en langzaam op, en wendden zich naar de deur, als hadden zij besloten heen te gaan.

Om te begrijpen, waarom het aanvoeren van de laatste punten den Bisschop en de zijnen zoozeer ontstemde, dient men te weten, dat er sinds eenigen tijd een twist was ontstaan tusschen de Steden Kampen en Zwolle, over eenen tol, dien de eerste wilde heffen op het Zwarte Water, in vergoeding van het oude lang bezeten tolrecht op den IJsel, hetwelk men nu langs dien weg begon te ontduiken; en dat men Philips verdacht van dien tweedracht te hebben aangehitst, of ten minste niet met ernstigen goeden wil tot vrede te hebben gemaand, uit eene heerschzucht, die de Overijsselsche Steden te beter in ontzag zoude weten te houden, als ze zich onderling hadden uitgeput in eenen binnenlandschen krijg.

Zeker is het, dat er onder zijne raadslieden waren, die het aldus bedoeld hadden en bevorderd; het is ook zeker, dat zij beter geslaagd waren, dan de vredestichters, zoodat ten laatste de kleine twistfakkel eene heete moordvlam geworden was, die alomme met brand en verwoesting bedreigde. En alsof het nog niet genoeg ware, dat de broeders van hetzelfde landschap elkander wonden zouden, moest ook nog de vreemdeling, de Geldersche Hertog, de erfvijand van het Sticht en van Bourgondië als ter bescherming worden ingeroepen: eene bescherming, waarbij zij meer konden verliezen, dan bij den stoutsten aanval van eenen vijand. Die bittere verdenking, die de omstandigheden en misschien zijne raadsmannen, hadden op hem geworpen, was den Bisschop eene grieve, welke hem menig smartelijk uur kostte, die sterker werd bij elke bemoeiing, welke deze zaak van hem eischte, en bij ieder verlies, dat zij later hem toebracht, vooral bij de zelfbewustheid van zijne onschuld, die hij altijd, bij iedere gelegenheid, tot op zijn sterfbed toe, heeft verdedigd, en vrijgepleit van dat zwarte vermoeden. De Vicaris zelf was getroffen over de hevige uitwerking van zijn woord, en hij was een te goed mensch en een te liefderijk Christen, om het harde daarvan niet zoo snel te verzachten als het in zijne. macht stond. Schielijk naar de beide Heeren toegaande, sprak hij met ernstige oprechtheid: »Vergeeft mij! dat was mijne meening niet, om mijnen Heere op te zetten tegen iemand; wat gedaan is, werd ten goede bedoeld, de gevolgen zijn niet van ons, en er is Eén, die ten beste kan wenden,wat de menschelijke feilbaarheid ten kwade werkte: daarom gaat, niet henen in arren moede, als hadde ik u booselijk gegriefd. En gij, mijn grootmachtige Heere! wij weten het allen, dat gij rein zijt in deze zaak, en de Hemel geve, dat niemand u minder recht moge doen dan ik: slechts wilde ik Uwer Hoogwaardigheid doen opmerken, dat wij niet zijn in de dagen van vroolijkheiden losse scherts; maar ik ben schuldig, dat ik het zoo deed als u moest kwetsen.”

En hij bleef in eene ootmoedige houding vóór hem staan. Bisschop Philips, even licht verzoend als lichtgeraakt, keerde .zich naar hem toe, en zijne hand vattende, zeide hij:

»Op mijne trouwe, gij zijt een streng man, Heer Boudewijn! maar vromer en wijzer is er wel niet onder allen, die de pij gedragen hebben en nog dragen. Ik vergeef u gaarne, gelijk deze Heeren het ook doen; maar gij moet nu ook toegevend zijn, al ware het alleen voor ditmaal, en ons een paar uren den tijd helpen korten, sprekende van de geletterdheid en de fraaie konsten, in dewelke alle gij meer ervaren zijt dan een van ons.”

Zelfs de stugste boetgezant had aan zulk eene uitnoodiging van eenen Vorstelijken meester toegegeven, en ook Boudewijn gaf naar gehoor. Weldra dan zaten die mannen vertrouwelijk bijeen, vergetende in gesprekken, die bijna gemeenzaam mochten heeten, alle veeten en geschillen en bovenal het hunne; handelende over alles, wat tot de fraaie letteren en wetenschappen van die dagen betrekking had, lezende en overwegende de brieven van vele geleerden en fraaie vernuften, die allen den Bisschop hulde doen van hunne talenten, gelijk hij hen aanmoedigde en eerde door zijne hooge ondersteuning en de achting, die hij hun altijd betoonde. Boven alles was te bewonderen het zuiver en gemakkelijk latijn van Philips zelven, de vlugge bevatting, waarmede hij altijd den duisteren zin dier schriften, in allerlei stijlversieringen als vermomd, begreep, en de goede smaak, waarmede hij het bevallige wist op te merken, en het overladene of wanstaltige verwierp. Men kon het hem aanzien, dat hij hier op een geliefd grondgebied was, en dat hij zich gelukkig gevoelde. Zoo ging een zoet uur voor den Utrechtschen Kerkvoogd voorbij: het was veel voor eenen Regent van dien tijd en van dat landschap, een vol uur van ongestoorde rust; maar het was hem ook niet toegezegd, dat het veel langer duren zoude.

Heer Jacob Uit-den-Eng moest zich verwijderen; op een woord van zijnen meester volgde hem de Hofkapelaan, en de Bisschop meende nu nog meer vrij en nog meer vertrouwelijk geliefde denkbeelden uit te storten aan de borst van den man, dien hij bijna nog meer beminde dan hoogachtte, ofschoon deze nooit vleier was, en zijne strenge beginselen bijna altijd botsten met de losse begrippen van Philips. Maar een dienende edelknaap trad binnen, en vroeg gehoor voor drie monniken van de orde der Capucijnen, die om dringende redenen den Bisschop spreken moesten.

»Wij kennen die dringende redenen,” antwoordde Philips, »klachten tegen den Prior, tegen leeken, die niet biechten willen of tegen wereldlijke overheden, die hun hebben te kort gedaan, als men naar hun zeggen luisteren wilde; misschien wel vermetelen, die op nieuw handel willen drijven in het klooster, tot groote schade en ongeneugt van alle neringdoende luiden in het Sticht. Ik wil ze niet zien, nu ten minste niet — laat ze heengaan of wachten.”

»Mijn Heere! ze bidden Uwer Hoogwaardigheid zeer, hen niet ongehoord van hier te zenden; want hunne zaak is van gewicht, betreffende Uwe Doorluchtigheid van zeer nabij: zoo werd mij bevolen te zeggen,” sprak de Edelknaap.

»Monnikentreken! wij kennen die.”

»Toch Heer, versmaad hen niet,” zeide Boudewijn; »denk aan de fabel van Esopus, dien gij liefhebt: eene muis redde wel eenen leeuw, waarom zoude een monniksken niet iets vermogen voor een.en Bisschop!”

»Er is ten minste één monnik, die zeer veel vermag tegen den allergrootsten Bisschop,” fluisterde Philips hem lachende in, »en naar uw wensch, mijn Vicaris! zullen wij hen dan hooren.

»Laat ze komen!”

De drie Capucijners, die eenige oogenblikken daarna binnenkwamen, wierpen zich aan de voeten van den Bisschop, met zulk eene overdrijving van slaafschen eerbied, als alleen in lage zielen vallen konde, en deze zag er uit, alsof hij hen liever had willen wegstooten dan oprichten.

»Nu dan, wat hebt gij noodigs, dat wij hooren moeten?” sprak hij, ziende dat zij zwijgen bleven.

»Wij smeeken ootmoedig vergiffenis, zoo wij vrij stouter zijn dan ons past,” begon een hunner, die hun spreker scheen; .maar wij kunnen het slechts aan Uwe Hoogwaardigheid alléén mededeelen.”

»Dat is jammer, wij zullen het dan niet hooren. Wij hebben geene geh.eimen” hoe ook, voor onzen Vicaris, en wij willen met dat wie ons nadert, ze voor hem hebben zal: dus, spreekt nu, of zwijgt, naar u goeddunkt.”

Bij het woord Vicaris overviel den monniken eene zichtbare onrust. Zij hadden den aanwezenden persoon niet aangezien, en dus ook met:.kunnen weten, dat het Vader Boudewijn was, zelfs al kenden zij hem. De spreker toch, die tevens de moedigste scheen, wierp nu eenen blik op Van Heerte eenen blik, waarin zooveel boosaardige zegepraal lag, dat deze zich het voorhoofd wreef, als iemand die zich iets tracht te herinneren.

Toen begon de Capucijner:

»Het zal dus onze schuld niet zijn, zoo de Eerwaarde Vicaris iets hooren moet, dat niet zoetelijk klinkt; want het is eene beschuldiging tegen gezegden mijn Heere zelven, die wij aan Uwer Hoogwaardigheids voeten brengen, alleen uit liefde tot de gerechtigheid, en ter eere der Kerke Gods, die wij gehouden zijn voor te staan.”

Hij zweeg een oogenblik.

»Ga voort, monnik!” riep Philips, met den voet stampende.

»It den naam dan van onzen zeer Heiligen Vader Paus Leo X, van onzen machtigen Heer, den Roomsch Keizer Karel V, en van Uwe Hoogwaardigheid zelve, onzen hoogen heer den Bisschop van Utrecht, en naar de volle en wisse overtuiging van onze eigene conscientie, beschuldigen wij den Vicaris, Boudewijn Van Heerte, hier tegenwoordig, van ketterij en van verstandhouding met ketters; al hetwelk te bewijzen wij met ons drieën besloten zijn, en bij machte.”

»Inderdaad, gij verbaast mij,” hernam Philips, met een gelaat, dat in het geheel niet verbaasd stond.

»En hoe weet gij dat? En sedert wanneer zijt gij in het bezit van die groote waarheid?”

Er lag in des Bisschops toon iets spotachtigs, dat de monnik voor ongeloof hield aan zijne betichting; daarom trachtte hij die te bevestigen door te zeggen: »voor omtrent veertien dagen waren wij gezamenlijk, zooals wij hier zijn, met nog twee andere broeders van ons convent, in de Landsvrouw Maria, eene stove of taphuis in het Bildsche. Een jonkman bevond zich ook aldaar, dien wij, uit zijn spreken en andere kennelijke teekens, licht erkenden te zijn een Belialskind, een ketter uit het gevloekte land van Saksen. Als nu welgezegde jonkman, die naam had Paul, bezig was God te lasteren, smadende de H. Kerk en hare dienaren, en sprekende woorden uit de H. Schrift als geen en leek betaamt, zoo is mijn Heer de Vicaris daar binnengekomen in groote haast, en heeft denzelfden ketter verdedigd en gehandhaafd tegen ons, en daarna vernemende, dat hem gegeven waren brieven van aanbeveling van zekeren ongenoemde, maar dat zeker moet geweest zijn een ketter uit Duitschland, heeft hij hem ganschelijk in zijne hoede genomen, en is met hem voortgereden naar het Slot Lauernesse,… waar gezegde Paul vele toespraken heeft gehouden, en ook zelfs sommige Edelen, die daar kwamen, in het heimelijk heeft verleid en overgehaald tot de dwaalleere, zoo men het gerucht gelooven mag.”

Van het oogenblik af, dat hij begreep, hoezeer zijn bijzijn onwelkom moest wezen voor die menschen, had zich Vader Boudewijn met kiesche edelmoedigheid ter zijde gehouden, en zijner aandacht bezigheid gegeven met het inzien van verschillende papieren; toen hij echter zijnen naam hoorde in verband met eene beschuldiging, was hij onwillekeurig opmerkzaam geworden, en zoodra de Capucijner de Landsvrouw Maria noemde, had hij zich herinnerd en was zijne belangstelling toegenomen; maar toen het woord Lauernesse en de zinsneden, die daarop volgden, den spreker ontvielen, werd hij doodsbleek, en de kreet: »Jezus mijn Heiland, daarop was ik niet verdacht!” ontviel luid en doordringend zijnen sidderenden mond. De Bisschop, die niet bijzonder getroffen was door het verhaal, scheen echter in verwarring te geraken bij den hevigen indruk, dien het maakte op zijnen Vicaris, en met blikken en gebaren trachtte hij hem tot bedaardheid aan te manen.

»Uwe Hoogwaardigheid kan zich overtuigen, of het ook waarheid is, wat wij onder hoogst derzelver aandacht brengen; de blijkbare ontsteltenis van den Eerwaarde bevestigt nog sterker zijne schuld, dan onze aanklacht,” sprak nu de monnik, met zooveel lompen trots en onweerhouden triomf op zijnen vijand ziende, als stond deze reeds geboeid en machteloos voor een kettergericht.

»Dat is een zwaarwichtige en ergerlijke betichting, waarvan gij u zult te zuiveren hebben, mijn Vicaris!” sprak Philips, dezen aanziende met eene dubbelzinnige strengheid in de trekken, die zijne bedoeling niet onzeker maakte, en daarop het hoofd achterover werpende in den hooggerugden zetel, en de oogen stijf toedrukkende, scheen hij zich te bedenken; een oogenblik daarna wenkte hij Boudewijn tot zich, die opgesprongen was en die daar stond als een beeld van smart en verslagenheid.

»Wees dan goedsmoeds,” fluisterde hij hem toe; »hoe kan het in uwen spitsen geest opkomen, om vervaard te zijn voor die monnikskens? Gij zult zien, ik ga hen verlegen maken, als onze Hoogwaardige broeder David Zaliger, de Geestelijken, die hij tot onderzoeking riep.” En daarop luid zich tot de beschuldigers wendende, vestigde hij zijn scherp oog doordringend op hen, terwijl hij sprak: »Eene aanklacht als deze tegen zulk weleerlijk persoon, als mijn Heer de Vicaris, moet klaarlijk bewezen worden, en met kracht van geldige tuigenissen gestut, zal ze niet op den slecht beraden aanklager schandelijk nederkomen; en daarom ook, trekt terug eene betichting, die lasterlijk is en van geener waarde.” De monnik zette groote oogen op. »Want,” vervolgde de Bisschop, »gij hebt dat niet zelve gezien, gij zijt niet met gezegden mijn Heer gelijkelijk in het Stichtsche taphuis geweest.”

»Hoogwaardige Heer! dat is zekerlijk waar en de klare waarheid; zelfs valt het ook licht de ure te noemen, zooals met opzet wij ons voornamen: het was in het uur van de vroegmetten.”

»Booze en verdwaasde monniken! gaat henen, gaat snellijk henen,” riep nu de Bisschop, »en tergt mijne ziel niet tot toorn, door het aanzien van uwe snoode tronies. Is dat naar de manier van vrome en ordelijke kloosterlingen, om den tijd van vroegmetten over te brengen in taveernen en taphuizen? Heerscht dan in uw klooster niet meer tucht en stemmigheid, dat de Broeders het verlaten kunnen naar eigen zinnelijkheid en op een ontijdig uur! Wie is uw Prior?”

De monniken, die bij den veranderden toon van den Bisschop reeds in verwarring geraakt waren, werden geheel verslagen, toen die in strenge verwijtingen overging, en op eene rechtstreeksche beschuldiging duidde, die zij wisten, dat door een woord van hunnen vijand kon gestaafd worden, en zij wisten te goed, wat wraak was, om van dezen kant iets te hopen; ook verwisselde zich met kluchtig en zwaai hunne houding van trotsche aanklagers in die van overtuigde schuldigen, en de woordvoerder, zijne vorige driestheid vergetende, riep uit, zonder zelfs op des Bisschops vraag te letten:

» Heilige Bernulphus! wees ons ter hulpe!”

»St. Bernulphus!” herhaalde Philips, »dan is uw klooster dat van St. Bernulphus tot Benschop, en uw Prior de vrome en achtbare Heer Gheraert van Zijnen; en wij doorzien gansch uw schendig bedrijf, en uw Overste weet niet van uw lasterlijk opzet, noch gaf u oorlof tot deze slimme kwaadsprekinge, en God weet, met welk eene mom van vromigheid gij eene uitvlucht tot Duurstede hebt weten te overdekken. En zoo de verontwaardiging over ulieder snoodheid hem den mond niet sloot, zoude onze Vicaris het kunnen tuigen, hoe hij u vond met kroes en kan, in stede van het getijboek en den paternoster.”

»Dat alles is hoogst strafschuldig en den Heiligen geklaagd. Eilieve, Boudewijn! lang ons perkament en eene schrijfpen: wij zullen dien broeders eenen vrijpas geven tot aan hun klooster, opdat de Eerwaarde Gheraert wete, wat ze hier verricht hebben en hoe ze zijn ontvangen.”

»O mijn genadige Heer! laat mij henen gaan, snellijk henen gaan naar Lauernesse!” smeekte vader Boudewijn zacht en dringend: en laat die arme zondaren van u trekken vrij en onverlet,” voegde hij er luider bij. »Gelijk ik hen vroeger hard viel over hunne ongeoorloofde uitspattingen, zoo vergeef ik hun nu van harte wat er snoods ligt in hunnen handel tegen mij.”

»Dat is een verstandig en Christelijk woord, mijn lieve zoon in Christus!” sprak de Bisschop met een opgehelderd gelaat. »En gij, schalk monnikgeboefte! ziet tegen welk eenen nobelen geest gij uwe lasteringen hebt uitgebraakt; dankt het hem, zoo ik u nu toesta en gelaste u schielijk heen te pakken zonder poene en rigoureuse vermaningen.” De monniken, ziende dat de zaak voor hen eenen zoo ongunstigen keer had genomen, en begrijpende dat er bij dezen Bisschop tegen dezen Vicaris niet veel meer te ondernemen viel, lieten zich geen tweemaal gezeggen, en na met schijnbaren ootmoed den eersten vergiffenis gevraagd en den anderen gedankt te hebben, trokken zij zich snel terug uit de Hoogwaardige tegenwoordigheid.”

Zoodra Philips ze verwijderd zag, borst hij in een luid gelach uit, en den Vicaris met de breede hand op den schouder kloppende, zeide hij: »welnu, fijnman! hoe heb ik dat voor u gemaakt? Maar het gaf moeite, want nooit werd beter wil kwalijker gesteund; het was of uwe abelheid u gansch verlaten had: zaagt ge er niet uit als de geletterde misdaad! Trouwens! zoo ik ze niet over stag gezeild had en met eene behendige wending den aanval in eene verdediging had verkeerd, de radde monnikstonge zoude ons nu en daarna een dieper lek geboord hebben, dan al de voorzienigheid van eenen goeden stuurman had kunnen stoppen, of liever, om den Admiraal te vergeten: de Bisschop had zijnen Vicaris niet kunnen redden. En nu, zeg mij schielijk, van wien was de brief, en wie mag de persoon zijn, dien gij hebt voortgeholpen? want dat ze waarheid kalden, bewees, zooals de schelmen wel aanmerkten, uw arme zondaarsgezicht nog klaarder dan hunne woorden.”

»Ik heb naar rechten een kettergericht verdiend,” hernam de Vicaris met somberen ernst. »Niet dat ik, hetgeen God genadiglijk verhoede! op leeringen peis of die verbreid, die strijdig zijn met de leer der Kerk; maar omdat ik uit eene overdwaze verstrooiing, en door meer zorg en gehechtheid aan de wereldsche zaken van het Sticht, dan aan de waarachtige zielsbelangen der Kerkelijke kudde, vreeze meer kwaad gebrouwen te hebben, dan een gansch leven van berouwen boete en goede werken zal weten goed te maken. Luister, Hoogwaardige Vader!” En die man, wiens strenge deugd zoo hard was tegen zich zelven, deed op diep verslagen toon een ootmoedig verhaal van hetgeen hij zijnen misslag noemde, zijn vergeten van Paul op Lauernesse, zonder daar eenige inlichting te geven van zijnen persoon. Toen hij gekomen was aan de levensschets van den jongen Duitscher, en meer nog hem betreffende, viel Philips hem onstuimig in de rede… »Mijn God! waarom hebt gij den knaap niet met u daarheen gebracht? Bertman! die vlucht uit Vlaanderen! dat kind, weggeroofd van eene moeder! alles, alles doet mij vermoeden, dat… ja, het moet zijn, het kan niet anders… O! onvergeeflijke fout hem aan zijn lot te hebben overgelaten, ik mag des duivels wezen, zoo ik niet zelf heenrijd, om… maar neen, ik ben Bisschop van Utrecht. Boudewijn! mijn éénige, beste Boudewijn! ga gij, en spoedig! St. Maarten weet, in welke klem de jongen nu misschien reeds gevangen is,… Begrijpt gij mij dan niet?… hij is… hij kan zijn…” hij fluisterde hem iets in het oor.

»Ook dát nog!” riep de Vicaris, het oog smartelijk ten hemel geheven: »Heere! van eene enkele fout maakt gij de verantwoording te zwaar.”

»Gij tilt de zaak weer te moeizaam, mijn vriend!” hernam Philips troostend; »het is zooveel schade niet, dat de Utrechtenaars ook eens hooren, wat men in Duitschland denkt, en de monniken en Geestelijken zullen wat beter toezien op zich zelve, als ze weten, dat het volk de oogen opent. Red slechts den armen jongen Paul; hij zou ons in dezen drang der tijden van geen gering nut kunnen wezen, en ga met haast, om op de zaken te Lauernesse toe te zien.”

»Mijn hart wenscht niets liever; gave God slechts, dat het niet te laat zijn mocht!”

Het was te laat, dat hebben wij gezien, de pijl was afgeschoten, het stond niet meer aan menschen zijne vaart te stuiten.


Ingezonden op: 19 July 2001