HET HUIS LAUERNESSE.

XIII.

Het lijden van eenen ijveraar.


Geene weelderige kleurenpracht sierde meer hoven en velden; waar leliën en rozen hadden geschitterd, hieven asters en herfstseringen nog slechts bescheiden de hoofden omhoog; de meeste bloemen hadden reeds lang plaats gemaakt voor degelijker vruchten. Het groen verloor zijne kleur, de boomen hunnen bladertooi; nóg waren de takken niet gansch ontbloot van hunnen satijnen loverdos, maar het was geene frischheid meer, waarvan ze blonken: het was een vaal geel met dorrende randen, dat de reeds nakende verlepping voorafging; het waren nevels van spinrag, die ze omhulden, het waren geene gewiekte zangers meer, die er hunne nestjes in verscholen. Linden en eiken wierpen den grond hunnen dorrenden afval toe, als trotsche rijken, die minachtend den armen hunnen koperen penning toewerpen. De schaarsche druif was gezwollen en de lijsterbes was rood: het was herfst geworden. De herfst met zijne dagen van broeiige hitte, en zijne dagen van stormen, met zijne mistige nevels en met zijne scherp blauwe luchten, met zijne droeve morgens en met zijne vroege schemeringen, met zijne lachjes en met zijne luimen, had de plaats weten in te nemen van zijnen min grilligen voorganger. Maar hoe de saizoenen waren gewisseld, voor Aernoud was alles hetzelfde gebleven. Verijdelde uitzichten, vernietigde hoop, geknakte levensvreugd, een verscheurd hart, en geen straaltje van liefde, dat al deze kille puinhoopen konde verwarmen. Hij was een van die menschen, wie de smart niet buigt, maar breekt, niet week maakt, maar verstaalt; die niet klagen, omdat zelfs het medelijden van anderen hen kwetst. En het éénige hart, waaraan hij zijne klachten kon uitgestort hebben zonder blozen, het éénige medelijden, dat hij kon aangenomen hebben zonder schaamte, had hij van zich gestooten, als zijner onwaard. Den moederlijken drempel overschreed hij niet meer. De geestdrijver meende koud te moeten zijn voor wie lauw was in den Godsdienst. En in dien Godsdienst zelve, die hem alles moest vergoeden, voelde hij zich telkens meer en meer gegriefd. Reeds in 1518 en 1519 was er te Dortdrecht, waar hij nu bepaald zijn verblijf had, een geest van misnoegen tegen de Geestelijkheid en tegen de wanorde in de Kerk, een zweem van Lutheranisme, zooals men het, gansch Holland door, algemeen had kunnen opmerken. Die afwijking van de oude vormen, en de toeneiging tot de nieuwe gevoelens, hoewel nog niet uitgedrukt in bepaalde feiten, kenschetsten zich echter door een mompelend morren tegen Kerk en Geestelijkheid en tegen wie haar voorstonden, en door een luidruchtig en hartelijk toejuichen van al wat hen tegenstond en aanviel, en bovenal door eene brandende belangstelling in de gebeurtenissen in Duitschland en Zwitserland, waarvan de kennis met de zeldzaamste snelheid herwaarts kwam; en Aernoud voelde het als bij instinct, dat het denkbeeld, waartegen hij zich wijde verzetten met al de vermogens zijner ziel en met al de krachten van zijn lichaam, iederen dag meer veld won, en zich al vaster indrukte in de gemoederen. Hij voelde als een geest van scheurziekte om hem, en bij hem en naast hem, altijd dichter, altijd nader, altijd stouter, en die geest was ontastbaar, en hij voelde het met onuitsprekelijke spijt, dat hij er niets tegen vermocht, niets, niets — want het was een damp, waarnaar hij sloeg, en een vluchtende klank, dien hij wilde terughouden, en golven, die voorbijdreven, en wolken, die benevelden, maar die niet te bereiken waren; en toch, die dampen stegen op tegen de altaren, waarvoor hij geknield lag; die klank bespotte de tonen van het misgezang, dat hem heilig was; die golven bezwalpten met een onrein vocht tot zelfs de gewijde hoofden der Priesters, die hij eerde als de gezanten Gods; die wolken, eindelijk, verduisterden den glans van dien Godsdienst, waarvoor hij reeds zooveel had opgeofferd en altijd voortgaan wilde op te offeren, totdat hij geen offer meer te brengen zoude hebben. En die onmacht om iets te kunnen doen, tegenover dien vasten wil om iets uit te werken, verbitterde hem nog meer, dan zijn ongeluk zelf. Het deed den forschen, vurigen man wegzinken in eene doffe matheid, die na grensde aan verstomping, eene verstomping, waaruit hij alleen dan oprees, wanneer hij meende het denkbeeld ketterij op de daad te betrappen en het onder het bereik van zijnen arm waande: dát eerst kwam er ziel in den ziellooze, en verhief hij dien arm bliksemsnel en onverzettelijk vast om te grijpen en te verpletteren; maar alleen teleurstelling was de uitkomst — het was een schaduwbeeld, dat hij had vervolgd. In 1520 durfde het Lutheranisme nog niets anders zijn dan een schaduwbeeld, vooral te Dortdrecht, onder eenen Burgemeester als Pieter Damaszoon van der Mijle, en eenen Pensionaris als meester Floris Oem van Wijngaerden, die reeds in 1518 geducht waren en gehaat om hunne strenge vasthoudendheid aan de oude begrippen en hunnen bitsen wederstand tegen de nieuwe. Uit gevoel van overeenstemming en hoogachting had Aernoud zich aan den laatsten aangesloten, niet om, naar den raad zijner moeder, door dezen, Ottelijne’s voormaligen voogd, nog eene poging tot hereeniging met haar te wagen, de Pensionaris zelf achtte het met hem onnoodig, nadat zij zijne eigene scherpe verwijten en hevige bedreigingen en gemoedelijke vermaningen met korte, koele vastheid had durven beantwoorden. Want van Wijngaerden was haar gaan zien, en zij had hem hare hoogachting niet ontzegd, maar slechts de gehoorzaamheid, en zij had op zijne bedreigingen alleen geantwoord, dat hij voor haar Pensionaris van Dortdrecht was en niet anders, en dat zij als Leenvrouw van den Bisschop niemand rekenschap schuldig was dan dezen alleen. Sinds Ottelijne moed had gehad om zoo te spreken tot hem, wist hij, dat iedere verdere poging eene dwaasheid zoude zijn.

Die nauwe gemeenschap met hunnen Pensionaris liet het volk van Dortdrecht geenen twijfel over omtrent de denkwijze van den Grafelijken Hopman, en zonder dat men hem nog bepaald iets wist ten laste te leggen, was hij veroordeeld en ges chuwd door eene partij, die allengskens de meerderheid kreeg. Hij las het in den duisteren blik, waarmede menigeen hem den groet schonk, dien men hem niet durfde onthouden; hij merkte het op in het schuw ter zijde gaan als hij naderde, in het plotseling zwijgen als men hem dicht bij zag; tot onder zijne krijgslieden toe vond hij geheime vijandschap en wantrouwen; en hij was van die menschen, die de hardheid verhardde en de bitsheid bitser maakte, en bij wie afkeer stuitte op trots. Zoo voelde de ongelukkige zich dagelijks eenzamer, en minder geneigd anderen te verdragen, gelijk zij hem onverdragelijk vonden. Al wat er bitters en scherps was in zijne ziel, al wat er hards en bijtends was in zijnen geest, werd immer, meer aangeprikkeld en gespitst; en dat gemoed, dat het geluk en de liefde hadden kunnen week maken en effenen, was door lijden en haat eene puntige rots geworden, waarop voortaan iedere zachtere aandoening schipbreuk zoude lijden. Wij hebben het noodig geacht zijnen zielstoestand een weinig te ontleden, om wat verder volgen moet, aan de juiste drijfveeren te zien toegeschreven.

Wij hebben laten doorschemeren, dat door hem van tijd tot tijd pogingen werden aangewend, om de sectenmakers van Luther op te sporen, en ze ter straffe over te leveren, anderen ten voorbeeld. In gemoede meende hij het zijn plicht, als rechtzinnig Katholiek, als gezworen dienaar van dien Keizer, die, bij een streng bevelschrift, van ieder zijner getrouwen had geëischt: »medewerking tot het rein houden van der Kerstenen wet van alle ketterije ofte suspicie van ketterije;” en wat zijne persoonlijke grieve daar voor ijver inmengde, begrijpt ieder, die zich mensch voelt, en zich herinnert, wat hij er door leed en verloor. Bijna was het hem ééns gelukt, zijnen Vorst, zijner Kerk en zich zelven eene veelbeduidende genoegdoening te verschaffen. Het was op eenen avond in de stad Amsterdam. Zijne plichten als Hopman hadden hem derwaarts gevoerd; hij moest van den Stedelijken Raad de vergunning vragen met zijn krijgsvolk hun rechtsgebied te mogen overtrekken. Hij verkreeg die vergunning; maar het was te laat geworden, om nog dienzelfden dag naar Dortdrecht terug te keeren. Vreemdeling in de toen reeds drukke koopstad, dwaalde hij onzeker langs slecht gekende wegen, om zijne herberg terug te vinden. Geene openlijke straatverlichting kwam toen nog den onbedachtzame te hulp, die vergeten had zich van draagbaar licht te voorzien; en Aernoud was een volstrekt achtelooze, waar het niet anders gold dan zijn lichamelijk welzijn, en boven alles achteloos in kleinigheden, zoodat hij nu ronddoolde in het duister en zonder gids, en het was een laat avonduur, waarop het ontmoeten van eenen dienstvaardigen wegwijzer meer een toeval zou de zijn, dan eene verwachte uitkomst. Eenen zulken toch vond de jonge Hopman, en wel in eenen persoon, die hij zich flauwelijk herinnerde meer te hebben gezien. Bij het licht van zijne eigen hoornen lantaren had deze hem herkend en niet vreemd: hoe had Laurens Cornelisz de trekken van Aernoud kunnen vergeten, van Aernoud, die als een spookverschijning was komen oprijzen tusschen hem en de gewenschte beslissing van vrouw Reiniersz, van dien broeder zijner Aafke, over wien hij sinds dat uur zoo menige klacht had gehoord en zoo menigen traan had zien storten! Want de Amsterdamsche jongeling was toch niet naar zijne stad teruggekeerd zonder het zoete jawoord van zijne Aafke’s lippen te hebben opgevangen, en sinds dat oogenblik was hij als een lid der familie beschouwd geworden, en de weduwe had niet geaarzeld hem, de smartelijke teleurstellingen toe te vertrouwen, die Aernoud’s heftige Godsdienstijver over hem zelven en de zijnen had gebracht. In ruiling daarvan had Laurens een ander vertrouwen te schenken gehad: zijn geheime overgang tot de nieuwe leer, die hem in Antwerpen door eenen Broeder der Augustijners was verkondigd gewordeu. Het was in eene vergadering van die nieuwe broeders, in lief en leed zoo nauw aanéén verbonden, dat hij Hugo leerde kennen, en Hugo in hem eenen vriend vond. Het was zeker eene bekentenis, die vrouw Reiniersz moest ter neder slaan. Haar jongste zoon; haar aanstaande schoonzoon, schuldig aan diezelfde afwijking van het gebaande spoor, die haar reeds van eene schoondochter beroofde! Maar de goede vrouw redeneerde dus: »Het zijn toch allen brave menschen, en het zijn juist bijzonder goede menschen, welke die nieuwe leer zoeken; en sinds de Schepen Laurens Jansz van Haarlem de kunst van het printen heeft uitgevonden, zijn er zoovele verbeteringen in de wereld gekomen, naar het zeggen van wijze lieden, en waarom zou er ook niet eens eene verbetering in den Godsdienst komen met de verandering der tijden, die wij beleven?” en van deze logica uitgaande, begon zij met in de jongelieden gevoelens te verdragen, die zij niet begreep, en die zij juist dáárom het gezond verstand had van niet te veroordeelen, en later… maar wij zullen dat ook later zien. »Wat zal Aernoud zeggen?” was evenwel de ontrustende vraag, die men elkander in den kleinen familiekring onderling deed; men vreesde alles van zijne heftigheid, en daarom werd er besloten, dat hij vooreerst niets weten zoude, zelfs niet van de geheime verloving. Bij deze toevallige ontmoeting zweeg dus de Amsterdammer van zijne betrekking, en zelfs van zijne bekendschap met den Utrechtenaar, dien hij voortleidde. Het viel den weinig spraakzamen Aernoud, die bijna zonder deelneming was voor het gewone leven, niet in, om uit te vorschen, of en waar hij zijnen geleider meer kon gezien hebben; zoo waren ze dan, zonder vele woorden gewisseld te hebben, reeds niet ver meer van het huis, waar Bakelsze zijnen intrek dacht te nemen, toen uit eene zijstraat twee manen, evenals Laurens van licht voorzien, en in wijde mantels gewikkeld, de lakensche mutsen diep in de oogen getrokken, met lichte, vlugge schreden op hen toekwamen, en gemeenzaam naderden met een: »Gegroet, broeders!” Aernoud hief het gebogen hoofd op; het was hem, of er in eene dier stemmen een geluid trilde, dat hem trof. De langste der beide mannen nam den arm van Laurens, terwijl hij zeide: »Wij blijven heden niet zonder stichting! ziet, ik bren ge u!…”

»Zwijg, Cromhout!” riep Cornelisz hem scherp en schichtig in het oor, en trachtte zich los te rukken, om met Aernoud voort te gaan.

»O! die fijne voorzienigheid,” hernam Cromhout, »wie dan hoort ons op deze verlaten straat? Is het dan niet genoeg, dat de vrije tong des daags aan boeien ligt onder de vreemden, en moet zij ook nog bedwongen worden onder de huisgenooten des…”

»Wat is dat?” riep Aernoud, zich driftig van Laurens afwendende, die nog moeite deed om hem te verwijderen; maar eer de Amsterdammer het verhinderen kon, had de Hopman reeds den kleinen vreemdeling, die gezwegen had, met forschheid aangegrepen, zijn flonkerend oog eenen scherpen blik geslagen op diens gelaat, en zijn sidderende mond uitte schel en snerpend eenen kreet en den naam: »Paul!” Dezen naam uit te spreken en zich van den persoon te willen verzekeren, was voor den bruisenden hartstocht van Aernoud hetzelfde; maar de Hervormer was in de eerste verbazing, ontsteld achterwaarts geweken; met eene snelle beweging rukte Laurens de lantaren uit de hand van Cromhout, wierp die weg, zoowel als zijne eigene, plaatste zich tusschen den Duitscher en zijnen aanvaller, en riep Cromhout bevelend toe: »vlucht met hem!”

Met razende spijt hoorde de Hopman aan de wegijlende voetstappen, dat men den wenk gehoorzaamde. Vruchteloos trachtte hij voorwaarts te komen, om de vluchtenden te vervolgen; de gespierde armen van Laurens hielden hem sterk omvat, en zijne woedende pogingen, om zich los te wringen, stuitten altijd af op de bedaarde, maar vaste krachtsinspanning des Amsterdammers. Eerst toen deze begreep, dat zijne beschermelingen ver genoeg konden afzijn, om van den ijveraar niets meer te vreezen te hebben, liet hij dezen los. Vermoeid, zooals hij zelf was van de felle worsteling, wilde hij toch den broeder zijner geliefde niet zóó aan zich zelven overlaten: zijn goed hart hoopte zelfs nog op verzoening! — »Meester Bakelsze!” sprak hij trouwhartig, »ik heb u verhinderd in de vervolging van eenen weerloozen man, dat was mijn plicht, dat moet gij mij vergeven, of zoo gij u wreken wilt, welnu! mijne armen omklemmen uwe armen niet langer, gij hebt ze vrij, gij zijt gewapend, ik ben het niet, doe met mij naar u goeddunkt; maar zoo ge mijnen raad wilt hooren, toon u dan niet wars van den zoen, dien ik u bied in oprechtigheid, en sta mij toe u veilig te brengen waar gij hoort! Reik mij uwe hand!”

Ofschoon ziedend van gramschap en stampvoetend van drift was toch Aernoud nog niet zoo gansch verblind door zijnen toorn, om niet snel te bevatten, dat deze groothartige toespraak hem nog sterker de handen bond dan de boeien, die hem zoo straks nog verhinderden ze te verwegen. Maar zoo zijne natuurlijke edelmoedigheid het hem belette nu gebruik te maken van zijn voordeel, geen woord van eenig mensch ware toch machtig geweest, hem in zachter stemming te brengen, dan in die van verkropte woede, en het denkbeeld van verzoening vond hij even ongerijmd als de verdere hulp van dien vijand onnoodig.

Ook scheidde hij zich snel van dezen, terwijl hij hem hoonend toevoegde: »Geen vrede met u in der eeuwigheid, Lutheraan! Eeuwige strijd tegen u, ketter en verdediger der ketters! Strijd tegen u, zoolang ik ademhaal!”

En dat woord was hem zoo waarlijk ernst, dat, sinds die vriendelijke ontmoeting, de stad van Gijsbrecht hem een voorwerp werd van rustelooze aandacht.

Hier huisden de Lutheranen, hier durfden zij in schendige bijeenkomsten samenscholen, hier zoude hij niet naar schaduwen grijpen, waar hij der gerechtigheid en der Kerk offers wilde brengen; en zoo vaak daarna zijne dwepende ijverziekte zich lucht wilde geven, zoo vaak zijne handen jeukten naar daden en zijne tanden knersten van spijt, zag men hem ijlend voortjagen naar de Amstelstad. Het was vreeselijk, dat hij er juist zijn moest op den dag dat een bode van Utrecht tot hem gezonden werd te Dordt.


Ingezonden op: 19 July 2001