HET HUIS LAUERNESSE.

XXII.

Haat — Liefde — Strijd.


Zoet en welgelukzalig samenzijn in Gods huis; plechtige en zielverheffende ure, toegewijd aan gebed en Godsvereering in het midden van Zijne gemeente! Als arm en rijk zich scharen naast elkaar, als de grijsaard ter reie gaat nevens de frissche Jonkvrouw, als de sterke en de moedige nederknielt nevens den zwakke en den bloode, als de fiere het hoofd bukt tegelijk met den deemoedige, als de schrandere en diepdenkende hetzelfde doel heeft met den onkundige en kleine van geest, al ze dáár binnen die muren alles ter zijde stellen: iedere aardsche vreugde en elken aardschen wensch; iedere onheilige zorg en iedere ongeoorloofde zucht, om niets te zoeken, noch te weten, dan God; enkel God; als ze de aarde daar buiten laten en de voet die den gewijden drempel betreedt, het stof heeft afgeschud, om de vleugels des Cherubs aan den enkel te schoeien.

Plechtige en zielverheffende ure, zoet en welgelukzalig samenzijn! want ook God zelf is daar, Hij is onder die allen, die met ernst de gedachten hebben afgetrokken van wat niet Zijner is. Zijn Geest rust op hen, gelijk zij dien zich afsmeeken; hun gewordt als een voorsmaak van den Hemel, want ze leven nu als met de ziel alléén, want ze voelen zich vatbaar voor rein geestelijk genot, voor het genot, dat den Hemel maakt, en ze zijn der zaligheid zoo nabij, als immer sterfelijke ongestorvenen het zijn kunnen: want ze verkeeren met God!

Zij, die nu daar bijeen waren, in de Slotkapel van Woerden genoten met verhevene blijdschap en met stichtelijken ernst dat heil. Hun was het aan te zien, dat zij al den prijs er van gevoelden, dat zij het werkelijk genoten. Ze hadden er recht op: ze hadden het zich gekocht, ieder afzonderlijk met een offer; die van zijnen stand, deze van zijne huiselijke rust, gene van zijn levensgeluk, anderen van de gunstigste uitzichten, allen met het trotseeren van vooroordeelen, allen met persoonlijk gevaar. Want het was eene vergadering der afgescheideien van de heerschende Kerk, het waren Lutheranen! en hoe toegevend of zwak de Overheid van Woerden ook zijn mocht of schijnen voor hen, ééne luim, ééne gril, één ommekeer van inzicht, tusschenkomst van ander gezag of moedwil van vijanden, en… daar buiten grimden vervolging en dood! en toch, ze zaten rustig en blijmoedig bijéén, kalm als in volle veiligheid, en geene enkele gedachte dwaalde af naar de buitenwereld en wat hen dáár toefde!

Het is treffend in te denken, hoe die menschen bereid waren een voorrecht zoo duur te betalen, dat wij voor niet ontvangen en dat wij zoo lauw en onverschillig aannemen, tot zelfs te vergeten, dat het een voorrecht is, om er niet meer in te zien, dan eenen plicht: dat komt, omdat tegenstand geestdrift wekt; en ontbering lust; en drukking veerkracht; omdat men vergeet te grijpen naar wat altijd onder het bereik der hand ligt; omdat de ziel licht insluimert onder rust en zich zoo goed behaagt in het stof, dat het er haar juist wel bang moet worden, eer zij de vleugelen uit zal slaan, om er zich uit op te heffen.

In meer stelligen zin, dan wij het bedoelden, dachten de lieden, die daar bijéén waren, zich de tegenwoordigheid van hunnen God, want ze vierden, wat hun Luther noemde: »de waarachtige, onbedriegelijke Christelijke wisse, het Sacrament des Avondmaals.”

Johannes van Woerden stond voor het altaar; hij droeg zijn Priesterlijk koorgewaad: Luther’s voorbeeld had nog niet tot een ander gewettigd. Rondom, nevens, vóór, achter, tegenover hem, knielden, bont dooréén, zonder onderscheid van kunne, van stand, van ouderdom, allen neder, die genot wenschten te hebben van de bondsteekenen, die, zijne hand hun onder beide:gestalten toereikte. Velen hadden ze reeds ontvangen en waren ter zijde gegaan, om in nadenken of gebed de prediking af te wachten, die later volgen zoude. Reeds had men Laurens ernstig en in zich zelven gekeerd zien terugtreden. Hij was alléén daar; zijne Aafke was niet met hem. »Een zuigend kind hield haar te Amsterdam terug,” had hij met eenen duisteren blik ten antwoord gegeven, toen hare zuster naar haar vroeg. Daarbij lag er meer verdrietelijks op zijn voorhoofd, dan bij een gelukkig hulsvader, die van zijnen zuigeling spreekt, mag te vinden zijn, en meer achterhoudendheid, dan met zijn eigen gul en open karakter bestaanbaar scheen.

Aan Johanna was het nu, om de zichtbare teekenen der Goddelijke genade te ontvangen uit de handen van haren echtgenoot. In het lichte gedrang, dat bij het nog ongewone der plechtigheid en het wanordelijke der regeling natuurlijk volgen moest, had ze niet opgemerkt, hoe een man nevens haar geknield was die aandachtig bad. Nu eerst zag zij hem aan. Hemel! hoe flonkerde op éénmaal haar oog, dat nooit een traan had gekend. Hoe overgloeide een fel rood plotseling dat onvermengde leliewit der wangen, hoe scherp zichtbaar was de krampachtige trek om dien mond, hoe hoonend fier stonden op ééns alle trekken van dat wezen!

Zij had haren Antwerpenaar herkend: Herman Machielsen, den man, die haar de beleediging had aangedaan, welke de vrouw niet vergeeft. Ook stond ze driftig op, als wees ze den beker der verzoening af, die ook hare vergeving van vijanden eischte; het scheen boven hare macht, met dankbaarheid en zielsverheffing de lippen te drukken, waar de zijnen hadden gekleefd. Machielsen, die haar reeds vroeger had gekend, wist nu, dat zij hem kende. Hij boog deemoedig het hoofd en vouwde de handen samen op de knieën; hij scheen lijdelijk af te wachten, wat volgen zoude. Zoo Johanna de geheime geschiedenis van zijne laatste levensjaren had gekend, zij had het geweten, dat het lot haar gewroken had, schoon zijn uiterlijk niet zoo sprekend van zijn lijden getuigde. De hand, die hij gekozen had met verwerping van. de hare, was de tuchtroede geworden die zijn lage trouweloosheid strafte. Hij had geleerd, wat dat woord van Salomo beteekende: »De grimmigheid van eene kijfachtige huisvrouw is als een gestadig druipen.” En de smartelijkste der smarten, huiselijke jammer, was zijn deel geworden. Ze had hem onverschillig gemaakt voor zijne uiterlijke welvaart; iedere voorspoed was hem vergald geworden; lust en kracht tot werken, tot opheffen uit zijne ellende, had hij verloren in loome moedeloosheid neergedompeld, had hij, in den besten bloei der mannelijke jaren, alle hoop op levensgeluk en levensvreugd opgegeven, en hij had niet geweten, wáár vergoeding te zoeken, toen hij, bij eene zijner reizen naar zijne voormalige moederstad, de kennis maakte van eenen vromen Augustijner monnik, volgeling van Luther en heimelijk verspreider van diens schriften en gevoelens. Het was niet meer de ijdele, zelfzoekende jongeling, die met het hart van een meisje een handelsspel had gespeeld; maar het verdriet had hem gerijpt tot eenen nadenkenden, fijngevoelenden man, week van hart, sinds het eenmaal gebroken was door berouwen smart. Met knagend berouw griefde hem, wat hij gepleegd had; met brandende spijt oogde hij na, wat door hem verworpen was. Niet vreemd was het, dat hij den Augustijner zijn leed vertrouwde, dat hij verlichting zocht en heul bij de opgeklaarde godsdienstbegrippen, die deze hem leeraarde. Hij werd ijverig en geloovig Lutheraansch Christen van eenen werktuigelijken en onverschilligen Roomschgezinde, die hij was geweest. Hij verzuimde geene gelegenheid, om zich in zijn geloof te versterken en daarvan getuigenis te geven. Zoo ook had hij veelmalen de vergaderingen te Kuilenburg en elders bijgewoond, en hij wist, dat Johanna hem broeder moest noemen. Maar door zelfbeschuldiging schuwen gebukt, had hij haar oog vermeden en hare nabijheid ontweken; hoe hij ook smachtte naar hare vergiffenis, hij vreesde hare hardnekkigheid, haren trots, en hij wilde niet verbitterd zijn, voor alles niet tegen haar, als hij zich zou verootmoedigd hebben en zij hem terugwijzen, Zóó wachtte hij, tot eene heilige plechtigheid, als deze, voor hem spreken zoude tot haar hart. Wij hebben gezien, hoe het oogenblik, dat beslissen moest, gekomen was en hoe hij wachtte. Der hartstochtelijke, diepgekrenkte vrouw, die met eenen echt, uit het wanhopigste beginsel, de ellende eener verstoorde jeugd had besloten, wie het woord wraak zelden op de lippen had gebeefd, maar die het zooveel te dieper had bewaard in haar hart, was het aan te zien, dat zij het wrang gevoel van den haat het luidst in zich spreken voelde, dat zij geen erbarmen had met den gehaten boeteling, geen erbarmen met zich zelve, terwijl ze wrokkende tegen den schuldige haar eigen oordeel uitsprak; dat ze voornemens scheen zich de gewijde bete en de gewijde teug te onthouden, die de dienaar Gods haar ging aanbieden. Maar Johannes van Woerden, die als haar biechtvader vertrouwd was geworden met hare geheimste gedachten, die hare aarzeling zag, die alles raadde bij het zien van den nevenman, wien een strijd van aandoeningen op het gelaat leesbaar was, trad statig naderbij met kelk en ouwel, en zag de weifelende aan met eenen blik, waarin hij alles legde, wat de mensch van zijne zielsgedachten kan uitspreken door het oog; en het zijne, reeds zoo veelbeteekenend en vlammend van de heiligste bezieling, sprak voor Johanna treffend verstaanbaar. Zij begreep; ontzet en geroerd zag zij ter zijde naar den beleediger; die smeekend op haar staarde; ze voelde, hoe de vereenigde blikken van die twee mannen haar tot een grootsch besluit opriepen, hoe de teekens daar vóór haar het afeischten… zij hoorde het zacht gesproken, maar ernstig vermaan van van Woerden: »Indien gij niet vergeeft uwen vijanden, zoo zal ook uw Vader, die in den Hemel is, enz.” en ze erkende al het zware, maar ook al het noodwendige, maar ook al het verhevene van het woord: »vergeeft uwen vijanden.” Bitterheid en scherpe wrok dreven weg als booze dampen. Het vocht, dat verbittering voor eeuwig scheen gestold te hebben in het oog, droppelde langzaam over de bleeke wang; weer zonk ze neder op de knieën, en ernstig en zwijgend reikte zij den vijand de hand der verzoening. De Christin had gezegevierd over de vrouw!

Dit tooneel, zoo belangrijk voor wie er aan deelnamen, was alleen door de naastbij omringenden opgemerkt geworden en de aandacht der verderaf zijnden ontsnapt. Zeker was het voor Ottelijne verloren gegaan.

Vermoeid, en door hare vrome aandoeningen overstelpt, had de Jonkvrouw, nadat zij van het altaar was teruggetreden, plaats genomen op eene bank, dicht tegenover den ingang, en bleef in een ernstig gepeins verzonken. Later valt haar oog onwillekeurig op de deur, die zij heeft zien opengaan… twee malen strijkt zij met de vlakke hand over de oogen; zij ontstelt, als eene, die eene verschijning ziet, en glimlacht tegelijk over hare zinsbegoocheling, want het moet zinsbegoocheling zijn… de man, die is binnengekomen en die met de flonkerende oogen snel de vergadering heeft overzien, om ze daarna met ijzingwekkende uitdrukking op haar te vestigen, kan immers Aernoud niet zijn, wiens lot haar een raadsel is gebleven, om hetwelk uit te vorschen zij zich te vergeefs heeft verpijnd. En toch, hij gelijkt hem sprekend! maar het is niet meer de Aernoud van voorheen: de kleeding van dien man is die van eenen vreemdeling, en niet de zijne; de zeer duistere gelaatstint van dien man is niet de zijne, noch die vervallen wezenstrekken, scherp en hard en vreemd aan de bevalligheid, die de zijne was; dat gelaat heeft eene uitdrukking van wreed zielelijden, die vrees aanjaagt, en daar is niet die rustige fierheid, die haar zoo lief was; daar is slechts wilde trots, die schijnt te dreigen. Neen! dat kan haar Aernoud niet zijn, zóó kan zielesmart in korte jaren een menschelijk voorkomen niet verwoest hebben, niet zulk eenen frisschen, bloeienden jongeling tot zulk eenen schrikwekkenden man! Ottelijne wil zich die bange gedachte verdrijven. »Hij is het niet,” dringt zij zich op. »Moge hij het niet zijn,” bidt zij van God, met doodsangst en medelijden, met bittere smart en schuwe vrees, in haar gebed wil zij kalmte zoeken, maar vergeefs! ze voelt het, schoon ze de oogen gesloten houdt, die van den vreemde moeten nog op haar gericht zijn; hare aandacht is weg, zij kan den geest niet opheffen naar den Hemel: de verbeelding rukt dien altijd weg op het wezen tegenover haar… zij… maar ze voelt zich op den schouder tikken; die aanraking ontroert haar als eene aanraking van den doodsengel; zij ziet rillend om: Aernoud staat naast haar, en wel zeker hij; zijn gebiedend gebaar houdt den kreet op hare lippen terug, dien angst of verrassing haar willens schijnt af te persen, hij spreekt haar toe, zijne stem is zacht en hol, maar doordringend, en nog genoeg de stem van vroeger, om voor haar overredend te wezen.

»Ik was eens uw vriend, Jonkvrouw! ik zal nooit uw vijand worden, ik wil nu uw beschermer zijn, volg mij!” En reeds vatte hij hare hand, om haar tot opstaan uit te noodigen. En werkelijk stond zij op: was het onwillekeurig in bewusteloosheid van zich zelve? was het een toegeven aan de verrassing van het wederzien, of aan de overmacht van den geliefde? was het met of zonder beraad?… zij zelve had het u niet kunnen zeggen, zelfs niet eens, hoe zij, niet meer meesteres van zich zelve, sinds Aernouds vaste hand de hare dicht in de zijne hield gesloten, door hem snel en behoedzaam naar buiten werd geleid, eer iemand had kunnen opmerken wie eigenlijk vertrok, te meer daar hare vrienden dicht om het altaar vereenigd waren, zooals wij gezien hebben, en dáár hunne gansche aandacht geboeid werd, terwijl de overigen, die haar minder kenden, zoo al haar vertrek hun in het oog ware gevallen, haar gehouden hadden voor iemand, die geene gelegenheid had om naar de preek te wachten, zooals meermalen gebeurde.

De kleine Spaansche page wachtte met een gezadeld paard; licht, als ware zij een kind geweest, tilde Aernoud de Jonkvrouw in den zadel, steeg nevens haar op, en in vollen ren ging het voort, altijd voort, de kleine dienstknaap volgende, zoo snel zijn slechte renner het hem vergunde.

Dit alles was gebeurd in seconden, bliksemsnel, en voordat Ottelijne dit voornemen gissen kon, of er zich tegen verzetten.

Nu echter was zij zóóver tot herkenning van zich zelve gekomen, dat zij verscheidene angstige uitroepen achtereen voortbracht:

»Aernoud! ik ben u gevolgd!… omdat… gij het wenschtet,” voegde zij er langzaam bij. — »gij hebt mij willen spreken, — nu, zoo spreek en laat ons afstijgen, of kom mij zien op Lauernesse! — Toen ik met u ging, was het in het geloof aan uwe goede trouw, — niet opdat gij mij weg zoudt voeren van mijne vrienden en behandelen als eene gevangene, of als eene, die men wegrooft.” — Tusschen iedere dezer zinsneden had zij eene tusschenpoos gelaten, als wachtte zij zijn antwoord; het volgde niet! toen voegde zij er bij met al de inspanning van haren moed: »Meester Bakelsze! ik was zonder kracht en zonder bewustheid, om mij tegen uwe handeling te weren; gij hebt gemeend, dat ik willig met u ging, maar ik zeg u neen, ik zeg u luide neen, het is tegen dank, dat ik met u ben, ik wil terug naar de gewijde plaats…”

»Daar dreigt u gevaar, Jonkvrouw; kerker, dood, het ergste…”

»Mij alléén?” vroeg zij bezonnen, denkende op hare vrienden.

»Allen, die daar zijn,” sprak hij dof en dreigend.

»O mijn Heere!” zuchtte Ottelijne; hare geestkracht begaf haar op éénmaal bij de vrees voor de anderen, reeds hadden de ongewone beweging en de ongewone schokken haar afgetobt tot uitputting toe; nu zonk ze machteloos voorover, in tweeën gebogen, zonder veerkracht, als een geknakte bloemstengel, zoodat het den sterken linkerarm van hem, die haar omvat hield, bijna te moeielijk viel haar overeind te houden; toen vleide hij zachtkens haar hoofd tegen zijne borst, sloeg zijnen mantel over haar heen, tegen den scherpen avondwind, en hief de hand omhoog, als om den Hemel te bezweren met dit woord:

»O genadige Koningin des Hemels! mocht zij nog behouden worden! Toren mijner hope neem haar in Uwe hoede!” En op nieuw joeg hij voort in vollen draf, als bij den rit van Leonore; slechts was het hier een levende minnaar, die zijne geliefde den dood ontrukte, in plaats van een spooksel, dat haar dien te gemoet voerde; slechts waren de verschrikkingen van dezen tocht veel minder, en de zedelijke smart voor beiden veel meer.

In de halve schemering van den avond waren zij weggereden van de Slotkapel; maar toen Ottelijne eindelijk opleefde uit hare bezwijming, was de maan opgekomen en het was licht, als een dag in den nacht. Zij wikkelde zich los uit den mantel, waarmede hij haar omhuld had, hief zich een weinig op en zag om zich heen.

»Waar zijn wij, heer Bakelsze?” vroeg zij.

»Wij hebben Utrecht ter zijde, Mejonkvrouw; zoo ge het hoofd omwendt, ziet gij de Witte Vrouwenpoort.” (Zij waren op den Bildschen straatweg).

Ottelijne herkende duidelijk het steenen kruis, opgericht ter gedachtenis aan Nicolaas van IJperen en Gerrit van Noordwijk, door Walraven van Brederode op die plaats vermoord.

»Gij voert mij naar Lauernesse, Heer Bakelsze!” vroeg zij weder, schuw naar hem opziende.

»Ik breng u, waar het u goed zal zijn,” antwoordde hij, met die kortheid, die aan verdere vragen een eind maakt.

De arme begreep wel, dat zij geene betere opheldering verkrijgen zoude; zij zuchtte en zweeg. Zij begon zich te verliezen in gissingen, wat toch zijne bedoeling kon zijn met deze schaking; zóó toch was het te noemen. Geen oogenblik kwam in haar op, te twijfelen aan de waarheid van zijn woord, dat hij haar redde van een dreigend gevaar; want zóó zeer kon levensverdriet den adel van zijn hart niet verdorven hebben, dat hij een logenachtig voorwendsel geven zoude aan eene daad van geweld; dat hij haar onder schijn van zorg weg zoude rukken van eene plaats, waar ze veilig was, om haar aan gevaar of onheil prijs te geven. Zoo was niet Aernoud, die veeleer, als hij zich reden dacht tot toorn of wraak, haar zijn zwaard in het hart zoude drijven, terwijl zij omringd was van al hare dienstmannen; maar zelfs, wat hij goed noemde, kon weinig van hare keus zijn; hunne begrippen van wat heilzaam was en verkieslijk, moesten zeer uiteenloopen, en zij begon het er voor te houden, dat hij wel alleen het gevaar harer ziel kon bedoeld hebben, toen hij haar aan eene vergadering van Lutheranen onttrok. Maar hij moest haar immers daarin toch reeds verloren gegeven hebben, en het was niet na jaren, die daartusschen lagen, dat hij nog wanen kon, bij den voortgang, dien de nieuwe leer maakte, haar voor het eerst in zulk eene bijeenkomst te vinden. — Doch, hoe ook, die zorg, die belangstelling troffen haar. Had hij zoolang buiten haar geleefd, om nu tot haar terug te komen, dan moest daarvoor eene reden zijn: had het ongeluk hem misschien verdraagzaamheid geleerd? maar, waarom dan die sombere, kort afgebeten toon? de toon van eenen onwilligen beschermer, niet die van eenen geliefde, die zijne vroegere rechten komt terugvragen… dan, hoe het ook ware, eene aandoening, zooals zij die in lang niet gekend had, iets als eene schemering van hoop, mengde zich in den angst, in de onzekerheid, die haar het hart deed kloppen, en schoon onrust haar de wangen verkilde en verbleekte, kleurde menige gedachte ze somtijds met een zacht blosje. Ze had toch, sinds hunne noodlottige scheiding, voor altijd de hoop opgegeven dezen man weder te zien, hem te spreken, nabij hem te zijn, en toch diep in haar hart had die wensch altijd blijven schuilen; tot den prijs van elken angst zou de zij zeker besloten hebben, dien verhoord te zien, had men het haar kunnen voorstellen! en nu was hij dáár, dicht bij haar; hetzelfde ros droeg hen beiden; zijn arm hield haar middel omvat; haar mat hoofd had steun gevonden tegen zijne borst; hij had met haar gesproken en het scheen zijn voornemen haar veel te zeggen en wat gewichtig was; daarom zeker wachtte hij, tot ze rustig op eene veilige plaats waren, en zij, die het zich sinds lang ten plicht gemaakt had schoone .droomen op te geven en lachende hersenschimmen altijd ter zijde te stellen, omdat ze nooit moesten worden verwezenlijkt, die begonnen was de werkelijkheid des levens aan te nemen, in al haren onverbiddelijken ernst, trachtte zich nu met luchte schetsen van mogelijkheden en rozenkleurige droomerijen den avontuurlijken tocht te verlichten.

Hij scheen geene andere zorg te hebben, dan die van spoedig het einde te zien van dien tocht; het was alsof hij haast had zich te ontlasten van hetgeen hij zich had opgelegd, of zijn eigen zwijgen hem drukte; want nauwelijks verflauwde zijn jeugdige klepper van draf, of zijne sporen gaven hem nieuwen drang, zoo dan al niet nieuwen lust.

Eindelijk scheen hij zijn doel bereikt te hebben; het kon thans elf ure in den nacht zijn. Bij den klaren, sterrenhemel en het zuiver licht, dat de maan uitgoot over het landschap, in een oord, dat ze honderdmaal had bezocht, dat ze kende als haren eigenen erfgrond, herkende Ottelijne licht in het statige gebouw, waarvoor zij halt hielden, Oudwijk, een adellijk vrouwenklooster van de Benedictijner orde. Eene huivering rilde haar door de leden: zou Aernoud willens zijn haar een klooster tot kerker te geven? maar, neen! dat was een kinderachtige inval, dacht zij, zich herstellende; wat gaf hem macht over haar, de vrije leenvrouw van Lauernesse, meesteres van zich zelve! hier noch elders zou iemand het recht hebben haar tot eenige daad te dwingen; daarenboven de abdis, Ada van Drakenburg, moest haar kennen; met eene harer oudmoeien, die Stiftdame was geweest, had ze wel eens het klooster bezocht, en deze goede, eerwaardige vrouw zou geene daad van geweld tegen haar ondersteunen nog bevorderen, zoo het mogelijk kon zijn, dat een man als Bakelsze, die had uitgedacht. Zij wilde er ten minste het eind van zien, vóór zij zich verzette; ook steeg zij af met zooveel kalmte in de houding, als zij slechts wist bijéén te rapen, en volgde zonder ééne vraag of aanmerking, toen hun de kloosterpoort was geopend, nadat Bakelsze zich had genoemd. Ongetwijfeld moest men hen gewacht hebben, want ze werden niet in de spreekkamer geleid; maar eene leekezuster ging hen voor naar een dier vertrekken, afgescheiden van de bewoonde cellen, waar men somtijds vrouwelijke gasten huisvestte, eene gastvrijheid, die, bij de volstrekte ongeschiktheid der herbergen, voor edele en eerbare vrouwen, die reizen moesten, ten goede kwam. Hoewel meer tot gemak ingericht, dan de verblijven der zusters, getuigden ze echter nog van kloosterlijke eenvoudigheid, en dat, hetwelk men Ottelijne en Aernoud binnenleidde, maakte geene uitzondering op dezen regel. De leekezuster zette hare koperen lamp op de tafel en liet hen alleen.

Ottelijne alléén met Aernoud, na eene scheiding als de hunne! De Jonkvrouw van Lauernesse, de dochter, de heldin van het Lutheranisme, samen met den nieuwen Spaanschen Hidalgo, met den medegenoot der Inquisiteuren, met den vriend der Dominikanen, samen in eene kloostercel!

De jonge vrouw wierp zich neder op eene zitbank met tapijtwerk bekleed, de éénige, die hier gevonden werd. Zij deed het, onder voorwendsel van vermoeidheid, maar eigenlijk om het trillen harer leden te verbergen; want dit samenzijn beangstte haar op het uiterste. Er was een tijd geweest, dat zij zijn gezelschap zoude gekozen hebben boven ieder wereldsch vermaak; maar nu… zij had lust de dienende vrouw terug te roepen, zóó zeer vreesde zij dit onderhoud, zij voorzag dat het haar ten ongewachten zegen moest worden of tot vernieuwde smart, en zij had nog gaarne weder de beslissing willen verschuiven; ze herdacht zich Aernoud met zijne stormende drift, zijne lichtgewond hooghartigheid, zijner werkzamen Godsdienstijver, door geene stervende moeder zelfs teruggeschrikt; ze herinnerde zich dat zwaard, uitgetogen tegen verwanten, dat bloed, dat toch had gevloeid; zij was zeker van hare eigene standvastigheid op één punt, ze zag in verbeelding reeds dit tooneel gewelddadig eindigen, en ze zag huiverend naar hem op met eenen schichtigen en onderzoekenden blik, alsof ze reeds iets dergelijks in zijn oog had kunnen lezen. Toch drukte zijn gelaat niets vreeselijks uit. Integendeel, hij had zich het hoofd ontbloot en den mantel weggeworpen, die zijn rijk gewaad had bedekt gehouden, met het kennelijk doel om te bevallen; hij scheen, met eene machtige poging op zich zelven, zijnen trots van vroeger, zijne stugheid van zooeven, te hebben weggeweerd uit geheel zijn voorkomen, waaruit iets eerbiedigs sprak, iets schroomachtigs, iets smeekends zelfs, als wilde hij haar gerust stellen en vergiffenis vragen beide; eene roerende zwaarmoedigheid had op zijn gelaat de harde uitdrukking dier wrange smart vervangen, die anders de ijzing wekte tegelijk met het medelijden, en er trilde eene wegsleepende teederheid in zijne stem, toen hij de Jonkvrouw naderde en haar vroeg: — »Ottelijne; bemint gij mij nog?

Op zulk eene vraag was de Jonkvrouw niet verdacht geweest; zulk eene zeldzame ommekeer was meer dan haar schoonst gekleurde droom haar had voorgetooverd; met zooveel innemende zachtheid op de lippen en in het oog had zich haar Aernoud nooit aan haar getoond, zelfs niet in de schoonste dagen van haar geluk; en toch, hij moest nu zijn, wat hij scheen: Bakelsze was geen huichelaar en de logen niet in hem. En haar geloof deed hem recht. Hij voelde zich, zooals hij zich voordeed. Nooit had hij haar, zooals nu, eenen blik laten slaan op den schat zijner teêrheid; maar de verholen mijn in zijn hart had dien altijd gedragen, zij had die volstrekt ongedeeld bezeten, zelfs toen hij haar verloren gaf; geene schoonere, geene hoogere, geene, die door sprekender hartstocht den zijnen had gezocht, had ooit slechts den vluchtigsten indruk gemaakt op dit hart, genaakbaar alleen voor eene enkele; geene sterveling, dan alleen deze vrouw, mocht het weten, dat Aernoud Bakelsze week kon zijn als de fijnstgevoelende van zijn geslacht; en nu hij haar weder zag, de éénige, die hij liefhad, weêr volgzaam aan zijne stem en weer meegevende aan zijnen wil; nu hare redding haar als op nieuw tot de zijne maakte; nu een snel uitgedacht ontwerp hem de mogelijkheid voorspiegelde van haar terug te winnen; nu gaf de angst, haar zeker te verliezen, hem meer schroom en diepgaande onrust; nu vermeesterde eene onuitsprekelijke verteedering zijne opgedrongene koelheid, en zijn uiterlijk verried onwillekeurig, hoe zijn gevoel éénmaal zegepraalde over zijnen wil, totdat de laatste de ingevingen moest volgen van het eerste; want toen Ottelijne, onder tranen zoeter dan sinds lang haar glimlach, met bevende lippen en nauwelijks hoorbare stem had geantwoord: »Is die vraag noodig, Aernoud?” vervolgde hij met nog meer weemoedige zachtheid:

»Ja, zij is mij noodig, voor wat ik verder te spreken heb, sinds ik zelfs met al te rouwe onzinnigheid afstand deed van liefdesrechten, en u oorzaak gaf tot haat; daarom moest ik zekerheid hebben, dat gij nog weder hooren wilt, als eene die lief heeft, met lankmoedigheid, met goelijk geduld, een rouw woord vergevende, om des doels wille en zonder tegensprekinge, die de rede bemoeielijkt; want ik heb veel te zeggen: wilt gij zóó  luisteren, Jonkvrouw?”

Zij boog zich alleen toestemmend, aandoening en verwondering beide boeiden haar de tong.

Toen vervolgde hij, altijd op dien toon van overlegde bezadigdheid, die telkens eene overwinning moest zijn op zijn karakter en op zijne gevoelens:

»Ik had ongelijk, Ottelijne! toen ik, norsch en gram, met gulgauwe rondheid van woord en daad, mij losscheurde van u, die mijne bruid waart voor God en menschen. Dat was niet goed, ik had daarop moeten zinnen, dat dolen geen misdrijf is; ik had moeten indenken, dat eene vrouw, als gij, bedeeld met groote gaven des verstands en van uitnemende kennis en wetenschap, beter luistert naar overredinge, dan naar menschendwang; ik had de woorden moeten kiezen, waarmede men eene vrouw wint en overhaalt; ik had vooroordeel en moeten ontzien, in stede van die hard te vallen; ik had mijnen wil niet moeten opdringen als eene wet, noch mijnen afschuw uitspreken als eenen vloek; ik had afkeers schuwheid moeten verkappen onder het kleed van courtoisie; ik had zacht moeten zijn en verschoonlijk en verdragende; en ik was hard en vol dolle verwoedheid en onverdraagzamen ijver; maar ook het mocht hard heeten, in u, juist in U, datgene te moeten zien, wat mij van elke verschrikking en van elke ondeugd de meest verschrikkelijke scheen en de meest zondige; het woord ketterij” klonk mij altijd zoo schril in de ooren, en het toen het eerst te moeten hooren, passende op u; de ketterij uitgebeeld te zien in uwe gestaltenis!” De donkere blos, die over zijne wangen vlamde, en de wilde haast, waarmede hij die laatste woorden uitstortte, deed het Ottelijne zien, wat hij toen moest geleden hebben, schoon hij het met geen woord uitdrukte. »En toch, ik had ongelijk met te handelen, zooals ik deed,” hervatte hij, zich weder meester, »Ja! ik had ongelijk, ik had u niet moeten loslaten, ik had niet van u moeten gaan: ge zoudt niet tot hiertoe gekomen zijn, niet zoo diep u verward hebben in de…”

Hier vestigde de Jonkvrouw eenen droeven blik op hem, die wel bewees, hoe weer de hoop haar begaf; zij wilde spreken.

»Dit bid ik van u, zwijg tot ik zal geëindigd hebben,” hernam hij ernstig. »Zoo gij verloren gaat, komt zeker een deel van uwe verdoemenis voor mijne verantwoording; maar het zal niet gezegd zijn, dat ik niet gezocht heb te herstellen, wat ik te overijld jammers wrocht door grammen moede. Ik ben nu gemeenzaam geworden met het woord Lutheraan, met het denkbeeld ketterij. Het moest wel! Ik heb haar immers gezien onder alle vormen, ook in de eerwaardigste… ik weet nu, hoe ze de aderen binnendringt ongemerkt, en zonder dat men het weren kan, als een vluchtig, ontastbaar venijn; hoe ze zich met het bloed heeft vereenigd, eer men weet dat ze tot het lichaam toegang vond; hoe ze den mond binnengaat met den adem, en door het oor het hart verpest; ik weet, hoe haar gevaarlijk denkbeeld door nieuwheidsglans verrast en verlokt, en door eenen schijn van zuiverheid en gezonde rede de onnoozelheid verleidt en de edelmoedigste verstanden inneemt; hoe zij in de Heilige Kerk gebreken weet uit te vinden, die afschrikken moeten van haren dienst; hoe ze de heiligste zaken schendt met eenen spot, die ontwijdt wat hij aanrandt; hoe zij de Schrift, die om des misbruiks wille slechts aan enkelen was toebetrouwd, openstelt voor de eigendunkelijke uitlegging van iederen onwetende, die nauw denken kan, veel min oordeelen, opdat het den schijn zoude hebben, dat ze door vrij onderzoek de zielen tot God willen brengen, opdat nobele gemoederen zich tot haar zouden voegen, meenende deugd te doen, terwijl ze den zielemoorder toevallen; hoe zij, die Lutherij plegen, verdeeld zijn in tweederlei slag: in verleiders, die God en zijne Heiligen roekeloos verzoeken, en in verleiden, die, door zelfwaan verblind, in opgewondenheid, die een valsch vuur is, meenen door God geroepen te zijn. Die dwazen! zij verwerpen de wonderdaden, die de gezalfde Priesters verkondigen als gewerkt door Heiligen en belijders; zij houden ze voor loos bedrog en arglist, voorgevende dat God niet meer werkt door mirakelen en bovennatuurlijke krachten, en toch noemen ze zich bezielden en gedrevenen door den Geest! Ze dwingen tot wantrouwen in het eene, en eischen geloof voor het andere. Hoe is dat te vereenigen? aanmerk, hoe zij zich ongelijk worden en tegenspreken; waar vindt men dusdanige weersprekinge in de ware Kerk?… En toch, dat zijn de beteren, de bedrogenen, van wie ik nu spreke; wie met opzet de zielen van anderen naar het verderf heentrekken, wetende wat ze doen, en uit welke inzichten, zijn niet de minst gevaarlijken, maar hen noem ik nu niet verder, ik wilde alleen bewijzen, hoe ik nu dat Lutherdom ken en doorgrond, en hoezeer ik mijn afgrijzen overwonnen heb, om het te naderen en te ondertasten, tot er mij niets meer vreemd van was. — Ge ziet, ik sta rustig vóór u, en toch weet ik, dat ge Lutherane zijt, dat ge nog voor korte uren met de Sektarissen samen waart, terwijl een afvallig Priester schennis pleegde met het Sacrament des altaars!”

»Aernoud! ik mag u niet aanhooren, als gij zóó spreken wilt,” riep nu Ottelijne, die tot hiertoe moeite gehad had zich te bedwingen; zij voelde met een onbeschrijfelijk leedwezen, hoe die man nooit meer met haar konde samenstemmen; hoe hij, met den waan van onbevooroordeeldheid in zich, alléén de zwarte zijde zien wilde van wat zij als heilig hield, en hoe er eene scheiding tusschen hen was ontstaan, grooter dan ooit de toegeeflijkheid der liefde zoude kunnen aanvullen.

»Ook is het dit niet, wat ik u zeggen wilde, Mejonkvrouw!” viel hij haar in. »Ik wilde u vergiffenis vragen voor mijne overijling van voorheen, en tegelijk uwe toestemming verkrijgen om haar te mogen goedmaken; daartoe was ik u opheldering schuldig van mijn vroeger gedrag, van mijne huidige gevoelens; — maar daarom verdenk mij niet, noem mijnen terugkeer geene laagheid; zoo ons beider vooruitzichten dezelfde waren gebleven, zoudt gij mij thans noch ooit vóór u zien; de gelukkige, de geëerde, de machtige vrouw van Lauernesse, met hare rijke bezitting en haar hoog aanzien onder de Edelen van het Sticht, zou het woord berouw nooit gehoord hebben van de lippen des onvermogenden poorters; maar nu… Ottelijne! ik wenschte, dat ik eenen zoeten glimp had voor wat éénmaal moet gezegd worden… de tijden zijn gekeerd… Jonkvrouw van Lauernesse! het grijs geluk van uw geslacht sterft in u. Uw hoog en hecht huis wiegelt op zijne fondamenten, en gij, zwak rijsken! kunt het niet steunen, wat zeg ik? gij zelve zijt het, die het ondermijnt… het zal vallen door u, in puin storten boven uw hoofd; niet omdat de Gelderschman woedt en brandt in het Sticht; niet omdat de Bisschop, uw verwant, zijnen zetel leêg heeft gelaten; niet omdat gij zonder Heer zijt en beschermer, die het zwaard voor u trekken kan in de partijschappen der Edelen; niet door anderen; maar door u zelve, door uwe eigene keuze, omdat ge Lutherane zijt, omdat gij het zijt met de onverholen oprechtheid van eenen vrijen en kloeken geest. Het is een gewaagd stuk, Lutheraan te zijn: de Lutheraan, balling der Kerk en van het Keizerrijk, heeft niets, bezit niets, is niets; zeg niet, dat de rijkdom beschermt tegen de wet; juist de rijkdom zal de vervolging uitlokken, want, leider! de eerwaardigste der menschelijke handelingen worden bevlekt door gouddorst en eigenbaat, en het zal niet aan verraders falen noch aanklagers, sinds de helft van het vermogen der schuldigen het deel wordt van den wroeger! Zeg niet, dat hoog aanzien beschermt tegen de straf: op een toren ziet men eer, dan op de lage dorperswoning: het hooge verzoekt tot vernederen. Zeg niet, dat uwe vrienden invloed hebben en macht: de Lutherane heeft geene vrienden meer, of wie hare vrienden zijn, hebben geenen invloed. Ottelijne! gij moet het reeds ondervonden hebben… of wel die het nog bleven, wachten tot ge gevallen zijt; steun niet op de trouw uwer vazallen, schoon gij ze tellen kunt bij honderden: de Lutherane heeft geene vazallen meer, want allen zijn ontslagen van trouwen gehoorzaamheid! Meen niet, dat ik u ontzetten wil, met beelden te malen, die valsch zijn, en op tijden te doelen, die niet komen zullen; beter dan iemand weet ik, wat Karel V besloten heeft in deze zaken, en beter dan iemand ook, hoe hij houden zal wat hij besloot; zelfs eene Vrijvrouwe van het Sticht is niet meer buiten het bereik van zijnen arm; de Bisschop — of het moest zonderling tegenvallen, en de kanunniken, in deze tijden van verval meer moed hebben, dan ooit in die van Utrecht’s besten bloei, — de Bisschop, die uws bloedmaags zetel inneemt, is een afhangeling van den Graaf-Keizer, en bij den nood, waarin het Bisdom verkeert, en bij de macht van eenen Heer, als Karel V, kan het niet anders, of deze moet eenen onbepaalden invloed krijgen in het Sticht. En zoo al niet, onberaden samenkomsten, als die van heden, brengen u in zijne macht. En ik zeg u, de Keizer wil een eind zien aan deze beroering in de Kerk. Hij wil het door geduchte middelen, en mannen van trouwe devotie en van bekwamen ijver zijn door hem belast met de uitvoering van zijnen wil, ik behoor tot hun getal… want zie, Ottelijne! dezelfde ommezwaai van het lot, die u zwak maakt in het midden van uwe macht, heeft mij opgeheven en groot gemaakt naar wensch en streven. Ik ben niet meer de poorter, die zijnen rang moest houden van de jongste uwer liefde en wien de liefde alleen dat denkbeeld verdragelijk maakte; ik ben de gelijke der Edelen geworden; nooit zal ik twintig voorvaderen tellen met gekroonde wapenschilden, maar ik zelf, ik alléén, ben de stamvader van mijn adellijk geslacht, dat luisterrijk genoeg aanvangt, om tot het hoogste te klimmen. Ik ben Spaansch Hidalgo; de Heer Koning gaf mij den ridderslag te Madrid, de eereketen zijner gunst, en genoeg inkomsten, om mijnen rang op te houden met eere. Men noemt mij ridder van St. Jacob en Heer van Viterbo! Als Nederlander verzaak ik mijn vaderland niet; maar ik ben een aangenomen zoon van Spanje, en Spanje heeft getracht mij te vergoeden, wat ik in Nederland verloor. Aernoud Bakelsze bestaat niet meer; vergeten zij met hem, wat jammer hem heeft gedrukt! de vrouwe van Lauernesse sterve als hij en vergeten zijn met haar de dolingen harer jeugd en eenzaamheid, en de vrouwe van Viterbo vange een nieuw leven aan met eenen gemaal, wiens naam reeds haar beschermt tegen verdenking, wiens macht haar veiligen zal tegen onheil en wiens liefde haar het leven zoet zal maken en zalig. Wilt gij dat, Ottelijne! wijt gij een einde maken aan ons beider lijden?” begon hij, op éénmaal weer den toon van innemende teerheid hervattende, waaruit hij trapsgewijze vervallen was tot dien van strenger ernst, en tegelijk haar dichter naderende: »Wilt gij dat, Ottelijne? wilt gij vergevend zijn en zachtmoedig en u voegen naar mijne bede?”

»Ik durf nauw begrijpen, waar gij op doelt, Aernoud,” antwoordde zij zacht en aarzelend, »want ik vreeze, uwe bede heeft eene voorwaarde… die… ik wel besloten ben niet te vervullen,” voegde zij er vaster bij. Toen hij daarop zweeg, hervatte zij: »En zoo niet, Heer! meent gij dan, dat uwe redenen mij bewegen zullen uit zelfbelang? Veeleer afschrikken.

»Ik beken het u. Mijne liefde is groot en belangeloos, zij wil geene bijgedachten. Zoo de gevaren, waarmede gij dreigt en waaraan ik geloof, op handen zijn, en mij treffen moeten naarH Gods wil en heiligen raad, denk ik die niet laf te ontduiken aan de borst van eenen gemaal, wiens faam van rechtzinnigheid mij ten schild zoude zijn tegen de vervolging van vijanden en geloofshaters. Ik wil niets vooruit hebben op mijne broeders, en wat God mij met hen of boven hen oplegt, zal ik willig dragen.”

»Zoo hoor mij dan om mijnentwil, Jonkvrouw! die te groothartig zijt, om op eigen welzijn te zien. Zoo zie dan op mij, die eenmaal rust wil van smart; zie mij aan, Ottelijne! Niet waar, ik heb geleden! Eene vrouw als gij, die men bemind heeft zooals ik u, offert men niet op zonder veel te lijden. En toch deed ik het, ik heb Gode gegeven al wat Godes zijn kon. Men prijst de Heiligen hoog en stelt hen ten voorbeelde, omdat zij zich de oogen wegrukten of de borst, om niet te zondigen; ik heb meer gedaan dan, zij; ik heb mij het hart levend uit het lichaam gerukt en het neergelegd aan den voet van Zijn altaar. Ik heb een offer gebracht, niet minder dan Abraham, en geen engel heeft het geweerd en God heeft het aangenomen. Maar nóg kan Hij terug geven, nóg! Aan de voorbede van Zijnen lieven Zoon en van zijne welzalige Moeder (hij maakte eerbiedig het teeken des kruises) zal het mij niet falen. Ik heb mij met plechtige geloftenis toegewijd aan Haren bijzonderen dienst!” Een oogenblik zweeg hij en vervolgde daarop: »Hoe ik leed, nooit heb ik het geklaagd, en zeker nog in dezen ochtend dacht ik niet, dat mij een woord van klachte zou ontglippen, tegen wie ook, en allerminst tegen u; en echter dezen avond, toen ik u weder zag, schepte ik uit wanhoops overmaat nieuwe kracht en hope. Was het mijn veranderde staat, die mij vrij gaf tot u te gaan zonder schijn en laagheid, was het dat vreeselijk doodsgevaar, waarin ik u zweven zag door mijn beleid… was het…”

Maar plotseling viel Ottelijne hem in de rede met eene snelle gevatheid:

»Och, Aernoud! of gij mij toch zeggen wildet, wat dat gevaar was, en of mijn geloofsvrienden nog te redden zijn!”

»Hen wacht de straf des ketters: en niet één hunner, van wie verhard blijft, is meer te redden.”

»Heilige God! en uwe verwanten zijn dáár; Laurens, uw schoonbroeder! Uwe eigene zuster Johanna! Wat zal er van hen worden!” Hij kromp pijnlijk inéén en zijne lippen verbleekten; maar hij antwoordde dof en plechtig: »Ze zijn in Gods hand en in die van hunne rechters.”

»En mij wilt gij redden!” riep zij blozende onder hare tranen en getroffen door dit sterk bewijs zijner liefde.

»Met overtreding van mijnen plicht,” sprak hij somber, en, voorover leunende op de tafel, drukte hij beide handen tegen het hoofd, smartelijk uitroepende: »O! ik moest, Ottelijne, ik moest; kon ik U ombrengen, ik, met eigene hand!”

De Jonkvrouw was als buiten zich zelve van radelooze onrust en smart, ze wist niet om wien ze het meest moest treuren. Ook Paul was dáár geweest, hij zoude gepredikt hebben na het avondmaal; ook Enriquez, haar jonge neef, door haar het moeder. lijk opzicht ontvoerd en voor het eerst bij de plechtige samenkomst ingeleid, en als de strenge wet moest worden nageleefd, zoude een gruwzame dood hun deel zijn, en ze kende er onder hen, die moed hadden martelaren te sterven. — En dat had Aernoud hun aangedaan, die Aernoud, die haar liefhad, dien zij beminde. O! ze was opgesprongen, handenwringende van angst, maar toen ze hem zag, ook overstelpt door eene onwillekeurige aandoening, en toen zij gevoelde, hoeveel zij nog bij hem gold, greep zij weder moed, en zijne knieën omvattende, bad ze vleiend en met krachtige woorden voor het behoud van hare geloofsgenooten en vrienden.

»Hun lot is reeds buiten mijne macht, en zoo ik het konde, ik mocht ze niet helpen, noch wilde het…”

»Ik wil met hen sterven,” hernam Ottelijne, moedeloos opstaande. »Heer! ik wil niet de éénige gespaard blijven in zóó grooten nood.”

»Niets meer daarvan, Mejonkvrouw!” antwoordde hij gebiedend, en daarop zachter: »Neen, eenig geliefde; gij zult leven, leven voor mij, en mijne schuld niet bezwaren en de hoop niet beschamen, waarmede ik u redde, en de Heiligen niet verzoeken, die niet tweemaal eene uitredding ten beste hebben voor wie onberouwelijk is. Luister. Ik heb u eenen dienst bewezen, ik vraag er mijn loon voor. Ottelijne! het is het eerste, wat ik u afbid, en ik heb recht op uwe dankbaarheid. Nooit heeft eene vrouw, ook niet de schoonste, mijn hart geroerd; ik heb om u geleden, zooals geen ander lijden kon: ziet gij, onder mijne haren zijn reeds grijze; toch ben ik nog jong: ziet gij, mijn oog is ingezonken en ook mijn aangezicht heeft geen schijn van bloei meer of van frischheid, hoewel in ’s levens beste kracht. Laat het nu genoeg zijn! geef mij een oogenblik van verademing, van hope! ik eisch mijn loon, gij zijt het mij schuldig; weiger het mij niet, nu ik het u afsmeek, nu ik het u knielend afsmeek! ik, die nooit heb geknield, dan voor mijnen Keizer en voor mijnen God!”

Werkelijk knielde hij aan hare voeten, de hooge, trotsche gestalte, die nooit had gebogen en zoo weinig plooibaar was! ook scheen het een breken en niet een buigen, toen hij zich nederwierp; er moest ook veel gebroken zijn in die trotsche borst, in dit fiere mannenhart, en hij moest wel behoefte hebben aan heeling en wel bewust zijn van het belang zijner bede, om haar zoo te richten aan eene vrouw. Ottelijne beefde van eene aandoening, die het. meest de verbazing was van den schrik. Aernoud! en knielend! Wat zou het zijn, als die eik zich zou oprichten, als die vruchteloos had geplooid? Eene gewaarwording als van vreeze overviel haar tegelijk met eenen:onuitsprekelijken weemoed bij het denken aan dat lijden, waarvan hij haar de sporen aanwees. Zij! zij alleen kon het schatten, en ze voelde zich als overweldigd door den wensch om toe te geven aan wat hij eischte; al wat er voor liefde tot hem gloeide in hare borst, deed zijne rechten gelden op datzelfde oogenblik. De beproeving was te sterk, en ze bad inwendig, dat de verzoeking wijken mocht. Hartstochtelijk teeder vatte zij zijne handen om hem op te richten, en groote tranen droppelden neder op zijn hoofd, waarover zij zich heen boog, toen zij antwoordde met iets zwaks en weifelends in de stem: »Zoo kan ik u niet zien, Heer! wat wilt gij van mij, wat moet ik doen?”

»Mij met eede zweren, dat gij u naar mijnen wil voegen zult in één ding, eer wijk ik niet van deze plaats, hoe laag zij zijn moge!”

»In alle dingen, mijn Heer; slechts niet in verandering van geloof! Buiten dit is er geen, dat ik u weiger. Geef mij te kiezen tusschen u en de wereld, en ik zal niet aarzelen; maar stel mij niet tusschen mijn God en u; want zoo waarachtig de dood het eind is van alle leven, zoo waarachtig zoude ik u den mindere achten!” En toen zij dit gezegd had met inspanning van al de overmacht van Christelijken moed op vrouwelijke zwakheid, moest zij zich weder neerzetten: en bad in gedachte tot God om het einde van dien strijd.

»Ik vraag u geene bekeert.ng,” hernam hij bitter, terwijl hij opstond, »nog niet. Ik zal het droeve schouwspel van Lauernesse niet hernieuwen; ik zal geenszins een overijld besluit vergen op eene keuze op staanden voet, die tot berouw kon voeren, zoo ras zij gedaan was. Ik weet te veel, wat het zegt u te verliezen, om zoo groot eenen schat te zetten op éénen worp, op de kans van één oogenblik. En daarom niets van dit, ik heb niet gehoord en ik wil niet verstaan; ik heb tot last de zonden te straffen, waarvan gij bekentenis zoudt doen, en het zou mij strekken tot verzwaring van een plichtverbreken, waarvan ik nu reeds niet weet hoe mij te zuiveren. Maar ik acht alles gering om u; daarom, o Jonkvrouw; weder mijne en veel geliefde! hoor mij dáárin en verhoor mij, dat gij blijven wilt in deze heilige en eerwaardige plaats, waar ik u bracht ter uwer veiligheid en in goeder meening, totdat ik zal terugkeeren, om u af te halen en heen te leiden naar uw huis; dat gij in dien tijd met de hoogwaardige abdis van dit klooster raadplegen zult over het stuk van Godsdienst, hare onderrichting ontvangende met zachtmoedigheid en zonder veroordeel. De abdis is eene doorluchte en welhoffelijke vrouw, die u geenerlei dwang zal aandoen, ook zelfs niet om ter misse te gaan, een voorrecht, dat ge, lacy! verloren hebt. Zij is eene schrandere vrouw, begaafd met vele treffelijke kennis, die wijsgeeren en kerkvaders gelezen heeft, en die de H. Schrift kent en er van weet te oordeelen, met wie ge kunt redetwisten tot onderkenning der waarheid. Zij was van mijne bedoeling onderricht en wil die steunen uit aanzien van den rang, dien ik houde in het Graafschap Holland. Het staat aan u, Ottelijne! om reeds morgen, nog wel dezen eigen en nacht, terug te keeren naar Lauernesse; ik gaf u geenen kerker, toen ik u eene wijkplaats zocht. Maar om mijnentwil blijf hier, ten kortste drie weken; vele stormen zullen dan heengewaaid zijn over uw hoofd, zonder het te deren, en gij zult hier rust vinden en… misschien zaligheid. Zoo ik na dien tijd niet gekomen ben en ge bevinden zult, dat ge niet kunt terugkeeren in den schoot der Heilige Kerk, trek dan in ’s Hemels naam alléén naar uw Slot, en zoo ik keere zal ik weten, dat gij mijne hand versmaadt tegelijk met mijnen Godsdienst. Weiger mij niet die drie weken van overweging, Ottelijne! drie weken zijn zeker lang, met opzicht tot een besluit; maar ze zijn zeer kort, met opzicht van den tijd, waarvoor men beslist. Schenkt gij ze mij, Jonkvrouw?”

Ottelijne had toegeluisterd met kalme waardigheid.

»Aernoud! ik wil het en beloof dat. Het zal niet gezegd zijn, dat ik u eenig verzoek heb geweigerd, dat mij geoorloofd was toe te staan; maar,” voegde zij er treurig hoofdschuddend bij, »denk niet, dat overweging mij tot iets anders zal stemmen, dan tot volharding. Ik kan mijn beter oordeel niet meer verloochenen, ik kan mij niet meer buigen onder het dwangjuk des bijgeloofs en van priesterlijken offerdienst, sinds ik Christus kenne als het waarachtige en éénige offer, dat…” maar zijne hand sloot haar heftig den mond.

»Een ander vaarwel, Ottelijne; een beter,” riep hij, terwijl zijne rechterhand de hare vatte en die vasthield, »wij zien elkander nooit weder, of om voor altijd te verzamen; vergeten wij nu eene wijl, wat er tusschen ons ligt; hoe het voormaals anders was en hoe beter; hoe wij elkander liefhadden en hoe, schoone uitzichten de onze waren; en wat wij plannen vormden: ik voor uw heil en geneugt, gij voor het mijne; hoe nooit een paar zich beter samen voegde, en hoe men op ons zag met afgunst en bewondering, roemende ons goed geluk en blijde vooruitzichten; en hoe dat alles gekeerd is, Ottelijne! sinds het spooksel Luther zich plaatste tusschen u en mij. O! daarom een ander vaarwel dan dat, wat eene lastering is van wat ik heilig houd!” En hij drukte haar in zijne armen en zag lang en aandachtig op haar, als bepeinsde hij trek voor trek, als wilde hij haar gelaat voor immer in zijn geheugen prenten. Zij… gaf een oogenblik toe aan het gevoel bemind te zijn en weer te rusten aan de geliefde borst; die korte hereeniging, die eene scheiding als de hunne voorafging, bedwelmde haar door zóó stormachtige en zóó gemengde aandoeningen van verrassing en schrik, van ontzetting en liefde, van toorn en vreeze, van ongenoegen en medelijden, dat ze altijd slechts aan den laatsten indruk kon toegeven… »Aernoud mijn!” fluisterde zij.

»Volschoone! nog bevallig boven allen!” sprak hij, al wat voorafging vergetende.

»Inquisiteur!” riep gillend de stem van eene leekezuster aan de deur der cel, die Silvio tegelijk opende, terwijl hij zich neerwierp aan de voeten van zijnen meester.

»Inquisiteur! geldt dat u?” vroeg Ottelijne.

»Mij!” was het antwoord, dat dof klonk en verslagen. Niet sneller scheidt een musketschot de duif van haren tortel, dan Ottelijne zich na dit woord losrukte van Bakelsze en met schuwen schrik terugweek tot op den achtergrond van het vertrek; van dáár staarde ze op hem met diepe, koele minachting, zonder een enkel woord te spreken.

Hij stond roerloos en liet de armen slap nederhangen, als van verlamming getroffen. Hij boog het hoofd; voor het eerst sloeg Aernoud Bakelsze de oogen neder!

»Inquisiteur!” herhaalde de Jonkvrouw, bijna beschimpend.

»Veroordeel mij niet, ” begon hij en deed eene schrede voorwaarts.

»Mij niet nader, Heer van Viterbo! en verwijder u, verwijder u schielijk, zoo ge wilt, dat ik mij niet ontslagen zal rekenen van eenen eed aan eenen Spaanschen geloofsrechter, die Nederlander was.”

Hij antwoordde niets; het was zeker de overspanning van den toorn, die hem de stem belemmerde. Met éénen ruk, die het arme kind deed ineenkrimpen van pijn, hief hij zijnen knaap op en sleurde hem met zich, na eenen blik te hebben geworpen op Ottelijne, die tegelijk de uitdrukking was van de scherpste woede en van onuitsprekelijk harteleed. Zoo was nogmaals het einde verbittering geweest, hoe ook beiden zich bezadigdheid en matiging hadden opgelegd.

De kleine Spanjaard, die de oorzaak geweest was van dit laatste tooneel, was het zonder opzet.

Vermoeid van den snellen rit, en het wachthouden voor de binnenpoort niet minder moede, had hij zijn verlangen geuit, om te worden binnen gelaten.

Niemand had hem verstaan; maar de leekezuster had hem de plaats gewezen, waar voor de leekebroeders, om het tuinwerk aan het klooster verbonden, een oponthoud was.

Zijn Spaansche trots scheen gekrenkt door eene gelijkstelling met die lagere knechten, ten minste hij stelde er zich op het hevigst tegen te weer, zoodat de zuster het recht meende te hebben de tusschenkomst van zijnen meester in te roepen; hij was haar gevolgd in zijne verlegenheid, weinig wetende, hoezeer hij een oogenblik van geluk stoorde, dat verpoozen moest voor jaren van ondenkbaar lijden.


Ingezonden op: 19 July 2001