HET HUIS LAUERNESSE.

XXV.

De dood der Jonkvrouw van Lauernesse.


Met het opkomen der maan was de storm tot een vinnig koeltje gestild; als zilverzand glinsterde, bij haar liefelijk licht, het eenvoudige kiezelgruis, waarmede het vóórplein van het Huis Lauernesse bestrooid was. Drie paarden stonden gezadeld, en bedienden wachtend daarnevens, getrouwen van Ottelijne, die hun leven zouden gesteld hebben voor het hare. Een ander man, zeker een van hen, die reizen moesten, trappelde ongeduldig heen en weder, terwijl hij zich het overkleed dicht om de leden trok. In het eind moest zich zijn ongeduld uiten.

»Dat vrouwen toch altijd de ijdeltuiterij stellen boven alles, zelfs boven den treffelijken prijs van het leven!” barstte hij uit. »Certeijn laat zich Jonkvrouw Ottelijne nu nog den spiegel voorhouden, om te zien, of de wrong van het hoofdhulsel recht zit onder de falie! Langer mag ik dat dwaas vertragen niet lijden! Enriquez! wil toch uwe meesteres manen niet meer te toeven.” De edelknaap liep de Slotpoort in, die open stond, en nam den weg naar de bovenvertrekken. Eene vrouw kwam luid schreiend en in de verwarring eener diepe droefheid den trap af, dien hij op wilde.

»Waartoe dat onoorbaar gekrijt, Griete; is de Jonkvrouw nog niet gereed?”

»Gereed! de Hemel geve dat zij het geweest is, Enriquez! God heeft haar tot zich geroepen.”

Enriquez bleef haar strak aanzien, zonder te vragen of te antwoorden.

»Zij is dood!” herhaalde Griete met nog luider snikken.

»Ge zijt uitzinnig, creatuur!” riep de page, »nog vóór twee uren was zij bloeiend gezond, als eene frissche roze.”

»Bij de waarheid van ons nieuw geloof! het is, zooals ik zeg; zij is verscheiden tusschen die ure en nu: ontzield ligt ze op haar rustbed!”

»Ik wil zelf zien!” Hij rukte haar de lamp uit de hand, en vloog met zenuwachtige haast het slaapvertrek in.

En het bleek waarheid te zijn, wat de dienstjuffer gezegd had: de bloem van het Sticht lag dáár, als eene van wie de ziel is weggenomen, en die den laatsten strijd heeft gestreden, rustig, als van eene, op wie een loodzware slaap is neêrgestreken, maar een slaap zonder de ademhaling van den slaap, zonder den blos van den slaap, zonder den glimlach of de speling der trekken in den droom. Zij lag met gevouwen handen, als ingesluimerd onder het gebed; zij was reeds in haar reisgewaad gekleed, als ware de dood haar overvallen, midden onder hare voorzorgen tot levensbehoud; de wrong van het hoofdhulsel was losgegaan, en voor het eerst werd voor vreemden de volle pracht harer goudblonde lokken zichtbaar, daar ze neêrkronkelden tot op het scharlaken der oversprei, en zich dartelend vermengden met het marterbont van den kostbaren rand.

Aandoenlijk was het, en toch bevredigend, op deze doode te zien. De schoonheid, de jeugd, de rijkdom, de macht, de voortreffelijke vermogens des geestes, alles was geweest; maar ook het lijden was geweest! wat treurt men dan nog om het andere verlorene, als men zeggen kan: »het lijden is geweest!”. En is er dan één lijden, waarvan de dood niet zegt: »tot hiertoe en niet verder?” O! dat men dááraan dach te onder de smarte!

Nevens het rustbed stond Teresia met de gepaste stemmigheid van den rouw op het gelaat, maar zonder tranen. Zij verkwistte niet gaarne iets, zelfs niet hare tranen. Behoorde de huichelarij niet onder hare ondeugden, of vond zij het noodeloos, die hier te gebruiken?

Enriquez onderscheidde spoedig genoeg de vreeselijke waarheid van Griete’s woord; terstond knielde hij neder bij het hoofden-eind, en gaf zich lucht in onstuimige wanhoopsklachten, zonder iets te zien, zelfs niet zijne moeder, die zich toch nederwierp aan zijne: zijde, haren rozenkrans greep en het gebed voor de doode begon. Gnapheus, tot wien de treurmare nu ook was doorgedrongen, kwam zijn ernstig woord der droefheid en verwondering voegen tusschen de luide klachten van Enriqnez en Griete.

»Weet niemand hoe het haar is aangekomen?” vroeg hij.

»Dat weet alleen de Heere!” sprak Griete. »Ik kan wel zeggen, hoe het mijne meesteres is vergaan bij mijn weten. Nadat ze hare zaken had afgemaakt, die haar bezwaarlijk en zuur moeten gevallen hebben, te oordeelen naar de diepe mistroostigheid, waarin ze vervallen was, kwam mijne wellieve Jonkvrouw in dit haar slaapsalet; terstond heette ze mij al hare sieraden bijeen te zoeken en te bergen in het kistje, dat dáár nog staat, zooals ik deed. After na moest ik haar helpen bij het wisselen van hare daagsche kleeding voor een overkleed en regenfalie van steviger en minder sierlijke stoffe. Het was wel blijkelijk, dat ze gansch moede was, want ze wierp zich in hare zit te en eischte eene teug kruiderwijn, die ik ook bracht, zooals vrouw Teresia weet, die mij den eigen beker van onze meesteres gevuld langde van de credenztafel. Gezegde mijne Jonkvrouw dronk herhaalde reizen, zeker in verstrooiing, want ze keek altijd met starre oogen recht vóór zich, als eene, die in den slaap wandelt. Ik bad haar liever luid op hooren krijten; daarop was het of ze eensklaps weêr bij zinnen was, want ze zeide tot mij, goedig en vriendelijk, als altijd: » »Griete! ik verreize van mijn Huis… voor langen tijd vreeze ik, gij zult mij vooreerst niet volgen, maar daarna als ik zelve wete, waar de Heer mij heenleiden zal; neem tot geheugenis van mij de armbanden en hangers, die ik altijd gedragen heb, en mocht ik niet keeren… kind! houd u bij uw geloof… ik geef er veel voor, en toch, het rouwt mij niet… schoon ik voel wat ik geef! Keere ik niet Griete! zoo zijt gij verzorgd in mijn testament, gelijk ook de anderen.” ”

»En rijkelijk! dat is waar,” sprak Teresia tusschen de tanden.

»Zij liet toe, dat ik haar de handen kuste, en daarop hernam ze zeer mat… »eene zonderlinge loomheid drukt mij de leden, ik moet ietwat rusten… ik wil het op mijn eigen rustbed, het zal voor het laatst zijn…” ” Ik hielp haar daarbij, en daarna gebood ze mij te gaan en haar op te wekken na middernacht. Toen ik op dat uur keerde, vond ik Mejonkvrouw in zoo rustigen slaap, dat ik uit medelijden nog een poos afliet haar te storen; maar daar zij het geboden had en het al gereed was, en daar haar wel dierbaar leven er aan hangen kon, overmocht ik mij zelve en hield aan met roepen en nooden, dat al vergeefs was, totdat ik hare hand wilde schudden… en diekoud voelde als ijs…” Het arme meisje snikte en jammerde op nieuw bij de herinnering. Gnapheus had inmiddels met scherpe blikken op Teresia gezien, die met de oogen neêrgeslagen ijverig had gebeden en eindelijk sprak:

»Alzoo is dan het uiteinde geweest van de laatste loot der Lauernessen… nu, de Heiligen zijn geprezen! Zóó is het beter, dan of ze gevallen waren in de handen van den kettermeester, of volhard bad, een lang leven door, in de zonde der ketterij. — Nu! ik zal voor eene uitvaart zorgen, niet minder rijk en prachtig in aanzien van de conditie, waarin zij leefde, dan die van onzen zaligen Heer, den schoonen Koning Philippus. — Griete! laat terstond twee knechten opzitten en naar het klooster van Maliëndaal rijden, om den Pater Biechtvader te nooden hierheen te komen. Er is wel priesterzegen noodig bij een lijk als dit.”

»Moeder! Mejonkvrouw is gestorven in de belijdenis van Luther’s leere,” sprak Enriquez.

»Hoe weet gij dit, knaap! Griete; ga, van nu aan heb ik hier te bevelen.” De jongeling scheen nog willens zich te verzetten, schoon het meisje ging.

»Laat ze naar hare eigen zinnelijkheid dit lichaam voorzien,” sprak de Gnapheus, »de ziel is toch reeds de macht van den Priester ontvaren…”. Toen wierp hij eenen langen smartelijken blik op de doode, wier voorhoofd hij kuste. »Zoo, vaarwel; liefelijk omkleedsel van eene uitnemende ziel, die, zoo God wil, eenebetere welkomst is bereid in den Hemel, dan mijn afscheid zijn kan op aarde… Ik moet heentrekken! zoo ge te behouden waart geweest met mijnen dood, ik had mij in uwe plaats gesteld; maar nu… ik heb moeder en zuster… Enriquez, broeder! Ook gij, vaarwel! vergeet u niet in morrenden rouw, die straffelijk is voor God… Gij zijt immers onschuldig aan deze ramp…”

»En wie niet? vroeg Teresia bits.

»Ik heb mijne overtuiging; radix omnium malorum est cupiditas!” sprak Gnapheus bij zich zelven, en daarop luid tot de Spaansche: »Vrouw! bewaar uwe nieuwe rijkdommen wel, ik wenschte niet te betalen, wat ze u kosten…” en hij verwijderde zich haastig.

»Aartsketter!” was al wat Teresia wist uit te brengen.

Toen schoot Enriquez toe op zijne moeder. »Moeder! kan het waar zijn, wat die man zegt? hebt gij dat gedaan?” en hij wees op de doode.

Teresia antwoordde niet, zij stond dáár, als aarzelde zij een woord uit te spreken, dat haar op de lippen brandde.

»Moeder; spreek en zeg neen! want zoo waarachtig ik in God geloof, ik zal zonder verschooning zijn, al zijt gij vrouw, al zijt gij die vrouw, waardoor ik het leven drage. Moeder! antwoord toch, vloeit er ook niet Spaansch bloed in mijne aderen? en gij weet van de onzen, dat zij de wraak prijzen boven de lijdelijkheid.”

»Mijn geheim weet ik alleen en zal ik blijven bewaren,sinds gij niet waard zijt het te kennen,” riep zij.

»De bekentenis is voldoende!” riep de jongeling. »Ottelijne; dierste meesteres; gij zult gewroken worden,” en hij drong dichter en dreigend op haar aan.

»Ave Maria; Jezus! hoor ons! Christus! verhoor ons! Heer! ontferm u onzer!” gilde Teresia.

»Wel past het u te bidden, vrouw! want uwe uur zou gekomen zijn, zoo ik geen Evangelisch Christen ware,” voegde hij er langzaam bij.

Donna Teresia herleefde, zij zag den korten. handdegen in de scheede terugglijden. »Dwaze en booze zoon! denkt gij op moedermoord? gij zoudt deze doode opwekken door uwe zonde, uwe moeder heeft veel voor u gedaan, en gij…”

Het binnentreden van den Pater-biechtvader stoorde haar. De knechts hadden niet ver behoeven te rijden om hem af te halen, reeds was hij nabij het huis. In den nacht zich niet ontziende den tocht te doen, om de Jonkvrouw, zijne weldoenster, te waarschuwen, dat de vervolgers in aantocht waren en niet eens zich de rust van den nacht zouden gunnen, om bij het dagen op Lauernesse te zijn.

De eerwaardige man zag met eenen strengen blik op de Spaansche. »Vrouw Teresia! is hier eene misdaad gepleegd, of is dit de vinger Gods?” vroeg hij ernstig.

»Pater! ik zal den armen rijkelijk schenken van de kettersche goederen, die nu aan mij vervallen zijn, en de Kerk…”

»O Heere God! ik wil geen deel hebben aan de overwinst des duivels,” riep Enriquez en stormde de deur uit.


Het was eene akelige, sombere plaats de grafkelder der Lauernessen, met een verwulf, dat de zerken hunner bidkapel raakte en eene bevloering van leisteen, die dieper lag dan de fondamenten van het huis; eene plaats, afgesloten van de aarde en ver van den hemel, waar nooit een menschenvoet zich waagde, of het moest zijn om zijns gelijke ter laatste woning te brengen; waar geen levende verblijven kon, dan met huivering en killen schrik; om en rond overal de teekenen van dood en vergankelijkheid, zoo het oog in het stikke duister had kunnen zien, lange rijen kisten, in looden hulsels langer gewaarborgd tegen worm en rotting, om hier afgesloten te worden en vergeten, die allen de geraamten inhielden van menschen, die geleefd hadden, menschen uit vorige eeuwen misschien, die hartstochten hadden gekend, begeerten nagejaagd, deugden geoefend, smarten geleden, ondeugden gepleegd, die lief gehad hadden en gehaat waren geweest, die macht hadden bezeten en geweld geoefend, en die toch allen waren geëindigd met de doodkist. Voor het oog. der ziel en voor het oog des lichaams was het eene akelige, sombere plaats! Maar het was ook een akelig somber schouwspel dat er te zien was, vreemd zoowel als vreeselijk; het was geen verblijf voor levenden, en toch verwijlde eene levende hier tusschen de dooden, want zij leefde wel, die vrouw, die, half overeind gerezen, met den linker elleboog geleund tegen den kant der kist, met strakstaand oog in het rond staarde, als had haar blik door het duister willen heenboren; maar eene levende was het toch; met de witte lijkwâ bekleed, met den doodkrans der maagden op het voorhoofd, en die men tot rust gegeven had de harde planken, die alleen der dooden jeden niet kwetsen. Een diepe zucht ontsnapte haar, en daarop het hoofd neêrbuigende op de hand, scheen ze willens in den loom en slaap terug te zinken, waaruit ze nauw was ontwaakt, toen plotseling een schitterende straal van licht haar de oogen trof, die zich heenwendden naar het schrille schijnsel. Het was veroorzaakt door eene fakkel in de hand van eene, die naderde, en die het tooneel verlichtte, schoon niet vervroolijkte; het was de kleine, onbehagelijke gedaante van Teresia, die misschien alleen op deze plaats in haar versleten rouwgewaad geenen glimlach afperste; zij droeg nog eene kleine kruik en een kistje, dat vrij zwaar scheen, te oordeelen naar de wijze, hoe zij het hield. Langzaam daalde zij de twintig trappen af, nadat zij de deur van het gewelf omzichtig gesloten had; daarop was ze snel bij: Ottelijne!

Mijne lezeressen hebben die uitkomst verwacht; met de ondervinding van 1000 en…? romans vóór zich, konden ze op zoo iets verdacht zijn, en ik durf hopen, dat ze genoeg goeden dunk van mij hadden, om mij niet voor de onbandige te houden, die hare heldin laat sterven in het XXVste Hoofdstuk, daar het boek eerst met het XXXste eindigt. Geloof mij, ik had Ottelijne niet opgegeven, al had ik olifanten of hippopotamussen laten aanrukken, juist bij tijds, te harer redding, of eenen enkelen paladijn de wonderen laten doen, die zeven en dertig anderen te zamen nauw verrichten konden; al zou ik er beesten op hebben laten africhten, of zevenarmige menschenrassen voor uitvinden… en die dood, die niets meer was dan een lange, diepe slaap, heeft, hoop ik, niemand verschrikt; maar tegelijk ook, hoop ik, door niemand verdacht te worden van op dien schrik gerekend te hebben; zoo die in mijn doel lag, had ik nog wel een ander middel gevonden om dien aan te jagen. Slechts heb ik mijne jonkvrouw bestemd andere lasten te dragen, dan die haar op Lauernesse konden drukken, en daartoe moest de list der hebzucht het middel geven.

Teresia bracht hare kruik aan den mond der ontwaakte, die veel dronk en daarop sprak: »het is goed dat gij water brengt, het is mij dor in het verhemelte, als sloeg de tong tegen hout, en toch, ik zorgde, gij zoudt niet wederkeeren.”

»Ge kondt betere gedachte hebben van eene, die u zelfs in den dood niet verliet.”

»Het is zoo, liefderijk en vroom waart gij biddende bij mijne kist, toen ik… ontwaakte, zooals gij het noemt… met een gevoel van bange benauwdheid in die engte…”

»Ge kunt denken, of huiverige ontsteltenis mij aangreep, toen ik beweging hoorde… Uw goed luk wilde, dat het mij terstond inviel geen gerucht te maken, waardoor gij zoudt verloren zijn geweest.”

»Hoe toch? mijne bedienden zijn geene verraders!”

»Zouden zij zich weten te verbergen? hunne vreugdigheid en hunne verwondernis konden achterdocht wekken; maar zonder dat, boven uw hoofd zijn de meesten uwer vassallen bijeen; de Pater biechtvader houdt eenen bidstond voor het heil uwer ziel… De kapel is tot nieuwe heiligheid gewijd… en…”

»Spaar mij dat!” riep Ottelijne, »en zeg mij, is het nacht of dag?”

»Het is het schemeruur; gisteren, om dezen tijd, werdt gij nog met de levenden gerekend.”

»En nu voortaan met de dooden!”

»Zoo gij uwe veiligheid verzekeren wilt, ja! de officiaal is nog hier met zijne klerken, en niemand weet, wanneer hij heentrekken zal. Lacy! waar ik op gehoopt had, is niet gebeurd: hij wil zijn deel van uwe nalatenschap, bij wijze van boete, en daarvoor blijft hij wacht houden tot men uit Utrecht beslist zal hebben. Het heeft moeite gekost, uw lijk (dat we er voor hielden) van smadelijke handelingen te weren, hij weigerde u een eerlijk graf bij uwe vaderen, tot het mij eindelijk, met hulp van den Pater, die antwoordde, dat gij u stervende kondt bekeerd hebben, geoorloofd werd u hier te laten bijzetten zonder omhaal van plechtigheden, iets, dat we prijzen moeten, aanziende het nu ter uwer redding strekt. Maar blijf niet als eene vertwijfelde daar zitten en vat moed en hope; zie, ik heb kleederen voor u gebracht en al wat ik voor kostbaarheden geborgen heb voor de waakzame oogen des officiaals… ook gereede penningen in deze beurs, die u strekken zullen tot teerpenningen op reis, tot tijd en wijle toe, dat gij u met naam en persoon weder vrijelijk vertoonen kunt.”

»Dat zal wel nimmer zijn, of ik moest nu in dit oogenblik met u gaan, mij toonen en hun bewijzen, dat ze gedoold hebben.”

»Dat zou zijn den schijndood gemeden te hebben, om den werkelijken in den mond te loopen; aan de weinige barmhartigheid, die ze der doode getoond hebben, zult gij weten; wat ze der levende zouden doen. Veel beter dient u de vlucht — waartoe ik u (de Heiligen helpende!) denk te vervorderen.”

»Het is duidelijk, dat de Heer mijne vlucht niet heeft gewild, die verhinderende door eene zoo plotselinge krankte.”

»Het is nog duidelijker, dat de Heiligen Uwen dood niet willen, daar ze u als opgewekt hebben uit het graf.”

»O! dat ik er in gebleven ware!” zuchtte Ottelijne, in tranen uitbarstende, »wat zal ik nog in het leven… en ik rustte daar zoo kalm! O! veeleer welkom was mij nu nog den marteldood, welke zij daar boven mij zouden bereiden, dan levende als eene gestorvene rond te sluipen over de aarde…” Een oogenblik bleef ze zoo mijmerend en liet het hoofd rusten op Teresia’s schouder; daarna vouwde zij de handen als in het gebed, en sprak met grootsche berusting:

»Maar het is ons niet gegeven ons eigen lijden te kiezen. Niet mijn wil, Heere! maar de Uwe!” Toen hief ze zich moedig op uit de doodswoning, en deed zich door Teresia de lijkwâ verwisselen voor het gewone vrouwengewaad.

»Waar is Enriquez, weet hij?” vroeg ze.

»Spreek mij niet van mijnen zoon, hij is mijn huis ontvlucht met eene betichting op mijne eer, die mijne gebenedijde patronesse door uw herleven logenstraft… Hij meende, dat ik u gift gemengd had…” en zij zag Ottelijne van ter zijde onderzoekend aan.

»Zijne warme vriendschap voor mij heeft hem verblind, ik weet, dat gij daaraan onschuldig zijt; de schokken van zoo smartelijk eenen dag hebben mij dien overval voorbereid… maar nicht Teresia! opdat ik van u scheide zonder eene booze ver: denking op iemand die mij, in dezen, goede zorg betoonde: wie heeft mij bij het Hof van Utrecht verklaagd? zweer mij, dat gij het niet zijt.”

»Zoo waarachtig moge mij de Heilige Maagd met voorbede bijstaan in nood en dood, als ik daaraan onschuldig bl;n… wie het zijn mag, weet ik niet, maar wel dat reeds onder Bisschop Philips zulke aanklachten tegen u gericht werden, die toen niet gehoord, nu zonder genade of verschooning zullen zijn aangenomen…” sprak Teresia, en zij kon zoo spreken: niet middellijk had zij er nu of toen de hand in gehad, maar dat ze soms haren nood had geklaagd, luid en veel, over de gruwelen der ketterije, die ze dagelijks op Lauernesse zag voorvallen onder hare vrienden en bekenden, onder leeken en priesters, in de kloosters, waar ze biechtte, en in de kerken, waar ze de preêkheeren hooren ging… dat ze in de laatste dagen bovenal kwistig was geweest met die geruchten, dat zeker, was een natuurlijk gevolg van de vele ergernis. die haar gegeven was, en geenszins met opzet gedaan, om den officiaal op zijnen buit te wijzen. Neen, zij had hare weldoenster niet verklaagd, dáárop kon ze met een gerust geweten zweren, dát konden alle menschen getuigen, onder welke zij vrijmoedig het hoofd durfde opsteken, als men van deze treurige gebeurtenissen zou spreken!

»En, meester de Volder! is hij het ontkomen?” vroeg Ottelijne met iets angstigs in de stem.

»Die heeft niet gewacht tot uw lijk koud was, om zich weg te maken,” antwoordde Teresia, altijd bitter.

»De hemel zij gedankt! met hem was er te veel verloren.”

»Ik acht hem niet behouden, als hij oostwaarts opgegaan is, zooals zijn voornemen was; het volk van den Gelderschman blakert en moordt aan die zijde van het Sticht, en des Bisschops benden trekken er heen en weder…”

»Zoo zal het ook mij ongeraden zijn op mijn Jachtslot in Eemland de wijk te nemen, zooals mijn voornemen was.”

» Voorzeker i!let! Ge moet naar de Hollandsche zijde heen; gij hebt immers vrienden in Holland en bij menigte, van uwe sekte……”

»Wien ik welkom zijn zal, en ik wil dan in Gods naam den tocht aanvaarden… Teresia! hebt gij den sleutel, die mij uitgang geeft door de gewelven heen naar de buitenzijde van dit huis?”

»Hier is hij. Maar Jonkvrouw nicht! neem eerst nog wat uwe rust; zal ik u spijs bezorgen?”

»Het is mij beter onder Gods vlijen hemel, dan in deze vreeselijke schuilplaats; ook zegt gij, dat het schemering is, dat is het beste uur voor vluchtenden. Zoo verkapt als ik nu ben, alleen en zwervende, zal niemand mij herkennen. Ik zal eenen wagen eischen in eenige dorpers woning waar ik vreemd ben.

En nu ga, Teresia! Uw afzijn mocht opgemerkt worden; hoor alleen dit woord nog van mij en acht er op, als kwam het uit eenen veêgen mond. Van nu aan vervult gij mijne plaats, gij hebt die begeerd… het zij zoo, ik heb mijn hart losgemaakt van het aardsche, bezit die in de vrede; de tijd, dat ik haar zal kunnen terugvragen, is nog verre; zoo die ooit naakt! maar daarom ook, behandel de mijnen billijk en liefderijk, wees barmhartig voor de armen en niet hard voor de dienenden, uw geloof leert dat, zoowel als het mijne; gij weet, nooit spaarde ik mijn goud voor de behoeften van anderen, handel gij niet anders! in uren, zooals ik ze te dezer dagen gekend heb, zult gij er de vruchten van smaken, en wat alles besluit, van al het mijne ontneme ik u niets, dan mijne lijfsieraden; maar ter verantwoording zult gij geroepen worden van dat vele, eenmaal zeker! door eenen Rechter die,. alleen genade teruggeeft voor liefde! Houd u daarop bereid! ”

»De Heilige Teresia zij mijne getuige, dat ik op vele goede werken peize, Jonkvrouw nicht!” sprak de Spaansche met eenige verlegenheid, terwijl zij het teeken des kruises maakte, »en ik zal u nooit vergeten in mijn gebed.”

Ottelijne zuchtte: .Laat mij de fakkel…… en nu, vaarwel! dank voor uwe laatste diensten!” En die twee vrouwen drukten elkander de hand ten afscheid, de eene met verhevene vergevingsgezindheid, de andere met eene mengeling van schuwen schroom en weêrhouden zegepraal. Was het werkelijk medelijden, of sprak de overtuiging van de grootte des offers baar zoo sterk aan? maar Teresia riep met eenen zweem van welgemeendheid in den toon, toen ze Ottelijne met eenen overspannen haast den weg zag nemen naar het gewelf, dat ten uitgang leidde, zonder omzien of aarzelen: »Wat ze veel verlaat voor deze ketterije! Och! of ze er nog van terugkeeren kon ter goeder ure!”

De dikke wolken, niet meer door stormen voortgezweept, stortten nu van uit haren neveligen schoot eenen rijken overvloed van lang vergaarde dampen over het aardrijk uit. Een sterke stortregen plaste neder en veronaangenaamde, met den dubbelen last van koude en vocht, den tocht van wie als voetganger in het halfduister voortliep op het breede voetpad, dat heenvoerde naar het Nederstichtsche dorp Odijk. Hoeveel te zwaarder moest die weg vallen aan de eenzame vrouw, aan Ottelijne, die, gewoon aan al de gemakken der weelde van haren tijd, met de smartelijkste gewaarwordingen in de borst. met bet uitzicht van al het hare te verlaten voor altoos! daarheen schreed te voet en zonder geleide, in een weer, waarin ze hare paarden zou gespaard hebben, en op eenen tijd, waarop zij, zonder de hoogste noodzakelijkheid, geenen bediende zou uitgezonden hebben. En toch moest zij zelve nu voort op dat pad, in dat uur, in dit weder, beladen met den kleinen schat, dien ze vroeger als onnoodig sieraad met lichtheid droeg, zonder er aan te denken, en dien zij nu met moeite torschte als haar éénigen rijkdom, om te strekken tot vervulling harer noodigste behoeften. Ja! de martelares van het Lutheranisme had wel zeker alles voor hare geloofsbegrippen geofferd en zij zou van dat offer al de gevolgen smaken. De nicht der Bisschoppen, vermaagschapt met den besten adel, had geene bloedverwanten meer. De vrouw van Lauernesse had geenen naam meer en geen Slot. De schoone, jeugdige vrouw, die zooveel dienende ridders had kunnen hangen aan den wenk van haar oog, had nu op zoo droef een tocht niet éénen geleider; want ze had geene schoonheid meer en geene jeugd, want ze was dood, en wie zou haar tellen onder de levenden? De meesteres van een huis, dat altijd de mildste gastvrijheid had verleend aan vreemden, was nu bekommerd, of er wel in het dorp, waarop zij toeging, voor haar een nachtverblijf zoude wezen en bijstand om verder te komen.

O! uit de zaak, waarvoor zij dat alles droeg, onafhankelijk van het zielelijden, dat zij daarvoor reeds op zich genomen had, moest wel veel kracht kunnen geput worden en veel geestdrift, om niet liever nog om te keeren, om geluk en rijkdom en al het verlorene weder te vinden met ééne enkele daad! Want o! indien Ottelijne had willen herleven als Katholieke, hoe menige machtige vriendenarm had zich naar haar uitgestrekt en hoe licht ware het geweest haar te redden van den toorn des Bisschops en van de lagen der hebzucht! en toch geen zweem van zulk eene gedachte kwam op in hare ziel; en hoe zou ze zich zelve veracht hebben, zoo die in haar had kunnen opkomen! Zij bracht haar offer geheel en vrijwillig zonder laffen rouw of zijdelingschen terugblik, of beschuldigende wanhoopskreten, maar ook zonder overmoedige gevoelloosheid, zonder Stoïsche verstomping. Op eene weeke borst was het, maar op geene verstaalde, dat zij moedig de slagen opving, die ter beproeving zouden zijn van hare krachten, van haar geloof: ze waardeerde wat ze gegeven had; maar om Christus’ wille gaf zij het gaarne, gelijk zij van Dezen kracht afbad, om het te ontberen; want, waarlijk, met meer blijmoedigheid op dit duistere pad, ware zij den marteldood te gemoet gegaan, dien zij ging ontvluchten; weinige oogenblikken van opgewonden geestdrift waren dan genoegzaam geweest voor eene grootsche overwinning; maar zich onderworpen te zien aan vele en velerlei ontberingen, groote en kleine, altijd wederkeerend, de lijdzaamheid afmattend, het geduld uitputtend, die meer neêrbuigen dan verheffen, meer tergen dan aansporen, meer vernederen dan louteren, dat was wat eene aanhoudende, eene duurzame poging der ziel vereischte en eene onverwrikte vastheid des geestes; maar Luther’s woord had haar geleerd niet haar eigen kruis te kiezen, maar het kruis van Christus gewillig op zich te nemen, en met verheven kalmte had zij het zich op de schouders geladen en ging het nu torschen. Nog een ander denkbeeld gaf de ootmoedige vrome gelatenheid: door opvoeding, door gewoonte, door gemoedsaard, door lichaamsgestel zelfs, was Ottelijne gehecht aan de verpleging, aan de genoegens, aan de heerschappij, aan de eerbiedenis die zij nu afstond; zij was zich bewust van die gehechtheid, van die natuurlijke overhelling tot zingenot, en de gedachte, dat zij het mindere misschien te veel had lief gehad, dat daarom dit offer van haar werd gevergd, deed haar zich deemoedig buigen, als voor de roede der kastijding van eenen liefderijken Vader, maar die ook de Alwijze was, en die zijn feilbaar kind verbeteren wilde, niet — straffen.

Dat bij dit alles nooit sterveling meer verwijderd kon zijn van de stemming, die men vroolijkheid noemt; noch tevens meer ver van die der wanhoop, begrijpt zich van zelf.

En het was een tocht van bij de twee uren, dien zij had af te leggen; de afstand van Lauernesse en Odijk was, door de zijdelingsche ligging van het Huis, even ver als die van Utrecht naar het dorp. Dichter sloeg de Jonkvrouw het lange regenkleed over hoofd en schouders tegen de snerpende droppels, die haar het teêre vel teisterden. Schoon komenden lichter vervolgers konden geweest zijn dan helpers, zou haar de ontmoeting van een menschelijk wezen welkom zijn geweest; maar er kwam niemand, om het eenzame van den weg met haar te deelen. In het eind was zij bij de eerste woning van het dorp genaderd, daar zij wel hopen kon onbekend te zijn. Sidderend bij die eerste handeling in haren nieuwen toestand, lichtte zij den klinkring der deur… Eene vrouw kwam toeloopen en verleende op de eerste bede, de gevraagde schuilplaats. Toen zij was binnengetreden, zeiden het haar de nieuwsgierige blikken van het boeren echtpaar, dat hare kleeding (schoon het de eenvoudigste was, die men had kunnen kiezen, toch altijd die van eene edelvrouw) bij hare verlatenheid, zoo al geene verdenking opwekte, ten minste tot de vreemdste uitleggingen aanleiding geven kon, en dat deze menschen er heimelijk het hunne van dachten. Ze waren echter licht te bewegen tot eene overeenkomst, waarbij zij Ottelijne bij het aanbreken van den dag naar Kuilenburg zouden brengen met hunnen marktwagen, en tot zóólang zoude deze in hunne woning vertoeven en rust vinden. Toen dat besloten was en een goede prijs bedongen, noodde de vrouw, die met geene kinderen gezegend scheen, haar gulhartig uit aan het gereed staand avondmaal deel te nemen. De Jonkvrouw wenschte het, en voor het eerst zette de dochter der edelen, uit behoefte, zich neder aan de tafel van vreemden, van geringe huislieden. Bij het tafelgebed, dat toenmaal niemand verzuimen zoude, leenheer noch dienstknecht, maakten man en vrouw aandachtig het teeken des kruises, dat de Roomsch-Katholieke kerkwet voorschrijft en dat Ottelijne naliet, hetzij uit ongewoonte, hetzij uit beginsel; de vrouw had dit verzuim opgemerkt en stootte haren man aan. »Eene vrome Christin is het niet,” fluisterde zij hem ter zijde in.

»God beware ons voor den vloek der ketterij over onze tafel!” sprak de man halfluid, en daarop tot Ottelijne gewend:

»Hebt gij geen kruis ten beste voor de eer van den Gekruiste? wilt gij biddende niet gedenken aan de martyrisatie van Zijne zoete leden, zoo zijt gij mede van de Lutheranen en de ketters, waar Gods vloek op rust, die de Kerk uitbant en waar een vroom Christen niet meêverkeeren mag zonder schade voor zijne ziel.”

»Ik hoor tot de Evangelischen, gij hebt het geraden,” hernam Ottelijne, een weinig ontsteld door die toespraak; »maar laat ons de religie daar buiten laten, sinds wij beiden leeken zijn en gij mijn gastheer.”

De vrouw nam haren rozenkrans en verschool zich in eenen hoek bij de bedstede, waar zij het dichtst was bij het zuiverend wijwater; de man stond driftig op.

»Uw gastheer! met oorlof, vrouw! den langsten tijd ben ik het geweest. Ketters, duld ik niet onder mijn dak; wie met serpenten huist, krijgt van den venijne; kwâ zelschap doet dolen; men is besmet, eer men het gist, en onze Heer Pater zegt met vroed vermaan: » »op wegen en straten mijdt, de ketters en groet ze niet op de merkten, veelmin geeft ze wijkplaats in uwe huizen!” ” daarom verlaat het mijne met haaste.”

»Dat zooveel hupschheid van tronie zooveel aâlweerdige boosheid dekken kan!” riep de vrouw, het hoofd schuddend.

»Wat is het u, menschen!” sprak Ottelijne, »dat ge dus verdwaasde begrippen voedt omtrent de Evangelischen? hoort naar mij.”

»Niet hooren, vrouw!” riep de man, »stop u de ooren tegen de ranken dezer verzoekster. Zij zijn allen rad van tong, en wijven kunnen nu doctoren omzetten, als de Pater in het sermoen heeft gezegd. Maar mij zult gij niet te sneeg zijn, of St. Nicolaas, die de patroon van ons dorp is, in zulker voege, dat wij zelfs zijn eigen Hoogheilig beeld in het wapen voeren, moest ons wel ganschelijk verlaten hebben.”

»En ze staat dáár als de blanke onschuld zelve,” viel de vrouw weer in; »als het kwaad schuilt onder zoodanige aanlokkelijke gestaltenis, is het niet vreemd, dat de Allerheiligste Moedermaagd het met bloedige tranen beschreit, als geschied is in vele kerken van het landschap Holland en elders.”

»Nu voort, vrouwe!” gebood de man, toen Ottelijne nog besluiteloos staan bleef, als begreep ze niet, dat men haar werkelijk huisvesting weigerde: haar, die gastvrijheid had geoefend aan iederen vreemde; misschien dacht zij er aan, hoe de hooge Heer van Vianen, aan wien de Heeren van Odijk en Beverwaard leenplichtig waren, het zich eens eene vreugde zou gerekend hebben, haar op zijn Slot als gast te mogen inleiden… en nu, deze vassal van zijnen dienstman verstiet haar met norschheid!

»Neem van mijn brood mede zooveel het u lust,” vervolgde de boer, »den honden weiger ik het niet: slechts verlos ons van de plage uws bijzijns, zoo gij niet wilt dat ik u erger bejegene.”

»Dat dan een uwer knechts mij met eene kar heen brenge naar Culemborg, ik zal drievoudig den prijs geven, dien gij bedongen hebt.”

»Het ware beter, dat gij uw geld besteden gingt in goede werken en om aflaat te koopen. Wij willen geen accoord met Satan en de zijnen; uwe muntspecie kon wel van de soort zijn, die in dorre bladen verandert, als men ze gebruiken wil, zooals meer geschied is.”

Bij zooveel hardnekkig vooroordeel en dompig bijgeloof was aan overtuigen noch verbidden te denken; ook wendde zich Ottelijne verslagen naar de deur, en verliet de hut der onverdraagzaamheid. Zij voelde zich zoo uitgeput en zoo ongeschikt om zonder rusten voort te gaan, dat zij het als eene gunst des Hemels zoude hebben aangezien, als op dit oogenblik Bisschoppelijke trawanten haar gegrepen hadden en zich met haar vervoer belast; zij vond geenen moed op nieuw dezelfde kans te wagen in dit dorp, en weer eene herhaling van hetzelfde tooneel te gemoet te gaan, en in eene herberg…… hoe onzeker of ze ook dáár nachtverblijf vinden zou, en zich blootstellen aan de beschimping, aan herkenning, wie weet wat nog, van de ruwe lieden, die dáár in drinkgelag mochten zijn; zij waagde het niet…… Met meer onvaste schreden, dan zij ze nog gezet had, sloeg zij, het dorp vermijdende, eenen anderen weg in; zij tastte rond met de handen, zij wendde het hoofd zoekend heen en weder, of daar niet ergens eene rustplaats zijn mocht; maar geene weldadige hand had tot der vermoeiden dienst eene bank opgericht, geene gedienstige storm had een boomstam omvergeworpen… ten laatste wierp zij zich neder op den vlakken grond… het hoofd geleund tegen eenen der knotwilgen, die hier den oever van den krommen Rijn omgaven, en vouwde de handen in den schoot. Toen greep eene moedeloosheid haar aan, zooals ze die nog nooit had gekend, en ze riep uit met de woorden van den Psalmist: »zijt mij genadig, Heere! want mijn hart is bange!”

»Ongelukkige! wie ge ook zijn moogt, die zoo klaagt; het is goed zich te berouwen op de genade Gods in alle nood!”sprak een voorbijganger, die haar genaderd was, zonderdat zij zijnen zachten tred over den weeken grond had kunnen hooren bij de hevige gemoedsaandoening, die hare aandacht afleidde.

»Mijn Heer en mijn Vader!” riep Ottelijne, die de stem herkende, en zij strekte de armen uit naar den Vicaris. Zij had hem niet weêr gezien na het korte oogenblik van treurige spanning in het Bisschopshof.

»Ottelijne! gij, arm kind! wat zult gij hier… waarom niet vroeger gevlucht, ik heb u doen waarschuwen! Ach, de ure is dan nu gekomen, waarvan ik spelde, dat u alles verlaten zou; maar zoo schielijk! — en zoo verlaten, niemand met u; en nu, zijt gij wel moede? rust dan, dochter! aan deze borst, waarin altijd voor u een vaderlijk hart klopt.”

En hij knielde nevens haar en hij vlijde de moede tot zich.

O! hoe het haar toen wèl was!

En zij vond kracht, om hem alles mede te deelen.

»Wat begeert nu mijne dochter?” vroeg hij ernstig, »den raad van den priester of den troost van den vriend? de hulp van den vader is haar stilzwijgend toegezegd.”

»Achtbare man! gij weet, dat ik eens eene keuze gedaan heb, die mij de beste is gebleken, zelfs nog in dezen uitersten nood; het was zekerlijk zondig, mistroostig te zijn, omdat ik niet wist, waar te verpoolen bij zooveel jammers als tegelijk op mij viel; maar daarom verloochen ik mijnen Heer Jezus niet, noch betrouwe mij minder op Hem, die zelf geenen steen heeft gehad, om het hoofd op neder te leggen, opdat Hij ons eene ruime plaats zou bereiden in Zijnen zaligen Hemel. Is het niet reeds Zijne hand, die u tot mij leidde, mij ten troost? en daarom, zoek mij niet aan met Priesterlijke redenen, maar wil mij ten vader zijn en vriend.”

»God beware mij, dat ik eene overtuiging, zoo sterk en zoo wel beproefd, aan het wankelen zoude brengen! het eerste dat ons past, is u eene veilige en goede huisvesting te zoeken; daarom sta op, steun vrij op mijnen arm, zoo ge nog voort kunt gaan, het zal niet ver meer zijn.”

»Waarheen brengt gij mij, mijn Vader?”

»Waar ik zelf gehuisvest ben, bij den Pastoor van Odijk.”

»Bij den Pastoor…” herhaalde Ottelijne aarzelend.

»Wees gerust, Jonkvrouw! zóó lang zijt gij nog niet vervreemd van de Kerk, dat gij niet weten zoudt, hoe er in haren schoot, zelfs in deze jammerlijke tijden, nog Priesters gevonden worden, die de Christenliefde oefenen als den eersten Christenplicht. Zoo ik u voorstel aan dezen man als eene gast van mij, zal hij niet vragen, waarom en wie, en zoo ik hem zeg, dat gij Lutherane zijt, gevlucht voor vervolging, zal hij met zorgzaam medelijden op u zien en u iedere moeite sparen; mij immers betrouwt gij?”

Tot éénig antwoord nam zij zijnen arm; de eerwaarde man dwong haar, hem den last van haren kleinen schat af te staan, zoo. gingen zij voort, onder menigerlei vraag en opheldering.

»Maar, Eerwaarde Heer! hoe komt het zoo toe, dat gij hier waart, om mij te vinden in dit hachelijke oogenblik?”

»Ik ben verbannen en verdreven uit Utrecht.”

»Verbannen? gij, mijn Vader! kan dat zijn?”

»Ter zake van ketterij en gemeenschap met ketters,” sprak hij bedaard.

»Het is nauw geloofbaar, Heer! ketterij? gij, de rechtzinnigste Katholiek! Gemeenschap met ketters, gij…”

»Zou ik er op dezen stond zoo gansch buiten zijn?” vroeg hij glimlachend.

»Ondankbaar, onrechtvaardig Utrecht!” sprak Ottelijne.

»Geen verwijt aan mijne stad, zij is slechts de uitvoerende hand van ’s Heeren wil. Ik word geslagen door dat, waarmee ik zondigde; aan u, aan Aernoud, aan Paul misschien, heb ik verdiend…”

»Is het door ons…”

»Door Paul! Omdat ik hem tot u bracht, vind ik u hier dolend, omdat ik hem tot u bracht, vindt gij mij hier — banneling; het is de vinger Gods, en Zijne oordeelen zijn recht en altijd te prijzen! tot verklaring van dit alles is het nu de tijd niet; weet slechts, dat gij den Mansfelder met ons zult vinden.”

»O! de Heere is mij goed, en Hij geeft uitkomst boven bede en hoop,” riep Ottelijne verheugd; »ik zal Paul wederzien, den liefelijk gezegende, en hoe vergaat het hem?”

»Kwalijk genoeg! Schoon zijn geest lang het lichaam heeft opgericht gehouden en geweerd tegen zinken, heeft de zwakheid ten leste de sterkte overwogen; en of het ook geen ziekbed is, waarop hij nederligt, is hij toch zoo ganschelijk uitgeput, dat bij zelf overtuigd is van zijne onmacht om verder te gaan, dat hij zich aan mijne verpleging heeft toebetrouwd. Kind van vloek en jammer van zijne geboorte af, werd hem van der ouderen ondeugden weinig ten deel, dan zijns moeders deerlijke weekheid van lijf en hart, en zijns vaders dolverwatene koenheid van geest! kwaad eene vereeniging voor de gewone moeiten des levens; maar nu nog heeft men dien knaap in ’s levens eersten bloeitijd eenen last op de schouders geladen, dien een verbeend merg niet dragen zou zonder zwoegen, en hem een wapen in de teere hand gegeven, dat Luther’s gespierde vuist niet zwaaien kan zonder matheid te voelen; vreemd toch niet, dat de zwakke vingers het in het eind laten glippen.”

»Toch niet zonder het gebruikt te hebben, mijn Heerel toch niet zonder de vracht getorst lange te hebben, en gebracht, waar ze zijn moest. En te ontkennen is het niet. Paul heeft veel gedaan. en zoo dit geschied is met zijne zwakheid, mijn Vader! waar is dit het bewijs van?”

»In trouwe, mijne dochter! wij moesten wederzijds onze overtuiging niet opdringen, te meer, daar ons ginds de Pastoor nadert, die eene zieke is gaan vertroosten en wien ik te gemoet ging, om hem het moeizaam pad in duisternis en guur weder door vriendenkout te helpen korten.”

En nu wij Ottelijne veilig weten onder de hoede van twee geestelijke herders, moeten wij even terugzien op de wijze, hoe Paul zich met Vader Boudewijn had samengetroffen. — Ondanks zijne toenemende ongesteldheid, had de ijveraar voor de Hervorming met onverzwakte geestdrift en altijd sterker overtuiging, de leer die hij aankleefde, verkondigd en gepredikt, verbreid aan ieder oord, op elken tijd, in ieders bijzijn, met de blinde vermetelheid van een kind, dat geene gevaren ziet, of met de gewijde onverschrokkenheid van eenen profetenzoon, die, op Hooger Bescherming bouwende, ze trotseert, en de Voorzienigheid van het kind en van den profeet had hem ook geleid en gehoed, door zooveel als hem gedreigd had, en toch niet getroffen; in menige uitredding; in menige onverhoopte hulp; in menige vriendenwoning, ter juister tijd geopend; in menige vrouwenborst; door zijn voorkomen ingenomen; in menige mannenhand, door zijne zwakheid zelve overwonnen, zoodat hij, door gansch Holland heen, harten had geworven voor de nieuwe leer, en gemoederen toebereid, en hoofden opgehelderd en het denkbeeld er in geworpen, dat er later zoo menig profeet en martelaar zou vinden; menige, die wellicht hij had gevormd! en nooit had weer de kerker zich voor hem ontsloten, geestelijk noch wereldlijk gericht had zich met hem bemoeid, of immer was hij het ontkomen, maar de geweldige sloopende vijand in zijn binnenste, die omgekocht werd door jeugd noch schoonheid, die zonder medelijden was voor groote zielshoedanigheden en onvatbaar voor de overreding van zijn woord en voor de heiligheid van zijn werk, was altijd dáár, om aan zijne levenskracht te knagen. Meerdere aanvallen van zijne kwaal, telkens vaker herhaald, stoorden zoo menigmalen zijn werk, ontrustten zoo dikwijls wie om hem waren, ergerden zelfs zoo vaak wie hem geen goed wilden en maakten hem zoo zeker ongeschikt tot een ambt en een leven, waar het lichaam wel krachtig de ziel bij steunen moest, dat hij, die alles terugbracht op een en Hoogeren, eindigde met er de hand des Heeren in te zien, en, zijne eigen zucht met willige berusting verzakende, voor wat hij als Hemelsche aanwijzing hield, begon hij er op bedacht te zijn, zich terug te trekken, en daar hij het volk van Holland niet meer dienen kon met zijn woord en zijne voorlichting, daar anderen, uit den schoot zelven van dit volk, met de eigene geestdrift bezield en niet minder machtig van taal en van kennis, begonnen op te staan, om het werk op te nemen en te voltooien, dat hij hun moest overlaten wilde hij ten minste Wittenberg wederzien, de stad van zijn hart en van zijne jeugd, wilde hij ten minste sterven aan de borst van Melanchton of aan de voeten van Luther. Wel vestigde hij eenen matten blik naar het Noord-oosten, naar Gelderland, en bij dacht daarbij, hoe het zoet moest zijn op het eind van die levensreis, die zoo kort had geduurd en hem toch zoo had vermoeid, nog even uit te rusten aan het hart van eenen vader; maar de zijne had hem met een hard woord verlaten, en de éénige maal, dat hij met hem in aanraking was geweest, had hij hem moeten vertoornen door ongehoorzaamheid, en sinds had hij in den dienst van zijnen Hemelschen Vader veel en velerlei gepleegd, dat hem bij den aardschen misdaad moest zijn; en daar de vaderarmen zich niet zegenend naar hem konden uitstrekken, den vloek wilde hij ten minste niet komen uittergen. Hij gevoelde het, de Christen, Paul, dat hij, boven allen, los moest zijn van iederen band der aarde, en dat er veel was gedaan, om hem die ontbinding licht te maken. Geen moederoog had hem schreiend afgetroond van zijn pad; geene vaderzorg hem geplaatst, waar hij niet zijn moest, en door dankbaarheid vastgekluisterd; geene verwanten hadden het beste deel geëischt van zijne algemeene broedermin; geene vrouwenliefde had zijn hart ontrust en ontheiligd: hij had slechts zusters gekend, om lief te hebben, en zondaressen, om op te richten; de zinnelijkheid had in hem nooit zoo luid gesproken, dat hij haar had verstaan; lage tochten waren hem vreemd gebleven, zij hadden hunne plaats aangevuld gevonden eer ze opkwamen; zelfs een vaderland had geene aanspraak kunnen maken op zijne vóórliefde… het zijne had hij niet gekend, vóór hij geleerd had het te verzaken: alzoo had hij wel zeker geleefd als vreemdeling op aarde, en het had hem weinig strijds behoeven te kosten; maar benijdbaar was die toestand niet: ook al wat die banden zoets geven, had hij gemist, en alleen zijne krachtige vroomheid was het, die er hem het oog van af hielp wenden, om het vertrouwend naar dien Hemel te richten, die hem dat alles vergoeden zou.

Eenmaal besloten naar Duitschland terug te keeren, moest hij het spoedig uitvoeren, voordat misschien de gebeurtenissen in Holland of eigen krankheid het hem mochten verhinderen. Na een vaarwel aan allen, die er recht op hadden, en tot wie hij gaan kon, verliet hij het landschap, waar velen hem belangstellend en liefhebbend naoogden, om zich nog weder in dat Utrecht te wagen, waar hem altijd gevaren hadden getroffen of moeite. Hij moest het, hij had er nog zaken te regelen omtrent de erfmaking van Bisschop Philips; hij wilde den Vicaris wederzien en eenen groet afvragen voor Melanchton; hij moest nog een laatste woord van troost brengen op Lauernesse, en daarenboven, de Bisschopsstad lag in zijnen weg. Vader Boudewijn evenzeer getroffen door medelijden met zijnen toestand, als verheugd over zijn besluit, trok zich zijner aan met eene gulle hartelijkheid en eenen vriendschappelijken moed, waarbij hij alles vergat, wat hij tegen hem kon hebben. Maar de anderen hadden het niet vergeten. Het was juist in dien tijd, waarin het gemompel eener zekere partij over Lauernesse zoo luid werd, dat de Bisschoppelijke policie hare maatregelen nemen ging; juist in die oogenblikken, dat de haat den gewezen Vicaris met rust moest laten uit gebrek aan bewijzen, hoewel hij hem onderwijl brandmerkte met eene onbepaalde beschuldiging. Licht had de jongeling te Utrecht onopgemerkt kunnen blijven, slechts twee dagen zoude hij er vertoeven, en hij was het aan zijnen beschermer verschuldigd, door daad noch kleeding eene gevaarlijke aandacht tot zich te trekken. Maar beider noodlot wilde het anders. Gezamenlijk gingen zij over eene der markten van de Nieuwegracht; het gewone volksgedrang was nog vermeerderd door een aantal van samengevloeide nieuwsgierigen, van de andere zijde toegeschoten, om te zien, hoe de mannen er uitzagen, die door Bisschoppelijke krijgsbenden hunne stad werden doorgeleid. Het waren Geldersche krijgsgevangenen zwaarder geboeid en harder behandeld, dan men het krijgsgevangenen pleegt te doen. Maar ook zij en hunne makkers, die ontsnapt waren, hadden een klooster in brand gestoken in het Benedensticht, en zoo de Utrechtschen te laat waren gekomen, om de vrome broeders te redden, was het echter nog genoeg bij tijds, om dezen behulpzaam te zijn in de wraak op wie der vijanden hen in handen vielen. — Onder velerlei kwelling en ruwe beleediging, welke laatste zij trouwens, op hunne beurt niet verzuimden terug te geven, werden zij de stad binnengesleurd, en nu op het marktplein, onder voorwendsel van halt te houden, door hunne wachters aan de nieuwsgierigheid der menigte prijsgegeven. Terwijl de Vicaris met zijnen gast den woesten troep schielijk voorbijgaan wilde, werd de laatste door eenen uit hun midden opgemerkt, herkend en met eenen luiden vreugdekreet bij zijnen naam toegesproken. Dit lokte natuurlijk de opmerkzaamheid van al de omringenden op den aangesprokene, die, half verschrikt, half medelijdend, den woesten vriend naderde, die in zoo deerniswaardigen toestand nog zijner gedacht. Het waren de Capucijnen van St. Bernulphus, wier klooster het lot des oorlogs getroffen had, en die nu den gevangen vijand in triomf omringden en schuilplaats kwamen vragen in de Bisschopsstad, zoo gastvrij voor huns gelijken. Zij waren het, die mede Paul opmerkten; met eenen onuitsprekelijken triomf riep nu een der broeders: »Het is de Duitsche ketterprediker uit de Landsvrouw Maria. Ziet, hoe de eerwaarde Boudewijn thans den vriend niet verloochent.”

».Poorters van Utrecht! ziet, dáár is de Lutheraan, over wiens gemeenschap wij hem verklaagd hebben, eerst in het heimelijk voor den Hoogzaligen Heere Bisschop Philips, en, toen dit niet baatte, openlijk voor onzen tegenwoordigen Heere.”

»Wat ketterpreker! wat Duitscher!” krijschte de stem van Bertmann, den Gelderschen soldenier, »het is mijn lieve Jonker Paul, zoon van Gelder, niet minder dan Heer Karel, die zijns vaders wapen en kleuren voert.”

»Een Gelderschman! een vijand! een spion!” was terstond het antwoord op de goed gemeende, maar onvoorzichtige verdediging. »Gerechtigheid en straf voor den Gelderschen brandstichter, die ketter is!”

»Zoo komt het aan het licht, hoe de Vicaris ons verraden heeft aan Gelder.”

»En hoe geheuld met de ketters!” En terwijl dat alles meer uitgeschreeuwd werd dan uitgesproken, drong zich het joelend gepeupel al nader henen rondom de voorwerpen van het openlijk misnoegen, die, besluiteloos hoe te handelen, daar stonden zonder spreken of wijken. Had Paul zijne roerende stem willen verheffen, had de Vicaris zijn ernstig woord onder de menigte geworpen, misschien had de eerste zich eenen redder gewonnen en de laatste eenen zweem van den vroegeren invloed teruggekregen, maar het scheen beiden te zwaar eene taak en te vruchteloos de rede te richten tot eenen bevooroordeelden volkshoop. De Geldersche krijgsman had zich het hoofd willen verpletteren met de keten, van spijt, dat hij zijn pleegkind in die engte gebracht had, en herriep nu met al zijne macht elke bekendschap, terwijl zijne wachters hem wegvoerden, in vreeze wellicht, dat de gevangenen gebruik mochten maken van de opschudding, die volgen zou. »Den dompeldood voor dezen!” werd er gekrijscht, en twee forsche vuisten grepen terstond daarop Paul aan, die zich voortsleuren liet zonder tegenweer. Onder kreten en bij namen, even wild als onjuist, liep de gansche troep op den Vicaris toe, één zelfs strekte de hand naar hem uit… verwonderd misschien over zijne eigene vermetelheid… Vader Boudewijn zag den man aan met dien blik, die zoo zelden zijne betoovering had gemist, en sprak ernstig: »Van u had ik dit niet verdiend, Wouter Jansz!”

»Van hem noch van iemand, eerwaarde man!” sprak plotseling een persoon in deftig gewaad, die eindelijk tot van Heerdte was doorgedrongen en zich nu plaatste tusschen dezen en zijnen belager… »En zoo al, poorters van Utrecht! is het u gegeven uwe geestelijke Overheid te richten, en een en Heer aan het lijf last te doen, die zitting heeft in het koorgestoelte van St. Salvator?” De man die dit zeide, was Jacob Uit-den-Eng, op wien op dien tijd de wufte genegenheid der menigte zich gevestigd had en die van zijne tusschenkomst het beste hoopte. Maar de Utrechtenaars, door de Capucijnen opgehitst, waren niet in de luim, om naar andere stemmen te luisteren, dan die naar hunnen zin klonken. — »Wij hebben wel over anderen recht gesproken,” riep er een. — »En zijn zelve uitvoerders van onze vonnissen geweest,” sprak een ander. »Hebben wij zelfs niet Bisschop David uitgedreven?” voegden velen er bij. »Hebben wij niet nog jongster dagen onwaardige Kanunniken in zakken gestoken en den Lek tot graf gegeven? en zouden wij geene vrijmacht hebben eenen afgedankten Vicaris uit te bannen?” ontviel den spreker, eer hij er aan dacht.

»Ja! dat is een goed woord, weg met hem uit onze muren! Hij is de oorzaak van den Overstichtschen oorlog. Hij heeft de Geestelijkheid in eere en profijten verkort, het kleine volk gedrukt, St. Maartens erfgoed verpand!” en men begon den Eerwaarde al de fouten der vorige Regeering ten laste te leggen.

»Het is nog genade, zoo wij hem bannen! — Voort! Voort!” en zonder op Uit-den-Eng te letten, die nog zijne toespraak herhalen wilde, gingen ze den Vicaris grijpen. Maar deze sprak streng. als had hij nog macht onder hen:

»Gij zult niet de handen slaan aan eenen gewijden Priester. — Luistert eene poos. zoo de algemeene stem der Utrechtenaars mij uitbant uit deze muren, mij lief en zeer waard, ga ik vrijwillig en zonder dwang; de uitspraak van het volk zal mij de uitspraak van God zijn. Willens heb ik niet één en plicht verzuimd, zoolang ik onder u werkte. Der Heilige Kerk ben ik getrouw gebleven, ondanks de bitterste verdenking van het tegendeel, en zal dat blijven, al liet ze mij de straf der ketters dragen. De penningen van het Bisdom zijn door mij niet verroekeloosd. Van dat alles heeft men mij beschuldigd; doch niemand kost mij overtuigen. Maar de zwakke mensch heeft zijne fouten. Voor ééne enkele, die mij altijd zwaar heeft gewogen, zijt gij willens mij te straffen, en het mag naar recht zijn. De gemeenschap met Paul van Mansfeld heb ik nooit ontkend — hij is zonder schuld, hij handelde naar de inspraak van zijne conscientie — verschoont hem, maar mij — zegt mij, vrijen van Utrecht; heb ik zoo weinig goeds onder u verricht, dat gij mij uitbannen zoudt om eene enkele schuld?”

Een dof stilzwijgen was gevolgd, als scheen het volk besluiteloos.

Toen riep er een, die hun spreker scheen:

»Niemand vergrijpe zich aan dezen Boudewijn, maar dat hij onze goede stad mijde en niet meer verpeste!” Het volk scheidde zich uiteen, als om den gebannene doortocht te geven, die ook voortging met gebogen hoofd, als onder eene rechtvaardige boete, maar niet beroerd door eenige vermetele hand.

»Dat de Bisschop dit oordeel bekrachtigt, daarvoor zullen wij zorgen en onze Heer de Ridder!” riepen de Capucijner monniken, den trein sluitende, die den veroordeelde volgde.

»De andere ketter moet sterven,” schreeuwden een paar hunner.

»Hij zal wel genoeg hebben,” riep men van alle kanten; »want de deken der goudsmeden heeft zich met hem belast.”

Dat was ook zoo; maar het was een schrander beschermer geweest, die, handiger dan de Kanunnik, begrepen had, hoe hier alleen te winnen was met schijnbaar in te stemmen. Niet zoodra had hij zijne zwakke prooi uit hun gezicht gevoerd of hij riep zijne gildemannen om zich, waarbij zich voegden allen , die, in het heimelijk den Evangelischen toegedaan of zelve er toe behoorende, met leede oogen zijn gevaar hadden aanschouwd.

»Jongsken!” had hij toen Paul toegesproken, »ik ben de deken der Goudsmeden, mij heugt nog de avond op het Huis bij mijne vrouw Nichte! ik zeide u mijne jonst toe, hier hebt gij er een teeken van. Deze brave mannen en ik zullen u buiten Utrecht voeren, veilig en ongestoord; maar waag u daarin niet weêr, de St. Maartens-kinderen hebben booze buien, en niet altijd is er een vriendenarm ter hulpe vaardig.”

Zoo was het geschied, dat de twee mannen, zoo verschillend van levenswandel, zoo strijdig van denkwijze, zoo ongelijk in jaren, in stand, in gemoedsaard, de twee beginsels: dat van rust en van vasthoudendheid, en dat van beweging en van vooruitgang, het Katholicisme en het Lutheranisme, zich als lot- en leedgenooten samen vonden, na vele bange oogenblikken, buiten de Witte Vrouwenpoort van die Bisschopsstad, die aan den eersten zoo menigen zegen, zoo menig voorrecht dankte, en van den anderen een denkbeeld ontvangen had, dat eenmaal het geheele samenstel van hare maatschappelijke en burgerlijke regeling zou omverwerpen.

Aan eene vluchtige gedachte toegevende, was het Paul, die tot den Vicaris sprak, toen deze reeds den volgenden dag te Odijk, de Bisschoppelijke bekrachtiging ontving van het vonnis des volks: »Zie toch door welk eene wondervreemde toedracht van gebeurtenissen wij samen zijn! Wij beiden staan hooger en zien verder dan die allen, die wij dáár achter ons laten. Dáárom verbannen ze u en verwerpen mij, ze maken ons broeders; laten wij het ook ZIJN! Laat dat Rome varen; dat u verstoot… voor het minst niet handhaaft tegen uwe vijanden, dat u ontrouw noemt te midden der vasthoudendste trouw. Want zoo gij vroeger niet waart verlaten door den Bisschop en de zijnen, het volk zou nu geen en moed hebben gehad tegen u.”

»Broeder! wat de Bisschop en zijne raden pleegden, deed niet Rome, niet de Kerk. Maar gij kunt gelijk hebben. Ik wil het toegeven. Zij verzaakt mij, of zal mij verzaken, nu ik ellendig ben — doch — de moeder is oud geworden en hare krachten nemen af, en het zal niet gezegd zijn, dat de zoon, wien zij zoolang troost gaf en eere, door zijnen afval paar vernederen zal in haren ouderdom en eenen steun te meer ontnemen in hare zwakte, nu sterke en jonge vijanden op haar toekomen. Rome te verlaten, zooals Luther het deed, was de daad van eenen roekelooze, maar toch de daad van eenen held. Rome te verlaten, zooals ik het zoude doen, is de daad van den verrader, van den laaghartige! en hij, dien men voormaals den Vicaris van Utrecht noemde en die niets is dan Boudewijn, de banneling van Utrecht, zal niet zoo ongedachtig zijn der zeven wijdingen, die hem nauw binden aan de Kerk, dat hij niet zou sterven als haar eigen trouwe zoon!


Ingezonden op: 19 July 2001