EEN LEIDSCH STUDENT


I.

Niemand verwacht van mij studenten-typen, De auteur, die de specialiteit had van dergelijke schetsen, bestemde ze, zoo mijne herinnering niet faalt, voor een bepaalden kring, en wat mij aangaat, ik ben even incompetent ze te beoordeelen als na te volgen… en om terstond alle verwarring en alle teleurstelling te voorkomen, haast ik mij met de waarschuwing, dat de student, die hier zal worden opgevoerd, niet eens zou kunnen gegeven worden als type van de studenten zijner eeuw; want hij studeerde te Leiden onder exceptioneele omstandigheden, die hem als vanzelf afzonderden en onderscheidden van de overige jongelieden. Zijn later leven behoort tot het gebied der geschiedenis, doch op hetgeen ik kon te weten komen van zijne faits et gestes in zijne »jonge jeugd” en academietijd, stel ik mij voor een weinigje te fantaseeren, zooveel in mijn vermogen is, met getrouwe weerspiegeling van het kostuum en den geest van zijn tijd, en niet zonder acht te nemen op zijn karakter en hoedanigheden, zooals die zich later hebben getoond en ontwikkeld. Wie lust heeft mij daarbij te volgen, voere ik allereerst buiten Leiden, naar de zijde van Rijnland, op een van die weelderige najaarsdagen, zooals de September-maand er ons enkelen schenkt, om menigen guren lente- en schralen zomerdag goed te maken. Tot landelijke stilte en rustig natuurgenot nood en wij u echter niet. In het oud Hollandsche dorpje Valkenburg, waar wij u heenleiden, is zij heden niet te vinden; zij is vervangen door al het rumoer en gejoel en geraas, dat van dichte drommen dooreen wriemelende menschen en af- en aanrijdende wagens en paarden onafscheidelijk is. Op den heerweg, langs den Rijn, in het dorp zelf, en daar rondom trekken de menschenmassa’s af en aan in de bontste verscheidenheid. Stedelingen en dorpers, heeren en knechten, Staatsche ruiters, kooplieden, met leeren buidels over den schouder of als gordel om het lijf geslagen, lange zweepen onder den arm en voortstappend op zware laarzen, die tot de knieën reikten, Haagsche pronkers, Leidsche studenten, Delftsche boterkoopers, Haarlemsche renteniers, adellijke grondbezitters uit Rijnland en Schieland, kruisten, ontmoetten, verdrongen elkander daar te ieder stond. Men zou gezegd hebben dat al de stemhebbende steden van de machtige provincie Holland zich hier lieten vertegenwoordigen door eenigen hunner bewoners, dat het meerendeel der huis lieden van het Noorder- en Zuiderkwartier elkander hier afspraak had gegeven, ja zelfs dat geen der steden of dorpen uit de Geünieerde Provinciën verzuimd had eenige harer inboorlingen af te vaardigen; dat ook vreemdelingen, Duitschers, Engelschen, Franschen het de moeite waardig hadden geacht naar het Zuid-Hollandsche dorp heen te reizen, en zoo men er geen Spanjaarden aantrof, was dat alleen omdat de tachtig-jarige oorlog in volle felheid woedde, en dat een Spaansch gezicht, zelfs onder deze menigte, gevaar liep herkend te worden, en bijgevolg zeer slecht verwelkomd; maar wij houden het niet voor onmogelijk dat Spanjes belangen hier des ondanks in alle geheimzinnigheid door derden werden behartigd! En voorwaar er was reden voor die belangstelling en dien toeloop, het was: VALKENBURGSCHE PAARDENMARKT!

De oudste en meest beroemde paardenmarkt, zoo niet van de vier toen bekende werelddeelen, dan toch van de Vereenigde Nederlanden; eene markt, waarop honderden van paarden werden af- en aangevoerd, ten tijde van haar hoogsten bloei, en waarvan het dus niet te verwonderen is, dat zij een »ongeloofelijken toeloop van menschen trok, zooals Halma getuigt. Wilt gij het getuigenis van een dichter? Hoort, hoe Huygens het dorp Valkenburg sprekende invoert:

„Soo verr vier voeten gaen, vier voeten in ’t beslagh,
„Vier voeten in den dwangh van Ruyterlick gesagh,
„Soo verr men ringht en springht, onthaelt men de geruchten
„Van mijn September-feest en weldoende genuchten,
„Die mijne Peteren mijn aanstaen had vertelt,
„Sij hadden mijnen naem in Paerdenburg verspelt,
„Gelijck het koren ,gaet op, door, en uyt den moelen,
„Sou treck, soo send ick uyt het meer en minder voelen,
„Wat dunckt U, vreemdelingh van ’t wedersyds verstand?
„Heel Nederland vult mij, en ick heel Nederland.

Mistrouwt gij de poëtische voorstelling (want er zijn nog altijd menschen, voor wie dichten en verdichten hetzelfde is, en die eens voor altijd dichters als onpractische menschen bij innemendheid hebben gestempeld) en wilt gij plat proza, zoo luistert naar Burgerneester J. Orlers, die er van zegt:

„Op deze markt wordt eene groote menigte van jonge paarden , en een groot getal uitnemende rijpaarden, als: hengsten, ruynen, merriën en volens uit alle de omliggende steden en dorpen, inzonderheid uit Noord Holland en Vriesland te koop gebragt, en van vele paardenlkoopers gezocht en begeert; menigte van tenten ziet men er dan opgeslagen, daar wijn en bier niet alleen in verkocht wordt, maar ook menigte van andere waren.” Maar gij hebt zeker genoeg van het burgmeesterlijk proza, dat gelukkig nog geene stadhuistaal is, en gij houdt u overtuigd, dat wij recht hebben om u de voorstelling te geven van eene drukke, woelige, vroolijke jaarmarkt, (want de paardenmarkt ging samen met de kermis, die verscheidene dagen duurde) die, gelijk vanzelve spreekt, niet alleen bezocht werd door hen, die te koopen hadden of te verkoopen, maar ook door vele nieuwsgierigen, die kwamen toekijken en lanterfanten (het woord flaneeren had toen nog geen burgerrecht hier te lande, wel de daad), en die de gelegenheid aangrepen, om eens een pretje waar te nemen, een rijtoertje te doen, eene stille wandeling door een luidruchtig feestgewoel af te wisselen, of ook wel, die er heengeleid werden door een meer degelijk doel, al stond dat juist niet in verband met de paarden.

De Valkenburgsche Septembermarkt was namelijk een der twee betaaltijden voor huurders van land of huizinge in het Zuiderkwartier, en dit bracht alzoo pachters en landeigenaars hier bijeen, die overigens zich niet om kermis of paardenmarkt zouden bekommerd hebben.

Naar mijne tijdgenooten mij verzekeren, heeft de Valkenburgsche paardenmarkt zelfs nu nog in onze eeuween deel harer aloude belangrijkheid behouden, en dat beteekent iets, als men de gewone afwisseling, verplaatsing en verval van allerlei soort van handel en welvaren in aanmerking neemt, en de dichter, die in 1714 het aardig dorpje nog bezong als het

Vermaakrijk Valkenburg, bespoeld van Rijnkristal,
Befaamd door Drusus slot, een van zijn vijftigtal.
…………………………………………………………

blijkt alzoo profeet, als hij er bijvoegt:

Zoo praalde uw naam ten top, door duizende van paarden
En kooplui zonder tal, die op uw markt vergaarden,
’t Was of heel Neęrland in een drom te zamen liep,
Of dat Saturnus zoon uit mieren menschen schiep
;
Laat grootssher dorpen u voor klein gering uitkrijten
De al verroestbre tijd zal nooit die roemverslijten
!

Men kan mij dus gelooven, als ik zeg, dat deze markt in 1593 nog in vollen luister was, ja zelfs bijzonder druk bezocht door menschen, al ware ’t ook dat de levende koopwaar er niet in buitengewonen getale was aangevoerd: de oorzaak van dit eerste ga ik u terstond mededeelen.

Paardenmarkten worden ongetwijfeld gehouden tot nut en voordeel der menschheid, maar zeker niet ten genoegen der paarden, en het valt zeer te betwijfelen of het vermaak van zich samen te vinden met zooveel hunner natuur- en leedgenooten, dezen schadeloos stelt voor de onaangenaamheden, die er voor hen aan verbonden zijn, en of ze de vrijheid in de vette klaverweiden, of de rust in den warmen stal niet verkiezen zouden boven al het rumoer en gewoel, in welks midden zij worden tentoongesteld en waarvan zij het voorwendsel zijn.

Maar op hun lief en leed wordt in dezen al zeer weinig geacht, al schijnen zij de hoofdpersonen, en zoo wij toegaven aan onze voorliefde voor dit edele en schrandere diersoort, wij zouden ons licht laten verlokken tot eene beschrijving van hare vermoedelijke kwellingen en gewaarwordingen, gedurende zulke termarkstelling, en na den afloop er van, verwisseling van meester en van lot. Het zou (men sta ons even de vergelijking toe) eene Rosa Bonheur kunnen worden op het papier, met dit verschil dat wij niet alleen krachtige, fiere rossen, coquette moederpaarden en dartele volens zouden hebben voor te stellen, maar ook afgeleefde martelaars, die hunne laatste droevige lotswisseling tegengingen… doch wij hebben op wat anders te zien, en daarom wenden wij het oog van hen af.

Wij zijn waarlijk niet de eenigen; een groot deel der aanstaande koopers, en niet weinigen zelfs der verkoopers, hebben zich achtereenvolgens laten afleiden van het hoofddoel huns samenzijns, men kan dus nagaan wat die tallooze toeschouwers en toeschouweressen moesten doen, die alleen daar waren om zich te vermaken en rond te kijken. Toeschouwerressen! op eene paardenmarkt! Zeker de vrouwen en de dochters der huislui, geen gentil donne of deftige juffers zijn hier te wachten, roept gij mij toe… Eilieve, bevallige lezeres, wij zijn niet in de negentiende eeuw. De vrouwen en jonkvrouwen der zestiende hadden geen casino’s, geen concerten, geen Fransche opera, geen Duitsche comedie, zelfs geen Hollandsche, en maar eene enkele maal als bij exceptie vertooningen van de rethorijkers, die ganschelijk niet van een gehalte waren om haar smaak zoozeer te verfijnen en te beschaven, als de uwe, vermoedelijk verfijnd en beschaafd zal zijn, door alles wat gij reeds gezien, gehoord en bijgewoond hebt. Nu is het van notoire bekendheid, dat de Hollandsche jufferschap wel huiselijk en zedig werd opgevoed, maar niet preutsch noch kniezerig, dat een lustig buitenpartijtje, een vroolijke kermisgang en de gelegenheid tot een dansje haar te allen tijde hebben aangetrokken… meer dan oorbaar, meer dan voorzichtig was althans, zouden wij er haast bijvoegen. Wij zijn niet gerechtigd het af te keuren en van ons standpunt laag neder te zien op die voorliefde van grove pret, in den regel niet schuldiger wellicht dan zekere verfijningen, die toch au fond zoo grof zijn. Zij schaterden, zij gierden, zij stoeiden, maar in waarheid, ze waren niet erger dan gij, mevrouw, die in uw salon, met eeln glimlach passiën opwekt en aanmoedigt, die gij niet willens zijt te voldoen, of misschien ook wčl… dan gij freule, die met een bon mot eene benijde of gehate mededingster ten bloede toe wondt of lastert; noch gij jongejuffrouw, die uwe begeerte uitstrekt naar eene weelde, buiten den stand uwer ouders, die uw vader doet zuchten onder een last van schulden, in afwachting van den tijd, dat ge een onvoorzichtig echtgenoot verleidt tot buitensporige uitgaven; dan gij Ladies Tartuffe onder onze vrouwen en jonkvrouwen, bij wie alles aanstelling is, tot uwe christelijke liefdediensten toe, en die bij uw armbezoek of op uwe dorcas-kransjes tracht te pronken met uwe giften en te schitteren met uwe heiligste gevoelens, als ware verborgenheid niet hare eerste voorwaarde, die heerschzucht en eerzucht over uwe eigene harten laat heerschen en oorzaak zijt dat de eerbiedwaardige zaak, die gij zegt voor te staan, bespot wordt en gelasterd, door wie haar leeren kennen uit u.

Waren ze dan beter de jufferen uit den ouden tijd? vraagt ge met een ongeloovig glimlachje, en dat zou ik niet durven verzekeren, maar ze waren anders en dat is alles, wat ik weet. Bij haar kwam meer naar buiten, wat bij ons binnen blijft (indien het binnen blijft.) Wij zijn niet gezind haar te verdedigen, om deze neiging tot woelig pleizier. Wij spreken er alleen van, opdat men zich niet al te zeer verwonderen zal, zoo wij van steedsche jufferen en vrouwen spreken als hare broeders, echtgenooten of kennissen vergezellende naar eene dorpskermis. Het is zeker dat er uitzonderingen waren, die zich zoo iets niet zouden veroorloofd hebben, die geleerd hadden het leven uit een hooger en ernstiger standpunt te beschouwen, of op wie de ernst des levens in alle waarheid drukte; maar men begrijpt, dat, onder de vrouwen als onder de mannen, dezen de minderheid uitmaakten, zoowel toen als nu. Dat is van de dingen, waarvan de Heer heeft gezegd: »Wie het vatten kan, vatte het.” Welzalig, die het gevat heeft, maar deze althans zullen de laatsten zijn, om hardvochtig den staf te breken over de anderen, wetende dat men uitzonderingen niet stellen kan ten regel, en dat niet de drang van strenge voorschriften, maar de stemming van het geheiligd harte zoodanige onthouding werken moet, zal zij iets anders zijn dan verergering van het werkelijk kwaad. Maar al waren wij tot het besluit gekomen, dat een kermisgang in die dagen eene ongeoorloofde buitensporigheid was, toch zouden wij er eene verschoonlijke zijde in vinden voor onze Hollandsche jofferen, dat zij ditmaal met hare manlijke beschermers tot den tocht naar de Valkenburgsche jaarmarkt hadden meegemaakt. Er was iets te zien, dat ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het niet te onderstellen was, dat het haar later weer ter aanschouwing zoude worden gegeven. Welk wonder der natuur of der kunst gerechtigde dan tot zulke nieuwsgierigheid vraagt ge verder, waardige lezer! er was niets meer of minder te zien dan een OLIFANT!

Is het anders niet! roept gij uit met een gebaar van diepe teleurstelling en een minachtend glimlachje; zooveel beweging om een olifant!

Och, melieven! bedenkt toch op welken afstand gij staat van uwe zusters der zestiende eeuw. Gij zijt van jongs af op allerlei wijze gemeenzaam gemaakt met al de voortbrengselen van ’t planten- en dierenrijk. Ieder uwer heeft haar cours d’ histoire naturelle gemaakt. Vervolgens hebt gij in een beestenspel of in een cirque het levende exemplaar voor u gezien, waarvan de meesten uwer wisten te zeggen dat het behoorde tot de gewervelde, veelhoevige, dikhuidige, langneuzige zoogdieren, dat het van deze familie het eenige, thans levende geslacht uitmaakt; waarvan zij onder u, die zich niet met de rangschikking der natuurkundigen geliefden te vermoeien, evenwel vooruit bekend waren met alles, wat er oogenschijnlijk aan te zien was de groote snijtanden, de verwonderlijke slurp of snuit, de korte hals, de plompe voeten, evenzeer als met de hoogte, zwaarte, mate van kracht, van schranderheid, van leerzaamheid, en alle verdere hoedanigheden of eigenaardigheden, die het dier werkelijk bezit of geacht word te bezitten. Velen uwer zelfs hebben er meer dan een zich in betrekkelijke vrijheid zien bewegen in de groote zoologische tuinen van het buitenland, in een tijd, waarin het verplaatsen van menschen zoo licht en zoo schielijk gaat, en het overbrengen van dieren is vergemakkelijkt. De minst gelukkigen onder u, hadden toch wel het voorrecht, wijlen den olifant in het Amsterdamsche Artis een herhaald bezoek te brengen! — maar zij — dat is wat anders. Zoo het ten jare 1593 niet de eerste en eenige olifant is geweest, die in Nederland verscheen, was het toch zeer zeker de eerste, die de menschen van dat tijdperk in Holland te zien kregen. De Oost-Indische Compagnie was nog niet opgericht, de buitenvaart door den oorlog te veel bemoeielijkt, dan dat reizigers of natuurvorschers zich aan verre tochten waagden, waardoor men uit hunne verhalen noch beschrijvingen eenige gemeenzaamheid kon verkregen hebben met deze kolossen onder de dieren. In geheel Midden-Europa moeten ze uiterst zeldzaam zijn geweest, zoo niet geheel ongezien, in het Zuiden waren ze na den val van ’t Romeinsche rijk vreemdelingen geworden, en hoewel van oudsher de vorsten en grooten zich de weelde wisten te geven van eene diergaarde; als zij het tot eenige beeren en een leeuwenpaar brachten, waren ze al heel trotsch op hunne collectie, maar om een olifant machtig te worden, dat ging zoo gemakkelijk niet. Ze zijn zoo weinig vervoerbaar, ze zijn zoo ontzaggelijk kostbaar te houden, ze hebben een trek tot gezelligheid, die het bijna onmogelijk maakt een enkele hunner bij ’t leven en de gezondheid te houden, en bovenal hebben ze zekere eigenaardige antipathie, bij voorbeeld tegen het overtrekken van bruggen en planken (eene vergefelijke voorzichtigheid want voorwaar het moet een solide plank zijn, die onder bun wicht niet bezwijkt) en niet altijd de noodwendige inschikkelijkheid, als het de vraag is zich te laten inpakken. Uitpakken dat’s wat anders, want een olifant heeft te veel bon sens, om niet uit alle macht mede te werken, als het voor hem de vraag wordt zich uit eene onaangename positie te redden, en evenals bij vele menschen staat de cultus van ’t welbegrepen eigenbelang bij hem in hooge eere. Maar hoe tegen zijn onwil te strijden? — Tegen leeuwen, slangen en ander gedierte laat zich nog list en geweld gebruiken, maar tegen een olifant! zijne slimheid, zijne lichtgeraaktheid, zijne reuzenkracht, die met iederen tegenstand en met iedere hindernis spot, en bovenal zijne onverzettelijke eigenzinnigheid, zijn zoovele oorzaken, dat nňg in het Europa van onzen tijd, dat zich alles laat toevoeren waarin het lust heeft en belang stelt, en ondanks de twee werelddeelen die bereid zijn van deze hunne inboorlingen af te staan, dat nňg in dit Europa olifanten geene alledaagschheden zijn geworden.

Toen Lodewijk de XIVe in 1668 een olifant ten geschenke kreeg van den Koning van Portugal, was dat de eerste die men in Frankrijk zag komen, en hij kostte zooveel van onderhoud, dat men zich later over zijn vroegtijdigen dood troostte, met het oog op de bezuiniging, die er door teweeg werd gebracht; het is dus zeer begrijpelijk, dat de jonge Prins Maurits in den aanvang van zijn stadhouderschap, waarbij hij de veldheer en de dienaar der Heeren Staten was geworden, geene moeite zal gedaan hebben om een olifant voor zijne diergaarde te verkrijgen. Wij gelooven zelfs, dat hij zich met de kostbare liefhebberij eener menagerie niet zal hebben opgehouden, al had hij ook later zijn lust in zijne Rijswijksche stoeterij, en het was aan zijn broeder Frederik Hendrik en aan zijn nazaat Willem III voorbehouden, de vorstelijke diergaarde te Honselaardijk aan te leggen en te verrijken. (*)

Na de overweging van het boven voorgestelde, na in aanmerking genomen te hebben, hoe de onwetendheid van ’t geen men zien zoude de nieuwsgierigheid moest prikkelen en de verbazing over het geziene ten top moest voeren, zal niemand, hope ik, het der bevolking van Holland, zoowel vrouwen als mannen, meer euvel duiden, dat zij in massa heenstroomde naar Valkenburg, om er een natuurgewrocht te zien, dat voor hen met een phenomeen gelijk stond.

Bescheiden lezers, verdient nu eens die benaming, die u zoo dikwijls gratis wordt geschonken, en vraagt mij niet, hoe die olifant dáár kwam, bij alle moeite en bezwaren die er moesten overwonnen worden om hem naar Europa, naar Nederland, naar Zuid-Holland heen te voeren; noch waar hij later gebleven is, en aan wien hij behoorde, en waarom hij niet eerder in eene groote stad te zien was, dan in een gering dorp, vraagt het mij niet, want waarlijk ik zou u op dit alles niet dan in gissingen kunnen antwoorden; ik weet niet anders dan dat er een olifant is te zien geweest, en ik weet het alleen, omdat mijn held er naar is gaan kijken. Houdt mij mijne onkunde ten goede.

Het spreekt wel vanzelf, dat deze Hercules onder de dieren was tentoongesteld met alle »pompe”, waarmede men te dier dage bij machte was zulke vertooning op te luisteren. Men moet hier denken aan eene poging tot navolging van oostersche weelde, die, hoe loffelijk ook, eerder schamele dan schitterende uitkomsten zal hebben opgeleverd. De Cornac, een wezenlijke of nagebootste neger, in het verplichte Turksch kostuum of hetgeen men daarvoor hield, speelde, als men denken kan, hierbij de hoofdrol. Van buiten heeft de tent in letterlijken zin een oogverblindend aanzien. Zij is beschilderd met rood, door gele draperieën afgewisseld, en prijkt nog bovendien met vlaggen en doeken, op welke laatste zeer getrouwe, misschien wel wat gechargeerde afbeeldingen van den viervoetigen held met sterk sprekende kleuren zijn geschetst. Hoewel de zaak genoegzaam voor zich zelve sprak, om aller belangstelling te wekken, zooals wij hebben doen zien, schenen de eigenaars van den olifant toch nog altijd den toenmaals gebruikelijken weg van reclame noodig te achten. Zij bestond in een theater met een hansworst, een sinjeur, om de reparties te geven en de stof te leveren voor zijne aardigheden, benevens een orchest, waarvan de toonkunstenaars zich in hunne bestemming schenen te vergissen, en in plaats van het gehoor te streelen, zich er vooral op toelegden, om door oorverdoovend geraas de grofste gehoorzenuwen te kwetsen of te doen trillen.

Wie eens binnen was, vergat dat alles, want hij zag den olifant!

Het is niet waarschijnlijk dat men het toen reeds ver zal gebracht hebben in zijne dressuur; maar reeds de majestueuse goedwilligheid en het lankmoedig geduld, waarmede het reusachtig en schrander dier zich liet omleiden en bezichtigen, werd door allen aangemerkt als een hooge graad van getemdheid, daar het voor ieder kennelijk was, dat er niets van dat alles zou kunnen geschieden, tegen diens wil en zonder zijne medewerking en welgevallen.

»Je hebt al je portie om ien koebeest of ien varken voort te krijgen als ze niet en willen, en dan zoo’n heerschap, dat’s nog wat anders,” merkte een snedige boer aan, terwijl hij nog een laatsten, verwonderden blik op den kolossalen vreemdeling wierp, eer hij zich afwendde om te gaan.

»Nou den Teunis! als we zulke varkens of koebeesten hadden, deer zou wat anzitten veur de kuip!” voegde zijn makker hem toe.

»’t Zou mooi voer kosten ook! Ik mien dat der ien wagen of wat hooi toe gaan zou!”

»Hooi! dat biest ziet er wel naer uit om met hooi of gras tevreden te zijn,” hernam de ander nog eens omkijkende, zoo’n wild dier lust meer vleesch op, dan ien stevige kaernhond!” Doch luisteren wij liever niet naar de opmerkingen en uitroepingen der toeschouwers, waarvan onder de honderd nauwelijks één het opteekenen waardig zou zijn. De hoogste verbazing werkt op een Hollandsch publiek eer verdoovend, dan opwekkend, zelfs waar de indrukken diep en levendig zijn, missen de meeste onzer landgenoot en het vermogen om die helder en krachtig te uiten — de boeren vooral nemen iets schuchters en geheimzinnigs aan, als het hunne bevindingen geldt — zij bewaren dan liefst een veelbeteekenend zwijgen, knippen met de oogen, alsof ze meer denken dan, zij willen zeggen, en schenken u op zijn hoogst een laconiek »wel! wel!!” waarin alle hunne gewaarwordingen schijnen samengevat. — Hoewel men de tent den grootst mogelijken omgang had gegeven, en er gezegd is dat men haar zoo sierlijk had toegesteld, als men maar konde, bewijst dit echter niet dat zij te vergelijken was met onze tegenwoordige kermispaleizen, en dat men voor het gemak en het genoegen der toechouwers de noodige maatregelen had genomen. Er waren bij voorbeeld geene zitplaatsen; men kwam, zag en ging weer heen, zooals Cesar, zonder echter overwonnen te hebben, en zelfs zonder zich de moeite te geven, het te beproeven, — maar… heengaan en uitkomen was reeds een heele kunst, men had toen nog zoo weinig de gewoonte van dergelijke voorstellingen (vooral ten platten lande) dat er geene maatregelen genomen waren om gedrang af te leiden en wanorde te voorkomen; het was daarenboven een dier extraordinaire gevallen, waarin niet bij keure van Heer of Schout had kunnen worden voorzien, en wat {ie dorps-politie betrof… de veldwachters en schoutsdienaren hadden wel hunne voorschriften, waar het de paardenmarkt en de paarden gold, maar een olifant! wie had daarop kunnen rekenen?

Het gedrang dus van komenden, die gehaast waren binnen te treden en van gaanden, die niet in de mogelijkheid waren zoo snel af te trekken als zij wenschten, omdat ook buiten de tent eene dichte menschenmassa stand hield, uit belangstelling in de vertooningen op het theater, bracht bijgevolg botsingen teweeg, die tot twist en gemor aanleiding gaven, ja zelfs van tijd tot tijd allerlei handtastelijke argumenten, die gemeenlijk op dezelfde wijze beantwoord werden, en dus de moeielijkheden van het voortgaan vermeerderden en verwarringen veroorzaakten, die voor den vreedzame en den meer beschaafde alleronaangenaamst waren, en waarin zij toch betrokken werden, zonder ze te kunnen voorkomen. Dit was onder anderen het geval met een gezelschap deftig gekleede heeren, die willens waren gezamenlijk de tent te verlaten, doch in hun terugtocht belemmerd werden, omsingeld en gescheiden door een troep aandringende boeren, die handgemeen waren geworden, en die al worstelend en stootend en duwend trachtten vooruit te komen, zonder te willen begrijpen dat, vreedzaamheid, kalmte en orde de beste en snelste weg ware geweest om dit doel te bereiken. Het gaat meer zoo in de wereld; deze landlieden waren de eenigen niet, die zich zelven zwarigheden schiepen door verkeerd begrip van hun toestand; doch wij hebben geen tijd om ons in beschouwingen te verdiepen, zoomin als onze heeren, waarvan er nu twee zich uit het gedrang hadden losgewrongen, en in de eerste blijdschap dat zij eindelijk vrij konden ademhalen, snel een eind weg zijwaarts opwandelden buiten alle gewoel, doch toen op eens als bij gelijktijdige ingeving staan bleven, daarop langzaam terugkeerden en een rustig plekje kozen, van waar zij het gejoel rondom de tent konden blijven gadeslaan, zonder er in gemoeid te worden. Terwijl zij met alle oplettendheid het oog gericht houden op de volksmenigte, moeten wij hen zelven even opnemen.

Hij, die blijkbaar de oudste is van de twee, scheen ook de voornaamste; zijne houding en manieren hadden iets, dat hem terstond onderscheidde, en er was noch zijne deftige kleeding, noch zijn breede geplooide kraag, noch zijn rapier noodig, om in hem den edelman te herkennen. Er was iets in den donkeren gloed zijner oogen, in het perkamentachtig geel van zijn sprekend en schrander gelaat, dat hem als een vreemdeling aanduidde, de levendigheid zijner gebaren, hoewel getemperd door opvoeding en beschaving, verraadde zelfs zijne zuidelijke afkomst, die hij ook niet willens scheen te verbloemen, want hij bediende zich bij voorkeur van de Fransche spraak, die zijne moedertaal was. Zijne grijzende haren, zekere diepe rimpels op het voorhoofd en de kenmerken van zorg en lijden in zijne trekken, bewezen dat hij met de smarten des levens sinds lange kennis had gemaakt; maar dat ze hem niet hadden verzwakt noch terneergebogen, bleek uit zijne vaste, moedige houding en bovenal voor wie hem leerde kennen, uit zijne goede luim en blijmoedige levensopvatting, gemengd met een ernst, die oorsprong nam uit iets beters dan onnadenkende lichtzinnigheid. Hij heette Samuel de Lacherničre de la Rivičre, was een Calvinistisch edelman, uit Sédan, gevlucht om geloofsvervolging, en naar Holland heengeweken; als de Grieksche wijsgeer, al wat hij had bij zich dragende, en bij gevolg verplicht om met de kennis en gaven, die de zijne waren, te woekeren tot zijn onderhoud, had hij de functiën aangenomen, waarin wij hem weldra zullen bezig zien.

Zijn metgezel was eerder zijn contrast dan zijn gelijke in voorkomen en hoedanigheden.

Hoewel veel jonger, miste hij die mate van opgeruimdheid, en die tinteling van vernuft, die een strak en ernstig gelaat verheldert. Ook had het zijne, dat bol en bleek was, iets heels en plomps, dat alleen wat verbeterd werd door een paar schrandere, lichtblauwe oogen, die wel goedig stonden, maar niet vroolijk, en die hij meestal peinzend of beschroomd nedersloeg. Zijn gang was slepend en traag; zijne manieren hadden iets houterigs en links, dat misschien nog meer in ’t oog viel door de losheid en gemakkelijkheid, die men in de houding en gebaren van den Franschen edelman moest opmerken; zijne kleeding was in denzelfden trant als die van den laatste, maar hij droeg haar anders. Zij was eenigszins achteloos en slordig; zijn kraag en handlubben waren gekreukeld, reeds voor dat hij zich in ’t gedrang had bevonden; zijn mantel hing zonder gracie en deftigheid over zijne schouders, hij had zijne handschoenen vergeten of verloren, en een degen scheen hij niet te willen of niet te kunnen dragen, In één woord, hij zag er wel uit als een burger geleerde, die afgetrokken en schuchter, zedig maar degelijk, niet veel achtte op zijn voorkomen, maar daarentegen volharding genoeg bezat, om nachten lang met zijne folianten te waken, om schatten van kennis bijeen te vergaren, waarmede hij echter in het werkelijk leven niet de meest mogelijke winste zoude doen, omdat hij het talent miste er mee te schitteren en de behendigbeid om er zich door te laten gelden.

»Monsieur de la Rivičre,” sprak hij, den edelman aanziende met een bedenkelijk hoofdschudden, »ik wenschte dat wij den Graaf terugzagen, het komt mij voor dat wij bem niet zóó alleen hadden moeten achterlaten, midden onder al dat volk!”

De aangesprokene glimlachte fijn.

»Die opmerking is zeer juist, meester Zwaerdecroon, alleen het stond niet in onze macht dit te voorkomen; toen wij eenmaal door den drom werden meegevoerd, moesten wij voort; tegen die overmacht was niet te strijden, strijd zelfs zou de verwarring vermeerderd hebben, zooals het exempel dier vechtende dorpers ons leeren kan.”

»Hadden wij niet beter gedaan thuis te blijven dan hier te komen om exempel te nemen aan vechtende boeren!” hernam Zwaerdecroon wat verdrietelijk.

»Men kan, men moet niet altijd over de boeken gebogen zitten, heer en vriend, zonderling niet een jong edelman die het leven moet leeren kennen en proeven van alle zijden; ik acht het zoo groote schade niet, dat onze jonkheer eens een weinigje gedrongen en omstuwd zal worden en in aanraking komen met vreemde luiden, die hem niet zullen ontzien om zijn rang en naam, et q u’l faut payer de sa personne, om vooruit te komen!”

»Nu, dat hij niet ontzien zal worden, daarop kunt ge rekenen, Mijnheer! dat rouwe volk weet van niets dan dringen en stooten, mits ze de messen niet uithalen en hem geen letsel toebrengen, mogen wij dankbaar zijn…”

»Dat verhoede God de Heer, dat hem geen leed geschiede!” sprak de la Rivičre ernstig, »maar hij is immers niet gansch van bijstand en hulpe der zijnen verstoken… de beide Prounincks en meester Aart Amelisz zijn bij hem gebleven. Jacobus liep voor hem uit, terwijl Hendrik en Aart hem ter zijde gingen; zij hielden elkander in den arm gevat, en trachtten dus voort te schrijden, toen ik zelf, meegevoerd door den stroom, hem voor ’t laatst toewenkte…”

»Dat heb ik ook gezien, en juist daarom bekommert het mij, dat zij met hun allen niet eer buiten ’t gedrang zijn geraakt dan wij tweeën, die zijwaarts af werden gestuwd, ik hield voor zeker, dat zij ons vóór zouden zijn…”

»Ik desgelijks, zonder dat had ik het onmogelijke beproefd, om mij weer bij hen te voegen: doch laat ons geduld nemen en geen ijdele onrust voeden, dat maakt zwak, ze zullen welhaast komen en onze vreeze beschamen, door hun triomfantelijk gejubel over het kluchtig avontuur,” eindigde hij, zich zelven als Zwaerdecroon willende bemoedigen, en toch kon hij niet nalaten den vorschenden blik te wenden naar de zijde, van waar hij de vermiste personen scheen te wachten.

»Wat de Burgemeester zeggen zoude, zoo bij hier ware!”hernam op eens Zwaerdecroon met een diepen zucht.

»De Burgemeester mag van geluk spreken, dat hij hier niet bij ons is,” antwoordde de la Rivičre glimlachend. »Vooreerst zou hij door zijne corpulentie in grooten last zijn geraakt, vervolgens had hij de onaangename gewaarwordingen van dit oogenblik met ons moeten deelen, en eindelijk zou hem het wachten in de gloeiende middagzon nog vrij wat onverdragelijker zijn gevallen dan ons!”

»Alleen nu hij er niet bij geweest is, zal hij het ons wijten, dat wij zijn jongen Graaf niet zijn bijgebleven,” hervatte Zwaerdecroon zorgelijk.

»Dat zou een onbillijk verwijt wezen, meester Zwaerdecroon! Ons geweten kan ons getuigenis geven, dat wij noch op onze eigene rust, noch op onzen eigenen smaak hebben geacht om onzen kweekeling niet aan zich zelven en aan zijne jeugdige makkers over te laten bij zijne uitspanningen. Zijn wij hem niet van stap tot stap gevolgd dezen ganschen morgen… is het voor ons genoegen geweest, dat wij een half uur lang bij een rijfelbord hebben verwijld; dat we langs die onafzienbare rei te koop gestelde paarden zijn heengetrokken?”

»En nog, ware het slechts voorbijtrekken geweest,” viel Zwaerdecroon in, »maar de jonker vond er zulk een vermaak in, dat het schijn had of hij van al de hoedanigheden en eigenaardigheden dier beesten kennis wilde nemen…”

» Welnu, dat is eene kennis! die een edelman past…”

»Dat is wel mogelijk, maar ik, die een burgerman ben, versta; mij niet op de taal der paardentuischers en pikeurs, en ik had als de paarden zelve, staande kunnen slapen van verdriet en verveling…

»Zoo bewijst ge wat ik heb willen beweren: om hem niet uit het oog te verliezen, hebben wij van onze zijde al het mogelijke gedaan…’

»We hadden er ten minste dit voor kunnen laten, dat we die muffe tent niet met hem waren binnengetreden, om ons door volksgedrang van hem te laten scheiden” Gij hadt den jonker dat vermaak moeten ontraden, moeten weigeren, monsieur de la Rivičre, om een simpele nieuwsgierigheid te boeten, hem aan zooveel gevaars bloot te stellen.”

»Het gold hier wat anders dan de bevrediging eener ijdele nieuwsgierigheid, meester Zwaerdecroon! De occasie om een levend exemplaar van zulk eene merkwaardige diersoort te aanschouwen, is te zeldzaam, dan dat men haar niet zou moeten aangrijpen, wanneer zij voorkomt, en zóó als zij voorkomt.”

»De kennis der natuurlijke historie is bekwamelijk te verkrijgen uit de goede boeken der ouden; zonderling over de olifanten kan men curieuse bijzonderheden lezen bij Plinius, in diens Historia Nat., Lib. VIII, cap. 3, en dat is niet meer een gesloten boek voor een jonkman, die al zoo vaardiglijk Latijn leest als onze Floris; ik zeg het zonder mij daarop te verhoovaardigen, want zijne leerzaamheid en uitnemend geheugen…”

»Steunen zeker het goede onderwijs dat hem gegeven wordt, doch de eere daaraf komt allereerst zijn meester toe… doch heer en vriend, boeken zijn… maar boeken, ook de beste, en daar gaat niets boven de studie op de natuur…”

»Hoe ge ze ook gering schat,” ik wenschte dat men mij gegund hadde te Leiden bij de mijnen te blijven, want de recreatie die gij voor onzen jonker hebt noodig geacht, is mij al reede duur te staan gekomen in groote onrust… ”

»Die zal dan nu geleden zijn! want zie daar treedt de oudste Prouninck buiten het gewoel, en de anderen zullen ook wel opdagen,” sprak de Fransche edelman opgeruimd.

»Zijn broeder volgt niet! daar is wel de zoon van den Burgemeester! — maar Floris is niet bij hen!”riep nu Zwaerdecroon overluid, zonder er aan te denken dat zij op den publieken weg stonden, en bijgevolg de opmerkzaamheid moesten gaande maken van de voorbijgangers.

»Seigneur Dieu! Wat kan dat zijn!”sprak de la Rivičre; en haastig snelde hij de komenden te gemoet, eer die tijd hadden hem te naderen. »Waarom zijt gij alleen? Waar is de Graaf? Wat is hem overkomen?” vroeg hij op gejaagden toon, eer zij iets konden zeggen.

»Niets geen kwaad, monsieur de la Rivičre, wees gansch gerust!” riep Aart Amelisz vooruittredende, »ontstel u niet, meester Zwaerdecroon, er is niets onaangenaams voorgevallen,” voegde hij er in één adem bij, zich tot dezen keerende, die langzamerhand was aangekomen, doch met zoo zichtbaren zielsangst op het gelaat, dat hij de nieuwsgierigheid opwekte van de voorbijgangers, wier aandacht getrokken werd door de vreemde taal en de kennelijke ontsteltenis der beide heeren.

»Het is werkelijk niets, mijnheer! dan een inval van onzen jongen Graaf, die verkoos nog wat bij den olifant te blijven,” hervatte nu Jacobus Prouninck, zich aan de la Rivičre richtende met een glimlach, die wel iets ondeugends had. »Althans op hetzelfde oogenblik dat ik met geen geringe moeite ruimte had gemaakt, liet hij Amelisz los, stiet dezen in zijne plaats vooruit, en stortte zich met mijn broeder op nieuws in ’t gedrang. Wij gaven het niet op, meester Amelisz en ik, maar het baatte ons niet, of we ons al lieten duwen en verdringen om zijnentwil, wij moesten het ten laatste opgeven, en zouden nu verder niets meer weten, Zoo wij niet pas een paar academievrienden hadden aangetroffen, die ons wisten te zeggen, dat de jonker in het spel was te ruggegaan, dat zij hem hadden gesproken, dat hij vroolijk en wel was, en hun gevraagd had, zoo ze iemand van zijn gezelschap ontmoetten, dezen te waarschuwen hem hier niet te wachten, daar hij zich bij hen voegen zoude in de herberg… zoodra het hem mogelijk was!”

»Zonderlinge inval!” riep Zwaerdecroon hoofdschuddend, »zou hij ook voornemens zijn eene afbeelding te maken van den olifant, om die aan zijn heer vader over te zenden?”

»Hm! hm! daar is niet veel rust noch gelegenheid in die volle tent, om de teekenpen te gebruiken,” merkte de la Rivičre aan, »het waarschijnlijkste is, dat onze jonker lust zal hebben om, als iedere jonkman van zijn leeftijd, eens vrij en onverzeld op de kermis rond te loopen.”Prouninck knipoogde, of hij zeggen wilde, dat de edelman juist had geraden en Amelisz glimlachte.

»Maar dat mag niet wezen. Zijn staat en de belangrijkheid van zijn persoon laten dat niet toe, dat moest hij zelf weten en gevoelen als wij!” sprak Zwaerdecroon met ergernis.

»Juist omdat hij het weet en gevoelt zal hem de lust bevangen hebben om zich eens voor eene wijle van dien dwang te ontslaan,” hervatte de la Rivičre, de schouders ophalend, ten nu, daar het geval er toe ligt en wij er niets aan veranderen kunnen, wordt het onnoodig dat wij ons langer hier door de zon laten blakeren, en zal het beste zijn den Burgemeester op te zoeken in de herberg.”

»Daar zalons eene aangename ontvangst wachten!” riep Zwaerdecroon mismoedig.

»Houd goeden moed, meester Zwaerdecroon,” voegde de Fransche edelman hem toe. » Wij zullen ons best doen om den Burgemeester te doen berusten in het gebeurde, en ik vlei mij hem te overtuigen, dat het zelfs zijn nut kan hebben voor ’t vervolg.”

»Ik hoop dat gij het zoo ver brengen zult, mijnheer!” hernam Zwaerdecroon zuchtend, »maar ik vrees wel voor het tegendeel, en ook dat de meeste schuld zal geworpen worden op wie ’t minst daartegen vermochten.”

De la Rivičre die zich deze woorden had kunnen aantrekken, antwoordde niet, maar stapte rustig vooruit; Zwaerdecroon volgde langzaam en zwijgend; de beide jongelieden gingen naast elkander wat zijwaarts af, en wisselden onderling hunne gevoelens en gissingen over het ongewone voorval.

Over den olifant zelven werd door dit gezelschap, zeker bij uitzondering van al diens overige bezoekers, geen woord meer gerept. De escapade van den jongen man, aan wien zij allen hunne belangstelling hadden gewild, benam hun vooreerst allen lust, om zich met iets anders dan dezen bezig te houden


»Waar is de jonker Floris? Waarom is de Graaf niet bij u!” werd hun reeds uit de verte toegeroepen, door een heer, wiens uiterlijk niets onderscheidens had dan zijne corpulentie en zekere strakke statigheid in de houding, die voor de dorpsherberg heen en weerwandelde als iemand die wacht en zich verveelt. Wij vermoeden in hem den persoon, door de anderen als »de Burgemeester” aangeduid, met welken titel hij dan ook terstond werd toegesproken door de la Rivičre, die het woord nam in aller naam, en een uitvoerig verslag gaf van de omstandigheden, waaronder de jonge Graaf van hen gescheiden was geworden, en van de wijze waarop deze zich naar alle waarschijnlijkheid die scheiding had ten nutte gemaakt, om voor eenigen tijd ontslagen te zijn van zijne gewone omgeving, die hem vermoedelijk wat al te hinderlijk was geweest in zijne bewegingen… iets dat de Fransche edelman begreep en trachtte te verschoonen, al achtte hij het ook niet prijselijk; maar de Burgemeester wilde niets begrijpen, dan dat de heeren van het geleide hun plicht hadden verzuimd. Ook viel hij uit in een hevige vlaag van toorn, getemperd echter in hare uitdrukking door een zeker respect, dat de la Rivičre hem scheen in te boezemen; waarom dan ook de geheele zwaarte van zijn misnoegen neerkwam op Zwaerdecroon, die, zoo. als zijn recht was, de verantwoordelijkheid van zich afschoof op de la Rivičre, als op den »principaalsten gouverneur,” terwijl hij niet was dan »schoolmeester,” of juister, onderwijzer in de Latijnsche taal. Bij het uitwijken van dit slachtoffer, trof al de felheid zijner verwijten de beide jongelieden, die zich uitputten in verontschuldigingen en betuigingen hunner onmacht, om het gebeurde af te wenden, gepaard met verzekeringen, dat de jonker zich in geen het minste gevaar bevond.

»Gevaar! gevaar!” riep de Burgemeester, wien bij de hitte des daags en de heftigheid zijnet gemoedsaandoeningen, het zweet langs de slapen droppelde, »is er dan niet verlerlei gevaar voor hem… het gevaar alleen om in aanraking te komen met allerlei gespuis, om er zich gemeenzaam mee te maken… om…”

»Ik heb betere verwachting van den goeden smaak van mijn kweekeling,” sprak de la Rivičre glimlachend, het noblesse oblige is hem diep ingeprent, en zoo ik zijne disposities wel ken, zal hij niet licht ietwes doen dat daartegen zondigt.”

»Zoo hij tot Leiden alleen rondliep, al ware het onder een troep studenten, ik zou minder zorge hebben,”hervatte de Edel Achtbare, maar hier op die druk bezochte jaarmarkt, waar zooveel uitlanders en avonturiers rondslenteren, hoe licht schuilen er daaronder, die afgezonden zijn om onze jeudigen Heer te bespieden… die op hem loeren… die…”

»Gij weet toch mijnheer Amelis Alartsz, dat, waar men kwade praktijken en aanslagen vreest tegen onzen jeugdigen Heer, het niet juist van vreemdelingen is dat men ze wacht!” viel de gouverneur in met zekere bitterheid.

»Eilieve, neen! het kwaad zou van naderbij komen, doch… dat belet niet mijnheer de la Rivičre dat men vreemden zou kunnen gebruiken om het uit te voeren…”

»Hij is onder de sauvegarde van de Algemeene Staten,” merkte Zwaerdecroon aan.

»Ja, dat helpt ook wat, als verraders omgekocht zijn tot een fieltenstuk!” riep de Burgemeester, zich zelven opwindende, »bij ons tot Culemborg was hij welonder de sauvegarde van zijn eigen Hoog-grafelijken vader, en wat verzekerdheid gaf ons dat… werd het niet noodig bevonden hem in mijn huis logies te geven, uit zorge dat hij niet veilig zou zijn op het vaderlijk slot!”

»Zoo is het! ijdele bezorgdheid heeft veel nutteloozen omslag en zwarigheden daargesteld, ten regarde van onzen jonker!” merkte de la Rivičre aan, met een afkeurend schouderophalen.

»IJdele bezorgdheid! Onnutte omslag, mijnbeer! dat zou nog bewezen moeten worden,” hervatte Alartsz heftig. »Men wist toch dat de genadige Gravin…”

»Men wist… niets!”viel de gouverneur in op een beslissenden toon. Zachter, maar met gezag voegde hij er bij: »Mijnheer de Burgemeester, wat ik u bidden mag, breng de ongelukkige verdeeldheden, die in dat huis heerschen, niet over in onzen kring, ons betaamt het ze niet te herdenken, of voor ’t minst er van te zwijgen.”

»Geef gij zelf dan ook geene aanleiding dat we ze ophalen,” hernam Amelis Alartsz, »door eene bezorgdheid ijdel te noemen, die door zooveel droeve voorteekenen is gerechtigd.”

»Die van God bewaard is, is wel. bewaard! de Heer zal waken over dit edel bloed!”

»Het bewaren is allereerst aan ons, menschelijkerwijze gesproken! en zoo hem nu ietwes overkomt, zal ik het levenslang als mijne schuld betreuren,” hervatte de Burgemeester, »want ik had er mij tegen moeten stellen, toen gij hem zijne fantasie, om naar de Valkenburgsche jaarmarkt te gaan, zoo onvoorzichtiglijk hebt ingewilligd; ik had niet moeten gedoogen dat hij als iedereen langs de tenten en kramen slenterde; ik had hem op zijde moeten blijven, dan ware hij niet in de verzoeking gekomen, om een armzalig kermisspel binnen te treden, uit nieuwsgierigheid naar een lomp en log beest…”

De jonge Prouninck en zelfs Zwaerdecroon konden zich niet van een glimlach onthouden, de la Rivičre bedwong dien, welke om zijn mond speelde, terwijl hij sprak:

»Mag ik u herinneren, dat de bezichtiging van den olifant, de voorname aanleiding is geweest tot dezen tocht…”

»Mijn Hemel ja! ik weet wel dat men onder pretext van den jongen Graaf in kennis te doen toenemen, hem het hoofd opvult met allerhande vreemde zaken, die hij niet van doen heeft,” om te eenigen tijd een goed Heer voor Culemborg te zijn; maar dit daargelaten, wij waren, dunkt me, eens voor al afgesproken, dat men hem nooit of nimmer alleen zoude laten, allerminst tusschen allerlei slag van luiden.”

»En dat lag ook werkelijk niet in onze bedoeling, mijnheer! maar… men vermag niet tegen een toeval, tegen de overmacht der omstandigheden… en al waart gij zelf met ons geweest…”

»Ja, daar ligt de fout,” viel de Burgemeester in, zich met de vlakke hand voor het hoofd slaande, als in radeloosheid, ik had hem niet aan anderen moeten overlaten. Ik had mij op niemand moeten betrouwen dan op mij zelven, op mij alleen rust alle verantwoordelijkheid…”

»Ik meene ze met u te deelen,” hervatte la Rivičre rustig.

»Maar op mij rust zij in gansch bijzonderen zin. De bewartng van zijn persoon is mij particulierlijk aanbevolen door den vader…”

»Hetzelfde en in gelijke termen is mij gerecommandeerd door de moeder en door de Hooge Regeering dezes lands,” liet de Fransche edelman volgen.

»Wij allen hebben eed en belofte gedaan op dit poinct… hij is voor ons allen aanvertrouwd goed,” merkte Zwaerdecroon aan met bescheidenheid.

»Ja, maar voor mij is hij nog veel meer dan dat. Hij is — mijn eigen goed!” hervatte de Burgemeester. »Hij is ulieder kweekeling, maar hij is mijn Heer en Graaf, en als zijn Heer vader kwam te vallen, en bij ontstentenis van dit kind, het eenig mannelijk oir…’

»Wanneer blieven de heeren de visch op schotel?”Met deze storende vraag kwam de boeren-kastelein den Burgemeester overvallen, te midden van zijne sombere prognostiek omtrent het doorluchtig geslacht, dat hem zoo na aan het harte ging. Wij hebben het niet gezegd, maar wij hopen, dat onze scherpzinnige lezers het vermoed hebben, dat de heeren reeds bij den aanvang hunner woordenwisseling gezamenlijk de afzonderlijke kamer waren binnengegaan, die zij besproken hadden in de herberg en die de Burgemeester in zijne eenzaamheid had verlaten, om onder de schaduw van de boomen voor het huis zijn ongeduld wat te vertreden.

»Wel ja! wanneer zullen wij eten?” vroeg de la Rivičre met zekere luchthartigheid den Burgemeester aanziende, alsof hij, het verschil daarlatende, alle onaangename woorden, die er gewisseld waren, vergeten wilde.

»Beslis gij dit, zoo ge weet te voorspellen, wanneer het uw kweekding zal gelusten ons hier op te zoeken.”

»Het regelen van de huiselijke aangelegenheden is toevertrouwd aan den Heer Burgemeester,” sprak de la Rivičre deftig, »het betaamt mijn kweekeling zoowel als ons overigen, zich daarnaar te schikken .”

»Zoo ga hem aanzeggen, dat hij zorge ten twee ure hier te zijn!” hervatte Alartsz met onwil en bitterheid, terwijl hij den edelman een blik vol verwijt en uittarting toewierp.

Deze boog strak maar hoffelijk, keerde zich om en verliet het vertrek zonder een woord te uiten. Aart Amelisz, de zoon van den Burgemeester, die tevens een der taalmeesters was van den jongen Graaf, haastte zich hem te volgen.

»Eilieve Monsieur de la Rivičre, wat gaat gij aanvangen?” vroeg hij hem haastig en in onrust.

»Doen wat uw heer vader mij heeft opgelegd, den jonker zoeken tot ik hem gevonden heb en zorgen, dat hij stipt zij op het uur…”

»Mijn vader valt wat heftig in sommige momenten, wil het hem niet ten kwade duiden, mijnheer…’

»Hoe, vreest ge dit van mij, jonge man? zoo ik geene zelfverloochening wist te oefenen, had ik eene betrekking als deze niet moeten aanvaarden; de Burgemeester heeft gelijk in zijne vordering en ik zal trachten haar te voldoen.”

»Zoo sta mij toe u te vergezellen,” sprak de jonge Amelisz, en beiden sloegen op goed geluk den weg in, die naar het kermisgewoel leidde.

De arme herbergier stond op een antwoord te wachten, dat hij niet had gekregen, althans niet in dien vorm, die voor hem duidelijk genoeg was.

»Zoo zal het te twee uur zijn, heer Burgemeester! als ik wel heb?” vroeg hij aarzelend.

»Dat is immers al gezegd, man! wie lust heeft moge mijnentwege eten ten twee ure, mij is voor heden alle eetlust vergaan,” en de ongelukkige Burgemeester wierp zich mismoedig op een der stoelen, waarvan men de houten zitting door een los kussen van groene trijp had vermomd, en bedekte zijn verdrietig en knorrig gelaat met de handen, terwijl hij de beide armen op de tafel liet rusten.

Naar deel II.


Ingezonden op: 19 July 2001