EEN LEIDSCH STUDENT


IV.

Floris, Baron van Pallant, eerste Graaf van Culemborg, V rijheer van Witthem en Weede, »seigneur de lieux dont j’ gnore le nom”, de vader van onzen held, behoorde door afkomst, rang en vermogen tot den kring van hooge Nederlandsche edellieden, die vóór de afscheiding van Spanje aan het Hof van Magaretha van Parma schitterden, en de aandacht trokken van volk en lageren adel, ja zelfs van het buitenland, door den vorstelijken staat dien zij voerden en hunne kwistige leefwijze, in afwachting van den gewichtigen invloed, dien zij welhaast zouden oefenen op de staatszaken, Verwant aan de Hoogstraatens, aan de Lalaings, aan de Montignys, de Hoornes; bevriend met de Graven van den Berg, Mansfeld en Egmond, met Willem van Oranje, kon het nauwelijks anders of hij moest partij nemen tegen de Inquisitie, tegen de schending der Privilegiën en de onderdrukking des volks, maar… het werkzaam aandeel dat hij gehad heeft in de worsteling tegen Spanje is te bekend, dan dat wij er anders dan ter herinnering van zouden spreken. Alba zelf heeft het zijne gedaan om die herinnering levendig te houden, door de vandalische verwoesting van zijn prachtig hôtel te Brussel, en de schandzuil die hij op de plek dier verwoesting liet oprichten. Wat Alba aangaat, men kan niet ontkennen, qu’il avait frappé juste, zoo hij op steenen wraak wilde oefenen voor ’t geen menschen hadden gepleegd; want het huis van Culemborg heeft eene zoo belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van dien tijd, dat men er die van den eigenaar wel eens om voorbijziet. Zelfs kan men dezen niet aansprakelijk stellen, voor alles, wat daarin is gebeurd. Sinds 1564 bewoonde hij het niet meer in eigenlijken zin, kwam er niet dan vluchtig, bij dringende gelegenheden of in ’t geheim; maar stelde het open met zijne bekende gastvrijheid voor vrienden en bondgenooten, aan wier samenkomsten hij wel niet altijd heeft deelgenomen, maar op wier besluiten en verbintenissen hij rechtstreeks of middellijk zijn invloed heeft geoefend, al is het ook dat hij zelf daarbij niet het meeste op den voorgrond treedt.

»Het volk heeft zoomin als Alba verzuimd zijn aandeel in het bevrijdingswerk te gedenken, het zong:

„Den edelen Heer van Bredero soet,
„Item den Graef van Nassau dat edel bloet,
„Seer ingenieus
„Den Grave van Culemborch metter spoed,
„Vive vive le gueux,
„Dese hebben ons verlost van den Cardinael
„En van kettermeesters in ’t generael,
„En van den Bisschop zeer pompeus.
„Dus roepen wij al te mael:
„Vive vive le gueux,

Maar, verzet tegen den Kardinaal, tegen de bisschoppen, tegen de Inquisitie, was nog niet (althans niet naar ’t gevoelen der Verbonden edelen) de oproervaan planten tegen den Koning, noch rechtstreeks partij kiezen voor de Hervorming, en van Pallant kwam niet tot het eerste, dan gedreven door den uitersten drang der omstandigheden, en besloot tot het laatste, niet dan na lange aarzeling en rijp beraad. Geen wonder! Erfzoon uit een geslacht, aan het huis van Bourgondië verwant, en aan dat van Oostenrijk verbonden door opeenvolging van gunsten, kon de neef van Elizabeth van Culemborg, de edelman, door de eigene hand van Keizer Karel V tot ridder geslagen, aan het Hof van Maria van Hongarije opgevoed, door Philips II zelf met voorkomendheid bejegend, bedenkingen hebben van kieschheid en voorzichtigheid, zelfs bij de vurigste belangstelling in de zaak der vrijheid. Hoe! de Keizer had nog vóór zijn afstand, te zijner gunste de Heerlijkheid Culemborg, die hem moest toevallen, tot een Graafschap verheven, en de eerste Graaf van Culemborg, zou zonder den uitersten nooddwang des Keizers zoon de gehoorzaamheid opzeggen, en de wapenen aangorden in dien strijd, die Philips moest verdrijven uit zijn wettig erfgoed! Eerst, toen de onhandelbaarheid van Alba, de trouweloosheid des Konings, en het bloedig schavot van Egmond en Hoorne hem de zekerheid gaven dat er geen verdrag was te maken met de dwingelandij, die haar eigen graf dolf, rukte de tot wanhoop gebrachte balling dat zwaard uit de scheede, dat daar niet weder in keeren mocht, dan na de overwinning!

Maar dat de noodweer, die men ontrouw en ondank kon stempelen, strijds heeft gekost aan zijn edel en fier gemoed, blijkt uit menigen trek, die het onze taak niet is Ie vermelden, Geen zwakkeren kamp moest de anderékeuze hem kosten, al was die het eerste beslist, Door de fanatieke Elizabeth van Culemborg, zijne moei, opgekweekt lot een ijveraar voor de Kerk, was hij geenszins een lauwe en werktuigelijke naam.katholiik, zooals vele heeren van zijn rang te dier tijde. Zijn afkeer tegen »Luthers-doctryne” bij hare opkomst in de Nederlanden was hevig genoeg, om tot vervolgzucht over te slaan, en een ongelukkig herdooper, op zijn naam en last ter brandstapel geleid, was door den gloed van zijn religieijver verteerd geworden, Culemborg onder Elizabeth tot bloedens toe verdrukt door den invloed, dien heerschzuchtige priesters en dwepende monniken oefenden op de geestdrijvende vrouw, scheen in het eerste tijdperk zijner regeering niet op verlichting te mogen rekenen.

En toch met 1565 volkomene omkeer, openlijke invoering der Hervorming in het Graafschap; krachtige handhaving harer leere en leeraren in diezelfde stad waar het priestergezag zich als in eene wel verzekerde vesting voor goed dacht gezeteld, en de Graaf zelf van getrouwheid en volharding in de goede belijdenis het voorbeeld gevende; Het is te begrijpen dat de man, die nog in 1562 het bloedgericht liet spannen op zijn eigen gebied, niet zonder heftigen, innerlijken strijd tot zulke verandering zal zijn gekomen; dan, te onderzoeken langs welken weg de streng roomschgezinde Heer is geleid tot het besluit om openlijk partij te kiezen voor de Hervorming, behoort niet tot ons onderwerp; wij hebben te doen met zijne familieaangelegenheden in een tijdperk, toen die keuze reeds onherroepelijk was geworden, gelijk zij onberouwelijk is geweest, als blijkt uit de daden, waarmede hij haar heeft bevestigd en de opofferingen, die hij er zich voor heeft getroost. Die opofferingen waren niet gering: om niet eens te spreken van de schitterende uitzichten op vorstengunst en eereambten, die hij prijs gaf, werd daar niet minder van hem gevraagd dan het werkelijk afstaan en verlaten van al zijne bezittingen en heerlijkheden, en het als balling wegtrekken naar den vreemde, zonder eenige vaste hoop van terugkeer, zonder andere zekerheid dan deze: dat gevangenschap en levensgevaar hem wachtten bij de wederkomst in ’t vaderland, en zonder dat deze offers later voor hem zooals voor sommige anderen, tot eene schitterende vergelding hebben heengeleid. Hij heeft de gevolgen van die offers moeten dragen zijn leven lang, en zijn zoon zelf heeft er de naweeën van gevoeld. Dat was niet de schuld van Willem den Eersten, die zijn trouwen vriend en bondgenoot in den strijd geenszins verachteloosde in den tijd der aanvankelijke overwinning; dat lag evenmin aan de Staten van Holland en Gelderland, die het hunne deden om hem de geledene verliezen in eere en erkenning te vergelden; maar dat was de natuurlijke uitkomst, door vrienden raad noch daad af te weren, de kosten van den torenbouw (geen Babelsche voorzeker), die deze bouwheer vooruit had berekend, en die hem nochtans niet hebben afgeschrikt. Daar wordt van hem getuigd: »dat hij niet heeft aangezien sijne vrienden en verwanten, noch sijne goederen, noch sijne alliantiën, noch sijne playsieren, noch alle andere consideratië, die den persoon van oordeel souden meugen bewegen en onmoedigh maken, noch de onsekere uitkomste van so glorieus voornemen ende het perickel om te verliezen eer, goedt ende leven.

Wedergekeerd tot zijn graafschap en dat deel zijr:er bezittingen, dat niet in de macht des vijands was gebleven, vond hij die zooals ze zijn moesten, nadat ze tot eene roof waren gelaten »aan de Spagniaerden en hare adhaerenten, aie deselve na haren lust en gevallen, hadden verruckt, gepluckt, beseten ende daarinne gedomineerd,” zooals zijn zoon zich er over uitlaat. Die verwoeste goederen nu, door uitgeplunderde onderdanen bewoond, of van de inwoners verlaten, was alles wat den schatrijken Graaf aan tijdelijke bezittingen was overgebleven, en van ’t geen hij nog zijn eigendom kon noemen, was het meerendeel tot ontzettende sommen verpand, om in de oorlogskosten van Oranjes leger te helpen voorzien; een deel van zijn zilver en goud had hij laten versmelten en tot geld slaan voor datzelfde doel, En het was toen niet de tijd, dat een adellijk huis zich uit zulke diepten kon opheffen tot vorigen welstand; de arbeid van den landman, die de rijkdom van den landsheer moest daarstellen, werd verachteloosd voor den krijg, de ploeg bleef verlaten voor het zwaard, en uit onzekerheid of niet de vijand zou oogsten, verzuimde de zaaier zijn akker van koren te voorzien; schaarschte, hongersnood, armoede, waren de noodwendige gevolgen van deze verachteloozing, en waar zij den gebogen vazal tot verpletterens toe drukte, kon zij den hoogen leenheer geene gelegenheid geven om het hoofd op te richten, en zich te herstellen van geledene verliezen. Daarbij kwam nog dat vijandige naburen en hebzuchtige bloedverwanten partij trokken van de verwarring in Culemborgs zaken en van zijne tijdelijke ongelegenheden, om ingrepen te doen in zijne rechten, en eischen en aanspraken te laten gelden, wier inwilliging hem werd afgeperst tot vermeerderd bezwaar zijner moeielijke omstandigheden. Door dit alles te zamen, was de Graaf, die aan het hof der Landvoogdesse, vreemdelingen en landgenooten door zijn schitterend prachtvertoon had verblind, die gewoon was zijne vorstelijke stallen gevuld te zien met meer dan honderd paarden, die gestadig vijftig bedienden, zijne kleuren dragende, in dienst hield, onafhankelijk van een aantal personen uit den lageren adel, die zekere ambten bekleedden in zijn huis of bij zijn persoon, die Graaf, die op zijn slot te Culemborg, of op zijne goederen in Braband, Duitschland of Zeeland; op zijne jachten; bij zijne feesten; op zijne reizen, zich gedurig omringd en gediend zag als een vorst, er toe gebracht om in 1592 openlijk te verklaren: »dat zijne middelen hem niet toelieten om in de onkosten van eene drievoudige hofhouding te voorzien!” — »Maar waarom dan ook drie hofhoudingen?” vraagt een bescheiden lezer en kan die vraag doen, zonder op te houden dat te zijn.

Voor wij die vraag beantwoorden, moeten wij doen opmerken zekere punten van lotsgemeenschap, die deze eerste Graaf van Culemborg heeft gehad met Willem den Eersten. Aan het Hof van Maria van Hongarije gekomen, om zijne opvoeding als edelman te voltooien, vond hij er den jongen Prins van Oranje reeds onderscheiden door Keizer Karel V, werd nevens hem deelgenoot der keizerlijke gunst, verdiende zijne sporen als hij in de keizerlijke oorlogen, en verbond zich aan hem met eene jeugdige vriendschap, die in latere jaren onder strijd en lijden zouden rijpen tot een vast en heilig verbond. Evenals Oranje ( en wellicht door hem geleid), koos hij partij voor het verdrukte volk, met die wijze behoedzaamheid en matiging, die de doldriftige Brederode en de heftige Mansfeld niet zelden vergaten; evenals deze wachtte hij niet, gelijk Hoorne en Egmond, op onhoudbare stelling, de komst van Alba in Nederland af, maar trok zich bijtijds terug door voorzichtige uitwijking, om, gelijk deze, in die vrijwillige ballingschap gestadig het oog gericht te houden op het groote doel; om hem ter zijde te staan in alles, wat hij beraamde, om uit te voeren wat hij aanwees, op zulke wijze, dat zijne levensgeschiedenis van toen aan als ingeweven is in die des grooten bevrijders! Maar ook als deze was hij niet gelukkig in de keuze eener tweede gemalin, zonder als hij, het voorrecht te hebben, zijn huiselijk leed later geheeld te zien door twee achtereenvolgende deugdzame en liefhebbende huisvrouwen Van Pallant-Culemborg moest den keten, die hem zoo zwaar viel, meesleepen tot aan zijn einde, en die knelde hem te meer, daar eenmaal zachter banden hem hadden omgeven. Zijne eerste gemalin Elizabeth, Gravinne van Manderscheidt, waarmede hij in ’t jaar 1564 huwde, eene vrome, zachtmoedige vrouw, die hem vermoedelijk met de Luthersche religie, die zij beleed, verzoende, zonder er hem toe over te halen, ontviel hem te midden zijner ballingschap, toen hij meest haar troost behoefde, en liet hem een kind achter, eene dochter, die gedurende zijne omzwerving aan de grootouders te Bieberich werd toevertrouwd. Maar van Pallant had behoefte aan de liefde eener vrouw op den zwaren levensweg, en zonder Elizabeth te vergeten, voelde hij zich aangetrokken door hare verwante, Philippa-Sidonia van Manderscheidt, Blankenheim-Gerolstein, in wie zich schoonheid met schranderheid vereenigde, en daar de Nederlandsche Graaf, ondanks den druk van het oogenblik, eene goede partij was voor eene Duitsche Gravin, kwam dit huwelijk vrij spoedig tot stand; doch het werd voor hem de bron van rampen, grieven en kwellingen, die hem nog zwaarder moesten wegen dan de groote uiterlijke tegenspoeden, omdat ze hem in ’t harte nepen en in de eere tastten, Toch was het eerste tijdperk van dezen echt niet ongelukkig, Nog in Duitschland werd de Gravin moeder van een kind, dat echter kort na de geboorte overleed. Kort na de wederkomst in het vaderland, schonk zij den Graaf nieuwe vadervreugde: 23 Mei 1577 werd hem op het kasteel Culemborg een zoon geboren, een erfgenaam, naar den vader Floris genoemd; eene gebeurtenis, die niet slechts het Grafelijk slot, maar ook de burgers van Culemborg en de vazallen der Heerlijkheid met de grootste blijdschap vervulde en met openlijke vreugdefeesten werd gevierd. Twee jaren later braken de orkanen los, die de krans van echtelijk heil zouden uiteenrukken, en den band des vredes onheelbaar breken, zonder dat de kluister des huwelijks daarom kon worden geslaakt; in den aanvang zag men slechts enkele grauwe wolkjes opkomen, die den huiselijken hemel verduisterden. De Graaf merkte op, dat zijne gemalin behaagziek was, al meer en meer begon toe te geven aan eene overhelling tot ijdelheid en wuftheid, en kwistige prachtliefde vereenigden een volkomen gebrek aan orde. Zoo grievend de eerste ondeugden waren voor zijn hart, zoo gevaarlijk waren de andere voor zijne belangen, in een tijd, waarin hij zelf alle krachten moest inspannen, om het lot zijner onderdanen te verbeteren en zijne eigene zaken uit hun staat van verwarring en verachtering op te heffen door een goed toezicht en een verstandig overleg; maar Philippa-Sidonia was de moeder van zijn erfgenaam, zij had schitterende eigenschappen, die menig oog zonneblind maakten voor hare gebreken, en zij heerschte over den Graaf, door de macht harer bekoorlijkheden. Van Pallant-Culemborg bleef meer toegeven dan hij moest. Het deel zijner goederen, dat onder den vijand lag, kwam langzamerhand weer in zijn bezit. Bij de pacificatie van Gent was hem eene jaarlijksche schadevergoeding toegezegd voor zijn verwoest en geplunderd huis te Brussel. De Prins en de Staten trachtten hem de geledene verliezen te vergoeden, zooveel doenlijk was: hij was dus wel minder rijk, maar toch nog niet arm naar zijn stand, en de hofhouding op Culemborg kon ingericht blijven op grootschen, vorstelijken voet, ter ontvangst van vrienden en voorname vreemdelingen, tot het geven van feesten en jachtpartijen, waarbij de Geldersche en Utrechtsche adel toeliep. Sidonia kon leven in luidruchtig feestgewoel zoo zij het begeerde, zij kon zich omringd zien door hare Duitsche verwanten, door de Graven van Nassau, van Hohenlo, van Hohenzollern, door de Nederlandsche edelen, aan van Pallant verwant of verbonden. Haar leven kon vroolijk zijn en vol afwisseling, zonder dat het opzien baarde of haar gemaal tegenstond; zij had pages en kamerlingen tot haar bijzonderen dienst; zij had hofmeesters en stalmeesters van edelen huize, die orde stelden op de huishouding; zij had bewaarders van ’t zilverwerk, van de garderobe, van de wapenkamer; zij had zich bijgevolg met de huiselijke aangelegenheden niet te bemoeien, en slechts eenig perk te stellen aan persoonlijke spilzucht, om haar gemaal voldoening te geven en hem niet tegen te werken in zijne pogingen tot herstel van de misbruiken en wanorden, die hij poogde te hervormen.

Maar de loszinnige Sidonia, hoe behaagziek ook, scheen haar zucht om te behagen niet uit te strekken tot haar gemaal. Zij gaf hem billijke oorzaak tot misnoegen niet slechts, maar recht tot verdenking harer getrouwheid; dat laatste was meer dan zijne lijdzaamheid kon dragen, en de uitbarsting van zijn toorn was te heftiger, naarmate hij reeds lang andere grieven had opgekropt. Hartstochtelijke gramschap is eene kwade raadsvrouw; de Graaf, in plaats van eene poging te doen om de wankelende vrouw opgericht te houden, en tot haar plicht terug te brengen, liet haar aan haar zelve over, stelde haar bloot aan al de gevolgen eener ledelijke verlatenheid, en tegelijk gaf hij haar ter prooie aan den laster, door de opzien barende wijze, waarop hij zich van haar verwijderde. Niet slechts vrienden en verwanten, maar ook dienaren en onderdanen werden gemoeid in de hooggaande echtelijke twist, die sommigen tot geheim leedvermaak, anderen tot droefheid en ergernis was, Zeer zeker was de Gravin schuldig. Zij was het reeds, omdat zij den schijn des kwaads niet had gemeden, omdat zij zich blindelings had overgegeven aan hare zucht tot vermaak, zonder er op te achten dat zij haar gemaal daarmee in ’t harte krenkte, wiens geest tot hoogeren ernst en stille ingetogenheid was gestemd, na een leven vol strijd en beproeving: maar er is reden om te gelooven, dat hare schuld toen nog niet zóó groot is geweest als de heftige, wij zouden haast zeggen, onberaden handelwijze des Graven scheen te bewijzen, en men komt tot de onderstelling, dat hij zich in dezen meer heeft laten leiden door de vrees, dat men verschooning zou aanzien voor zwakheid, of voor berusting in gedragingen, die hij moest afkeuren, dan wel door die wijze bedachtzaamheid en door die christelijke gematigdheid, die hij allereerst had behooren te oefenen jegens eene gade, welke dan ook de mate harer schuld mocht zijn, Maar de toorn en de argwaan, aangevuurd door de influisteringen van onvoorzichtige vrienden, spraken ditmaal het luidst, en hij luisterde naar die stemmen het meest, tot zijne eigene groote schade, en het volkomen verderf der Gravin, die nu, niet langer omringd en als gehoed door de achting der wereld, wanende dat zij niets meer had te ontzien, allerminst haar gemaal, zich geheel overgaf aan vleiers en slechte raadslieden, die belang hadden bij eene onheelbare breuk, en die haar aanzetten om den Graaf dag op dag nieuwe krenkingen aan te doen en hem openlijk te trotseeren! De toorn des Graven steeg tot woeste drift toen hij zich dus getrotseerd zag door de schuldige vrouwen hare aanhangers; van zijne zijde gaf hij telkens meer gehoor aan oorblazers en valsche vrienden, en het echtelijk krakeel sloeg over tot eene openlijke vijandschap, waarbij men van weerszijden er slechts op bedacht scheen elkander hoon voor hoon en smart voor smarte weer te geven, en waaruit allerlei onheil en gevaar te voorzien was, ja, de ondergang van het grafelijk huis van Culemborg,

Ook vereenigden welgezinde bloedverwanten en vrienden zich .nu om eene verzoening te bewerken, die onder de leiding van den vromen en wijzen Graaf Jan van Nassau, den Ouden, goede kans had te gelukken, en waarbij zij elkander beloven zouden »alles te vergeten, geene verwijtingen te doen, die tot nieuw misverstanrl aanleiding konden geven, zich als christelijke echtgenooten jegens elkander te gedragen, geen toorn noch verbittering plaats te geven, noch zich tot dezelve te laten opwekken. De Graaf zou de Gravin op zijn slot te Culemborg aanzienlijke eerlievende mannen en vrouwen van adel toevoegen, om met hun raad het huishouden te besturen, haar in de kerk, en de stad, op de wandeling te vergezellen; de Gravin zou aan hare zijde zich tuchtig, stil en ingetogen jegens haar man gedragen, alle verdacht verkeer, ook alle aanleiding tot opspraak en vermoeden vermijden, en geen gezelschap houden zonder raad, voorweten of bijstand van den haar omringenden adel.”

Die voorwaarden schenen niet dan billijk, maar toch moesten ze zwaar zijn voor eene vrouwals Sidonia van Manderscheidt. Het was haar plaatsen onder het opzicht, onder de onophoudelijke bewaking en bespieding van personen, door haar gemaal tot die taak gekozen, en die gewapend met den eisch dat zij alles wat »opspraak en vermoeden kon geven,” zou vermijden, haar iedere vrije beweging, ieder woord, iederen blik tot fout konden maken; het was de toestand van eene staatsgevangene, door verspieders omringd, het was niet meer de positie eener gemalin in het huis van haar echtgenoot. Doch hoe hard ook, en hoe weinig zij de vrouw was er zich op den duur aan te onderwerpen, de Gravin wilde ze aannemen en de verzoening stond op het punt om getroffen te worden, toen een der personen, op wien voornamelijk de achterdocht des Graven zich had gevestigd, en tegen wien hij eene vervolging had ingesteld, in hechtenis raakte, en voor den rechter geleid, bekentenissen en verklaringen aflegde, die den Graaf afschrikten van de hereeniging, onder welken vorm dan ook. De mogelijkheid dat de schuldige ter zelfverdediging de Gravin kon hebben bezwaard, of dat spijt en moedwil den gevangene tot lastering hadden aangezet, wilde Floris van Pallant niet laten gelden; hij wilde den naam zijner vrouw in den eersten tijd zelfs niet hooren uitspreken, en verwierp iedere nieuwe poging tot bemiddeling, hoewel Vorsten, Graven, Gecommitteerden van Utrecht en Gelre tusschenbeiden traden; hij was nauwelijks te bewegen om de gade, van wier ontrouw hij zich nu zeker hield, behoorlijke verzorging en onderhoud te beloven, en, zelfs nadat men hem die belofte had afgeperst, verzuimde hij er aan te voldoen. Het grieft ons deze harde en deloyale handelwijze te moeten herdenken van den ridderlijken voorstander der vrijheid, maar zij is te verklaren, zoo niet te verschoon en uit de wreede, vlijmende smart der gekrenkte liefde, der geschonden eer, die zijn hart hadden verstaald, en als gesloten voor de stem der billijkheid, terwijl hij, zooals de toorn en achterdocht gewoonte hebben, het oor spitste voor de inblazingen van lasteraars en vleiers, die bij de tweedracht hunne rekening vindende, het hunne deden om alles wat de Gravin had gedaan of gezegd, in een kwaad daglicht te stellen, den schijn als werkelijkheid voor te stellen en uit het twijfelachtige zekerheid te scheppen.

Is zij inderdaad zoo schuldig geweest als de Graaf haar geloofde, dan is de vermetelheid, waarmede zij herhaaldelijk hare onschuld betuigt, de schaamteloosheid, waarmede zij haar gemaal Voor een gerechtshof daagt, om het tegendeel te bewijzen, alleen reeds genoeg om den diepen afkeer en minachting te verklaren, die een fier een hoog gevoelend man heeft opgevat tegen zulke vrouw. Vat zij niet opzag tegen onwaarheid en verkeerde voorstelling, bewijst hare betuiging voor het Hof van Gelderland, dat zij, sinds zij den Grave van Culemborg verbonden was »sich jeder zeit ALLER DEUCHDEN BENERSTIGT, sich óók niet anders dan als een froom Gravinne wol aenstaet und gebuert gedragen hat.” Hare taal en spelling eene mengeling van plat Duitsch en slecht Hollandsch, is bijna zoo ergerlijk als hare houding, want het was kennelijk voor ieder, die haar had gadegeslagen in het huiselijk leven, dat haar gedrag de volkomene tegenstelling was geweest van dat eener vrouw, »die zich aller deugden benaarstigt,” nog vóór dat haar echtgenoot er aanleiding uit nam om er openlijk zijne afkeuring over uit te drukken, Maar de beklagenswaardige had iets onmisbaars verloren: de achting voor zich zelve. Haar geweten was niet ontwaakt tot bewustheid van schuld, en in de hardheid, die haar was aangedaan, zag zij niets dan eene krenking, waarover zij zich moest wreken, geenszins een prikkel tot verootmoediging, en waar de Graaf haar het stigma der veroordeeling op het voorhoofd had gedrukt, was ook de schaamteblos weggevaagd van hare wangen, en met iedere vrouwelijke deugd, met ieder schaamtegevoel, waarmede zij moest breken, om zich staande te houden in hare trotsche, uittartende houding tegen een gemaal, was een nieuwe ondeugd het harte binnengetrokken, openbaarde zich al de kracht der zonde zonder eenigen tegenstand, Het booze heerschte daarin, de hartstochten hadden geen breidel meer, de ongelukkige vrouw was geraakt op dat hellend vlak, waarop het staande blijven onmogelijk is geworden, en dieper zinken het zekerste is te wachten, Welhaast hooren wij haar klagen bij het Hof van Gelderland, over zulke verlatenheid van haar gemaal, »dat zij van honger en kommer zou zijn omgekomen, indien niet eenige goede lieden haar voedsel en troost hadden gegeven.” Die klacht was overdreven, want behalve dat de Gravin eenige inkomsten bezat, onafhankelijk van den Graaf, kon zij de toevlucht nemen tot haar vader of andere verwanten in Duitschland, die haar geene schuilplaats zouden geweigerd hebben. Het is zelfs onwaarschijnlijk dat Floris van Pallant, die nog verschillende sloten en adellijke huizen bezat, buiten het kasteel dat hij zelf bewoonde, de moeder van zijn zoon, de vrouw, die nog altijd zijn naam droeg, eene voegzame verblijfplaats zou hebben geweigerd, indien zij zich rechtstreeks aan hem gewend had, met de belofte er voortaan rustig en ingetogen te leven. Maar ruste en ingetogenheid waren voor Philippa-Sidonia geene houdbare voorwaarden. Zij was woelziek en rusteloos; zij was arglistig en behendig; zij was stout en strijdlustig; het lag niet in haar plan zich aan vergetelheid te wijden, en in afzondering hare fouten of haar ongeluk te betreuren. Zij verkoos buiten het graafschap om te zwerven, hare ergerlijke zaak voor gerechtshoven te slepen, haar gemaal in te dagen en gerechtelijk op te roepen tot hare verzorging, en allen wie ze hare vrienden achtte of als zijne vijanden kende, in Utrecht, Gelderland of Duitschland in beweging te brengen om hem te dwingen tot datgene, wat hij vermoedelijk, nadat de eerste hitte des toorns was bekoeld, vrijwillig zou hebben gedaan, maar waartoe hij zich niet door zulk en dwang wilde laten verplichten. Hij beantwoordde de verschillende dagvaardingen van het Hof van Gelderland, eenvoudig met niet te verschijnen. Het Hof zelf werd bij gezet onderzoek van de onhoudbaarheid of onbillijkheid harer eischen overtuigd, of wel (hetgeen in die tijden geene zeldzaamheid was) door tusschenkomst van invloedrijke personen uit de hooge regeering, er toe gebracht om van het vervolgen dier zaak af te zien, althans het proces werd niet doorgezet. Het was ook onnoodig geworden, daar de Graaf zich, op aandrang van verschillende personen, had laten bewegen om de bemiddeling aan te nemen van Georg Domproost van Keulen en Lodewijk van Sayn, Graaf van Witgensteyn, den broeder der Gravin, door wier beleid er eene overeenkomst gesloten werd tusschen deze en haar gemaal, die geheel in haar voordeel was, en die in de geschiederlis van het huis Culemborg wordt aangeduid als het »KEULSCH VERDRAG.”

De beleedigde echtgenoot werd hierbij tot de verklaring gebracht, dat hij niet bedoeld had zijner gemalin smaad aan te doen, maar alleen gehandeld had tot verdediging der eer en reputatie beider grafelijke huizen. Verklaring die nogal vreemd klinkt, daar het voor de eer en reputatie zeer zeker voordeeliger zou geweest zijn, zoo de Graaf minder ruchtbaarheid had gegeven aan zijn huiselijk ongeluk; doch toen als nu, had men reeds gewoonte bij officieele gelegenheden woorden te gebruiken, die niet dan goedluidende klanken waren. — Beiden beloofden verder allen onwil af te leggen (belofte, die geen van tweeën van elkander voor goede munt kon aannemen, noch wist voor zich zelven te zullen houden) en verder zich te onthouden van verbitterende woorden en daden, belofte vermoedelijk even illusoir als de andere, hoewel het vervullen er van beter in de macht stond der partijen. Zoolang de Gravin afzonderlijk zoude leven (beiden hadden, als van zelfs spreekt, na al het gebeurde bedenkingen tegen het voorstel, om zich in ééne huishouding te vereenigen), zou Floris haar tot onderhouding van haar grafelijken staat jaarlijks 2400 Carolus guldens toeschikken, ook zou zij de dispositie hebben over haar huwelijksgoed, en nog bovendien 1000 daalders ontvangen ter betaling van tot hiertoe gemaakte schulden. Verder zou de Gravin bij haar vader op Gerolstein inwonen, waar de Graaf het recht zoude hebben haar in ’t vriendelijke te bezoeken, en een of meer maanden te verblijven, mits op zijne eigene kosten.

Men ziet het, de voordeelen van dit verdrag waren niet aan de zijde van den Graaf; het was meer dan onwaarschijnlijk dat hij gebruik zoude maken van de vrijheid, om haar vriendschappelijke bezoeken te brengen, tenzij men aanneme dat de Gravin rekende op vergetelheid of hoopte op ontdekkingen, die haar gedrag jegens hem in een minder ongunstig daglicht zouden stellen, zonder dat had de clause geene beteekenis, evenals de beide eerste. — Het eenige wat van Pallant-Culemborg bij dit verdrag won, was: aanvankelijke rust, het staken der openlijke aanvallen en vijandelijkheden zijner gemalin en harer bondgenooten, en de bewustheid dat hij een plicht vervuld had met de moeder van zijn kind te verzorgen naar haar rang en den zijnen.

Wat dat kind betrof, de moeder scheen geen moed te hebben haar aanspraak daarop te laten gelden, of wel had de Graaf zoo nadrukkelijk te kennen gegeven, dat hij de zorg en de leiding van zijn erfzoon aan zich behield, dat men allen verderen aandrang nutteloos achtte, waar het dit punt gold, dat de Gravin evenwel niet uit het oog verloor, terwijl de Graaf zich zelven beloofde, dat zij geene stem zoude hebben bij de opvoeding van den jongen Floris, en dat hij hem veiligen zoude voor haar invloed, zoolang hij leefde, om dien tegen te gaan. Hij nam daartoe alle mogelijke maatregelen, gewone als ongewone, en waakte zelf met de angstvalligste bezorgdheid dat zijne bevelen werden uitgevoerd. De jeugdige Floris was even twee jaar toen de huiselijke storm losbrak, die de Gravin uit het kasteel van Culemborg verwijderde; hij was in zijn zesde, toen het Keulsch Verdrag haar naar Duitschland verbande; hij kon dus niet eens bewustheid hebben van de moederlijke liefde en zorge, waarvan hij was beroofd; de vader had hem omringd van zijne getrouwen, die den naam niet mochten uitspreken van haar, die zijn moest als eene doode voor dat kind, en toch werd de oude bondgenoot van Oranje door die vrouw verkloekt en overwonnen, in dezen treurigen wedstrijd. »Een vrouw is duysent mannen t’ erg,” zegt Vondel, Hoe sterk dus de vrouw, die moeder is, die alles durft wagen en die niets meer heeft te verliezen!

Wij zijn verre van de Gravin te prijzen, waar zij list gebruikte en zelfs geweld niet heeft gespaard om de hand te hebben in de opvoeding van haar zoon, en invloed te verkrijgen op zijn geest. Ootmoedige berusting in een gemis, waaraan zij zich zelve door een onwaardig gedrag had blootgesteld, ware zeker meer prijselijk en aan hare eigene gemoedsrust meer bevorderlijk geweest… doch wij geven de Gravin niet zooals zij had moeten zijn, maar zooals zij geweest is, en dan verschijnt ze ons als moeder: zeer werkzaam, zeer behendig, zeer krachtig van raad en van daad, op alles het oog houdende, het kleine zoowel als het groote, niets overziende, niets verachteloozende, wat tot haar doel kon leiden, weinig kiesch op de middelen, waardoor zij tot haar doel kwam, zonder dat men gerechtigd is dat doel zelf zoomin als de uitkomst af te keuren, terwijl men den Graaf niet volkomen van bekrompenheid, eenzijdigheid en harde zelfzucht kan vrijpleiten bij de plannen, die hij had met zijn zoon. Dat zij niet werden doorgezet, dat de jonge Graaf in de gelegenheid werd gesteld, tot het verkrijgen van meer wetenschappelijke kennis, en krachtiger ontwikkeling dan voor hem op ’t slot Culemborg mogelijk was, dankt hij zijne moeder.

Dat van Pallant-Culemborg zeer verre af was van te rekenen op de berusting zijner gemalin, waar het hare scheiding van zijn zoon gold, bewijzen ons de veelvuldige voorzorgen die hij nam, zoowel om eene oplichting te voorkomen als om alle verstandhouding van Sidonia met haar zoon te weren, ware het ook door derden. Van kind af liet hij hem omringen door eene menigte wel vertrouwde personen, en liet hem, om het zoo eens uit te drukken, à vue bewaken, hoewel hij in zijne onmiddellijke nabijheid was, op het welverzekerde slot Culemborg, dat de Graaf zelf niet dan om drang van staatsbezigheden verliet, en na 1587 in ’t geheel niet meer, en hoewel de toeloop van vreemde gasten en naburen hoe langer hoe meer verminderde, en ten laatste geheel werd afgesneden, en beperkt tot een enkel vriendenbezoek, tot de weinige personen, waarmede hij te raadplegen had over de aangelegenheden van ’t gemeene vaderland, of over zijne particuliere zaken.

Na de verwijdering van de Gravin begon van Pallant zijn hofstoet al meer en meer in te korten, en tot een twintigtal dienaren te bepalen; maar de omgeving van den kleinen Graaf verminderde niet, integendeel, de drom die dezen omgaf, groeide aan met zijne jaren; toen hij den leeftijd had bereikt waarop hij de verzorging der vrouwen ontberen kon en in mannelijke handen overging, werd hij toevertrouwd aan verschillende leermeesters, die allen op ’t kasteel kwamen wonen, en onder het opzicht werden gesteld van »twee directores wezende geleerde adellijke personen, waaraan het welvaren van den Huize Culemborg gelegen was.” Aan deze edelliedeli was in ’t bijzonder aanbevolen »de bewaring van den persoon des jongen Graven,” maar tegelijk rustte op hen de verantwoordelijkheid van geheel zijne vorming en opvoeding; het is dus ontwijfelijk dat de Graaf ze gekozen zal hebben met de grootste omzichtigheid en met volkomene kennis van hun karakter en opiniën. Zij hadden belang bij de toekomst van het Culemborgsche huis, deelden de inzichten van den regeerenden Graaf, en waren bereid om tot diens bedoelingen mede te werken, uit alle hunne rnacht. Zij konden dus niet gunstig gestemd zijn voor de Gravin, en zullen de meest mogelijke waakzaamheid geoefend hebben om alle verstandhouding af te keeren, die de moeder zou trachten aan te knoopen met haar zoon. Waarschijnlijk is hun dit gelukt. Maar het ging boven hun vermogen te beletten, dat de Gravin kennis droeg van ’t geen er omging op het slot Culemborg en voorviel met den jongen Graaf. Philippa-Sidonia had hare partij in de stad en in ’t Graafschap, zoowel als onder den Gelderschen en Utrechtschen adel, en zij was de vrouw niet om hare voordeelen ongebruikt te laten. Onder de dienaren, die de Graaf van tijd tot tijd afdankte, waren misnoegden, of dezulken, die uit belangzucht zich aan de zijde der Gravin schaarden, bij welke zij tijdelijk ondersteuning vonden of werkelijk in dienst traden. Dezen hadden nog hunne vrienden, hunne betrekkingen op het kasteel, waarmee zij gemeenschap bleven houden, hunne vrouwen of verwanten bleven te Culemborg wonen… hoe licht moest het eene Philippa-Sidonia vallen, om van deze lieden, zelfs zonder dat zij het wisten of wilden, hulpmiddelen te maken tot bereiking van haar doel. Een valsche dienaar en verrader was er op het grafelijk slot, dien wij bij name kennen, wiens ontrouw eerst in een veel later tijdperk werd ontdekt, en die bijgevolg toenmaals nog het volle vertrouwen genoot van den Graaf en zelfs, meer dan voorzichtig scheen, in diens geheime zaken was ingewijd. Zekere Dr. Jan de Keizer, die in het Leycestersch tijdperk, en staande de twist met de Utrechtsche regeering, zijn meester gewichtige en veelvuldige diensten schijnt te hebben verleend, maar die hem later trouweloos en ondankbaar verried en met groot opzien uit het kasteel en ’t Graafschap werd verwijderd. Of hij gereed is geweest om de Gravin tegen de intentiën van den Graaf te dienen, of hij werkelijk tot zulke diensten is gebruikt, durven wij niet bepalen, maar… hij was ontevreden, listig en baatzuchtig; en zij stout en behendig…

Is het niet zeer waarschijnlijk, dat die twee elkander moesten verstaan, en zich vereenigd zullen hebben tot geheime kuiperij? Wat daarvan ook zij, het afzijn der Gravin belette niet dat hare partij aanwies in het Graafschap. De Graaf, hoe goed hij het ook met zijne onderhoorigen meerde, welk een waakzaam en vermoeiend leven hij ook leidde, om hun lot te verbeteren, om hen te beschermen tegen overlast, zoowel van vijandige naburen als van oen algemeenen vijand, was geen man om algemeen bemind te zijn; terwijl een deel zijner onderdanen hem als hun redder en bevrijder liefhad en eerde, was er een ander deel, dat niet zonder misnoegen en onrust zijne handelingen gadesloeg, en dat zeer gereed was in hem eerder een onderdrukker dan een helper te groeten. Getrouwen standvastig aan de partij die hij eens had gekozen, zoowel in ’t godsdienstige als in ’t staatkundige, bleef van Pallant-Culemborg zich zelven gelijk, en droeg er al de consequentiën van. Hij was geen man van halfheid, noch van hinken op twee gedachten, hij was vurig Roomschgezinde geweest, hij was streng Calvinist geworden. Hij stichtte kerken en scholen in zijn graafschap; hij nam den raad in van mannen als Junius, Helmichius, Modet, bij de aanstelling van leeraren en onderwijzers. Zelfs buiten zijn grafelijk gebied in zijne heerlijkheden deed hij zijn invloed gelden om het Evangelie te doen verkondigen, en trage of flauwhartige predikanten door meer ijverige te doen vervangen. De leeraren, die hij aanstelde, werden wel uitdrukkelijk bevolen herderlijk toezicht en tucht te oefenen, zoowel op de Christenen in hunne huisgezinnen, als in de gemeenten, Ge magistraat en de politieke raden van den Graaf zelf vlijtiglijk te vermanen, »ten einde de nieuwe ordening beter voortganck mogte hebben, veel te lang hadden zij geflauwt, gedissimuleert, en gecontinueerd.”

Men proeft Modet en gelijkgezinde predikanten, strenge voorstanders der censuur, en wel geneigd de hand mede aan ’t roer te slaan, uit deze en dergelijke ordonnantiën. Wij kunnen het den Graaf niet ten kwade duiden, dat hij ze uitvaardigde, dat hij zich door dien invloed leiden liet, maar een goed deel zijner onderhoorigen in stad en graafschap en in zijne eigen heerlijkheden behoorde nog tot de Roomsche kerk, of bleef in ’t geheim haar vasthouden, al hadden ze zich ook openlijk met de Hervormden vereenigd, en in de magistraat zelve werden zoodanige dubbelzinnige Gereformeerden gevonden, op wie de censuur, zooals Modet c. s. gewoon waren die te oefenen, eene zeer ongunstige uitwerking moest hebben, en al had de Graaf zich juist niet opzettelijk gesteld de onderdrukker te zijn zijner Katholieke onderdanen, al behoorden zij te erkennen dat zulke reactie, door hunne priester- en monnikenheerschappij was uitgelokt, zijne Katholieke onderdanen konden niet zonder smart en niet dan met ongeduld en onrust zulke verandering van inzichten en regeeringswijze gadeslaan, te minder daar de opvoeding, die aan den jeugdigen Graaf werd gegeven, hun voor de toekomst geene ruimere uitzichten bood.

Was het wonder dat dezen het oog heenwendden naar de Gravin, die, niet wettig van haar gemaal gescheiden, bij ontstentenis of minderjarigheid, ongetwijfeld een groot deel van ’t gezag in handen zou krijgen, zoo al niet het regentschap haar werd toegekend. En de Gravin verzuimde wel niet hunne verwachtingen te vleien, hunne hoop aan te moedigen, hun geheim misnoegen aan te stoken, en op een bepaald doel te richten.

Uit dit samenstemmen met de Roomsche partij heeft men willen opmaken, dat Philippa-Sidonia tot de Roomsche kerk hoorde, hetzij door uiterlijke belijdenis, hetzij door geheime toeneiging; maar dit is onwaar, zij was evenals haar vader en broeders toegetreden tot de Luthersche confessie, zij nam zelfs in lateren tijd aanleiding uit den terugkeer van haren oudsten broeder tot den schoot der oude Kerk, om Gerolstein te verlaten, en klaagt zeer over den dwang, haar door hem aangedaan, »als willende haar niet toestaan Christelijke predicanten om zich te hebben.” Zij toont nu en dan zekere gehechtheid aan de zaak der Hervorming, althans aan hare leeraren, weet zich ter gelegener tijd zeer goed te vereenigen met de vrienden en voorstanders van Leycesters partij (de anti-Katholieken), en betuigt voor papisme nu en dan die mate van afkeer, waarin bij velen toenmaals als nu, het Protestantisme bovenal scheen te bestaan, maar hare godsdienstige sympathieën waren veel te oppervlakkig, om in werkelijken zin hare handelingen te besturen, en allerminst om haar openlijk partij te doen kiezen. Zij was van geene partij, noch in ’t politieke, noch in ’t kerkelijke, dan van die, welke haar voor ’t oogenblik dienen kon; maar zij wist de partijschappen, die er heerschten, uitnemend te gebruiken tot hare eigene belangen. Onder en na het bestuur van Leycester, toen de Graaf van Culemborg met zijne naburen van Utrecht, zoowel stad als provincie, op den voet van oorlog leefde, houdt zijne gemalin haar tijdelijk verblijf in de bisschopsstad, zeker niet als middelares van den vrede, toch ziet men haar vriendschap sluiten met Vrouwe Prouninck, en dier gemaal; de heftige Gerard van Deventer, vriend en bondgenoot van Pallant-Culemborg, wordt welhaast voor hare belangen gewonnen, hetgeen niet belet dat de Advocaat van Holland, de Staten-Generaal, en de jonge Graaf Maurits zich vereenigen om hare wenschen te bevredigen en zekeren dwang te oefenen op den Graaf van Culemborg te haren behoeve!…

Doch loopen we de gebeurtenissen niet vooruit, wij hebben, zoo wij meenen, aangeloond, dat de Gravin het tijdperk harer uiterlijke berusting, in de scheiding, en bijna in den afstand van haar zoon, niet ongebruikt heeft laten voorbijgaan, om later, ter bestemder ure, van het bereide de vruchten te plukken. De Graaf van Culemborg, te veel in allerlei zaken en moeielijkheden verwikkeld, en omgeven van een vriendenkring, die zijne opiniën en zienswijze deelde, was niet verdacht op deze geheime werkzaamheid, kon het fijne weefsel der intriges niet onderscheiden, en weltevreden met de oogenschijnlijke ruste, die hem van hare zijde gelaten werd, als met de onaangevochten heerschappij over zijn erfgenaam, stond hij der Gravin, toen zij Gerolstein verlaten moest, het slot KinzweiIer, een zijner Guliksche goederen, ten gebruike af, waar zij hare gewone, ruime, weelderige leefwijze voortzette, een weinig ten koste zijner inkomsten, hetgeen hij zich vooreerst geliet niet op te merken om den wille van zijn kind, en ook om den wille van den vrede, want een vernieuwde strijd met zijne vrouw ware hem ditmaal zeer ongelegen gekomen. De zwarigheden, waaronder hij nu gebukt ging, had hij kunnen noch willen voorkomen, zij waren het gevolg zijner houding in de openbare aangelegenheden. Hij had zich altijd een getrouwen volijverig voorstander getoond van den Graaf van Leycester, als Gouverneur-Generaal, hij had in diens Staatsraad zitting gehad in het laatste, meest bewogen tijdperk van diens bestuur, er was eene partij, die zich tegen zijne benoeming, tegen zijn recht om zitting te nemen, had gesteld; desniettegenstaande had hij de waardigheid bekleeden als raadslid geageerd; het was een tijdpunt, waarop recht en onrecht, wettig en onwettig allermoeielijkst te scheiden waren, en waarop het de vraag was met de zaak, die men voorstond, te staan en te vallen. Pallant-Culemborg nu, stond voor de zaak van Leycester en ’t Engelsch bondgenootschap; hij had zich partijman getoond, het vertrek, de afstand van den Gouverneur-Generaal bracht hem in de allergrootste moeielijkheid; hij had zich al te zeer in de bres gesteld voor de onderliggende partij, om aan een vergelijk met de zegevierende te kunnen denken. Ook dacht hij daaraan niet, maar opende de poorten van zijne stad, van zijn kasteel, om gastvrijheid te verleenen aan al zulke vrienden of voormalige bondgenooten, die nu als ballingen buiten Utrechts stad en provincie werden gedreven… of als »partijgangers der Leycestersche factie” werden vervolgd.

De Oud-Burgemeester van Utrecht, Gerard Prouninck, vond met vrouwen kinderen schuilplaats in Culemborg, tot hij naar Engeland overstak, en later bij zijne terugkomst van daar. Ds. Modet kreeg huisvesting op het kasteel, tot in 1594 of 95; den afgezetten schout van Utrecht, Karel van Trillo nam hij in zijn dienst, Johan Bax, de befaamde bevelhebber van Muiden, op wien Amsterdam zoo fel gebeten was, stelde hij aan tot Kolonel, om tot bewaring van zijne stad Culemborg over ’t garnizoen te commandeeren, met één woord, hij zette zich eerder in het postuur van een aanvaller, dan van een verslagene, en zoo Barneveld en de Staten voor ’t oogenblik zich gelieten die houding niet op te merken, was het alleen omdat zij zelven hier met zooveel zwarigheden en verwarringen te worstelen hadden, en zich voorbehielden den vermetelen Graaf, die zulk eene fiere houding aannam, op zijn onafhankelijk gebied, ter tijd en wijle voor die vermetelheid zwaar genoeg te doen boeten.

De jonge Graaf Floris had onder dit alles zijn elfde jaar bereikt. Het spreekt vanzelf dat de Graaf bij de opvoeding van zijn zoon niets had verzuimd wat hij achtte tot de eischen van zijn rang te behooren, wat men destijds tot de vereischten eener goede opvoeding rekende. Meester Bernardus Zwaerdecroon (ook van Amersfoort genoemd), was van den beginne aan zijn preceptor bij uitnemendheid, en dit zegt ons, dat het Latijn en de klassieke letteren al vroeg eene hoofdrol speelden bij zijn onderwijs, hoewel noch de schoone kunsten, muziek en teekenkunst, noch de lichaamsoefeningen verwaarloosd werden, die tot de gezondheid en de behendigheid moesten meewerken. Bij zijn godsdienstig onderwijs heeft hoogstwaarschijnlijk Dominus Modet eene voorname plaats bekleed, en zoo het waar is, dat Floris II later, in de troebelen door de Remonstranten veroorzaakt, partij heeft genomen voor dezen en naar hunne gevoelens overhelde, kan men gerust zeggen, dat het niet aan zijne opvoeding heeft gelegen, noch aan de indrukken in zijne jeugd ontvangen, misschien toch wel, hoewel op andere wijze dan door verzuim; overmaat doet walgen, zegt men van de spijze; met geestelijk voedsel, hoe goed en hoe krachtig ook, is het zeker niet anders, en wij vreezen dat het te veel, te zwaar, en te vroeg, hier voor de toekomst van schadelijke werking zij geweest; wij vinden opstellen van zijne kinderlijke hand, waarin de hoogste en diepste leerstukken der Gereformeerde kerkleer als met wiskundige vastheid en klaarheid zijn uiteengezet, die, juist omdat ze zulke waarheden verkondigen, die eerst door de consciëntie moeten voorgevoeld zijn om begrepen te worden door het verstand en dierbaar te blijven aan het harte, bij een knaap van tien of twaalf jaar nauwelijks iets anders kunnen geweest zijn dan de vrucht van het geheugen, getrouw weergevende wat hem is voorgezegd of voorgeschreven. De fouten zelf, die er zijn begaan (de verbeteringen schijnen niet van Modets hand, denkelijk van een ondergeschikt huisonderwijzer) getuigen voor de onderstelling dat het kind inderdaad geen begrip heeft van de wichtige zaken, die hier worden behandeld, en dat het die vergeten zal, zoodra de les is afgedaan, als alles wat het verstand niet heeft gevat, noch de verbeelding heeft getroffen. Moet men dan, waar alle oefening en onderwijs in de vroege jeugd raadzaam worden geacht, ook met dit onderwijs niet aanvangen in de kindsheid? kan er gevraagd worden. Ik voor mij zal daarop geen neen zeggen; ik ben niet van de meening dat de ouders, die gehouden zijn hunne kinderen van alles mede te geven wat hen op de zware levensreize noodig kan zijn, hen juist dat eenige zouden moeten onthouden, wat hen die kan verlichten en tot het wezenlijke doel van den tocht heenleiden; en dat ze hen daar niet zouden mogen voorlichten en ten gids zijn, waar dwalen het gevaarlijkste is; maar, dat er moet toegezien worden op de maten en de wijze waarop dat eerste kostbare levensvoedsel voor de ziele wordt toegediend, evenzeer en meer nog dan op het andere, dat is, dunkt me, onbetwistbaar, en het wordt misschien door niemand betwist, zoodra er over nagedacht of over gesproken wordt; maar desalniettemin en even. wel nochtans… wordt er niet altijd en niet door allen naar die overtuiging gehandeld.

Sommigen onthouden die spijze geheel, en willen afwachten tot de trek zich zal toonen, die toch welopgewekt dient te worden; anderen overvoeden met onverteerbare kost, of voegen aan de gezonde spijze specerijen toe die overprikkelen, of suikeren ze zoo kwistig, dat de zoetheid in flauwheid verkeert, die wee maakt. Te zorgen dat dit overkostelijk voedsel niet op zoodanige wijze worde gereikt, dat er afkeerigheid of overprikkeling na volgt, uwe overtuiging niet opdringen noch opplakken, (het opgedrongene zal eenmaal drukken, het opgeplakte valt met den tijd weer af), maar de kiem leggen, het zaad strooien, niet gehaast wezen vrucht te vragen, de verbeelding warm en levendig houden, waar het God en Zijn dienst geldt, maar niet overspannen; de teerheid der consciëntie te bewaren, hare sprake te leeren verstaan, en boven alles het harte ontvankelijk te maken voor ’t geloof en de liefde, dit, moeders! is uwe gezegende en belangrijke taak; zij is het vooral in een tijd als de onze, waarin gij niet op de school, niet op den meester kunt wachten, die het recht niet meer heeft uwe kinderen van deze dingen te spreken, en zelfs niet op den dominé die er hen mogelijk van zal spreken, zooals het hen beter ware niet gehoord te hebben. Laat het voor die allereerste indrukken op niemand aankomen, dan op u zelve, maak er geen afzonderlijk leeruur van, maar laat het een aanschouwen zijn en de daad van ieder uur. Uw geloof ziende, zullen zij leeren gelooven, uw gebed hoorende, zullen zij den ernst en de kracht van het gebed begrijpen, uwe liefde (ik bedoele niet de natuurlijke moederliefde, maar de Christelijke liefde der moeder) ziende, zullen zij de liefde Gods in Christus als voorgevoelen, en ’t gene dus in ’t harte is geplant, gaat niet licht volkomen verloren, zelfs niet onder de kille aanraking des ongeloofs, noch in de hitte der verzoeking, al is ’t ook dat de rukwinden der passiën en de stormen des levens het heen en weer schudden, machtig het uit te rukken zijn ze toch niet. Maar… werpt ge mij voor, om zóó het geloof in te drukken in het kinderlijk harte, moet de moeder allereerst zelve het geloof bezitten, en niet iedere moeder… Welnu tracht dan naar het geloove, niet slechts om u zelve, maar ook en vooral om uw kind, of zou er eenige moeder zijn, die bij den aanblik van het kind, haar door God behoed en bewaard als met iederen ademtocht, niet tot een kinderlijk geloove zou kunnen komen?

Maar om tot onzen held weer te keeren, van hem kan het niet gezegd worden dat hij eene moeder had te dier tijde, dat de zijne het ooit voor hem was in dien zin, en zijn vader door snerpend harteleed teneergebogen, door zorgen en bezwaren overstelpt, had wel den ernst des geloofs, maar miste die blijmoedigheid, die helderheid van geest en die rustige opgeruimdheid, die den godsdienst moet aanbevelen en behagelijk maken aan het jeugdig gemoed. Wat hij zelf met zware worsteling had veroverd, met duurzamen strijd moest behouden, kon hij niet met zachte lankmoedigheid overleveren aan een ander. Hij drong het op in den vorm van strenge voorschriften, die niet mochten overschreden worden, en om de overtuiging van den Christen ingang te doen vinden, gebruikte hij niet zelden het gezag van den Souvereinen Heer!

De huiselijke godsdienst, dien hij bij grafelijke ordonnantie zijn onderdanen liet voorschrijven, werd in zijn eigen huis, als prijselijk was, niet verzuimd, maar vond er plaats met dien ernst en gezetheid, die wel geschikt was een diepen en heiligenden indruk te maken op de kinderlijke fantasie. Geen der huisgenooten had vrijheid zich aan die dagelijksche bijeenkomsten te onttrekken. De hofmeester of een der aanwezige predikanten nam de leiding daarvan op zich, en de Graaf zelf gaf het voorbeeld van eerbiedige aandacht, dat door elk der aanwezigen moest worden nagevolgd, al ware het dan ook slechts naar de uiterlijke houding. Daar werd strenge tucht geoefend over ieder, die zich achteloos of nalatig had betoond in dezen! Niets zeker past den mensch beter dan ootmoed voor God, maar daarvan de uiterlijke gestalte te moeten aannemen op gezette uren, niet uit innerlijken drang des harten, maar om een ander mensch te believen, en bestraffing te ontgaan; dat zeker is een dwang, die huichelaars vormt, die Gode niet welgevallig kan zijn en die tot reactie uittergt, zoo ras het juk van de schouderen kan worden geschud. Doch er was meer. Als de Christelijke huisvader den Bijbel had toegeslagen, moest de antipapist zich lucht geven in ’t opwerpen van strijdvragen en verschilpunten, waarvan de oplossing, zoo zij al werd verkregen, mogelijk hare nuttigheid had voor hem zelven, en zijne omgeving, maar zeer zeker weinig aantrekkelijks moesten hebben voor een aankomenden knaap, die er noch licht uit scheppen, noch door gesticht kon worden, maar die er des te meer de gerektheid van wist te meten aan de verveling, die ze hem veroorzaakten. De tegenwoordigheid van de ballingen, die in den huiselijken kring werden opgenomen of aan de grafelijke tafel aanzaten, bracht in dezen evenmin afwisseling als verversching van denkbeelden. Zij behoorden tot de heftigste Reingoudisten, die bij voorkeur onder elkander bespraken den staat »der publieke zaken, en de belangen van Gods ware kerk,” waarvoor zij hadden geijverd met welmeenendheid zeker, maar toch veelal met meer ijver dan verstand, en wier nederlaag zij voltooid achtten met hun eigenen val. Zij vermengden te veel persoonlijke veeten en verongelijkingen, hun aangedaan, met »Gods eigen zake,” zooals zij het noemden, achtten die verloren, omdat zij zich ontwapend voelden, en dreigden hunne tegenstanders met den Hemelschen toorn. Zij misten den toon der berusting, die vervolgden om des geloofs wille, en die van waren Christelijken moed getuigt; omdat ze meer hadden gegrepen naar de uiterlijke aardsche macht, dan naar het Hemelsche koninkrijk, en hunne gesprekken hadden alzoo iets dreigends en drukkends, iets heftigs en sombers, dat zeer weinig geschikt was hun Christendom aan te bevelen aan den ontluikenden, kinderlijken geest. Voeg hier nog bij dat de leermeesters, die Floris huisonderwijs gaven, meerendeels aankomende theologanten waren, wier onderhoud zelfs zonder opzet over kerk en kerkelijke verschillen liep, dat zijne uitspanningen weinige waren en slechts gegund werden, uit aanzien van de eischen der gezondheid, dan zal men het ons toestemmen, dat wij geen ongelijk hebben in de onderstelling dat men onzen Graaf met godsdienstige indrukken en opiniën in zijne vroege jeugd dus heeft overstelpt en overstort, dat er veeleer tegenzin dan voorliefde uit heeft moeten ontstaan op lateren leeftijd, en dat de betrekkelijke ruimte, die geacht werd bij de Remonstranten te heerschen, hem vooral heeft aangelokt, als tegenstelling van den kerkelijken dwang, die wat al te zwaar op zijne jeugd had gedrukt; dan zal men zich evenmin als wij verwonderen, dat hij reeds zeer vroeg door eene vurige begeerte werd gedreven om onder Maurits de krijgskunst te leeren, en in ’t gewoel van veldtochten en krijgsdaden, die reactie te zoeken, die hij instinctmatig voelde hem noodig te zijn. »Ieder knaap van tien of twaalf jaren wil soldaat worden,” zal men zeggen, dat kan zijn, maar niet iedere knaap heeft op dezen leeftijd daartoe zooveel lichamelijke geschiktheid, zooveel natuurlijken aanleg als onze Floris, en zeker niet zóó onweerstaanbare aandrift, die de arme verdrukte toch moest wederstaan; want de oude Graaf zag niet op dien aanleg, miskende die vurige begeerte, of, terwijl hij ze zag, dwong en smeekte hij zijn zoon met allen aandrang van vaderlijk gezag en vaderlijke liefde, dien te overwinnen en af te staan; hij deinsde terug voor het denkbeeld zijn zoon, zijn eenigen van zich te verwijderen en aan de hachelijke kansen van den oorlog te wagen, die hij zelf in zijne jeugd zoo moedig had getrotseerd. De oude bondgenoot van Willem van Oranje, de ridder, die onder Emanuel Philibert van Savoye zijne sporen had verdiend, was te zwak als vader en begreep niet, dat de beste en waardigste plaats voor zijn erfgenaam zou geweest zijn in het leger van den jongen Stadhouder. Of, al begreep hij het, hij wilde, ondanks alles, dien erfgenaam bij zich houden, onder zijn oog. Toch naderde het tijdstip, waarop het gebruik wilde dat de zonen riep der aanzienlijken, òf in het leger, òf aan het Hof van eenigen Vorst, òf op de hoogeschool hunne opvoeding voortzetten, die men omstreeks de elf en twaalf jaren niet kon achten voltooid te zijn, en dientengevolge besloot de oude Graaf, hoe noode dan ook, de eerste maatregelen te nemen voor het verblijf van Floris aan de Leidsche hoogeschool. Zij bestonden in het zoeken naar eene geschikte woning, waar de jonge Graaf met zijne hofhouding zou kunnen intrekken, De tusschenkomst van Janus Dousa en Justus Lipsius werd ingeroepen, omdat Pallant-Culemborg wenschte dat zijn zoon logies zoude hebben in het zoogenaamde Prinsenhof, dat Graaf Maurits bij zijn kortstondig verblijf te Leiden had bewoond. De onderhandeling gelukte; maar toen men zoo ver gevorderd was, zag de Graaf eensklaps af van zijn voornemen, om Floris naar de academie te zenden.

Het schrikbeeld zijner gemalin rees plotseling op voor de verbeelding van den ongelukkigen echtgenoot, de invloed der moeder, dien hij zoo lange had geweerd (of meende geweerd te hebben), zou niet meer zijn buiten te sluiten, op dien afstand, in eene academiestad, waar de jonkman onmogelijk kon worden afgezonderd zooals op het slot Culemborg; hare handlangers konden hem naderen, onder de vermomming van studenten, hare briefdragers en boden konden tot hem doordringen, ondanks alle waakzaamheid van de personen, waarmede hij hem zou de omringen, en zij zelve, ja, wat belette haar in persoon te Leiden te komen, zooals ze niet zoude durven wagen op Culemborg?

Die bedenkingen waren overwegend voor den vader; liever dan hem hieraan bloot te stellen, laten wij de waarheid zeggen, liever dan die vrouw de voldoening te gunnen, dat ze haar zo zag en sprak, zou die zoon binnen de muren van zijn eenzaam slot worden gehouden, totdat de dood van den vader hem op diens gravenzetel bracht. Intusschen om de eentonigheid van die afgezonderde leefwijze een weinig te matigen, mocht de jonge Floris, onder goed geleide, uitstapjes doen in den omtrek, tot in Groningerland, slechts niet naar het Guliksche, waar de Gravin woonde. Tevens kreeg de jonker wat hij tot hiertoe had ontbeert metgezellen zijner uitspanningen en oefeningen. De zonen van Gerard Prouninck, Jacobus en Hendrik, zouden hunne verdere opvoeding ontvangen met den jongen Graaf, eene gunst, waarvan de vader zelf hen de hooge waarde gedurig voorhield en diep inprentte in hunne harten; ook verbonden zij zich aan Floris met eene innige trouwe en gehechtheid, die bij Hendrik tot eene teedere zelfverloochenende vriendschap rijpte, waarvan wij reeds enkele trekken hebben gegeven. Floris van zijne zijde droeg hen al de vriendschap toe, die het hem mogelijk was te schenken, maar hoe ook verheugd makkers en speelnooten te hebben, was hij te veel gewoon onderhoorigen om zich heen te zien, tot in zijne directores toe, van wier afhankelijkheid van zijn vader hij gedurig de kennelijke bewijzen had, dat het niet in hem opkwam de Prounincks te behandelen als zijns gelijken, en onwillekeurig met het egoïsme van een kind, verdubbeld met dat van den aankomenden grooten Heer, hen als zijne minderen te bejegenen , wier dienste hij eischte en aannam zonder te danken, alsof het vanzelve sprak, dat zij hem die bewezen. Waren de Prounincks zijns gelijken, of zelfs zijne jongeren in jaren geweest, hun kinderlijk onverstand en eigenbaat zou zich zeer zeker tegen dien willekeur hebben verzet, het verschil van stand en positie ware dan niet bij hen in aanmerking gekomen, ze zouden makkers hebben willen zijn, en om het meesterschap desnoods met handtastelijke argumenten hebben getwist, in welke twisten een verstandig opvoeder niet ten gunste van den Graaf had moeten tusschenbeide komen. Nu was het anders. De zonen van den balling, die ternauwernood het dood vonnis ontgaan was, waren diep neergedrukt door den veranderden toestand, waartoe zij vervallen waren. Zij waren juist oud genoeg om hunne verplichtingen omtrent den Graaf van Culemborg volkomen te beseffen, en niet zoo oud of zoo verstandig om te doorzien dat zij die niet het best konden beantwoorden met altijd toe te geven aan de luimen van zijnen zoon, en met altijd het onderscheid van rang tusschen hen en hem in ’t oog te houden en zich aan te stellen als zijne pages, terwijl de oude Graaf had bedoeld, dat ze kameraden zouden zijn. Op de academie zou die verhouding zich wel eenigszins wijzigen, maar de plooi was toch eens voor altijd gevormd en met al zijne natuurlijke goedaardigheid en edelmoedigheid dreigde de jonge Culemborg een egoïst te worden, die niet anders wist of àl wat hem omgaf bestond om zijnentwille. Iets vroeger was er nog een jongmensch aan den persoon van den jongen Graaf verbonden, die het geheim had zich zeer aangenaam te maken bij vader en zoon beiden. Hij was Franschman van geboorte, Calvinist van belijdenis, om de hitte der vervolging tegen zijne geloofsgenoot en met zijne ouders uit Frankrijk gevlucht, door allerlei avontuurlijke voorvallen, die hij zeer waarschijnlijk wist voor te stellen, van zijne familie gescheiden, kort na de aankomst in Holland, en bijgevolg zeer gelukkig in een voornaam huis eene toevlucht te vinden tot den prijs van zoodanige diensten, als men hem zou willen opdragen. Daar hij zich aanmeldde met een aanbevelingsbrief van Gerard Prouninck, toenmaals nog regeerend Burgemeester van Utrecht, had de Graaf consideratie gebruikt en hem aan Floris toegevoegd, om dezen te oefenen in ’t gebruik der »Françoyse tale”; later, toen het bleek dat de jonge vreemdeling de luite en de mandoere bespeelde en vaardigheid had tot het geven van lessen in de danskunst, werd hij aangesteld tot het geven van onderwijs in die kunsten, hetgeen niet belette dat de oude Graaf hem somwijlen voor koerier gebruikte, daar hij eene verwonderlijke geschiktheid had om in korten tijd: verre tochten te voet af te leggen, en de gewoonte om gewichtige brieven of berichten met een eigen bode te laten bezorgen nog in vollen zwang was. Hij noemde zich Beringen, tout court, zonder op te helderen of dit zijn doop-, dan wel familie-naam was. Zijn leeftijd was even onzeker, hij gaf voor zes en twintig jaar te zijn, maar hij scheen vrij wat jonger, hetgeen hij vermoedelijk dankte aan zijn drukken, levendigen aard; stilzitten, zwijgen of ernstig zijn, waren hem drie onmogelijkheden, en toch was het hem mogelijk bij den strakken, somberen, ouden Graaf in gunst te geraken en te blijven. Zijne vertellingen uit Frankrijk, zijne heftige en kluchtige uitvallen tegen de ligueurs en de papisten, ontrimpelden dezen het voorhoofd, al was het ook dat de verwonderlijkheden der eersten hem wat verdacht voorkwamen, maar dan wist Beringen er zich zoo aardig door te slaan met nieuwe zetten en nog luider sprekende overdrijving, dat Pallant-Culemborg hem voortsnappen liet, den Franschen wildzang en loshoofd al de voorrechten gunnende, die men gewoon is een gepriviligieerden nar of grappenmaker toe te staan. Bij Floris speelde hij eene geheel andere rol, waarvan wij later zullen hooren, want, hij speelde eene rol en hij speelde die zoo fijn en toch zoo luchtig, dat hij zelfs na d ontmaskering nog eere had van zijn spel en zich een vrijen en veiligen aftocht wist voor te behouden. Hij was niets meer noch minder dan een zendeling, een spion, een handlanger der Gravin Sidonia, dien zij uit KinzweiIer, waar zij zich toen ophield, naar Culemborg had gezonden, om haar zoon op de naderende veranderingen in zijn toestand voor te bereiden, en haar zelve verder alle geheime diensten te doen, die zij had noodig geacht om die veranderingen daar te stellen.

Ook zullen mijne lezers na al het voorgaande minder verrast zijn dan de Graaf van Culemborg zelf, zoo zij vernemen dat op zekeren dag (Floris had pas zijn vijftiende jaar bereikt) de Gravin plotseling te Culemborg verscheen, en na eene elfjarige afwezigheid op het slot van haar gemaal weerkeerde, uit eigen beweging, en niet als berouwhebbende gemalin, die verzoening kwam smeeken; maar met het gezag en de rechten der moeder rekenschap vragende van de opvoeding haars zoons, en om dien vader de wet te stellen, hoe zij die voortaan wilde ingericht hebben. Verwonderlijke stoutheid van die vrouw, die zich zelve als in handen leverde van een beleedigd echtgenoot, en blootstelde aan alles wat de getergde Graaf in zijn toorn tegen haar zou ondernemen, nu zij hem kwam trotseeren in zijne eigene woning, op zijn eigen grondgebied, waar hij als vrijmachtig en gebiedend heer konde handelen: maar zij was noch zoo roekeloos, noch zoo weerloos als zij scheen; toen zij den Graaf hare eischen voorlegde, wist zij zich door een groot deel der burgerij ondersteund; had zij verbond gemaakt met de Roomschgezinden, met de Malcontenten of Staatsgezinden in het Graafschap, die, verontrust door de bescherming, welke de Graaf verleende aan de Utrechtsche vluchtelingen (de Reingoudisten,) den toorn der Staten vreesden; met allen, in één woord, die met den tegenwoordigen staat van zaken (of met hunne eigene zaken) te onvrede, uit verwarring en onrust iets voor zich zelven hoopten, of bij verandering bate meenden te vinden, en die gereed waren door oproerige bewegingen de vordering der Gravin klem bij te zetten. Philippa-Sidonia ving aan met den Graaf te verwijten, dat hij de opvoeding van Floris II (dien titel werd door haar en anderen aan dezen gegeven nog bij het leven van den vader, tegen alle usantiën aan) eene verkeerde richting had gegeven, dat zij hem omringd vond van leermeesters, die eenzijdig waren, bekrompen, ongeschikt om hem eene grafelijke opvoeding te geven; en zij eischte dat ze verwijderd zouden worden en anderen in hunne plaats gesteld, die zij zoude aanwijzen, op welke ook de burgers beter vertrouwen hadden en waaronder Roomschgezinden waren, zooals zij achtte dat te behooren voor den toekomenden heer van een graafschap, waar de beide geloofsvormen heerschende waren. Men ziet het, de Gravin toonde zich te Culemborg vrijzinniger dan te Gerolstein, en zeker zou ze in onzen tijd voorstanderesse zijn van ’t gemengd onderwijs; maar de Graaf, die het ongeluk had zijne gevoelens niet te kunnen wijzigen naar de omstandigheden, wilde in hare liberale voorslagen niets anders zien dan de zucht om tegen te streven, en zich meesteresse te maken van de voogdijschap over zijn zoon; hij was onverzettelijk in het handhaven van de oude leermeesters en van zijne eens genomen maatregelen. De Gravin en hare partij liet zich echter zoo niet afwijzen. Een berucht en vermetel persoon, Jan van Kerkhoff, die grooten invloed oefende op het volk, en zelfs zijne vrienden had in den magistraat, stelde zich aan het hoofd eener gewapende beweging, die toestemming vorderde in de voorstellen der Gravin, of verandering van regeering, vermoedelijk de afstand van den ouden Graaf en verheffing van Floris II, onder het regentschap zijner moeder.

Voorwaar, het is niet te verwonderen dat de ongelukkige Graaf later klaagde, »dat zijne vrouw zich vijandiger tegen hem gedroeg dan de Spanjaarden,” maar met klachten was geen oproer te dempen en van Pallant-Culemborg gebruikte geweld om geweld te keeren. Het oproer werd gestild, eenige schuldigen gestraft, Jan van Kerkhoff buiten ’t Graafschap gebannen, maar de hoofdschuldige, de Gravin, bleef meesteresse van het terrein. De Graaf wilde, of durfde geen dwang tegen haar te gebruiken, en zij dwong hem den jongen Graaf van het vaderlijk slot te verwijderen en in de stad Culemborg eene verblijfplaats voor hem te kiezen, ter geruststelling, zoo het heette, voor haar zelve en voor de goede burgerij, dat men dezen niet vervoeren zoude naar eenige stad of slot buiten het Graafschap, en hij alzoo blijven onder het opzicht en de leiding van de personen, waarop de achterdocht en de antipathie der moeder en der goêgemeente nu eenmaal was gevestigd; en om het misnoegen der burgerij te stillen, dat toenam, zelfs nadat het oproer was gesust, moest Pallant-Culemborg toegeven. Met welke gewaarwordingen van smart en beklemdheid kan men zich voorstellen. Zij spreken zich uit tot in den toon der proclamatie, waarbij hij van het besluit, om zijn zoon uit zijne onmiddellijke nabijheid te verwijderen, kennis geeft aan de burgerij. Het is veel meer de toon van een verslagene, dan van een gebiedend heer. Zijne onrust was te grooter, daar Sidonia zich in de stad Culemborg bleef ophouden (zij had haar intrek genomen in het zoogenoemde stadhoudershuis, dat den Graaf toebehoorde), en dus bij machte was, niet slechts tot Floris door te dringen en mondgemeenschap met hem te houden, maar ook hem op te lichten en naar Duitschland heen te voeren naar hare bloedverwanten, die zich met haar overbonden hadden tegen haar gemaal; ja zelfs hield de Graaf haar drang om hun zoon van onder zijn oog te verwijderen, voor niets dan eene list om tot dit doel te leiden.

Indien zij dit voornemen werkelijk heeft gehad, werd er intusschen door hem gezorgd, dat zij het niet ten uitvoer konde leggen. Floris werd wel gehuisvest binnen Culemborg, zooals de Gravin en de burgerij het hadden verlangd, maar bij Burgemeester Amelis Alartsz, een man, die den Graaf en zijne belangen toegedaan was van der jeugd af aan, van wiens onwankelbare trouw aan zijn persoon hij zeker was, en die in angstvallige zorgvuldigheid zou vergoeden, wat hij in scherpzinnigheid en vernuft mocht te kort schieten, die, om de zwarigheden welke zij zijn heer schiep, en de verwarring, welke zij stichtte in stad en graafschap, de Gravin haatte en vreesde uit al zijne macht, en die de voorzichtige verschooning door den Graaf jegens zijne gemalin inachtgenomen, afkeurde als betreurenswaardige zwakheid; daarenboven protestant van harte, en om de belijdenis der Hervorming onder Alba vervolgd en met zijne vrouw voor den Bloedraad gedaagd, was hij zeer geërgerd en hoogst verontrust door de eischen en woelingen der Roomsche partij, die hij wel vast besloten was tot het uiterste te weerstaan.

Floris kon dus naar zijns vaders gevoelen in geene veiliger hoede worden gesteld; maar ook de moeder had hare rechten en wilde voorzorg gebruikt zien tegen geheime beschikkingen van den vader, en daarom werden met onderling goedvinden de drie andere Burgemeesters van Culemborg nog daarenboven verantwoordelijk gesteld voor de bewaring van den persoon des jongen Graven, die wel niet precies gevangen gehouden werd in het huis van Amelis Alartsz, maar die toch slechts »zulcke vrijheid zoude genieten, als na overleg der vier Burgemeesteren raadzaam zou bevonden worden.” Hij werd daarbij door den Graaf voorzien van eene lijfwacht uit »de getrouwe borgerij,” onder bevel van den wachtmeester Joost Vosseraede, die speciaal belast was te zorgen, dat Floris in »vijands ofte neutrale landen niet werd vervoerd.”

Eerst nadat de Gravin Culemborg verlaten had, mocht Floris (altijd echter onder de bescherming van zijne wacht) »vrijelijk in de stad Culemborg spaceren en zich exerceren,” mits vergezeld van een der Burgemeesteren! Welke de mate zijner vrijheid dus moet zijn geweest, staande hare tegenwoordigheid in de stad, kan de aandachtige lezer zelf narekenen. Hoe de jonge Graaf zich onder dat alles gestemd voelde, hij, weerloos slachtoffer der ouderlijke oneenigheid, zullen wij later hooren. Wij hebben haast voort te gaan met het relaas der gebeurtenissen, die zijn vertrek naar de academie vooraf gingen.

Er was nu tusschen den Graaf en de Gravin eene soort van wapenstilstand gesloten, die hen toeliet in redelijke bedaardheid te zamen te beraadslagen over de toekomst en de verdere opleiding van hun zoon. De Gravin verlangde dat de Graaf zijn vroeger voornemen zou doorzetten en Floris naar de hoogeschool van Leden zenden; maar de Graaf zeide daartoe nu niet meer te kunnen besluiten; hij was zwak, voelde den druk der jaren en der kwalen en wilde zich niet scheiden van zijn eenigen zoon, zijne eenige levensvreugd; ook was zijne schatkist door krijgslasten, dijkgelden, overstroomingen, processen, uitkeeringen aan haar zelve en twee zusters uitgeput, terwijl zijne oude krankzinnige moeder, die te Utrecht verpleegd werd, mede groote opofferingen vorderde, op zulke wijze, dat hij geene derde hofhouding kon bekostigen, en zijn zoon zou toch overeenkomstig zijn hoogen stand aan de academie moeten leven; vroeger had hij hem zulk een staat kunnen en willen geven, nu kon dat niet meer, en liever dan tot de scheiding van Floris tot onderhoud van drieëlei grafelijke huishouding verplicht te zijn, wilde hij al het verledene vergeten en vergeven; zich met zijne gemalin verzoenen, en met haar en hun zoon ééne huishouding uitmaken, en samenwonen op het slot Culemborg, in het huis in de stad, op ’t huis Leede, of waar Sidonia zoude verkiezen, mits binnen het Graafschap. Dat ongewachte voorstel, kennelijk een noodgreep van den zwakken vader, die alles overzag om maar voor ’t oogenblik zijn kind bij zich te houden, werd echter door de Gravin met vastheid verworpen. Men kan het haar niet ten kwade duiden; zij zag hier meer helder dan haar gemaal, en niet zoozeer op haar eigen belang, als wel op het waarachtig belang van den jongen Graaf; zeker, bij de dispositie waarin de oude Graaf was geraakt door den druk van rampspoeden, kwalen en jaren, en bij de stemming van een deel der burgerij, zou het haar geene groote moeite hebben gekost om over hem zelven en het Graafschap te heerschen, daar hij in de stemming was om haar alles toe te staan wat zij wilde, zoo zij slechts Floris aan zijne zijde liet. — Maar was na al het gebeurde een vreedzaam en gelukkig huiselijk leven tusschen hen mogelijk? Was het niet bijna zeker dat de huiselijke orkanen bij de minste aanleiding opnieuw zouden opsteken, dat de zoon, nu tot een leeftijd gekomen, waarop men deze noodlottige verdeeldheden niet meer voor hem verhelen kon, getuige van deze twisten, partij zou kiezen tusschen zijne ouders, of wel beiden leeren minachten, tot schade van de liefde en ’t ontzag, die hij ze schuldig was. Wat moest er onder zulke omstandigheden van zijne vorming worden? Was het niet veel wijzer en beter dat beide ouders zich een offer getroostten, zich speenden van zijne tegenwoordigheid, en dat hij eene vrijere en frisschere lucht ging inademen dan die van Culemborg, besmet met de pest der tweedracht en der partijschap, Was het niet noodzakelijk voor zijne ontwikkeling als mensch, als staatsman, als regent, dat hij wetenschappelijke kennis ging oogsten op ruimer en rijker veld dan de leerkamer in het vaderlijk slot, en was de kleine spanne gronds van het grafelijk gebied wel de geschikte oefenschool voor levenservaring en menschenkennis, die van zoo groote waarde moesten zijn voor den toekomstigen heer van Culemborg, en zonder welke het vaderland in hem geen geschikten dienaar noch voorstander konde zien; de tijd was voorbij dat de afkomst en de rang genoeg waren om een edelman tot eereambten en waardigheden te verheffen, daar werden kunde en geschiktheid geëischt, en hem weerhoudende die te verwerven, zou men den jongeling den weg afsluiten, die tot aanzien en gezag konde voeren in ’t Gemeenebest.

De hoogeschool van Leiden, die aanving zoo bezocht te worden, waar zóó vermaarde hoogleeraren, studenten heentrokken tot uit het buitenland; werwaarts Willem van Oranje zijn eigen zoon had heengezonden, waar de Prinses de Coligny gedacht haar zoon Frederik Hendrik te doen opleiden, waar de jonge Graaf van Hanau zijne studië maakte, daar zeker zoude Floris van Pallant-Culemborg wel niet misplaatst zijn. Een groote staat was niet noodig voor een aankomend jongeling, een student kan wel zonder hofstoet; een schrander en helderziend man tot gouverneur (zij zelve wist een zulken aan te wijzen) en een paar dienaren waren genoegzaam; bekwame leermeesters tot huisonderwijs zouden er te Leiden wel te vinden zijn, en de studiën zouden op deze wijze niet veel meer kosten dan al de omhaal van meesters en directores, die de Graaf nu tot zijn last had.

Dit alles voerde Sidonia aan, en zeker had zij geen ongelijk; maar van Pallant had zijn idée fixe, en hoe meer zij op het bezoeken der hoogeschool aandrong, hoe meer hij daarvan terugschrikte. Dit was een lokaas meende hij, waarachter de adder in ’t gras verborgen lag, en te sterker zette hij zich vast in zijne weigering. Toen de Gravin zag dat er met redenen niets op haar gemaal te verwinnen viel, verliet zij Culemborg en besloot opnieuw tegen hem te handelen, tot bereiking van haar doel. Zij nam haar verblijf te Utrecht, van daaruit reisde zij heen en weer naar Holland, naar ’s Gravenhage, naar Leiden, bereidde alles voor wat zij nuttig en noodig oordeelde en liet intusschen de mijn springen, die zij wist dat sinds lang tegen den Graaf was gevuld.

Zij wendde zich aan de Staten-Generaal, en nu niet enkel met het verzoek, dat deze den Graaf zouden verplichten zijn zoon naar Leiden te zenden, maar tegelijk haar zelve het jaargeld te doen toekomen, waartoe hij zich bij het Keulsch verdrag had verbonden, en dat hij, zoo het schijnt, verzuimde haar geregeld te betalen, hetzij uit onmacht, of uit onwil daarover, dat zij eigenmachtig de inkomsten van eenige zijner Guliksche goederen aan zich behield.

Dit rekwest van eene vrouw, wier gedragingen tegen haar gemaal berucht en verdacht waren, zou groote kans gehad hebben van afgewezen te worden of ter griffie te worden neergelegd, ware het niet dat de Gravin zeer behendiglijk den hoofdleider van Hunne Hoog-Mogenden voor hare zaak had gewonnen, terwijl de Graaf sinds lang hun onwil en achterdocht tegen zich had opgewekt. Dat kon wel niet anders; Pallant-Culemborg had als Graaf zijne bijzondere belangen, die niet met de algemeene belangen der Geliniëerde Provinciën in overeenstemming waren. Reeds had het hen gekrenkt dat hij slechts schoorvoetend de Unie had geteekend, hoewel hij het zijne gedaan had om die tot stand te brengen, ook had hij geteekend voor zijne Heerlijkheden alleen, maar niet voor zijn Graafschap, vermoedelijk om als Graaf voor zich en zijne onderdanen eene onafhankelijkheid te bewaren, die de Algemeene Staten bij zekere algemeene maatregelen belemmerend moest zijn.

Een staat in een staat, kon niet anders dan een doorn in het oog zijn van hen, die het gemeene Vaderland moesten besturen, en hoewel men er in de Republiek, zooals zij zich toenmaals vormde, aan gewoon was, dat bijzondere gewesten en steden hunne particuliere belangen zochten en niet dan noode onderschikken wilden aan het welzijn van ’t geheel, die tegenstand vond plaats naar zekere aangenomen regelen, wettelijk, staatsgewijs; maar hier was het een graaf, een bijzonder persoon, die op zijn grondgebied oppermachtig Heer was en de rechten van souvereiniteit oefende, en waarmede zij bijgevolg als met eene onafhankelijke bevriende mogendheid te rekenen hadden, terwijl hij evenwel de onderhoorige was van het Gemeenebest.

Meer dan eens waren er bijgevolg conflikten ontstaan tusschen den Graaf van Culemborg en Hunne Hoog-Mogenden; dan eens over krijgsvolk en krijgslasten, dan eens over het al of niet uitleveren van staatsmisdadigers of vervolgde schuldenaars, nu weder over het muntrecht, eene kwestie die in volle vigueur was, en tevens die van het schuilplaats verleen en aan de Utrechtsche hoofdleiders der Leycestersche partij, waardoor de Graaf niet alleen zijne oude erfvijanden van Utrecht ergernis gaf, maar ook de Staten en den Advocaat van Holland had gekrenkt, en hunne verdenking op zich vestigde. Zoodra zich dus eene gelegenheid voordeed om den lastigen Graaf van Culemborg, den voormaligen gunstgenoot en medestander van Leycester te grieven, in macht te bekorten of zijne afhankelijkheid te doen gevoelen, werd er niet geaarzeld;… en… Willem van Oranje was niet meer dáár , om uit consideratie van vroegere diensten en trouwe zijn ouden vriend tegen willekeur te beschermen, zooals hij steeds gedaan had, en Maurits was in dezen geheel op de hand der Gravin zoowel als Oldenbarneveld! De eerste was niet tevergeefs in den Haag geweest, zij had tot de Prinses-douairière toe weten te interesseeren voor hare wenschen, en deze schenen inderdaad zoo billijk, zoo ter goeder trouwe voorgeschreven door moederlijke bezorgdheid voor de toekomst van haar zoon; in de weigering van den Graaf daarentegen lag zooveel hardnekkige bekrompenheid en suffe eenzijdigheid, dat men de Generale Staten niet eens van partijdigheid durft beschuldigen, waar zij op den 20sten April 1592 eene resolutie namen, waarbij twee leden uit den Raad van State, de heer van Matenesse en Pieter Casijn van der Heel, werden gecommitteerd, »om naar Culemb borg te reizen en den Graaf door goede redenen en middelen te onderrichten, den jongen Grave zijn zoon van huis te doen, tot Leiden te zenden, en aldaar te houden, bezorgd van tamelijke middelen tot zijn onderstand; van eenen paedagogium met een of twee dienaers ende andere behoefte, omme aldaer gesustineert te worden als voren, ende daerbenevens de voereide Remonstrante (de Gravin) tot hare alimentatie ende bij vrouwe leven ook te laten volgen ende verzekeren al zulke gelden, als haar respectivelyck voor onderhout ende spelgelt bij houwelyck voorwaerde ende daerna bij zeker verdrag te Colen aengezegd en gegund is, doch zo voerz. Grave hiertoe metter minne nyet en zoude te bewegen zijn, dat voerz. Raden van State in zulcker geval het uitzenden ende onderhouden van voerz. jongen Grave tot Leiden, MET GEHOIRLYCKE AUTHORITElT TE WEGE ZULLEN BRENGEN ENDE ORDINEREN, gelyck zij in er redelyckheid zullen bevinden te behoiren.”

Men roemt met luider stem (vreemdelingen vooral) de burgerlijke vrijheid die er genoten werd in de jeugdige Nederlandsche Republiek, zooals die zich vormde met behulp van Barneveld te dier dage; maar ik vrage u of eene mesure als deze, door een autocraat genomen tegen een zijner onderdanen, niet de edele verontwaardiging aller vrijheidsminnaars zou hebben opgewekt? En nu, de Generale Staten doen deze dingen tegen een hooggeboren edelman, een vrijmachtig Heer en Graaf in zijn eigen gebied, die niet dan door enkele banden aan de Generaliteit verbonden was; op geene andere autoriteit dan hunne eigene, door geen anderen drang dan op de remonstrantie eener vrouwe, wier gedrag meer dan dubbelzinnig was geweest in vorige tijden, en die openlijk rebellie had ondersteund tegen haar Heer en echtgenoot; zij bevelen desnoods maatregelen van geweld te gebruiken, om een eenigen zoon en erfgenaam tegen dank van den vader, van diens zijde te nemen en hem te dwingen in diens onderhoud te voorzien, op zulke plaats en wijze als hij zelf niet goed vindt! Is dit de particuliere vrijheid eerbiedigen, of is dit dwingelandij oefenen? Wij wijzen niet uit, wij vragen slechts…

Tot eenig pretext van dezen maatregel voerden de Staten aan »dat also het Huys van Culemborch een principaal Huys van den Lande is, ende dat mitsdien te meer, voorz. jonge Grave als u tot bequame jaren gecomen sijnde, allesints voor den Lande ende voorz. Huyse nuttelijck ende dienstich is, dat de voorz, jonge Grave voirtaen adelick ende andersins behoirlyck opgetrocken ende in goede leere, tucht en de manieren, nae zijn qualiteit gesustineert worde.”

Het nutte en dienstelijke van den maatregel betwisten wij niet, zoomin als het goed inzicht der moeder, maar het rechtmatige er van mag, dunkt ons, betwijfeld worden. Hoe dat ook zij, de ongelukkige Graaf, die zoowel het vuur der jeugd, als de energie zijner rijpere jaren miste, onderwierp zich aan den dwang, en toen de gecommitteerden van Culemborg wederkeerden mochten zij de verzekering geven aan hunne zenders, dat hunne commissie geslaagd was zonder openlijk geweld te gebruiken, en dat Floris I aanstalten maakte om de afreize van zijn zoon naar de academie te bewerkstelligen. Die toebereidselen gingen echter niet van harte, en de Graaf altijd schoorvoetende en aarzelende, schijnt er zooveel tijd voor noodig geacht te hebben, dat het geduld der Gravin en der Generale Staten er door werd uitgeput. De laatsten zonden in November opnieuw twee gecommitteerden naar Culemborg, en wel met uitdrukkelijken last om den jongen ,graaf mede te nemen en naar Leiden te voeren; en de personen, die deze taak hebben aanvaard en volbracht, waren de Raadsheer Loosen en de achtbare Kanselier van Gelderland; Elbertus Leoninus! De laatste was een oude, beproefde vriend van den Graaf, die zich meermalen had aangeboden tot middelaar en vredestichter in de hooggaande geschillen van ’t Culemborgsch echtpaar, en zoo hij dezen last op zich heeft genomen, mag men gerust onderstellen, dat hij hierin niet alleen handelde uit volgzaamheid aan den wil zijner zenders, noch om een vrouw te believen, die hij niet kon achten, maar omdat hij, in ’t belang van zijn vriend zelf, een eind wilde gemaakt zien aan een toestand, die even verderfelijk was voor den jeugdigen erfgenaam, als de spanning tusschen den vader en de hooge regeering hem schadelijk dacht voor de belangen van het Culemborgsche huis. — Hoe dat zij, van Pallant-Culemborg gaf den zoon in zijne handen, en de spoed die er nu gemaakt werd, was zoo groot, dat de jonge Graaf afreisde en te Leiden kwam, zonder nog van een principalen gouverneur te zijn voorzien! Dien, welken de Gravin op het oog had, moest zij nog langs omwegen doen argreëeren, en met dien, welken de Graaf zelf meende aan te stellen, werd inmiddels onderhandeld, door tusschenkomst van Mevrouwe de Merode, zijne zuster. De directores en de verdachte of onbekwaam geachte leermeesters waren de fait ontslagen, door de verwijdering van hun pupil uit het kasteel, terwijl zij hem niet in de stad hadden mogen verzellen, en niemand hunner volgde Floris naar de hoogeschool, dan Bernardus Zwaerdecroon alleen, die het geheim schijnt gevonden te hebben, den Graaf getrouw te zijn, zonder de ongunst der Gravin op zich te laden; zijne naïeve onbekendheid met de gewone wereldsche zaken, zijne geleerde afgetrokkenheid, zijn stil en zedig karakter, zijn vroom en vredelievend gemoed, tegelijk met zijne degelijke kunde, zijn wellicht de oorzaken geweest, dat hij zich noch met intriges, noch met pluimstrijkerijen ter een er of anderer zijde heeft ingelaten, en bijgevolg door de strijdende partijen als een onzijdig en wel vertrouwd personage in zijn post werd gehandhaafd, De Gravin vooral schijnt van hem tevreden geweest te zijn. In bijna ieder harer brieven is het: »groet Mr. Bernardus,” en zelfs een enkele maal: »gij hebt niemand om u, dien gevertrouwen kunt, dan uw Preceptor,” en daar de la Rivière toenmaals nog niet in functie was getreden, kon die benaming op geen anderen slaan. Naarmate hij in de gunst der Gravin toenam, schijnt hij echter in de genegenheid van den Graaf te zijn gedaald. Philippa-Sidonia schrijft aan Floris: »Men heeft mij in vertrouwen uit Culemborg gemeld, dat uw heer vader uw Preceptor wil afdanken, laat dat in geen maniere toe, maar schrijf het onverwijld aan neef Matenesse, die zal u voorthelpen, en uw Preceptor handhaven!”

Zonderlinge vermaning eener moeder aan een zestienjarigen zoon! maar in de meeste harer brieven komen wenken, klachten en aanwijzingen voor, die zoo al niet het doel, althans het gevolg moesten hebben, den jonkman tegen zijn vader op te zetten, hem wantrouwen in te boezemen in diens bedoelingen, en aan te moedigen tot verzet tegen diens gezag. Zoo van dat alles niets is geschied, zoo Floris, ondanks alle verzoekingen tot het tegendeel, later zich een eerbiedig, gehoorzaam en liefhebbend zoon heeft betoond, moet men het danken, zeker aan zijn goede inborst, maar bovenal aan de voorzichtige leiding van den schranderen, christelijken opvoeder, die in dat hachelijke tijdperk aan zijne zijde werd geplaatst, en die met vastheid en volharding heeft getracht naar de vervulling van zijn plicht, zich gesteld heeft boven de partijschap der ouderen, en niet vragende naar gunst of ongunst van menschen, eeniglijk heeft gelet op de waarachtige belangen van zijn kweekeling, en zich gestadig bevlijtigd heeft de schadelijke voorbeelden krachteloos te maken, de kwade indrukken af te leiden, waarmede men dezen van jongs af had omgeven, Dat inmiddels een preceptor als Zwaerdecroon, onder omstandigheden, als wij boven aanduidden zijne plaats behoudende, geen ander gezag oefende over den jongen Graaf, dan deze zelf hem wel wilde toekennen, kan men zich voorstellen. Ook waren de beide ouders het eens in den wensch, om door de aanstelling van een Paedagogium (zooals de Generale Staten zich uitdrukten), dien onbehoorlijken stand van zaken te doen ophouden. Slechts waren ze het niet eens in de keus van den persoon. De Graaf had het oog op zekeren heer Gomar Dauderfort, die te Delft woonde, en hem door zijne zuster de Mérode was aanbevolen; maar de Gravin had besloten, dat het niemand anders zijn zou dan monsieur Samuel de Lechernière de la Rivière, de Fransche uitgewekene, met wien zij bekend was geraakt (ik weet niet waar en hoe), en die een tijdlang aan haar hof te Kinzweiler toevlucht had gevonden, doch zich nu in den Haag ophield, en hetzij om zijne kwaliteit van Fransch edelman en uitgewekene, hetzij om andere redenen, door Maurits van Nassau was opgemerkt, en zijne particuliere bescherming genoot. En zooals men gezien heeft was de Gravin de vrouw om het spreekwoord, »ce que femme veut Dieu le veut,” tot waarheid te maken.

’t Is ongeloofelijk wat ze al niet in ’t werk stelde en wie ze al niet in den arm nam om haar zin te krijgen; van Dr. Johannes Uitenbogaert af, die toen uit Utrecht naar Leiden reisde, tot op Maurits van Nassau toe, werden er in gemoeid; de eerste om op het gemoed van haar zoon te werken, en de andere om door zijne autoriteit den vader te imposeeren, met zulk gevolg, dat Gomar Dauderfort, de kandidaat van den laatste, den 21sten April aan den Graaf schreef, om hem te bedanken voor de toegedachte eere, die hem wel had gevleid, maar die hij niet meer kon aannemen, schoon hij reeds op reis was gegaan naar Culemborg, daar men hem in den Haag gewaarschuwd had, dat de jonge Graaf »Circumvenu et préocupé par les artifices de je ne sçay quels, auroit escrit à son Excellence, et requis d’ écrire a votre seigneurie afin qu’il vous pleust le pourvoir du sieur de la Rivière pour Gouverneur, CE QUE SON EXCELLENCE A FAIT, ME TAISANT DU SURPLUS,” de goede man voegt er zijn excuses bij, de ce qu’il n’ose passer outre en ceste charge, puisqu’il y avoit telle interposition, et que ce seroit embrasser le vent que de s’introduire au service d’ un jeune Seigneur contre son gré et bon plaisir,” enz.

De voorzichtige man deed wel en wijs, en te eerder, daar in diezelfde maand en nog voor dien datum, de la Rivière feitelijk geïnstalleerd was in zijne nieuwe functie door de Gravin, die daarop naar Utrecht vertrok, zeer voldaan dat zij deze onderneming tot een goed einde had gebracht en vastelijk overtuigd, dat de nieuwe gouverneur in alles hare wenken zou opvolgen. Zij vergiste zich, zooals wij gezien hebben; de la Rivière was een man van consciëncie, die, hoe hij dan ook tot zijn ambt was gekomen (en misschien juist omdat hij er op ongerechtige wijze toe gekomen was), zich had voorgesteld hier een goed christelijk werk te doen, en den jongen Graaf, door allerlei intriges geslingerd en in verwarring gebracht, omtrent zijne ware plichten op het rechte pad te leiden, al ware dit ook een andere weg dan dien de moeder aanwees. Hij kende de Gravin niet lang, niet volkomen, want zij bezat bij uitnemendheid de gave, zich voor te doen zooals zij het liefst gezien wilde zijn; en zij had zich bij den gouverneur aangesteld als de mishandelde gade, als de moeder in hare rechten verkort; maar hij kende genoeg de arglistigheid van het menschelijk harte, om zich te betrouwen op hetgeen hij zag; de middelen zelf die zij gebruikt had om hem bij haar zoon te plaatsen, hadden zijne verdenking gewekt, en hij had er zijne afkeuring over uitgedrukt; zij had zich verschoond met de noodzakelijkheid waarin zij zich bevond, om door te tasten bij de bekrompenheid en stijfhooftigheid van haar echtgenoot, verontschuldigingen die hij had moeten aannemen, maar die hem in zijn voornemen versterkten, om niet van zijne eigene beginselen af te wijken ter wijle van hare voorschriften. Dan de Graaf kende deze goede voornemens niet, en zelfs toen hij ze kende kostte het hem moeite er aan te gelooven; dit wist hij voorzeker, dat die man door de vrouw, die hij vreesde en verdacht, was ingedrongen in het ambt bij zijn zoon, en hoe kon dit anders zijn dan om een werktuig te wezen in hare hand, om dezen meer en meer van den vader te vervreemden, aan diens gezag te onttrekken, en ten eenigen tijd naar Duitschland heen te voeren, naar hare heerschzuchtige en hebzuchtige bloedverwanten, die, onder den schijn de belangen van moeder en kind te handhaven, zich hoe langer hoe meer van zijne goederen en inkomsten zouden meester maken. Deze vreeze vooral was het idée fixe voor den Graaf, en de Gravin had veel gedaan om het te voeden en niets om het af te leiden; was het te verwonderen, dat de eerste, zooveel hem doenlijk was, maatregelen nam om dien laatsten en uitersten ramp te weren, dien hij gedurig als een zwaard aan een zijden draad boven zijn hoofd zag hangen, zoodra men dien zoon uit zijn oog had verwijderd. Noch de sauvegarde, door de Generale Staten verleend, stelde hem gerust, — hij wist het immers, hunne gecommitteerden handelden naar de ingeving zijner vrouw, en zoowel de Raadpensionaris Barneveld als de Stadhouder Maurits, hadden zich met haar tegen hem vereenigd, — noch de belangstelling van den Leidschen Magistraat, die den jongen Graaf statelijk had ingehaald en met den eerewijn verwelkomd; noch de opmerkzaamheid der hoogleeraren, die hem kwamen begroeten, was machtig den beangsten vader de verzekering te geven dat een student, waarop zich in die mate de algemeene aandacht gevestigd had, niet maar zoo van de academie kon worden opgelicht, en naar den vreemde vervoerd, en dat de Magistraat als de Senaat uit alle macht waken zouden over dit pleegkind.

Hij vreesde niet het meest openlijke aanslagen; hij vreesde geheime, huiselijke intriges, te fijn om van buiten af te worden doorzien, en daartegen achtte hij zich niet beveiligd dan door iemand naast, en in zekere opzichten boven den gouverneur aan te stellen, wiens trouwe en toewijding sinds lange beproefd waren, van wiens gewillige en nauwgezette gehoorzaamheid aan zijne bevelen hij zeker was, en die eerder alle voorzorgen zou overdrijven dan eene enkele verwaarloozen. Die man kon geen andere zijn dan de Burgemeester Amelis Alartsz, en het was daarom dat de Graaf niet vragen kon naar zijne geschiktheid als opvoeder, waar hem het meest noodig dacht: zekerheid van zijne trouw. Reeds had hij hem naar Leiden gezonden, om de huiselijke en geldelijke belangen van den jongen Graaf te regelen, die staande dat korte tijdsverloop in vrij verwarden toestand waren geraakt. Nu gaf hij hem voor goed het opzicht over de kleine hofhouding (de Graaf kon zich niet voorstellen dat een Pallant-Culemborg zich met een minderen staat zou kunnen behelpen, dan van minstens tien personen) en gaf hem eene instructie, waarbij hij bepaaldelijk werd aangesteld ter bewaring en verzekering van den persoon Zijner Genade”; en met eene ruime volmacht en de verplichting om geene personen als inwoners in den huize van den jongen Graaf toe te laten, dan die zich door een specialen eed verbonden tot trouwe aan den Graaf van Culemborg, en verklaard hadden zich te zullen gedragen naar diens instructiën. Dit zag op de mogelijkheid, dat de Gravin andere of meerdere dienaren zou aanstellen, dan die aan Floris uit Culemborg waren toegevoegd, hoewel zelf onder dit personeel nog enkelen tot de partij der Gravin overhelden. De zoon van den Burgemeester, die reeds te Leiden studeerde in de theologie, werd onder den titel van onderwijzer bij de huisgenooten van Floris opgenomen. De zonen van Gerard Prouninck hadden hun afzonderlijk logies, hoewel ze op den vroegeren voet aan den jongen Graaf verbonden bleven, en zijne tafel, zijne lessen en zijne vermaken met hem deelden, op het dringend verzoek van Floris zelf; want de Graaf van Culemborg had een groot misnoegen opgevat tegen hun vader, die bij den laatsten huiselijken twist de zijde der Gravin had gekozen; en het was niet dan onder zekere restricties en condities dat van Pallant besluiten kon voort te gaan met de vroegere gunstige beschikkingen, ten behoeve van die jongelieden.

De la Rivière vond bij het aanvaarden van zijn ambt reeds den Burgemeester als Gecommitteerde van den Graaf met het oppertoezicht over ’t huiselijk bestier bekleed. Hij ontving op last van den Graaf het dubbele van diens instructie, deed den gevorderden eed, en hoe ook zijne moeielijke betrekking daal door verzwaard werd, onderwierp hij zich aan dat tweede gezag, naast en boven het zijne gesteld op sommige punten. Het was de wil van den vader, den diep gekrenkten en bedroefden vader, dat was hem genoeg, hoewel hij wist dat het hem bij alles, waarmee hij reeds zoude te strijden hebben, dubbele worsteling bereidde. Om te doen wat in zijn vermogen was ter geruststelling en bevrediging van den Graaf, richtte hij een eerbiedig schrijven aan hem, vol ernst en waardigheid, waarin hij verschooning vroeg de betrekking bij zijn zoon te hebben aangenomen; »Sans premierenment avoir sceu vostre bon consentement, ce que je n’ eusse fait, n’ eust esté l’ assurance qu’on m’a donné que mon service en cela vous seroit bien agréable;” en voegt er bij, dat hij bovenal bewogen was geworden die taak te aanvaarden, door de verzekering die hij had, »de la bonne volonté qu’ avait monsieur votre fils que je serois son Gouverneur, en la quelle charge,” vervolgt hij, »autant qu’il plaira à Dieu que; j’y demeure, j’espere moiennant Sa grâce de m’en acquiter sy bien et fidellement que Dieu en sera honoré, vous monseigneur en recevrez plaisir et contentement et monsieur votre fils profit el utilité, car avec l’ aide de Dieu je mettrai toutte peine et solicitude de le bien instituer en touttes choses bonnes honnêtes et vertueuses, en luy enseignant premièrement qu’el devoir et obéissance il doit rendre à Dieu et puis à vous monseigneur qui êtes son pere.

Van de moeder geen woord, maar nog vele ernstige betuigingen van volkomene getrouwheid, en de verzekering dat de jonge Graaf de beste disposities heeft, hetgeen strekken moet tot zijns vaders »repos et contentement.

Onmiddellijk na de ontvangst van dit schrijven was de la Rivière naar Culemborg ontboden, en bij die persoonlijke kennismaking had hij wel het geluk gehad diens achting te winnen, en zekere mate van vertrouwen in te boezemen, maar diens vooroordeel tegen den gunsteling zijner vrouw had hij niet volkomen kunnen overwinnen, en evenmin het misnoegen en den argwaan kunnen uitdelgen, die door de vroegere gebeurtenissen eens vooral ingeworteld waren in dat somber gemoed, en het verzoek om de terugroeping van den Burgemeester, dat den Gouverneur misschien op de tong lag, had deze moeten terughouden, uit vreeze de harpije van den argwaan daardoor nieuwe prikkels te geven. De verhouding tusschen den Burgemeester en den Gouverneur was niet in eigenlijken zin vijandig, Amelis Alartsz bij zijn verslag aan Pallant-Culemborg over de aankomst van den laatste, prijst hem aan als iemand, die voor zijne taak berekend scheen, maar hij haatte en mistrouwde in hem den gunsteling van de Gravin, den opgedrongene ten spijt van zijn meester, en bij nadere kennismaking werd hij naijverig van de achting, de liefde en de gehoorzaamheid, die de jonge Graaf hem betoonde, terwijl het scherp contrast hunner zienswijze en levensopvatting telkens botsingen veroorzaakte, die wij reeds in enkele trekken hebben geschetst; voeg hierbij dat de zedelijke dwang, dien Amelis Alartsz zijns ondanks onderging door het intellectueel overwicht van de la Rivière, in den regel bij hem zekere terugwerking teweegbracht, die wel niet de diepte, maar toch den vorm had van haat en vijandschap, en dat zijn gebrek aan fijnere beschaving, zijne onzinnige oploopendheid hem in zulke oogenblikken van verbittering onmachtig maakte zijne uitdrukkingen te wegen, dan kan men zich een denkbeeld maken van het zware kruis dat aan den gouverneur met de tegenwoordigheid van dien man was opgelegd. Hoe deze dat droeg hebben wij gezien; wij hebben begrepen dat het hem niet kon worden afgenomen, wij hebben nu genoeg inzicht van de buitengewone omstandigheden, waaronder onze jonge Graaf naar de academie werd gevoerd, om de ongewone en omslachtige inrichting van zijn huis, zoo niet geheel te billijken, dan toch minder vreemd te vinden, en om ons te kunnen verklaren, hoe men er toe gekomen was zijne leiding en toezicht aan zoo verschillende, en zoo sterk contrasteerende personen op te dragen. Mogelijk vraagt iemand nog: en hij zelf?

Onze bedoeling is, dat men hem zal leeren kennen uit zijn spreken en handelen. Wat den Gouverneur betreft, men heeft reeds kunnen opmerken dat hij aanvankelijk heeft gezegevierd over de groote bezwaren die hem in den weg stonden, om het noodige gezag en den onmisbaren invloed te oefenen op zijn kweekeling, Dat had hem zeker beleid en hendigheid gekost, maar zooveel het Floris betrof geen zwaren kamp. Deze was zoomin gewoon tegenstand te ontmoeten in zijne omgeving als dien te bieden.

Tot aan zijn vijftiende jaar was hij altijd geweest onder den druk van de sombere zwaarmoedigheid zijns vaders en was van jongs af gewend, het voorwerp te zijn van allerlei ongewone voorzorge en bekommering, die als met looden zwaarte op hem zelven drukte. Men had hem dit juk opgelegd, als iets dat behoorde bij de eischen van zijn rang, voor welke men hem de diepste reverentie had ingeboezemd, hij had er de schouders naar geplooid, hij was er, om het zoo eens uit te drukken, naar gegroeid, en hij droeg het te lichter naarmate het werd vermomd onder vormen van eerbiedenis, die hem een grooten dunk moesten geven van de belangrijkheid van zijn jeugdigen persoon. Hij had er niet aan gedacht het af te schudden, en zelfs toen zijne moeder hem aanzette zijn vader te wederstaan, en zij hem daden liet verrichten van werkelijken opstand, kwamen ze niet voort uit zijn eigen wil, maar omdat hij was geraakt onder den invloed van den haren. Hoe men ook de la Rivière had aangeprezen en om het zoo eens uit te drukken, smakelijk had gemaakt, il s’en serait fort bien passé; sinds hij zich te Leiden bevond had hij Zwaerdecroon vrij goed naar zijne hand weten te zetten; in de schermutselingen met den Burgemeester om de eene of andere vrijheid, die hem geweigerd werd, behield hij ten laatste toch de overhand; van dien vreemde wist hij nog niet of hij hem zwaardere lasten zou opleggen, dan wel die hij droeg zou verlichten; maar hij was genoeg ontwikkeld om in te zien, dat het hem niet meer doenlijk zou zijn zich van dat nieuwe gezag te ontslaan, nu hij zich eens had laten gebruiken het in te roepen. Hij voelde wel dat hij niet aan Zijne Excellentie zou kunnen schrijven om van zijn gouverneur bevrijd te raken, zooals hij had gedaan om dien aangesteld te zien. Hij voelde wel dat zijne moeder den man zou willen handhouden, dien zij had weten in te dringen, en dat zijn vader, verbolgen over de volgzaamheid die hij betoond had aan de Gravin, hem de gevolgen van zijne samenspanning met haar zoude laten dragen, en toen Philippa-Sidonia met blijden triomf haar zoon verkondigde dat zij naar Leiden kwam, gerugsteund door de hooge regeering, om de la Rivière in zijne betrekking te installeeren, was hij zeer weinig geneigd met dien vroolijken juichtoon in te stemmen, en wachtte dat eerste samenzijn af met een beklemd gemoed. Maar te meer voelde hij zich getroffen door een onbeschrijfelijke verrassing, toen die vreemde welhaast met hem een toon aannam, dien hij nooit had gehoord. De toon der teederste en zorgvuldigste vriendschap, vol stille waardigheid en milden ernst, even ver van de zoetelijke hoffelijkheid zijner vroegere directores als van de meesterachtige aanmatiging, waardoor Amelis Alartsz zich onderscheidde, in die oogenblikken, dat bij niet kalm genoeg was om de vormen der koude hoffelijkheid te bewaren met zijn jeugdige heer. Even ver ook van die neerdrukkende statigheid zijns vaders, die stroef en streng tot in de uitdrukking zijner liefde toe, den schuchteren knaap op een afstand hield, in ’t oogenblik zelf dat hij hem aan zijne borst drukte. Het was een toon vol gulheid en blijmoedigheid, die opwekte om weerklank te geven, die ’t vertrouwen uitlokte en de versaagtheid overwon. Het was de toon der zelfverloochenende liefde, die het harte moest treffen; die man, dit raadde hij als bij instinct, zou zijn juk niet verzwaren, hij kwam het opheffen zooveel doenlijk was, hij kwam steunen niet dwingen, hij kwam licht en vroolijkheid verspreiden over zijne droeve jeugd, het leven aanbrengen in het doodsche boekvertrek; hij zou kleur en frischheid geven aan de studie der klassieken, die onder de zwaarwichtige hand van Zwaerdecroon muffe, koude letterstudie was geworden. Maar , bovenal het was een mensch aan wien niets menschelijks vreemd was, het was een christen, die hier een werk van christelijke liefde kwam aanvangen, dat zich zou toonen in iedere zijner verrichtingen. De jonge man kon dat alles zoomin doorzien, als onder woorden brengen wat hij er van begreep; maar hij voelde het en hij gaf zich over aan dat gevoel; met het volkomen vertrouwen der eerste jeugd wierp hij zich in de armen van dien leidsman, die hem in ’t harte had gegrepen en die hem wist te leiden door het harte.

Juist daarom had de willekeurige zijsprong van Floris uit het afgebakende pad, bij zijn gouverneur eene gansch eigenaardige onrust en bezorgdheid verwekt, afgescheiden van die, waarin hij met de anderen samenstemde, en die niet was weggenomen met de volkomen geruststelling omtrent zijne persoons-veiligheid en welbevinden. Was het harte van zijn pupil koel en zelfzuchtig genoeg, om zich aan de verlokking van ’t vermaak over te geven, zonder te denken op het lijden en de bekommering van den vriend? Of was de ontwaakte zucht tot vrijheid zoo sterk, dat zij, hem over die bijgedachten heenzette, en kracht gaf de banden der liefde los te rukken, waarmede deze hem omstrengeld had? Was dat harte hem ontsnapt zooals de persoon, en zou het met deze tot hem wederkeeren? Ziedaar vragen en twijfelingen, die de la Rivière bij zich zelven opwierp, zonder ze te kunnen oplossen, en die hem kwellen zouden totdat de jonge man zelf hem het antwoord zou komen geven.

Dat antwoord kon eene wijziging noodig maken in het plan van den opvoeder, het kon een keerpunt daarstellen in het leven van zijn pupil, men kan zich denken met welk innerlijk ongeduld het werd ingewacht door de la Rivière, bij al de uiterlijke lankmoedigheid die hij toonde en waartoe hij anderen opwekte.

Naar deel V.


Ingezonden op: 19 July 2001