EEN LEIDSCH STUDENT


VII.

Het valt ons gemakkelijk te raden wat de Fransche heeren, monsieur de la Rivičre te zeggen, of liever te vragen hadden; hij had zich niet spoedig van hen kunnen afmaken, maar toch was alles in goeder minne afgeloopen. Onze edelman, zonder Don Juan te zijn, scheen het geheim te kennen zijne schuldeischers tevreden weg te zenden, schoon niet voldaan. Toch bleef hij zelf nog op zijne kamer in somber gepeins verdiept, waaruit hij echter welhaast werd opgeschrikt, daar de deur met drift wordt opengerukt, door niemand anders dan den Burgemeester in hoogst eigen persoon, die binnentreedt met den driftigen eisch: »Sta me bij met goeden raad, mijnheer! want ik ben in de uiterste desolatie en ik weet niet wat ik beginnen zal!”

»Wat is er nu weer?” vroeg de Gouverneur alleronaangenaamst getroffen, door de inleiding, en zeer weinig gesticht over die bruske stoornis.

»Er is! dat de Graaf alleen is uitgegaan! geheel alleen, en dat ik hem niet heb kunnen tegenhouden.”

»Gij zult u vergissen, mijnheer! hij zal uitgegaan zijn met Hendrik Prouninck, zooals de afspraak was… ik had wel de intentie gehad hem te vergezellen, maar… het is in dit singuliere geval verschoonlijk, dat hij niet op mij heeft gewacht.”

»Gij zult het ten laatste nog verschoonlijk noemen, dat hij uit het venster springt!” riep de Burgemeester knorrig.

»Dat zou ik allermeest onvoorzichtig noemen,” hernam de la Rivičre even glimlachend over de kluchtige onderstelling.

»Dat is dan eene onvoorzichtigheid, die hij heeft begaan!” sprak de Burgemeester barsch.

De la Rivičre rees op. »Mijnheer de Burgemeester, gij vindt er een zeker genoegen in mij schrik aan te jagen, op mij op zulke wreede wijze aan een verzuim te herinneren; want… ik erken het, ik heb… door mijne eigene zaken afgeleid… mijn pupil een uur aan zich zelven overgelaten…”

»Ik zeg het niet om u te verschrikken, mijnheer! want, ik wil u geruststellen, dat Floris er zonder ongeluk is afgekomen; maar gebeurd is het wat ik u zeg, zóó op bet oogenblik, en gij ziet mij zelf nog trillen van ontroering, na het tooneel dat er is voorgevallen…”

»Maar hoe kan zoo iets mogelijk zijn!” riep de la Rivičre verdrietelijk, »Floris is geen knaap meer, die moedwillige dwaasheden zal plegen en pure perte ” in ’t eind, als hij wil uitgaan kan hij den gebruikelijken weg nemen.”

»Dat kon hij nu wel niet, want ik had mij voor de deur van zijne kamer geplaatst, om hem het uitgaan te verhinderen.”

»’t Is waarlijk te verwonderen dat gij de deur niet gegrendeld hebt,” sprak de la Rivičre met ironie.

»Dat heb ik gedaan,” antwoordde Alartsz naďef, »maar… op hetzelfde oogenblik sloeg hij een vensterraamken open, klom er uit en daalde naar beneden over het uitstekende afdak van de buitengaanderij… met de behendigheid van een lichtmatroos, is ’t geene schande, een erfzoon van Culemborg! — God lof! zonder zich eenigszins te deren. Gij kunt daarom lachen, mijnheer de Gouverneur?”

»Ma foi, mijnheer de Burgemeester, c’est plus fort que moi, als gij mij zulke voorstellingen geeft…”

»Als ge in mijn toestand geweest waart, zoudt ge de scherts wel verleerd hebben; ik stond het aan te zien als verbluft, als wezen loos; het was me of ik de nachtmerrie had, ik kon geen geluid geven, om hulp te roepen, de keel was mij toegenepen…”

»Ik bewonder u, dat gij hem niet gevolgd zijt… langs een anderen weg, altijd…”

»Dat durfde ik niet meer, want terwijl ik daar als een stokbeeld stond, riep hij mij toe: »Waag het niet mij nu te laten volgen, want ik geef u mijn woord dat ik in de buurt blijf, en binnen het half uur terug zal zijn, maar als men mij vervolgd, loop ik zoover als mijne voeten mij dragen kunnen,” en hij zou het gedaan hebben, ik ben er zeker van!”

»Mijnheer de Burgemeester gij hebt eene groote onvoorzichtigheid begaan, als ik vreeze,” sprak de la Rivičre, wiens trekken op nieuw strak en somber waren geworden.

»Met hem niet te laten volgen, meent gij?”

»Och neen!” hernam de Gouverneur wat ongeduldig, »men kan geen wedloop aangaan met den jongen Graaf van Culemborg op de publieke straat, dat spreekt wel vanzelf! maar gij hebt uwe toevlucht genomen tot verkeerde middelen om hem binnen te houden…”

»Gij kunt dat gemakkelijk zeggen, ik had u in mijne plaats willen zien.”

»Allereerst zoude ik gezorgd hebben niet in uwe plaats te komen…”

»Daar hebt gij werkelijk voor gezorgd, door op uwe kamer te blijven.”

»Ik ben niet van gevoelen, mijnheer, dat men een jonkman van zijn leeftijd geen enkel oogenblik onbewaakt kan laten; maar toch ik stem u toe, dat ik op die stonde mijn pupil ter zijde had moeten zijn; mijn leedwezen over dit verzuim is grooter… dan ik u zeggen kan; maar… er zijn oogenblikken in een menschenleven, ik hoop voor u dat gij ze niet bij ervaring ken nen zult, waarin we ons tegen wil en wensch afgeleid zien van onzen naasten plicht… in zulk eene omstandigheid heb ik mij bevonden, en niet door mijne eigene schuld, wees er zeker van!”

«Ik wil gaarne gelooven dat het u niet mogelijk geweest is u eerder van die heeren te ontslaan, en ik zeg ook niet dat gij geen enkel uurtje zoudt mogen afzonderen voor u zelven…”

»Vooral waar ik meende dat Floris veilig en wel samen was met Hendrik Prouninck, een zeer betrouwbaar gezelschap! Het ergste dat komen kon, berekende ik, was, dat hij zich met dezen beraadde over een uitgang, waarbij ik hem had willen vergezellen… en dat ze te ongeduldig zouden zijn om op mij te wachten; ze hadden toch eenmaal uwe toestemming… en nog altijd begrijp ik mij niet, wat aanleiding kan gegeven hebben tot het gebeurde, en waarom Hendrik niet gebleven is zooals altijd…”

»Het schijnt dat ze twist hebben gekregen; misschien wel over dat bezoek bij den Graaf van Hanau, waaraan Floris zonderling zeer scheen te hechten… en dat Hendrik scheen af te raden, althans ik hoorde hem zeggen: »Als Uwe Genade daartoe geresolveerd is, dan ga ik niet mee.” Waarop Floris heel bits en hoog ten antwoord gaf, dat hij zijn dienst niet noodig had, noch voor deze gelegenheid, noch voor eene andere… Daar vielen toen nog eenige woorden, die ik niet kon verstaan, want ze vin gen aan binnensmonds te spreken, toen ze mij zagen, Ik daarentegen, die weten wilde wat er gaande was, sprak den Graaf aan en vroeg of gij bijgeval zwarigheid hadt gezien in ’t bezoek aan den Graaf van Hanau? »Daar denk ik niet meer aan, dat is af gesprongen, laat mij met vrede!” duwde hij mij toe, en stormde den tuin uit naar zijne kamer, door Hendrik gevolgd, die eenige oogenblikken daarna het huis verliet, zeer verslagen en zeer verdrietig, zonder dat ik iets uit hem krijgen kon, dan alleen dat hij met zijn broeder in zijn logies zou eten… Ik wou dat ze dit voor gewoonte namen, want…”

»Verder, mijnheer! verder, als ik u verzoeken mag,” sprak de la Rivičre in spanning.

»Ik was dus nieuwsgierig om te weten wat er tusschen de jongelieden was voorgevallen, te meer daar Floris zich zoo boos en zoo woest had aangesteld… me dacht dat kon zijne gezondheid schaden… ik begon me te ontrusten; ik dacht zoo bij mij zelven, ik zal eens gaan zien hoe hij het heeft, en of ik hem ook met iets van dienst kan zijn… ik vond hem bezig met schrijven… maar dat hem iets scheelde, zag ik duidelijk; want zijne hand schoof met zenuwachtige drift over het papier; en hij hield de pen vast of hij haar verbrijzelen wilde… Ik wierp zoo van ter zijde een blik op het papier, en mij ontviel de aanmerking, dat ik nog nimmer zulk wild schrift van hem had gezien, en dat hij beter deed niet te werken in zulken staat. Mijn binnentreden en die aanmerking werden zeer hoog opgenomen. Hij kronkelde plotseling en heftig, het papier ineen, en klaagde dat »de geringste student, die maar een vlieringkamertje kon huren, gelukkiger was dan hij die een heel huis tot zijn dienst had, en geen enkel plekje daarin om vrij te zijn!”

»Hij had geen ongelijk met die klacht, ik heb er altijd op gestaan, mijnheer de Burgemeester, dat men de kamer van den jongen Graaf als zijne vrijplaats eerbiedigen zou… Ik zelf heb mij tot gewoonte gemaakt hem daar niet te storen of te over vallen.”

»Nu ja! in den regel kom ik er ook niet, maar ik was ongerust, en… dan let men niet op zulke kleinigheden…”

De Gouverneur verbeet zijne innerlijke ergernis, maar de onwillekeurige beweging van minachting, waarmee hij de schouders ophaalde, was sprekend genoeg.

»Het werd dan ook niet malsch opgenomen,” vervolgde Alartsz, »ik werd met een knorrigen blik begroet, kreeg geen antwoord op mijne excuses, en op mijne vraag naar zijn welbevinden geen ander bescheid, dan dat hem niets scheelde en dat hij meende uit te gaan! terwijl hij opstond, als willens om dit voornemen onverwijld ten uitvoer te brengen. Natuurlijk had ik daar bezwaar tegen, ik hield hem voor, dat gij niet in de gelegenheid waart hem te vergezellen, en dat hij geduld moest oefenen, tot gij vrij waart… Hij voegde mij toe, dat gij goed zoudt vinden wat hij meende te doen. Dat is mogelijk, maar ik niet, was mijn antwoord, en ik bood hem mijn geleide aan; hij lachte mij uit in ’t aangezicht, ik begon driftig te worden, hij stoof op, het eene woord bracht het andere uit… ik meende hem te versagen door dreigingen… hij achtte er niet op, werd heftiger, en riep dat hij voortaan alles doen zoude wat hij wilde, dat ik mocht toezien! en zijne muts nemende, wendde hij zich naar de deur; ik mij daartegen gesteld, maar uit vreeze dat hij mij te rap zoude zijn, schoof ik den grendel er op, toen… is gevolgd wat ik u gezegd heb!”

»Eene uitkomst, die zich vooruit berekenen liet, en die gij hebt veroorzaakt, mijnheer!” sprak de la Rivičre op een toon van ernstig verwijt.

»Ik zie komen, dat gij uw kweekeling nog gelijk geeft als hij het venster uitspringt!” riep de Burgemeester driftig.

»Ik zie wat anders, mijnheer Alartsz, dat gij uwe achtbaarheid en die autoriteit, die gij nog hieldt op den Graaf, het venster hebt uitgeworpen, en met beide handen nog wel! zoo ’t maar niet teffens de mijne is!”

»Maar man, wat had ik dan anders konnen doen! Ik verwijt u niet, dat gij niet op uw post waart, verwijt mij althans niet dat ik trachtte te waken… in uwe plaats…”

»Er is waken en waken… dit is onraad stichten, en dat noemt gij, geloove ik, procedeeren tot de bewaring van zijn persoon! maar ik zegge u, mijnheer, dat gij procedeert tot het verderf van zijn persoon en naar lijf en ziele beide!”

De Burgemeester, die juist op het punt was om in heftige drift te ontbranden, voelde zich des ondanks zoo overbluft door den toon waarop dit verwijt werd gedaan, en door den blik waarmede het werd begeleid, dat hij in zonderlinge verlegenheid geraakte en uitriep: »Maar hoe kunt ge mij toch de schuld geven, het komt immers alles van zijne weerbarstigheid!”

»Overweeg zelf of dat waarheid is! Gij vermoedt dat de jonk man zich in eene ongemeen opgewondene stemming bevindt; hij heeft moeielijkheid gehad met zijn vriend; hij ontwijkt u, waar gij hem aanspreekt; hij trekt zich terug op zijne kamer, om tot zich zelf te komen, om de kalmte te hernemen; wat mensch van rijpen leeftijd heeft niet in zulke oogenblikken be hoefte aan eenzaamheid? In plaats van hem tijd te gunnen om tot bedaren te komen, vervolgt ge hem tot in zijne vrijplaats, windt hem op tot heftiger drift, beleedigt hem en kwetst hem in zijn zelfgevoel door harde woorden en dreigingen, waarvan gij het zoo goed weet als hij zelf, dat gij ze niet ten uitvoer zult leggen, en waar hij ze bespot, zooals daaruit volgen moet, neemt gij uwe toevlucht tot stoffelijken dwang, dien ge niet eens kunt doorzetten! Mijnheer de Burgemeester, als men een jonkman van zeventien jaar onder zulke omstandigheden gaat opsluiten, dan zie men vooral toe op welke verdieping; want dan springt hij het venster uit! dat is met wiskundige zekerheid te berekenen! ”

»Ik ben geen wiskundige, mijnheer, en ik ben ook geen opvoeder! dat weet ik wel,” sprak de Burgemeester mismoedig, »ik ben een ongelukkig man, die, om zijn meester te dienen, een ambt op zich genomen heeft, waarvoor hij noch lust, noch geschiktheid heeft, en die dag op dag den onzaligen inval verwenscht van zijn Graaf, om aan hem de bewaring van zijn ondeugenden jongen op te dragen:”

»Ik betreur het met u, mijnheer, en in alle oprechtheid, dat de Graaf noodzakelijk heeft geacht u zulken last op te leggen,” hervatte de la Rivičre zachter en op den toon van medegevoel, »ik weet dat gij dien voor u zelven verzwaart uit groote getrouwheid, maar gij zoudt u dien kunnen verlichten op menigerlei Hwijze…”

»Hoe toch, mijnheer?” vroeg de Burgemeester opmerkzaam.

»Allereerst, door u zooveel mogelijk simpelijk te bepalen bij het huishoudelijk bestuur, en alle zoodanige aanraking met mijn pupil te vermijden, waardoor gij… in mijne functiën treedt, of waar gij zulke aanraking noodzakelijk acht, althans u te onthouden van uitdrukkingen als die van zooeven. De jonge Graaf is juist genoeg jonkman om ze zeer bijzonder kwetsend te achten, en nog te veel knaap, om ze met lijdzaamheid te kunnen dragen; hij is dus in een hachelijk tijdperk, waarop men vermijden moet zijne harstochtelijkheid op wekken, en waarop men hem moet sparen en den strijd met hem moet ontwijken, als men niet zeker is van besliste meerderheid! ”

»Ik wil gaarne aannemen dat gij gelijk hebt maar, ik kan op dat alles zoo niet denken… met mijn gestel wordt men licht driftig, en als ik driftig ben, dan zeg ik al uit wat me in ’t hoofd komt, zonder zóó als gij… de woorden te wegen en te meten!”

»Kunt gij niet eenige zelfbeheersching oefenen, gij, op uw leeftijd! hoe vergt ge die dan van een jonkman in het eerste vuur van het leven, in het onrijpste van de rede?”

»Och, ik verg niet van hem dat hij zich om mijnentwil zal inbinden; ik verlang alleen dat hij doen of laten zal wat ik zeg, als het is met toeverzicht op zijn welbevinden en veiligheid…”

»Als gij het eerste niet op hem weet te verkrijgen, wacht dan ook niet het laatste; en daarom mijnheer, waar gij het ontzag mist om hem binnen te houden met opene deuren, gebruik daar, IK EISCH HET VAN u in den naam van wichtige belangen en van uwe eigene eere en ruste, gebruik daar de voorzichtigheid, niet met dwang aan te vangen, waar ge noch macht, noch middelen hebt om dien tot den einde toe door te zetten. — Wie eene deur grendelt moet ook bedacht wezen de vensters van tralies te voorzien, en daar ijzer wijken kan voor geweld of list, moet men zich met den magistraat bespreken, om het huis van eene wacht te voorzien… en daar eene wacht omkoopbaar is…”

»Ik begrijp mij niet hoe gij nu schertsen kunt.”

»Ik spreek in vollen ernst, om u te doen inzien, welk een hoogst gevaarlijken weg gij zijt ingeslagen. Bedenk in ’s Hemels naam, mijnheer, dat er bij onze instructie op alles is voorzien, behalve op den onwil van onzen pupil, om er zich aan te onder schikken!”

«Dat is waar ook!” verzuchtte de Burgemeester, »maar toch,” hervatte hij meer levendig, »dat laat ons te meer ruimte om te handelen… en het is blijkbaar aan u en mij overgelaten, om bij mangel van goeden wil, de middelen uit te denken en uit te voeren, hem tot gehoorzaamheid te dwingen; en om u gerust te stellen, dat zulke middelen niet altijd falen, kan ik u verzekeren dat ik het mijne tot Culemborg meer dan eens in praktijk heb gebracht, staande het verblijf der Gravin en om den Jonker te bewaren tegen de verleiding zijner moeder…”

»Te Culemborg was alles anders; gij kost hem daar over de straat voeren, tusschen de hellebaarden en musketten zijner lijfwacht… hier kan dat niet zijn, en al kon dat zijn, Floris is een jaar ouder, heeft zich op iedere wijze ontwikkeld, is een andere geworden met één woord, en voelt dat zelf! En al den in vloed, dien wij op hem oefenen kunnen, berust op de mate van ontzag, die men hem weet in te boezemen, en op dat zedelijk overwicht, dat ik meene over hem te houden; wordt het eene geknakt en zinkt het andere, door welke oorzaak ook, dan blijft ons werkelijk geene andere toevlucht over dan die eener worsteling, sans trčve ni merci, waarin het niet gezegd is dat wij de sterksten zullen blijven!”

»Mij dunkt dat het al mooi naar dien kwaden tijd heenloopt. Gisteren heeft hij zich van ons gescheiden, om zoo laat weer te komen als ’t hem gelustte; vandaag springt hij het venster uit, om zijns weegs te gaan, morgen krijgt gij misschien in ’t hoofd om alleen naar Kinzweiler te reizen…”

»Dat is niet het eerste te vreezen, geloof mij!… maar gij hebt gelijk, dat kan zoo niet voortgaan… Zijn half uur zou wel eens een uur kunnen worden — dat moet niet zijn, ik weet waar hij is en ik ga hem terugbrengen; ik heb echter één ernstig verzoek aan u… Laat nu toch alles aan mij over, bemoei u in dezen met niets, en al zou ik ook handelen zooals u vreemd voorkomt, vat er geene verdenking uit en laat mij begaan,” sprak de la Rivičre, en maakte al sprekende die schikkingen in zijne kleeding, die den Franschman, den edelman kenmerkten, gewoon op het uiterlijk te letten, ook in kleinigheden, en waaraan hij misschien te meer hechtte, naarmate zij dienen moesten om eene achtings waardige armoede te verbergen.

»Mijn Hemel, monsieur de la Rivičre, met alle genoegen, te eerder daar ik rond uit bekennen moet, niet meer te weten hoe ik mij hier in houden zal… ’t is tusschen hem en mij nu tot zulk een uiterste gekomen dat…”

Er werd driftig op de deur getikt.

»O! mijn God! daar is hij… wat zal dat geven! kon ik heen gaan…” riep de Burgemeester verbleekend.

De la Rivičre wrong de handen ineen van ergernis. »Wat ik u bidden mag mijnheer, geene laagheid noch geene grofheid!” sprak hij haastig fluisterend, »houd u waardig, hij zal u niet beleedigen in mijn bijzijn, wees er zeker van!”

»Maar doe dan toch open…’

»Niet voordat gij kalm zijt, ga dan toch zitten, daar,” en onder die aanbeveling door had de la Rivičre zijn mantel afgeworpen, zijn degen weggezet, zijnen hoed en handschoenen ter zijde gelegd.

Floris klopte opnieuw, maar zachter.

De Gouverneur had hem gewend aan zulke étiquette, die nimmer verachteloosd werd, die hij zelf niet verzuimde in acht te nemen als hij bij den jongen Graaf wilde binnentreden. Hij wist, dat de verplichting zekere vormen te eerbiedigen, soms van groot vermogen is, om de driften te bekoelen en dat zijden koorden sterke breidels zijn! De la Rivičre opende nu.

Floris trad binnen, maar hij zag er in waarheid niet uit als de woeste knaap, die in onbesuisde drift, iedere hindernis overschrijdt, om tot zijn doel te komen; hij had meer van een zwaar gekwetste, die zich heensleept naar den wondarts; hij zag doods bleek, zijne trekken hadden iets lijdends, iets ernstigs, als ware hij plotseling verouderd. Zijne oogen stonden dof en de oogleden rood, alsof hij geschreid had, hij groette werktuigelijk zonder op te zien. Zijn gang was langzaam, bijna wankelend; de la Rivičre, die het opmerkte, schoof een stoel aan; Floris bleef er aarzelend tegen leunen, een gloeiende blos kleurde even zijn voor hoofd, hij had den Burgemeester opgemerkt.

»Ik… hoopte… u… alleen… te… vinden!” bracht Floris langzaam uit, den Gouverneur aanziende met een strakken, zonderlingen blik. De Fransche edelman, die zich bereid had tot den kamp met drift en overmoed, was tot in de ziel ontroerd, zijn geliefd pleegkind weer te zien in een toestand, die zich als bedaardheid voordeed, maar die de rust scheen der verwoesting, der verbrijzeling, en het kostte hem de uiterste inspanning, om die ontroering te boven te komen, en met eene vaste stem te zeggen:

»Ik had met mijnheer Alartsz te spreken… wij hebben over u gesproken, monsieur le Comte!”

De jonge Graaf streek met de hand over het voorhoofd, als kwam hij nu eerst tot bezinning.

»Veroordeel mij niet… niet op het zeggen van dien man,” antwoordde hij met matheid.

»Vermoedelijk hebt gij u zelven reeds geoordeeld! ” hernam de la Rivičre met nadruk, en hem in de oogen ziende met dien doordringenden blik, vol ernst en toch vol zachte meewarigheid, die den jonkman tot in de ziel scheen te treffen, want hij antwoordde zonder aarzelen:

»Het is zooals gij zegt, ik heb zeer veel leedwezen van dit… van… alles… ik had zóó niet moeten handelen, uit aanzien voor u…

»En uit achting voor u zel ven… Gij zijt zeventien jaar, Graaf! zelfbeheersching mag voor u niet meer een ijdele klank zijn, het moet eene oefening worden nevens en boven alle anderen.”

»Ja! dat moet het ook, en ik heb zulk een goed voorbeeld aan u,” hernam de jonkman op een droeven, slependen toon; hij liet plotseling het hoofd als afgemat neerzinken tegen de borst van de la Rivičre, die op hem neerzag met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van weemoed en teederheid, en zachtkens de hand op dat jeugdig voorhoofd legde, als ter bedaring van zoo sprekend lijden. Daarop hief Floris zich even naar hem op en sprak snel en smeekend. »Maar laat die man. … zich verwijderen, ik heb u zooveel te zeggen.”

Dat begreep de Gouverneur ook wel, maar… die man was er nu eenmaal en niet zóó weg te zenden.

»Niet ook iets aan hem?” vroeg hij opnieuw, Floris aanziende.

»Hij heeft mij onwaardig behandeld, dat kunt gij niet goed keuren,” antwoordde deze, altijd op een stillen, gedempten toon.

»Dat keur ik ook niet goed en hij heeft er zelf leed van, maar… toch gij…

»Och! overzie nu de armzalige dwaasheden, waartoe die man mij drijft,” sprak Floris met eene wonderlijke mengeling van hoogheid en onderwerping.

»Ik wil ze overzien, Floris, en vergeten, maar bedenkt gij dat die man, mijnheer Alartsz is, de Burgemeester van uwe stad, de vertegenwoordiger van uwe toekomstige onderdanen, de gecommitteerde uws vaders, die om zijn meester te gehoorzamen en u te dienen, zijne vaderstad, zijne rustige betrekking, zijne vrouw en kinderen, verlaten heeft, en al de genoegens van ’t huiselijk en burgerlijk leven verzaakt, om hier uwe huishouding te besturen; zeer moeielijke en zeer ondankbare taak, die geen tweede zoo getrouwen met zoo goed beleid zou verrichten, en… waarvoor, gij zelf het beste weet hoe hij beloond wordt…”

Zonder iets te antwoorden wendde Floris zich om, en stapte recht op den Burgemeester aan, niet met de levendigheid eener plotselinge ingeving, maar met de onbewegelijkheid (als het zich met beweging vereenigen liet zouden wij zeggen) met de afgepaste beweging van een automaat, en reikte hem zwijgend de hand,

De Burgemeester, die zich tot hiertoe niet verroerd had, ten deele, omdat hij niet wist hoe zich te houden, ten deele omdat hij a!s verstomd was van verwondering over ’t geen hij zag voor vallen tusschen zijn jongen Graaf en den Gouverneur, nam die hand met wat schuwheid in de zijne, en meende dat hij eenige excuses moest maken over het gebeurde.

Hij scheen niet te begrijpen »qu’il faut glisser la oů l’on ne peut marcher.” Iets dergelijks scheen de la Rivičre bij zich zelven te zeggen, terwijl hij beiden in groote spanning gadesloeg en wat onrustig met den voet trappelde, als om Alartsz opmerkzaam te maken en hem te waarschuwen, »qu’il fallait en finir!

Alartsz begreep niet, maar Floris waarschuwde zelf.

»Zwijg er af, meester Alartsz,” riep hij op een gansch anderen toon, dan dien hij tegen de la Rivičre gebruikte, »gij hebt mij als een kind behandeld, en dat moet niet meer zijn, ik ben geen kind meer! ongelukkig niet!” herhaalde hij met stijgende opgewondenheid, »want ik voele het aan de smarte die ik lijde, dat ik tot een man ben gerijpt! O! ik begrijp nu mijn vader, mijn armen, ongelukkigen vader in zijne somberheid, in zijne achterdocht… die de menschen waanzin noemen, maar die wijsheid is, hooge wijsheid…”

»Uwe Genade, ik…”

»Hij kent de menschen, ik… in mijne onervarenheid, beschuldigde hem… ik weet nu beter!” Toen op eens met heftigheid: »Voorwaar, Burgemeester, gij hebt welgedaan mij op te sluiten, alleen, gij hadt moeten zorgen dat de vensters van traliën voorzien waren, dan hadt gij, gij mij voor dwaasheid behoed. Want ik ben een dwaas, een waanzinnige, die aan de eerlijkheid der menschen geloofd heeft, die aan de vriendschap geloofde. O! o! o!” en de jonge man hief met een hartstochtelijk gebaar de handen naar boven, zijne stem smoorde in zijne snikken!

De Burgemeester, die al voor de zesde maal met een »Uwe Genade” was ingevallen, zonder den loop dier wilde en onsamenhangende rede te kunnen stuiten, riep nu op een angstigen toon: »Barmhartige Hemel, ’t is hem in ’t hoofd geslagen! Dat komt van mijne hardheid; lieve, genadige Graaf! het was niet zoo kwaad gemeend! Trek het u zoo niet aan, ik zal u nooit meer kwellen, ik zal u nooit meer dreigen, ik zal hierna alles doen wat gij wilt.”

»Laat het zóó genoeg zijn, mijnheer Alartsz!” sprak nu de la Rivičre, met gezag zich tusschen beiden plaatsende, nadat al zijne zwijgende wenken onopgemerkt waren gebleven. »Stoor niet den loop dezer aandoeningen, die zich lucht moeten geven eer de kalmte terug zal keeren!”

»Maar hij zal er ziek van worden; zouden we dokter Bontius niet ontbieden?”

»Ontbied niemand! maar ga stil heen! ” beet de Gouverneur hem toe; daarop zich tot Floris keerende, die verdiept in zijne eigene, bittere gewaarwordingen, nauwelijks de weeklachten van den Burgemeester had opgemerkt, legde hij hem zachtkens de hand op den schouder en sprak ernstig:

»Heb vrede met uwe smart, de smart rijpt een mensch tot een Christen!”

»Deze smart?” riep Floris, vragend de groote, blauwe oogen nog vol tranen tot hem opheffende, »deze teleurstelling, neen, dat is bitterheid die het harte krenkt, valschheid, ontrouw van menschen, wie kan dat dragen? Als zij, op wie men rekende, hun woord niet gestand doen.”

»Als anderen exempel nemen aan uwe wijze van woord houden, dan werkelijk zult gij reden hebben tot klagen,” hervatte de la Rivičre, hem kalm maar streng in de oogen ziende.

»Ik begrijp u, en gij hebt gelijk! Uwe goede beloften aan mij hebt gij niet meer te houden, ik heb dat verbeurd, och! ik heb het ook niet meer noodig, waartoe nu meerdere vrijheid, ik heb vrijheid genoeg om te studeeren, tot het hoofd mij duizelt! en dat is alles wat ik nu wil!”

»Dat heb ik wel gevreesd, het komt van ’t studeeren!” mompelde Alartsz, die nog niet tot heengaan had kunnen besluiten; maar de Gouverneur wierp hem nu zulk een sprekenden blik toe, dat hij zich verwijderde; niet zonder door een bezorgd schouderophalen zijne voortdurende bekommering te hebben uitgedrukt.

Zoo haast ze alleen waren, ging de la Rivičre naar Floris toe, nam gemeenzaam diens arm onder den zijnen en sprak op een minzamen maar wat stelligen toon: »Nu, vertel mij alles, gij hebt Francijntje Lantscroon gesproken?”

»Neen! dat heb ik niet!” klaagde Floris, »zij heeft mij niet willen aanhooren…”

»Gij hebt haar dan toch weergezien?”

»Ja! tegen haar dank en tegen dien van Hendrik, en weet gij wat ik ook gezien heb, ik, wien men niet kon ontvangen, en die mij niet aan hun tegenstand keerde en die toch tot haar ben doorgedrongen, ik heb Hendrik Prouninck gezien, samen met haar, in een levendig gesprek, hij teederlijk haar de hand houdende! En die twee hadden mij beiden vriendschap beloofd! Nog gisteren! O! fij, van de vrouwen! Wat ze valsch zijn; deze hier scheen oprecht als eene duive! En dan Hendrik, die zich mijn vriend noemt. O! ik wil hierna geene vrouwen meer aan zien, geene vrienden meer vertrouwen, ik wil niemand liefhebben en vertrouwen dan u alleen, mijn beste, mijn eenige vriend!”. En onder een nieuwen stroom van tranen wierp hij zich in de armen van zijn Gouverneur!


De la Rivičre had zeker geene reden om over deze uitkomst zoo mistroostig te zijn als zijn pupil, maar zij was toch verre van hem te bevredigen. Deze afloop kon zaden van wantrouwen en bitterheid in dat jeugdige hart hebben neergelegd, die er tot wrange vruchten zouden rijpen, indien het een afloop was, en dat was nog niet zeker, integendeel, zulk een einde was het begin van iets meer gevaarlijks, het was niet uitgewischt, het was dieper ingedrukt, mogelijk kwam het nooit meer naar buiten, maar indien ooit, dan zou het zich zeker niet toonen onder den vorm van eene zachte genegenheid, die… wel hare gevaren had, de la Rivičre was de man niet om ze te overzien, maar die toch, zoo hij hoopte, onder zijne leiding van goeden invloed kon zijn op het hart van den jeugdigen edelman, waarin die dorre, koude zelfzucht al vrij machtig begon te heerschen, die niet kon over wonnen worden, dan door ’t geen datzelfde hart opent en verwarmt, en bekwaam maakt tot afstand van zelfzucht:… de liefde, wel is waar, de liefde voor het schepsel, maar wier strijd, wier smarten, wier opofferingen zelven het bereiden kunnen tot die hoogere betere liefde, die van het schepsel leert afzien om op te zien tot den Schepper. De liefde van zijn pupil, die geene andere uitkomst kon hebben dan teleurstelling, zoo te besturen, dat zij dienstbaar werd tot dit doel, was het geniale, hoewel zeker wel wat gewaagde plan van den Gouverneur, voor ’t geval dat zij niet, zooals hem het liefste moest zijn, als een nevelbeeld optrok bij de eerste aanraking met de werkelijkheid; maar noch het eene, noch het andere dacht hem nu meer mogelijk, en toen hij later de meer geregelde mededeelingen van Floris had aan gehoord, sprak hij bij zich zelven: »eene volleerde coquette had het niet fijner kunnen aanleggen, om de impressie van een uur tot een hartstocht op te voeren, dan dit naďeve kind, dat vermoedelijk toch meer naar de ingeving van het oogenblik zal hebben gehandeld, dan naar de berekeningen van de arglist!” En zoo was het ook; Francijntje Lantscroon had onder de verschillende indrukken, die haar den vorigen dag beheerscht hadden, en waarbij teeder mededoogen met den Jonker, naar zij zelf geloofde, de hoofdrol speelde, meer gehoor gegeven aan de dringende beden en de overredingskracht van den jeugdigen edelman, dan aan de inspraak van haar eigen goed oordeel en gezond verstand, die haar tot voorzichtigheid maanden, zij had die sprake ten laatste niet eens meer verstaan, en zich overgevende aan gewaarwordingen, voor haar zelve even nieuw als zoet, had zij hem beloofd wat zij bij later en kalmer nadenken begreep niet te kunnen, niet te mogen houden. Ja, zij mocht wel vriendschap voor den Graaf hebben, en zij wilde ook wel zijne vriendin blijven, maar… zij was zoo verschrikt over de snelle vorderingen die deze, zich noemende vriendschap, in dien een en dag had gemaakt in haar harte, dat zij onder den eersten schrik van die ontdekkingen zich ten plicht stelde, de gevaren van zulken omgang te mijden! Dat was tegen hare belofte. Want zij had hem hoop gegeven op wederzien, en zij had zich werkelijk met Hendrik willen bespreken over de wijze waarop dat zou plaats vinden, want zij kon niet denken aan de mogelijkheid, dat de jonge Graaf, die nooit den voet buiten zijn huis zette, dan verzelschapt van deftige heeren en gevolgd van onderscheidene dienaren, haar een bezoek zou kunnen brengen aan haar huis, en in geen geval een zulk, dat eenigszins aan zijn wensch tot een vertrouwelijk onderhoud kon voldoen; zelfs de gelegenheid om elkander aan te treffen kon worden daargesteld, zonder dat het hem mogelijk zou zijn daarvan gebruik te maken; omringd en afhankelijk, was hij in de volstrekte onmacht om aan de verplichtingen van een »hoffelijk serviteur” te beantwoorden, onderstelde zij, en er was dus maar één middel voor hen om samen te komen: ZIJ moest tot hem gaan. Dat had zij bedoeld, toen zij hope gaf op wederzien, en in de eerste opwelling van haar teeder mededoogen, had zij gemeend dat zij dit gemakkelijk kunde doen. Zij had haar voorwendsel, dat niet eens een voorwendsel was, en er waren geene zwarigheden tegen haar ontwerp, dan alleen de mogelijkheid dat de jonge Graaf, omgeven zou zijn van zijne leermeesters, op het tijdstip dat zij zich in zijn huis zoude bezighouden. Het behoorde namelijk tot hare taak op sommige artikelen van zijne huishouding orde te stellen. Bij het huurcontract had meester Lantscroon aangenomen, »het huis van behoorlijke mobiliën te voorzien en die te onderhouden,” het noodige lijnwaad en tafellinnen was daaronder begrepen en moest driemaal ’s weeks verwisseld worden; als de huishoudster van haar vader, was het aan Francijntje om op dit alles toe te zien. Daartoe werd hare tegenwoordigheid in het huis van den Graaf, strikt genomen, niet vereischt, en tot hiertoe ook had zij dit aan haar dienstmeisje overgelaten, dat zij met het benoodigde af zond, en dat zich in hare plaats met vrouw Hubrechts besprak; maar deze vrouw, die als huishoudster schijnt gefungeerd te heb ben, was slordig en achteloos, (Floris beklaagt zich in zijne brieven, dat men zeer kwalijk van haar gediend was) en Francijntje was in ’t geheel niet zeker dat alles zoo ordelijk toeging als het moest. Zij verweet zich zelve wel eens hare nalatigheid in dezen, maar het opzien tegen een huis vol met al die vreemde heeren, had haar tot hiertoe teruggehouden; zoo zij van handelwijze veranderde en zelve kwam toezien, kon dat niemand bevreemden en zou het dankelijk worden erkend. Zij stelde zich dus voor, indien huiselijken plicht minder achteloos te zijn, en bij het waarnemen er van de gelegenheid te zoeken, den Jonker dat bewijs van vriendschap te geven, waarop hij zoo sterk had aangedrongen. Was er dan niet te rekenen op een ongestoord samenzijn, daar zou toch altijd gelegenheid wezen om elkander te zien en even te spreken, al ware het alleen maar om hem te zeggen, dat zij deernis had met zijn lot! Hoe zij er toe zou komen, dat wist zij zelve nog niet recht, maar zij wilde Hendrik in den arm nemen, die haar bekend moest maken met de gewoonten van den Graaf, met de uren waarop hij niet van zijne leermeesters was omringd en waarop hij zijne recreatie nam in den tuin, opdat zij het tijdstip van hare komst daarnaar kon regelen.

Dat was uitgevonden door de vlugge verbeelding van het jonge meisje, wier vleugelen zich heenrepten over alle zwarigheden en hindernissen, en onder den indruk van dat samenzijn met Floris, waarbij zij verder werd medegesleept dan zij zelve had gewild; maar toen zij des anderen daags in kalmer beraad hare gedachten liet gaan over de uitvoering van het gemaakte plan, stuitte zij allereerst op bezwaren, die hare jonkvrouwelijke fierheid en kieschheid haar welhaast als onoverkomelijk deden inzien. Hoe! dat wat ze eerst had nagelaten uit zedige schroom, zou ze dan nu doen, omdat er dubbele reden was tot terughouding! Zij, zoo eerlijk, zoo waar in alle hare werken en woorden, zou zij zich, verlagen tot listen en omwegen, en dat ter wille van een jonkman, die… al was hij dan edelman en Graaf, zooveel beter en wijzer niet was dan de jongelieden van haar stand, al scheen hij dan fijner en kiescher in zijne gedragingen jegens de joffers. Inderdaad was hij vrij stouter en meer opdringend geweest, zij kon het zich niet ontveinzen, dan een Simon de Breede of een ander het ooit tegen haar had durven zijn. Hij had haar beloften afgevleid, afgeperst bijna, binnen korte uren samenzijns die geen ander zou hebben verkregen, dan na maanden of jaren van »goede bekendschap,” zooals zij zich uitdrukte. De Jonker was, ondanks zijne schijnbare gedweeheid jegens haar, hooghartig en willekeurig; zij meende dat onderkend te hebben uit zijne houding tegen Hendrik Prouninck, en als zij dan nu, om aan zijn wensch te voldoen, zich leende tot iets als eene samenspanning met hem, tegen zijne leermeesters, zou hij er haar niet minder om achten, en zich verbeelden dat hij haar naar zijne hand kon stellen? Die bedenkingen zou zij waarschijnlijk niet hebben gemaakt bij ’t geen zij voor hem begon te voelen, zoo Floris een jonkman van haar stand ware geweest; maar nu kwam de fierheid van het burgermeisje de vrouwelijke zwakheid steunen, en waar de laatste lispelde dat men een vriend woord moest houden, besliste de eerste dat men een edelman geen recht moest geven tot eene geringschatting, waartoe zijn hooger stand hem maar te zeer kon verlokken. En dan stelde die fierheid haar den jongen Graaf voor, niet zooals hij aan hare zijde had gezeten, deemoedig vleiend, zich verdrukt en beklagenswaardig noemende, om haar tot medegevoel te verwek ken, maar zooals men hem langs de straten van Leiden zag gaan: rijk gekleed, omgeven van deftige, aanzienlijke Heeren, gevolgd van dienaren, die allen op zijne wenken pasten; ieders aandacht trekkende, en door allen met eerbied begroet, met belangstelling nagestaard, en toch door niemand gemeenzaam genaderd; wien de Magistraat en de Hoogleeraren met feestelijke plechtigheid statelijk hadden ingehaald in hunne stad; die bij den Stadhouder ten hove ging en met prinsessen conversatie kon hebben, wiens groet zij zich vroeger als eene singuliere eere zou hebben toegerekend, die, neen zij kon zich niet bedriegen, die was haar gelijke niet, al ware ’t ook dat het hem behaagd had zich een ganschen dag als haar gelijke, als haar dienaar aan te stellen; al had hij niet bedoeld haar te misleiden en met haar te schertsen, de dag die volgde, zou hem als haar opnieuw de oogen openen omtrent den afstand, die hen scheidde, en het was daarom gansch geene zaak voor haar, te zijnen behoeve een stap te doen, die hem gerechtigen zou nog meer uit de hoogte op haar neer te zien. Neen, Graaf Floris van Culemborg kon niet tot haar komen, om haar zijne opwachting te maken, dat wist zij… maar evenmin kon zij, Francijntje Lantscroon, de weleerlijke burgerdochter, hem opzoeken in zijn huis, onder schijn van er diensten te doen… dát begreep zij nu ook; maar hoe zou ze dan hare belofte vervullen? Zij peinsde er op, zonder het middel uit te vinden! en terwijl zij zich in die uiterlijke bezwaren verdiepte en verwarde, werd zij er als vanzelve toe gebracht om ook het oog te richten op de innerlijke gevaren van eene betrekking, die zich zoo zorgelijk moest verbergen voor de menschen. Reeds hadden de plagerijen der jongelieden en der vriendinnen haar opmerkzaam gemaakt op hetgeen zulke »vriendschap” in de oogen van anderen zoude zijn. Al had zij ook voor zich de bewustheid, dat die gissing onjuist was, moest zij zich dan niet wachten voor den schijn, was zij dat niet verplicht aan haar zelve, aan haar vader, aan hare kleine zusjes, waarover zij te waken had, en die zij met een goed voorbeeld moest stichten? En waren ze onjuist nu nňg, zouden ze het altijd blijven? Ze zeiden haar het tegendeel, die onrustige kloppingen van haar hart, en dat gevoel van angstige beklemdheid, te midden van die liefelijke gewaarwordingen en dat onuitsprekelijk welbehagen, waardoor zij overmeesterd werd, nu nňg bij het terugdenken aan zijn smeekenden blik, zijn zachten handdruk, zijne welluidende stem, die zoo aandoenlijk wist te klagen, zoo minnelijk vleien, zoo zoetelijk dwingen, dat zij zich als bekoord en als overheerd zag, en wel gaarne zich liet meevoeren tegen haar gezond verstand in, dat haar zeide: »gij en hij passen niet samen.” Ze waarschuwden haar dat eene vriendschap, die zich onder zulke verschijnselen openbaarde, en in zulke mate haar geheele hart vermeesterde, wel eens iets anders dan deze, wel eens LIEFDE kon zijn, diezelfde liefde, waarvan zij niet had willen hooren, en die zich verkapt had om ingang te vinden! Welnu, als dat ware, dan zou zij die weerstaan, daartoe was ze besloten.

Fransje Lantscroon was geene sentimenteele dweepster, geen kind van weelde, door ledigheid verweekelijkt, wier overspannen fantasie liefst naar het onmogelijke heenzwierf, en die hunkerend naar de gestolen wateren, een geheimen, ongelukkigen hartstocht het ideaal harer jonkheid zoude achten. Zij was de dochter van eene degelijke huismoeder, eener vrome Christin, die haar goede beginselen had ingeprent, door woord en voorbeeld tot alle vrouwelijke deugden had aangespoord, en toen die leiding haar ontviel, was er in haar reeds een fondament gelegd, waarop zij niet verzuimde zelve voort te bouwen. De volkomene vrijheid, die haar ten deel viel, met de ernstige werkelijkheid, waartoe zij geroepen werd, legde haar tot verplichting op om over zich zelve te waken, en niet zwak te zijn; zij was vroeg tot eene jonkvrouw gerijpt, maar zij had ook vroeg het besef van hare vrouwelijke plichten, en zij had haar Bijbel, die het haar predikte, waar geene moederlijke stem haar waarschuwde: »het oog dat ergert, moet worden uitgerukt.”

En toen zij nu had onderkend dat de jonge Graaf zulk eene ergernis voor haar worden kon, meende ze niet te aarzelen noch te wankelen, maar door te tasten, eer die onuitroeibaar was geworden. Terwijl dit goede besluit vast bij haar was gerijpt, was Hendrik Prouninck tot haar gekomen, om, volgens de gemaakte afspraak, haar de begeerde inlichtingen te geven, en te vernemen, op welke wijze hij haar behulpzaam kon zijn in de uitvoering van haar plan, waarvan hij aan Floris geene kennis wilde geven, vóórdat het uitvoerbaar was bevonden. Maar zij was niet meer gezind zijn dienst aan te nemen! En hij die dezen dienst wel zeer tegen zijn hart kwam aanbieden, was al te voldaan dat zij werd afgewezen, om zich anders dan voor den vorm van deze uitspraak te beroepen.

»Zeg het hem, waarde Hendrik! dat ik mij anders beraden heb, en dat, hetgeen wij voorhadden, niet zijn moet. ’t Is voor den Jonker en voor mij beter, dat onze conversatie hierbij blijft, al is ’t ook, dat ik een goed gedenken wil houden van zijne… vriendschap, en hem bidde dat ook te doen van de mijne; maar dat wij elkander niet moeten weerzien; zeg hem dat vroedheid als vroomheid mij manen tot dit besluit, en dat ik van zijne courtoisie wachte, er in te berusten.”

Wijsheid en deugd was het zeker, die deze uitspraak voor schreef; maar na alles wat wij van Floris hebben waargenomen, was hij zeer weinig in de stemming om de waarde dier wijsheid te erkennen en er vrede mede te hebben. En toen hij in het vuur zijner blijdschap Hendrik te zien diens arm had genomen met de vraag: wanneer ze nu naar joffer Lantscroon zouden gaan? durfde deze niet rechtstreeks voor de harde waarheid uit komen; maar ving aan met te antwoorden, dat de joffer geen lijd had bepaald voor hunne ontvangst, dat zij zeer zeker niet kon verdacht zijn op dit bezoek, en dat hij ook niet zag hoe zoo iets hem mogelijk zou wezen!

»Het is mogeJijk, en met toestemming van monsieur de la Rivičre!” riep Floris in triomf, »en onder hooge goedkeuring van den achtbaren Alartsz! Wij hebben nu een vrij uur vóór ons, wachten we niet op uw broeder, die immers niets van ons plan weet? en laat ons nu gaan!”

»Maar wij kunnen niet gaan, zonder te weten of Francijntje het toestaat,” had Hendrik in verlegenheid aangevoerd.

»Dat was toch het eerste waarnaar gij hadt behooren te vragen,” voegde Floris hem toe, reeds wat ontstemd over die onhandigheid, »maar dat doet er niet toe, als wij er zijn, zal zij ons wegzenden, zoo zij het noodig acht met eene bestraffing over de stoutheid… de bestraffingen van Francijntje Lantscroon zijn zoo zoet!”

»Die zou nu toch heel scherp vallen, Floris, want ik mag u niet langer in onzekerheid laten, allerminst vleien met hoop, ” ving Hendrik aan, en de harde waarheid kwam er uit. Floris kon haar niet dragen; hij was in toorn opgevlogen tegen den goeden Prouninck, aan wiens ongeschiktheid of kwaden wil hij deze uitkomst toeschreef; hij had hem de hardste, de onrecht vaardigste verwijten gedaan; Hendrik had gedragen en verdragen, zoolang en zooveel als mogelijk was, maar ten laatste had hij ook vuur gevat, en de twist was geëindigd met een afscheid, dat zeer veel op eene vriendschapsbreuk geleek. Hendrik in ’t hart gekrenkt, had echter al spoedig berouw zich aan drift te hebben toegegeven jegens den jongen Graaf, in wien hij nooit zijn weldoener voorbijzag, en juist op een oogenblik, waarin deze, naar het hem toescheen, zijne vriendschap het meest behoefde, en het meest verschoonlijk was, haar niet recht gewaardeerd te hebben. Bij kalmer nadenken moest hij het erkennen, hij had de belangen van Floris bij Francijntje niet voorgestaan uit alle macht, en hij had al te schielijk berust bij eene uitspraak, die den vriend het hart moest krenken, en hij was zich bewust, dat die lauwheid niet alleen oorsprong nam uit voorzichtigheid, die de stormen liefst zag afdrijven, welke het jeugdig hart van den vriend stonden te beroeren; maar ook nog uit iets anders, dat hij nauwelijks aan zich zelf durfde bekennen, dat hij niet zonder zwaren strijd voor Floris verborgen hield en dat deze toch scheen te raden: hij ook koesterde sedert lang eene geheime genegenheid voor Francijntje Lantscroon, die meer rustig, minder gehaast zich te uiten, omdat ze meer hoop had dat een later tijd haar betere rechten tot spreken zou geven, daarom echter niet minder teeder en vooral niet minder diep was dan die, welke de jonge Graaf zoo plotseling voor haar had opgevat, en waaraan deze zich had willen overgeven met al de roekeloosheid, met al de drift der eerste jeugd. Zijn stille liefde behoefde niet ongelukkig te zijn. Als hij het hart van Francijntje had kunnen winnen, lag er niets onoverkomelijks tusschen hen beiden. Er bestond geen belangrijk verschil van stand — de vaders waren voormaals politieke vrienden en bondgenooten geweest — en al had de gunstgenoot van Leycester voor zijne zonen in vorige dagen wellicht van hoogere verbintenissen gedroomd, ze waren in nevel opgelost sinds den afstand van den Gouverneur-Generaal, en er bleef nu alleen ongelijkheid in fortuin, want meester Lantscroon was een vermogend man, en de Prounincks, na den ommekeer der zaken geruďneerd, hadden geene uitzichten voor hunne toekomst, dan hunne eigene werkzaamheid en de gunst van den Graaf van Culemborg; — toch bleef hem de hope dat die ongelijkheid zou kunnen geëffend worden; maar voor hij beter recht had tot spreken, wist Hendrik dat hij moest zwijgen, en hij had zelfbeheersching genoeg om het ook te kunnen, te lichter zeker, daar Francijntjes koele, vriendschappelijke toon hem zeer weinig aanmoediging gaf; maar toch, zij prees hem, zij achtte hem, misschien… als zij hem eens zou kennen, zou begrijpen, wie weet! daar trad de grafelijke luim op eens verhinderend tusschenbeide, en eischte… wat al niet! van hem allereerst het verzaken van eigene wenschen, scheiding, en diensten… diensten, die hij niet met een gewillig harte kon verleenen; nu hem echter uit de heftige smart en toorn, waaraan Floris zich over gaf, de gloed van een opkomenden hartstocht toelichtte; nu hij zag hoe Floris leed onder die eerste harde teleurstelling; nu vroeg hij zich zelven af, of hij hem die niet had kunnen en moeten sparen, of niet de zelfzucht zijne overredingskracht had verlamd, en het antwoord dat de eerlijke jonkman daarop moest geven, strekte ter verontschuldiging van den vriend, die hem had gekwetst, en tot verwijt aan hem zelven, en het gevolg er van was een besluit, om het offer volkomen te brengen, zóó vol komen, dat de vriend door zijne edelmoedige wrake getroffen, zich verzoend aan zijn hart zou werpen. Met dit nobele doel had Hendrik opnieuw den weg genomen naar het huis van meester Lantscroon; hij was er bij Francijntje, wie hij met dringende beden bestormde, om herroeping van dat harde vonnis, dat hij had moeten aankondigen; de aanstrenging, die hem deze zelf overwinning kostte, gaf aan zijne welsprekendheid een gloed, die den rustigen, meer welberaden dan welbespraakten jonkman gemeenlijk niet eigen was, en die aanving hare werking te doen; want het jonge meisje voelde zich bewogen, en scheen reeds te wankelen, toen op eens Floris zijne eigene zaak kwam bederven. Alleen gebleven onder den slag der teleurstelling, die Hendrik hem had moeten toebrengen, was de gedachte om Francijntje haars ondanks op te zoeken, wel het eerst bij hem opgekomen, maar toch weer verworpen, als strijdig met alle courtoisie; slechts kon hij zoo niet berusten, iets moest hij doen; hij zou schrijven! Aan Francijntje schrijven, aan een meisje! voor het eerst van zijn leven, en onder aandoeningen als die hem beroerden, dat scheen lichter dan het was, Alles uit te storten wat toen in zijn gemoed omging, dat was hem behoefte, en dat was ook het eerste wat hij deed; maar hij begon in te zien, dat het geen gelukkig middel was om eene juffer te winnen, die reeds terugtrad uit opzien tegen eene al te hartstochtelijke vriendschap! Maar te schrijven, zonder in iederen regel, in ieder woord te verraden wat hij verbergen moest, en toch te verkrijgen wat hij wenschte, daartoe behoorde rijp beraad, overleg, kalme zinnen, en, zelfs een vaster hand dan de zijne op dit oogenblik was. Hij zou toch nog beproeven… Dáár trad de Burgemeester binnen, en dáár volgde het tooneel, dat wij mijnheer Alartsz aan de la Rivičre hoorden mededeelen, en waarbij Floris tot het uiterste gedreven, opgejaagd door de uiterlijke hindernissen, evenzeer als aangespoord door de innerlijke beroeringen zijner ziel, ten laatste als een vervolgd hert, onzinnig voortvluchtte, dwars door alle hindernissen heen, om te komen tot de wateren, waarnaar hij dorstte, en waar hij ruste hoopte te vinden! — Maar helaas, dit onbesuisd en onbescheiden binnenstormen, hoe verklaarbaar voor ons, werd zeer onvergefelijk geacht door de zedige juffer, die wellicht door eerbiedige teederheid had kunnen gewonnen worden, maar die in vollen ernst vertoornd en verontwaardigd werd over de woeste vermetelheid van dezen inval. De Jonker, haar met Hendrik samen vindende, in een onderhoud waarvan de levendigheid beider wangen in gloed had gezet, en wel niet kunnende gissen, dat de hoogste zelfverloochening der vriendschap den armen Hendrik dus buiten zich zelven bracht, bejegende den laatste, als had hij hem op eene misdaad betrapt, wilde zijne verdediging niet aanhooren, en dreef hem weg met eene hoogheid en bitterheid, waartegen Prouninck niet in verzet durfde komen, uit vreeze die exaltatie tot waanzin te doen stijgen. Maar Francijntje had geen begrip van zulke verschooning. Zij verhief zich tegen Floris, als de Nemesis der verguisde vriendschap. Zij ook wilde geene verontschuldiging aanhooren, zij ook wilde in hare gekrenktheid geene ophelderingen geven, die den hartstochtelijken jonkman berouwvol in de armen zijns vriends zouden hebben gevoerd.

»Gij hebt wel gelijk, Heer Graaf van Culemborg!” voegde zij hem toe in hare gebelgdheid, »Hendrik Prouninck is me lief en waard, en ik houde hem in hooge achting, en eer zal ik hem het jawoord schenken, dan ooit of t’ immer eenige jonste of merkteeken van vriendschap te gunnen aan zulk een dolleman als gij zijt, die meent, omdat hij een Heer en Graaf is, dat alles voor hem wijken en buigen moet, en die beteren dan hij zelf van kwaad verdenkt!” En na deze allocutie had zij hem zeer beleefd, maar tevens zoo beslist tot heengaan genood, dat hij in alle haast de deur had gezocht en nauwelijks had kunnen vinden in zijne verwarring. Ziedend van toorn en stikkend van opgekropte smart, was hij toen naar zijn eigen huis teruggekeerd, zonder overleg wat hij doen wilde en als werktuigelijk, en eens daar binnen moest hij de la Rivičre opzoeken, den eenige, die hem verstaan zoude en aan wien hij zich kon uitstorten; over al het voorgaande dacht hij niet eens meer, de tegenwoordigheid van den Burgemeester moest er hem aan herinneren.

De Gouverneur scheen van oordeel dat de kwaal, die hem beleden werd, buitengewone geneesmiddelen vorderde. In den loop van den namiddag, toen hij zich voor een oogenblik met den Burgemeester alleen bevond, zeide hij hem: »Mijnheer, het is mijne intentie, morgenochtend met den Graaf naar het slot IJselmonde te reizen, wees zoo goed de noodige schikkingen te maken voor dien tocht!”

De Burgemeester bleef hem strak aanzien van verwondering, en scheen nadere opheldering te wachten eer hij wilde antwoorden.

»De Graaf moet onverwijld eene andere omgeving hebben, zij het slechts voor eenige dagen!” liet de la Rivičre volgen.

»Ik wil gelooven dat het noodig is, mijnheer, maar…”

»Men zal niet zeggen dat ik den Jonker naar de vijanden zijns vaders voere…”

»Dat wel niet… maar dat kan toch onmogelijk zóó gaan… de Graaf van Culemborg is er niet van geadverteerd, en…”

»De Graaf weet dat Floris vroeger eene uitnoodiging van mevrouwe de Mérode heeft ontvangen, die ik heb afgeslagen… ik neme haar nu aan… ziedaar alles!”

»Maar, monsieur de la Rivičre! weet gij wel wat gij doet! hoe zult gij u daarover verantwoorden bij de Gravin, bij… de Generale Staten…”

»Ik weet wat ik doe, en ik zal mij weten te verantwoorden!”

»Dat is heel goed voor u, maar daarmede ben ik nog niet verantwoord… en bijgevolg zult gij mij toestaan den jongen Graaf te vergezellen.”

»Verschoon mij, mijnheer de Burgemeester, dat kan niet zijn, wij waren immers afgesproken, dat gij alles aan mij zoudt overlaten.”

»Ja, mijnheer, dat is ook wel zóó, maar…”

»Vertrouwt gij mij, of vertrouwt gij mij niet?” viel de la Rivičre in met wat forschheid.

»Ik vertrouw u…”

»Zoo toon het! Hebt gij niet genoeg aan den eed, dien ik reeds heb gedaan aan den Graaf, zoo geef ik u, u persoonlijk mijn woord als edelman, dat ik mijn leven, mijne eer, zal zetten voor de veiligheid, voor het welzijn van dit kind!”

»Ik zie ’t u aan, dat gij uw besluit zult doorzetten mijns ondanks!” sprak de Burgemeester verdrietelijk.

»Het ware mij veel liever zoo ik dat doen kon met uwe toestemming…”

»Maar zonder deze zult gij toch uw eigen hoofd volgen, is het zoo niet?”

De la Rivičre boog zich tot eenig antwoord.

»Zoo vraag mij liever niets, dan heb ik voor ’t minst nog de verontschuldiging, dat alles tegen mijn wil is geschied.”

»Als gij dat verkiest…; ik meende u te moeten erkennen…”

»Heeft de Jonker er lust in?”

»Hij weet dat het zijn moet!”

De Burgemeester zuchtte. »Gij geeft mij wel weinig tijd voor de noodige toebereidsels,” sprak hij hoofdschuddend, »en daarbij is er eene zwarigheid, waarop gij zeker niet hebt gedacht…”

»Welke?”

»Mijn voorraad van gereede penningen is bijna uitgeput… ik verwacht iederen dag den zaakgelastigde uit Culemborg; maar eer die gekomen is, zie ik niet hoe de groote onkosten te bestrijden van al het beslag eener reize…”

»Naar IJselinonde! Wees gerust, die onkosten zullen tot het minst mogelijke worden gebracht. Daar is geen de minste omslag noodig. Floris zal niet reizen als Graaf van Culemborg, en ik min de eenvoudigheid; wij nemen geene bedienden mede, en niemand zal ons vergezellen dan alleen uw zoon, die u representeeren zal!”

»Reizen zonder geleide, zonder kamerdienaar, HIJ!!”

»Op de reize zal hij zich zelven leeren helpen, iets, wat hem hoog noodig is; het past niet voor een jong edelman links en onbeholpen te zijn, zooals hij het hier wordt, waar ieder op zijne wenken past, en op het kasteel van mevrouwe de Mérode zijn bedienden te over!”

»Och Hemel, monsieur de la Rivičre, wat is er toch gaande, dat gij, gij alles overziet, alles trotseert, en zooveel op u neemt?” vroeg de Burgemeester in zichtbare onrust.

»De Jonker is ziek naar de ziele, en alleen snelle verplaatsing kan hem genezen.”

»Moet ik dŕt aan den Graaf van Culemborg melden?” vroeg Alartsz beangstigd.

»Schrijf liever dat ik om overwegende redenen, die ik Zijne Genade later zal opgeven, de uitnoodiging van mevrouwe zijne zuster heb aangenomen, en dat hier niet gedacht wordt op schennis van plicht, noch op overtreding van zijne voorschriften, maar dat ik vrijheid heb gevonden in dezen alleen naar den geest er van te handelen. Het overige zal Monseigneur van mij hooren, zoodra wij te IJselmonde gekomen zijn.”

Daarbij bleef het.

Den volgenden dag verspreidde zich het gerucht, dat de jonge Graaf van Culemborg in de vroegte en in alle geheimzinnigheid uit Leiden was vertrokken, zonder ander geleide dan dat van zijn Gouverneur en een leermeester.

Het spreekt vanzelf dat zulk een nieuwtje nogal opzien baarde, en vooral dat er mysterieuse en bezwarende bijgeruchten aan gehecht werden; hoewel de achtergeblevene heeren er vol strekt geen geheim van maakten, dat de jonge Graaf eenige dagen was gaan doorbrengen op het kasteel zijner moei.

Naar deel VIII.


Ingezonden op: 19 July 2001