EENE SCHERTS VAN FILIPS II.

DON ANTONIO SONDEZ


De jonge Prins Angelo Manriquez de Sotero was de bestemde erfgenaam van al de titels, waardigheden en rijkdommen van een der rijkste Siciliaansche geslachten, De eenige zoon, door wien de oude Prins zijn edelen en eerwaarden naam nog weer met nieuweren luister hoopte te zien opleven, of voor het minst tegen smadelijk uitsterven behoed te zien, de hoop dus en de lieveling, en, als vanzelf spreekt, het bedorven kindje van eene reeks oude verwanten, en tegelijk het voorwerp van onrust, van benijding, van verborgen wangunst, van eene andere reeks jeugdiger neven en Dichten, die allen aan zijn leven verschillende wenschen en verwachtingen hadden vastgehecht, en die van weerszijden en om zeer verschillende redenen, zijne faits et gestes dus met de meeste angstvalligheid naoogden.

Dit alles hinderde echter den levenslustigen jongen edelman niet om zijn leven te gebruiken, zooals alle jonge edellieden van zijn tijd en dat bijgevolg zonder nadenken of berekening in de waagschaal te stellen, op eene wijze, die de eene helft van zijne familie deed verbleeken en sidderen, terwijl de andere helft met glinsterende oogen zat te glimlachen, Tweegevechten en avonturen van minne, beide even gevaarlijk in de 16de eeuwen in de gezegende Italiaansche staten, strekten hem tot bezigheid, en alle zorge en belangstelling in zijne welvaart of vooruitzichten aan anderen overlatende, vloog hij zoo wild, zoo vroolijk en zoo onbekommerd zijne frissche lentejaren door, als ware hij de zoon van een Napelschen visscher geweest, wien geen ander erfgoed wachtte dan de gondel op de golf… het is zoo, de jonge Prins had geene moeder meer, wier verbleeken hem wellicht van een roekeloos vermaak had teruggehouden, want Angelo Manriquez was zoo teeder van hart als dapper, en zoo edelmoedig als onbedacht. En wij verzekeren u dat hij de beide eerste hoedanigheden in ruime mate de zijne kon noemen.

De oude Prins vond dat de jeugd zijn loop moest hebben, al ware het ook op gevaar af dat zij in ’t midden van dien loop werd gestuit, maar hij had intusschen de gewoonte zijne maatregelen te nemen, die zooveel mogelijk de gevaren der vrijheid afweerden en voorkwamen, zonder die vrijheid zelve te beperken.

Zoo had hij ten dage, dat wij met Angelo Manriquez in kennis komen dezen eene reis naar Spanje aannemelijk weten te maken, juist op het oogenblik, dat een zekere Siciliaansche Graaf reden meende te hebben om hem op leven en dood te vervolgen, en de wijze, waarop die Graaf plan had dit te doen, was te veel hinderlaag, te veel valstrik, te veel schieten van achter een muur, dan dat de ridderlijke jonge man er op verdacht konde zijn.!

Maar de vader had gewaakt, en de vader had de voldoening hem nu in Madrid te weten met een aanzienlijk gevolg van bedienden, dat hem desnoods tot lijfwacht kon de strekken en met genoeg goud om alle Madridsche alguazils om te koopen, zoo dat hem noodig mocht zijn.

Wij vinden hem ook te Madrid; alleen niet in een paleis, niet omringd van zijn stoet, maar in eene posada van den tweeden rang en met Matteo Pedrillos, zijn camerero alleen, die hem gediend heeft bij zijn toilet, dat prachtig genoeg schijnt, te oordeelen naar den uitroep van Matteo, die tot hem zegt:

»En nu, Monsignor, gaan wij naar het hof…”

»Fachino! en wat zou ik er doen aan het hof! preutsche sennoras de honor zien zitten, neergehurkt op kussens, met brillen op als horlogeglazen! ik zie veel liever twee zwarte oog en heenschitteren door de plooien eener mantilla.”

»De smaak van Monsignor is zeker onberispelijk, maar toch…”

»Toch… meent gij bij toeval dat er zooveel overeenstemming is tusschen mij en Zijne allerkatholiekste Majesteit Koning Filips II, dat ik mij dus haasten zou mij aan hem te vertoonen?”

In waarheid er was zeker geen grooter contrast tusschen twee menschen denkbaar, dan dat van den jeugdigen, levenslustigen, zorgeloozen Siciliaanschen edelman en den ouden, wantrouwigen~ zelfzoekenden beheerscher van Spanje. Matteo ook antwoordde:

»Per Bacco! Monsignor! niet veel, alleen zou ik wenschen, dat mijn meester ééne eigenschap van Zijne Majesteit deelachtig was.”

»En welke?” vroeg de jonge Prins lachend.

»De voorzichtigheid, Monsignor.”

»Alsof die hem goed stond, zulk een machtig Vorst en dan voorzichtig.”

»Zelfs voor een zulken heeft die deugd hare voordeelen… hoeveel te meer voor…

»Ik laat ze hem alle en zonder benijding. — En nu genoeg, Matteo, als gij den kwelgeest en raadgever spelen wilt, geef ik u vrijheid om met mijne andere lieden in ’t Palazzo Alcala de komst van den Prins van Sotero af te wachten; zoo gij een vroolijker wijs wilt zingen, geef mij dan mijn hoed, en degen, capo en spada, als de Spanjaards zeggen, neem gij de mandoline en volg dan Don Antonio Sondez op zijne avondwandeling.”

»Ik heb geene keuze, Monsignor, maar ik moet toch zeggen, dat men het op het Palazzo Reale vreemd zal vinden, zoo gij er nog niet verschijnt.”

»Och kom! wie zoekt mijns vaders zoon onder den mantel van Don Antonio, den minnaar van Donna Anna!”

»’t Is te hopen niemand, mijn Prins!” hernam nog eens de trouwe Matteo, terwijl hij moeite had den driftigen stap van zijn jongen meester te volgen.


Wij betrappen dezen spoedig op heeterdaad bij het geven eener serenade voor het balkon van Donna Anna de Laxas, niet meer noch minder dan graaf Almaviva zelf. Maar minder gelukkig dan Almaviva, werd hem geen venster geopend, om eene kleine witte hand door te laten, die een biljet liet vallen; niets zelfs bewees dat men naar zijn zang luisterde; toch was zijne stem zuiver en liefelijk en zijne conplainte amoureuse geďmproviseerd in zoo week en schitterend Siciliaansch, als er toch wel niet alle avonden voor de vensters eener Madridsche schoone moest gehoord worden. Gelukkig hebben wij niet, als hij, eene uitnoodiging noodig om binnen te gaan.

De jonge dame, die wij vinden, achteloos neergevleid op hare zijden kussens, is naar het uiterlijke wel de hulde waardig, die haar geboden wordt. Levendige trekken, hoewel niet streng geregeld, groote gitzwarte oogen, die iets fluweelachtig zachts hebben, als zij naar u opzien, en die toch vlammen schieten door den langen zwarten sluier der pinkers heen, als zij ze neerslaat. Het mondje was juist niet zoo klein als eene Spaansche kers, maar de lippen hadden de frissche levendige tint eener versche granaat. Wel schitterden niet op de wangen de blosjes der dochteren van ’t Noorden, maar ook niet hare bleekheid, die zoo heel spoedig iets ziekelijks heeft; een gulden tint over voorhoofd en hals, als ware het die van een standbeeld, met een licht brons overdekt. De zuiverheid harer lippen en vormen kon tot die trotsche vergelijking ook nog recht geven, en jammer maar dat de hals onder den onverbiddelijken kraag en de armen onder het onmisbaar zwart fluweel van engsluitende mouwen verborgen moesten zijn; de pofjes van witte zijde aan de schouders en aan de polsen, verbraken toch een weinig de strengheid en de eenvormigheid van dit kostuum, het onvermengd Spaansche met zijne gitten, zijn puntig sterk ingeregen baleinen keursje, en zijn vertugadin. Men moest zoo schoon zijn, als Donna Anna, om onder dit gewaad nog los en bevallig te schijnen. De breede, gladde, gitzwarte vlechten zouden waarlijk tot op den grond hebben neęrgehangen, zoo eene voorzienige hand ze niet had opgenomen en omslingerd met een snoer paarlen, en vastgehecht met een diamanten speld. Wat het lange, slepende gewaad zien liet van het fijne, marokijnen muiltje, bewees dat er een voetje in stak, zooals de auteur van Asschepoetster zich er een heeft gedroomd. En de handjes, die met den waaier speelden, waren zoo fijn, zoo mollig, zoo zacht, en toch zoo levendig bij het gebarenspel, dat die wel alleen verdienden het onderwerp eener serenade te zijn. Maar wat wij opmerken met spijt voor onzen jongen Prins, die hier natuurlijk het meest recht heeft op onze belangstelling: de schoone dame is niet alleen.

Hare duenna, Donna Carlotta, zit in een hoek op een stapel kussens, bezig met een vrouwelijk handwerk; maar dat is nog niets; een groote forsche caballero, met fiksche mannelijke trekken, met veel hartstochtelijken gloed in het oog, en met een geduchten degen op zijde, staat voor haar in eene houding, die hij tracht eerbiedig te maken, doch die juist door dat opzet wat stijf is geworden.

Een beeldschoone knaap, een page van een jaar of dertien, met oogen als een kleine demon en trekken, zacht en liefelijk als van een cherubijn, zit aan de voeten zijner meesteres, die niets anders dan of hij een klein schoothondje ware geweest, zich bemoeit zijne zijdeachtige lokken in veelvuldige kronkeling om hare vingers te winden, en alsof een Spaansch gezin niet voltallig kon wezen, of er moest ten minste één monnik bij zijn, vinden wij hier ook den goeden Fra Ambrosio, in al de majesteit van een biechtvader, ten bezoek bij zijn biechtkind, en in al de zalving een er volkomene rust.

Terwijl dit gezelschap nu bijeen is op de eerste verdieping, klimmen de tonen der mandoline van onzen Prins tot hunne ooren, en voeren zijne stem op hunne maat met zich.

»Bij Onze Lieve Vrouwe van Atocha! dat is dezelfde zanger van gister en dat is nu voor de derde maal”, spreekt de duenna zacht en bedenkelijk tot Fra Ambrosio, De monnik antwoordt alleen met een welgevallig knikje, want die muziek streelt hem zoetelijk het oor, en hij begrijpt heel goed dat de sennora haar ten derdenmale wil aanhooren.

De sennora glimlacht, bloost en werpt het hoofd achterover om de klanken beter op te vangen, en dubbel te genieten. De page slaat met schalkheid de maat met den waaier, die zijne meesteres heeft laten vallen; alleen de Matamore trekt de wenkbrauwen samen, en zijne trekken worden zoo bewolkt als de lucht vóór een orkaan.

»Ik heb die stem meer gehoord, madonna!” spreekt hij streng.

»Ik ook, sennor Conte!” antwoordt zij, en de glimlach boort twee diepe kuiltjes rondom haar mond.

»Het is geen Spaansch, dat men zingt,” roept de sennor Conte, en zijn oog flikkert.

»Neen, het klinkt als Italiaansch,” herneemt de schoone zeer kalm.

»Maar, sennora, zult gij dan toestaan… dat men onder uw balkon zingt?”

»En waarom niet?”

»Dan wil ik ten minste zien, wie de vermetele vreemdeling is!”

»Wees gewaarschuwd, sennor! Zoo gij de jaloezie opent, werp ik er mijne bloemen uit voor den caballero er onder.”

»Ach, hij had wel een bouquet verdiend;” fluistert de page.

»Hij zal die hebben, omdat gij het vraagt, zoon mijner ziele,” zegt Donna Anna, hem liefkoozend.

Onder hare bedreiging als versteend is de Matamore blijven staan, schoon hij het venster reeds genaderd was.

»De bloemen dáár, die ik u heb gebracht?” vraagt hij met de uiterste verwondering, »aan dien indringer?”

»Zonder aarzeling! Sennor, als gij de hoffelijkheid zoover vergeet om mij ongehoorzaam te zijn in mijn eigen huis.”

De caballero laat de hand vallen, die hij reeds naar de espagnolette had opgeheven, en keert droevig en met onderwerping naar haar terug.

»Helaas! Madonna, dat is toch wel wreed van u, en wel hard voor mij, dat gij mij nog altijd met mededingers dreigt, nadat gij mij toch eenmaal de voorkeur hebt gegeven.”

»De voorkeur, sennor Conte, de voorkeur,” herhaalde de dame levendig en met eene soort van ironie;… »dat is, bij Onze Lieve Vrouw del Pilar! meer uwe schuld dan de mijne… Toen ik eens uwe hulde had aangenomen, en ik weet niet hoe ik zoo onbedacht kon wezen, hebt gij ieder caballero, die mij maar de minste galanterie wilde bewijzen, de punt van uw degen laten zien; — wie dan geen moed had, vluchtte, wie moed had viel door uwe hand, zoo bleef ’t gij de eenige; ik vraag of gij dat, naar recht, mijne keuze kunt noemen?”

De beantwoording dier vraag scheen den sennor Conte te moeielijk, want hij liet haar terzijde en hernam slechts:

»Ja, maar al die jonge vleiers zweren eeden van trouwen liefde, die zij niet houden, vlinders, die heden deze bloem het hof maken en morgen eene andere, terwijl ik u mijne hand heb geboden tot een vaste verbintenis.”

»En als het nu juist dat was, wat ik niet begeerde, monsennor, eene vaste verbintenis! Op mijn zestiende jaar verbonden aan den ouden Don Gonzalez de Laxas, en eerst vrij op mijn twintigste, meent gij dat ik zooveel haast heb, haar te verliezen, die vrijheid, eer ik haar genoten heb? Ik heb u aangenomen voor minnaar, omdat gij de eerste waart, omdat men in ’t eind met iemand beginnen moet; gij hebt alle anderen geweerd, gij hebt mij eigenlijk niets overgelaten om lief te hebben dan mijn kleinen page Dolcettino daar, en nu gij nog daarenboven van een huwelijk spreekt, een huwelijk met u, nu weet ik niet…”

»Een huwelijk met een zoo rijken en edelmoedigen Gentilhomo als de sennor Conte, zou toch voor de weduwe van Don Gonzalez wenschelijk zijn,” sprak nu de Fra, die zich geroepen achtte er zijn woord bij te voegen…

»Nu weet ik niet,” herhaalde Donna Anna vast en fier, »nu vooral, daar Fra Ambrosia u tot bondgenoot strekt, of ik niet wel zal doen u te verklaren, dat ik geen plan heb ooit die groote gave uwer hand aan te nemen.”

De sennor Conte werd gloeiend rood bij die verklaring, hij sidderde en stampvoette en sloeg de hand aan den degen, alsof het mogelijk geweest ware dat hij dien had kunnen gebruiken tegen eene vrouw.

De monnik had zich wat dieper in zijn stoel geschoven en sloot de oogen, als besloten zich buiten den twist te houden.

»Dat komt, omdat die troubadour daar beneden uw minnaar is, uw wezenlijke minnaar,” barstte de sennor los.

»Tot bewijs dat hij mij vreemd is, maar het niet lang meer zal blijven, werp ik hem nu, voor uw oog, zijn eerste bouquet toe,” — riep de dame, ook driftig geworden, en werkelijk nam zij den fijnen bloemruiker die tusschen hare keurs stak, en wierp dien heen door de traliën der jalouzie.

»Dan wil ik voor het minst zien, wie de avonturier is, die hem opvangt, uitte de caballero in de felste woede, en rukte de jalouzie open, terwijl hij de hand der jonge vrouw, die hem afweren wilde, vastgreep en vasthield, als tusschen een ijzeren nijptang.

Men begrijpt zich dat het gansche tooneel, dat wij langzaam beschreven, snel en als in een adem afspeelde, en dat onze jeugdige Siciliaan niet al dien tijd rusteloos heeft doorgezongen; integendeel nu de klank der levendige woordenwisseling tot hem komt, luistert hij veel liever, hij twijfelt niet of zij geldt hem, en al te gelukkig ditmaal te worden opgemerkt, bekommert hij zich niet veel over de soort van opmerking, die hij verovert; dit bekommert meer zijn trouwen Matteo, die terstond bij het openen der jalouziën de papieren lantaarn uitblaast, waarmede hij zijn meester door de duistere straten had voorgelicht. Noch de sennora noch de sennor zagen dus iets meer, dan de onbestemde gedaante van een man in een mantel gewikkeld, want helaas! het spijt ons dit te moeten verklaren, de maan was niet hoffelijk genoeg, om. zooals het behoorde, de serenade te illustreeren door haar licht, en met den besten wil van de wereld kon de avontuurlijke jonkman geen blik ontvangen van zijne dame, noch een dolkstoot van een medeminnaar.

»Don Antonio Sondez!” zegt Donna Anna tot dezen met verontwaardiging over zijne gewelddadigheid.

»Tot uwe orders, mijne gebiedende vrouwe!” roept Angelo Manriquez haar toe.

»De snaak antwoordt op mijn naam!” riep de sennor met verhoogde ergernis; »dat hij kome, dat ik zijn aangezicht zie, dat ik schielijk wete, wie het is, die mij dus hoont en beleedigt; dat ik hem straffe; dat ik mij wreke!”

»Ja, laat hem komen, laat hem komen,” herhaalt Donna Anna, na zich eene wijle bedacht te hebben; men kan zijn lot niet ontgaan — »ik zie het wel, ook hij niet… Dolcettino! mijn kind, ga en geleid dien cabellero hier binnen.”

»Monsignor! Monsignor! om der wille van uws vaders naam, volg niet, ga daar niet binnen, het zal een valstrik zijn,” fluisterde Matteo angstig, toen Dolcettino hem de vergunning zijner meesteres mededeelde. Maar de jonge man luisterde niet eens, met zooveel haast als hij volgde; slechts wierp hij hem zijn mantel toe eer hij binnentrad. Men kan zich denken onder hoe verschillende gemoedsaandoeningen hij daar boven werd afgewacht; maar de jonge Prins had er slechts ééne, ééne onverdeelde gewaarwording van blijdschap, dat hij zoo nabij was gekomen aan zijn doel. Bij de geliefde zijn, haar zien, zich aan haar vertoonen, op welke voorwaarde dan ook, tot welken prijs die vreugd moest betaald worden, dat was hem om het even. Met vroolijke haast deed hij eenige schreden in ’t vertrek, zag toen met onverholen verrukking op Donna Anna, die zich op hare kussens had teruggeworpen, liet zijn grooten sombrero neerglijden langs het zijden koord, en knielde toen aan de voeten zijner schoone. Hij zelf was het schoonste en bevalligste dat men zien kon, zooveel edele gratie, bij zooveel fierheid, zooveel jeugdige frischheid, bij zooveel mannelijke kracht, en dan in die prachtige kleeding, waarvan Matteo geloofde, dat zij bij eene voorstelling aan het hof voldoende zoude zijn, en die natuurlijk den indruk en den glans van zijn voorkomen verhoogde — het was niet te verwonderen dat aan Donna Anna een lichte kreet van bewondering ontsnapte, en dat Don Antonio Sondez in de eerste seconden niet wist, of hij dit heerlijke wezen bewonderen moest of haten; dat laatste gevoel had toch weldra de overhand, vooral toen Donna Anna zeide, met eene stem, die zij onwillekeurig zachter maakte.

»Sennor caballero, ik heb zelve u willen danken voor uw loffelijken zang en muziek.”

En Angelo Manriquez antwoordde:

»Eindelijk toch, eindelijk, madonna, heeft die uwe opmerking mogen verdienen?”

»Zij heeft die reeds veel eerder gewekt, sennor, doch…”

»Mijn caballero, men is verlangend uw naam te weten,” viel nu de sennor Conte in, die deze wisseling van plichtplegingen niet langer toestaan kon.

»Sennora, vergun mij deze houding van eerbied te verlaten,” sprak Manriquez tot Anna; »zoo haast ik met een man te spreken heb, kan ik niet geknield blijven.”

Donna Anna reikte hem de toppen harer fijne vingers als om tot opstaan uit te noodigen, licht en hoffelijk bracht hij deze even aan zijne lippen, en richte zich toen op, zich staande houdende tegenover den Graaf.

— »Gij wenscht iets van mij te weten?” vroeg hij met eene losse schalkheid.

»Ik heb noodig te weten, hoe gij heet, sennor; eer wij verder spreken.”

»Ah, mijn naam wilt gij weten,”

»Ja.”

»Ik noem mij Don Antonio Sondez.”

Men hoort, hoop ik, zonderdat ik ze opnoem, de kreten van verbazing, die er opgingen.

»En met welk recht voert gij dien naam?” vroeg de sennor Conte verder, die, hoe geërgerd ook, toch zijn deftigen ernst niet verloor.

»Ik heb de gewoonte niets voor recht te erkennen, dan mijn eigen wil.”

»Gij — gij heet Antonio Sondez, zegt gij?”

»Ik zeg dat ik mij zoo noem.”

»Maar ongelukkige, dat is mijn naam, dien ik van mijne voorvaderen heb geërfd, dien zij sinds eeuwen voeren.”

»Oh! oh! is het de uwe,” riep de jonge Prins, met blijkbare poging om een gewelddadigen aanval van lachlust te onderdrukken, »zooveel te erger voor u, dat treft aardig; dus gij zijt Don Antonio Sondez zelf?”

»Ja, maar hoe kunt gij voorgeven, dat gij het zijt? Is het wel eens zeker, dat gij edelman zijt?”

»Wees daar gerust op, mijn caballero, en geloof dat het uw naam niet tot oneer strekt, zoo ik dien eene wijle voer; maar ziet gij, ik gebruik dien bij avontuurlijke tochten, zooals bij voorbeeld dien van dezen avond.”

»Mijn naam, mijn naam, dus gebruiken!” brulde Don Antonio meer dan hij sprak, en de hand aan den degen slaande, »gij zult mij daarvan rekenschap geven, van dit en van meer! want als gij satan niet zijt, zijt gij een mensch, en als gij een mensch zijt, zal ik u dooden.”

»Tot uw dienst, mijn caballero,” hernam de andere altijd volkomen bedaard en half schertsend, »ik zal er u de gelegenheid toe geven, en als gij niet slaagt, wijt het dan niet aan mijn goeden wil!”

»sennores, sennores!” riep Fra Ambrosio verschrikt, »laat toch geen bloed vergoten worden!”

»Hier in het vertrek van eene dame? in hare tegenwoordigheid! wees er zeker van, zulk eene schennis der hoffelijkheid zal geen Christen-edelman plegen,” sprak de Siciliaan.

» Van die hoffelijkheid mag ik dan eene opheldering vragen,” hernam Donna Anna, wie dit tooneel meer scheen te vermaken dan dat het haar onrust aanjoeg.

»Altijd tot de bevelen mijner sennora,” hernam de Prins met een zachten glimlach en eene bevallige buiging.

»Waarom hebt gij juist dien naam gekozen — waarom juist den naam van den sennor Conte?”

»Vooreerst wist ik niet, dat die aan den sennor Conte behoorde, maar al ware dat geweest… ik had dien toch aangenomen. want ik heb dien het eerst van uwe lippen hooren uitspreken, uit uw mond opgevangen — dat was mij genoeg, ik benijdde hem dien naam — ik benijdde den persoon, die hem droeg, om geene andere reden dan omdat de Koningin der schoonheid hem had uitgesproken; tusschen begeeren en nemen ligt bij mij geen verre afstand; toen ik eens uw hemelsch gelaat had opgemerkt door de zijden gordijnen eener draagkoets — het was op het Corso — toen ik eens had gehoord dat gij uwe stem een weinig verhieft, om een naam te noemen, den naam van Don Antonio de Sondez, toen heb ik dien naam op dat zelfde oogenblik als den mijnen genomen, om geen anderen te dragen, zoolang dat u welgevallig zal zijn.”

»En gij vraagt niet hoelang ik dit zal goedkeuren,” riep Don Antonio, nog meer in woede, omdat men hem met zulk eene minachtende onverschilligheid ter zijde liet.

»Ik heb de gewoonte nooit te vragen naar het welgevallen van een man.”

»En ik heb de gewoonte mijn welbehagen aan anderen op te leggen,” herhaalde de sennor Conte fier.

»Dat is dus eene uitdaging, waaraan ik met de meeste bereidvaardigheid gevolg zal geven;” hernam de Prins opgeruimd, »alleen herinner u, dat gij mij nog een antwoord schuldig zijt… met welk recht hebt gij mij alle deze vragen gedaan, in het huis en in de tegenwoordigheid van Donna Anna? zijt gij haar broeder, haar echtgenoot, of wel… maar ik kan nauwelijks denken, dat zij u de eere toe zal staan dat te zijn… haar cavaliere serviente.”

»Ik ben de man die al hare minnaars doodt, of voor altijd van haar verwijdert.”

»Ja, dat is helaas waarheid,” sprak Donna Anna.

»Zoodat…” sprak de jonge Prins opmerkzaam, »er nu niemand anders is dan die man daar, die u zijne hulde brengt… ”

»Zoo is het, sennor, en door zijne schuld.”

»Dan ziet gij wel, dat ik u uit den weg moet ruimen,” hervatte de Prins tot Don Antonio.

»Nadat wij het tweegevecht hebben gehad, geef ik er u vrijheid toe…” hernam sennor Conte.

» Welnu dan morgen, bij het eerste morgenrood, op den degen, en de plaats…”

»Bij de puerta del Sol,”

»Dat is aangenomen — uwe getuigen,”

»Mijn camariero — ik ben hier vreemdeling.”

»’t Is mij alles goed, en gij, Donna Anna, zegt gij mij niets, zelfs geen woord ter gunste van den nieuwen gunsteling.”

»Zeker zal hij het zijn, zoo hij mij van een zoo tirannisch aanbidder bevrijdt.”

»Die eer heeft hij reeds nu of liever zij komt u zelve toe, u alleen, madonna, ik zeg niet dat ik u aan hem overlaat, want gij weet dit tweegevecht overleeft die held niet; maar ik zeg dat gij van nu aan van mijne hulde verschoond blijft;…” en de sennor Conte boog zich zoo hoffelijk en dus zoo stijf als hem mogelijk was, en ging.

Toen hij weg was barstte de levendige, jonge vrouw in een luid gelach uit, daarop ernstiger en den Prins aanziende:

»Helaas, helaas, ik ben zoo wreed als onbezonnen, dat ik lachen kan, hoe belachelijk die aftocht ook wezen mag…”

»En waarom zou mijne sennora niet lachen, als dat haar goeddunkt?” vroeg Angelo Manriquez, met galanterie.

»Omdat die man het doen zal, zooals hij zegt: hij zal u het leven benemen.”

»In dat tweegevecht! Ah bah! maar ik heb immers altijd eene kans voor mij…

»Maar ik zeg u dat het eene zeer geringe is, hij is de beruchtste degen van Madrid, en velen, die mij durfden naderen met hunne wenschen, hebben het ondervonden… daarom ook… was het medelijden met u, dat ik schijnbaar doof bleef voor… uwe serenaden.”

»Innigen dank voor de goedwilligheid van dat gevoel voor mij, maar ik had er liever andere blijken van gezien, al hadden ze mij het leven moeten kosten.”

Wij weten niet wat de dame willens was hierop te antwoorden, want de blik, dien zij op Angelo Manriquez wierp, die opnieuw zich aan hare voeten had geplaatst op het kussen van Dolcettino, bewees dat zij zich niet al te zeer beleedigd achtte over de stoute vrijmoedigheid zijner betuigingen, toen Fra Ambrosio haar antwoord voorkwam, door uit te roepen, hetzij met werkelijke, hetzij met gehuichelde onrust:

»Daar de sennor Conte vertrokken is, hoe kom ik nu veilig terug in mijn klooster, zoo laat in den avond? Een arme broeder is zoo weerloos en toch zoo licht de prooi van leegloopers en moedwilligen…”

»Stel u gerust, mijn vader; deze caballero zal u zijn geleide en bescherming verleenen, op mijn verzoek, Niet waar, sennor, het is de eerste dienst, die ik van u aanneem. Ik zal eene gelofte doen aan Onze Lieve Vrouw van Atocha, dat het niet de laatste moge zijn,”

»Dat madonna een dienst van mij aanneemt, is mij reeds te hooge gunst om niet gewillig te gehoorzamen, anders… ik had u nog zooveel te zeggen, Donna Anna!” hernam hij zwaarmoedig en met beduiding…

»En ongelukkig heb ik haast,” zeide de padre, naar een afgeloopen zandglas ziende, »nog een half uur toevens, en het is voor mij te laat; de regel van ons klooster is gestreng.”

»Wij zullen zorgen dat de gestrengheid er van u niet drukke, waarde broeder, monsennor ik bid u…” en de jonge vrouw reikte Manriquez hare hand om te kussen.

Na dit vaarwel was vertoeven niet meer mogelijk, ook schikte de jonge Prins zich in zijn lot met gedwongen berusting, terwijl hij sprak:

»Kom, mijn broeder, gij verliest niet bij de verwisseling; het is nog altijd een Don Antonio Sondez, die u verzelt.”

»En ik geloof dat zijn degen geen zwakkere is,” voegde de page er bij. Manriquez knikte den bevalligen knaap toe, en wierp nog eenmaal een vurigen blik op de sennora, terwijl hij zich voor het laatst tegen haar boog.


Ingezonden op: 19 July 2001