EENIGE AANTEKENINGEN.


Op de van Beverens. De stof tot deze novelle was, zooals men heeft kunnen opmerken, niet rijk, waarlijk niet rijk genoeg om er mede verlegen te zijn, zooals de recensent van den Holland voor 1854 (in den Gids, Januari 1854) schijnt te onderstellen. Zeker, ik had haar voller kunnen maken, zoo ik haar met beelden en toestanden van mijne schepping had willen aanvullen; maar ik had geen uitvoerigen roman te schrijven, en voor eene kleine novelle was het onderwerp mij niet te arm. Zoo ik er van mijne fantasie aan toegevoegd had, zou het zeker niet geweest zijn, om eene liefdeshistorie daar te stellen tusschen van Drenkwaart en joffer Maria. De strijd tusschen den hartstocht der liefde en de overtuiging des geloofs was door mij reeds eenmaal geschetst in Het Huis Lauernesse, en ik vond onnoodig om er juist in deze novelle op terug te komen. Het onderhoud tusschen Maria van Beveren en den jongen Schout, dat ik als inleiding, en ter ontwikkeling van beider karakter, gemoedsgesteldheid en positie laat voorafgaan — wordt in zijne oogen een hors d’œuvre, omdat het niet tot eene belangrijke daad voert. Alsof de woorden en gedachten, die er gewisseld worden, niet voor zoovele daden konden gelden; alsof er voor het doel, dat wij beoogden, eenige andere daad moest en kon geschieden dan de ontmoeting van den Schout, die Maria van het wezenlijke doel harer wandeling afkeert, om haar heen te leiden dáár waar de handeling aanvangt!

Recensent vindt het zeer vreemd, dat joffer van Beveren een man, dien zij »niet eens van aangezichte kent,” gaat waarschuwen voor het hem dreigend gevaar. Men komt tot de onderstelling, dat hij zich al een zeer bekrompen denkbeeld vormt van de Christelijke broederliefde, in die tijden van geestdrift en vervolging. Geloofsgenoot, geloofsverwant te zijn en bedreigd — was toenmaals genoeg om aanspraak te hebben op de belangstelling, op de hulp, op de zelfverloochenende liefde der broederen en zusteren beiden, en waar er anders werd gehandeld, wordt het als treurige uitzondering op dien regel vermeld. Maar het is geene fictie van mij die ik behoef te rechtvaardigen, ’t is historie. »Cornelis van Beveren (zegt Balen, Beschrijving van Dordrecht) was alleen niet die godsdienst toestandig (die van Calvin), maar was ook met de Doopsgezinden bewogen; wanneer hij hoorde dat men de Bloedplakkaten scherper wilde aanbinden en doen uitvoeren, gaf hij het aan zijne Huisvrouw, juffrouw Maria van der Valk te kennen, die dan weder hare dochter, joffer Maria belastte zulke luyden te waarschuwen.” Het is dus hare gewone liefdetaak, die ik haar laat volbrengen, en die zij ook werkelijk volbracht heeft, ter aller ure en aan iedereen — sterk in de kracht des geloofs, hoewel zeker niet zonder velerlei gemoedsbeweging en strijd.

Van dit laatste schijnt de Heer S. niet veel te begrijpen, waar hij zich zoo verwonderd toont, dat ik Maria voorstel als eene, die veel had gewaagd en geleden in die laatste ure. om den wille van Adam Voogd. Hetgeen ze gewaagd had was niet weinig, waar zij zich waagde aan den toorn van den machtigen en bitteren Schout, die haar straffen kon zoowel in de haren, als in haar zelve; hetgeen ze geleden had was niet minder. Naar het lichaam was haar geenerlei kwelling aangedaan — maar naar de ziel? naar het harte? Was het gesprek met den Schout de onrust hoe ze tot zijn bestemd slachtoffer zou doordringen — de onwil van Voogd, om naar hare waarschuwingen te luisteren — geene diep folterende, zedelijke marteling voor een fijn voelend .harte en een aandoenlijk gemoed? Zijn er geene minuten van lijden, die voor jaren van smart kunnen gelden — en zou de Heer S. (die, zoo ik mij niet bedrieg in den persoon, onder onze jongere dichters en auteurs eene eervolle plaats bekleedt), deze aanmerkingen wel gemaakt hebben, zoo hij zijne eigene poëtische intuitie hadde geraadpleegd, en zijn eigen goed oordeel uitspraak had laten doen, in stede van gehoor te geven aan de instigaties van vooroordeel en partijzucht? — Maar er is nog een verwijt, waarmede hij der arme jonkvrouw hard valt en dat eigenlijk op ons nederkomt — als zouden wij de grofheid gepleegd hebben, haar bij den eersten blik te laten verlieven op Heer Adam Voogd, een gehuwd man, en daarop, om deze kostelijke donné tot goede uitkomst te brengen, de vrouw van dezen man selon notre bon plaisir hadden laten sterven. »De auteur maakt welwillend plaats voor Maria van Beveren, die haar dan ook spoedig inneemt — zij werd zijne gade.” — Zeker, ik neem van tijd tot tijd vrijheden met de geschiedenis, in ’t belang van den roman — nooit echter, waar het er als geschiedenis op aan komt — en zelden sans dire gare; maar tot zulke schamele ontknooping — waartoe iedere alledaagsche romanschrijver zijne meest ordinaire helden en heldinnen heenwendt — het groote vraagstuk van den gewonen romanlezer: »of zij elkander ook kregen?” tot zulke schamele ontknooping zou ik mij niet gerechtigd achten de geschiedenis geweld aan te doen. Maar ik vond bij Balen vermeld, »dat Adam Voogd trouwde na den dood zijner Huijsvrouw, van wier zijde hij, had moeten opstaan en vluchten, joffer Maria van Beveren, Heeren Cornelis dochter” — dat zij hem eene dochter schonk, na zijn dood geboren, en dat hij reeds in ’t jaar; 1575 is gestorven. En Dordrechts oudheidkundige van onzen tijd, de geleerde Dr. G. D. J. Schotel, die zoo goed thuis is in de Dortsche familiegeschiedenissen van vroeger eeuwen, bevestigt Balen’s geloofwaardigheid, daar hij zijne eigene uitspraken mede op dezen grondt. Volgens Balen en Schotel nu, keerde Adam Voogd eerst in rustiger tijden terug; dit, en zijn verblijf buitenslands in aanmerking: genomen, kon die terugkomst bezwaarlijk plaats vinden voor 1573. De dood van zijne vrouw moet dus óf in zijne absentie óf spoedig na zijne terugkomst zijn voorgevallen. Die dood zoomin als. dat huwelijk zijn dus van mijne vinding, en ik had alle recht om dat laatste voor te stellen als niet lang na de terugkomst gesloten. Maar ik begreep, dat zoowel de critiek als mijne lezeressen. mij rekenschap zouden vragen van eene uitkomst, die al te verrassend en al te ongemotiveerd zou zijn, zonder eenige voorafgaande toeneiging der partijen; daarom liet ik niet op den eersten blik, maar na een belangrijk gesprek, vol afwisselende aandoeningen en gemoedsbewegingen, in het hart der jonkvrouwe ontkiemen, niet eene zoodanige zinnelijke passie, als waarvan de Heer S. haar schijnt te verdenken, en waarbij het de vraag kon zijn, of de man al of niet gehuwd was — maar eene zekere teedere belangstelling en genegenheid, die zij kon gelooven dat den geloofsbroeder den vervolgde gold; maar die haar te ongewoon aangreep, te sterk preoccupeerde, dan dat zij er zich niet met onrust en zelfverwijt van zou hebben afgewend. Zich zóó te laten aftrekken van hooger, heiliger gedachten en beschouwingen — door een mensch, ware het dan ook een geloofsbroeder — was voor hare teere, gemoedelijke, Christelijke consciëntie eene zwakheid, waartegen zij strijden moest; zich aan die gedachten over te geven — zonde; maar zonde in de meest ideale en toch zeer reële beteekenis. Het was een strijd in en tegen haar zelve, waarvan niets naar buiten zou komen, dan eene kinderlijke uitstorting aan het moederlijk harte. Hier kon geen kwestie zijn van eenige overtreding der jonkvrouwelijke zedigheid (zooals de vraag van den Heer S. schijnt te bedoelen: »voor welke zwakheid moest het Christendom haar hier hoeden, en op welke wijze had zij, zonder haar naam van eerbare jonkvrouw prijs te geven, zich eener zwakheid kunnen toegeven?”) Ik geloof dat ik deze vraag genoegzaam beantwoord heb. En indien niet ik, zoo zoek gij de beantwoording in het belangrijke woord over Ie péché idéal, van Adolphe Monod, wiens diepe menschenkennis uitgaat van een streng en altijd vernieuwd zelfonderzoek, en die de bewijzen levert, dat men Christen kan zijn, uitnemend Christen, bijna volmaakt Christen, en toch, bij verfijnde en hooggemoedelijke zelfkennis, verschrikt zijn van de ontdekkingen in ’t eigen hart.

Wij zouden het onnoodig hebben geacht, dus lang stil te staan bij een punt van beschuldiging, dat wij hadden kunnen bestrijden met de eenvoudige opgave der historische bijzonderheden, indien het niet had samengehangen met de groote levensvraag der menschheid: »wat is zonde? en wie is zondaar?” — levensvraag, waarvan de beantwoording allereerst noodzakelijk is voor ieder mensch als mensch — maar waarmede het mij voorkomt, dat ,ook de poëzie, ook de roman, ook de critiek te rekenen hebben, zullen zij voldoen aan hunne hoogere roeping.

Men meene nu toch niet, dat ik dit alles gezegd heb om de voortreffelijkheid en de onberispelijkheid der novelle De Van Beverens te bewijzen. Zulke aanmatiging, al gold het ook mijn beste geschrift, is zeer verre van mij. Ik wil gaarne erkennen, dat ik den zielstoestand der jonkvrouwe Maria uitvoeriger had moeten schilderen, en meer helder had kunnen doen uitkomen — dat ik niet had moeten rekenen op lezers, qui entendent à demi mot en dat er verder leemten en zwakheden in dit stukje zijn, die niemand mij vergen kan zelve op te sommen, En zoo ik het ditmaal heb trachten te verdedigen tegen de aanvallen der critiek, was het alleen, omdat zij uitgingen minder van een litterarisch standpunt, dan van zekere politieke antipathiën, waarover wij in een voorwoord hebben uitgeweid. Het is om dezelfde oorzaak dat ik heb te spreken over Van Cuyck.

Allereerst heeft men van dezen geoordeeld — in tegenstelling van hetgeen ik had gemeend — dat het niet was van de dingen, die men moest voortzeggen. Gelukkig vind ik — behalve in mijne eigene overtuiging, en de instemming van vrienden, wier goedkeuring voor mij veelbeteekenend is — voor mijn gevoelen en handelwijze in dezen, steun bij een vreemdeling, wien men bezwaarlijk zal kunnen verdenken van deelgenootschap aan onze tegenwoordige politieke en kerkelijke partijschappen, en wiens uitspraken al zoo wel eenig gezag zullen hebben: Mr.Lothrop Motley, in zijn historisch werk: The rise of the Dutch Republic.

Nadat hij eene uitvoerige voorstelling heeft gegeven van de ijzingwekkende gruwelen en gruweldaden, in den vorm van justitie gepleegd tegen personen, die geene andere schuld hadden, dan dat zij zich niet aan consciëntiedwang hadden willen onderwerpen — in één woord, nadat hij eene reeks van schetsen had gegeven van die soort, als wij leverden in Van Cuyck besluit hij op devolgende wijze: »Are these things related merely to excite superfluous horror? Are the sufferings of these obscure Christians beneath. the dignity of History? is it not better to deal with murder and oppression in the abstract, without entering into trivial détails? The answer is, that these things ARE the history of the Netherlands at this epoch; that this hideous détails furnish the causes of that immense movement, out of which a great republic was born and all ancient tyranny destroyed (*) Zoo moet het ons Hollanders dan toch wel geoorloofd zijn van zulke bijzonderheden gebruik te maken, ter aanschouwelijke voorstelling in den roman, in de poëzie, in de schilderkunst, vooral dan, als zij kunnen strekken tot opwekking en versterking van den oud-vaderlandschen zin en geest; en al moge men aanmerken, dat deze stof tot zulk einde reeds veel is gebruikt en misbruikt wellicht — bij de pogingen die men ziet aanwenden, van eene partij in ons vaderland, om diezelfde geschiedenis te falsifieeren en te ignoreeren ten oorbaar van zekere intentiën, die te bekend zijn om hier nader aan te duiden; bij die pogingen, heeft het zeer zeker zijn nut als zijn recht, dat men deze geschiedenis in hare bijzonderheden van tijd tot tijd doe herleven en als opfrissche in de herinnering van het nageslacht dergenen, die deze dingen hebben gedragen, geleden en gedaan niet alleen voor zich zelven, maar ook voor hun nakroost. En al mochten er dan onder mijne landgenooten zijn, die mijne pogingen laakten, ik zou mij beroepen op zulke vreemden (en hun getal neemt toe), die uit eene diepe en ernstige studie onzer geschiedenis belangstelling hebben geput voor zulke lijders en eerbied voor de helden, die zich hebben opgemaakt ter verlossing. Van Cuyck moet ergens in een Roomsch-Katholiek orgaan zijn aangewezen als een martelaars-romannetje, opgesteld en verdicht in den geest der Aprilbeweging. Wat daarvan is, heb ik gezegd in de regels, die de novellen voorafgaan. Historiekenners en letterkundigen weten dat de betichting mij niet treft, dat ik er niets van het mijne heb bijgevoegd, waar het de hoofdpunten gold: de marteldood, het lijden, het vroom geloovig gemoed, en het standvastig karakter van mijn held — en zelfs niet zijne verhouding tot den Schout. Dezulken onder mijne lezers, die geene historiekenners zijn, kunnen zich van mijne eerlijkheid in dezen overtuigen, als zij naslaan: Van Braght Geschiedenis der Doopsgezinde Martelaren, pag. 618-651, waar men ook vindt de liedekens, die door het volk in ’t openbaar werden gezongen; vervolgens Balen 843 — Brandt, Historie der Reformatie, deel I, bladz. 525 — Barenth, Hollands en Zeelands jubeljaarSchotel, Kerkelijk DordrechtHoubraken, Groote schouwburg der Nederl. Kunstschilders, enz. en Immerzeel, Levens en Werken der Holl. en Vlaams. Kunstenaars, welke laatsten bewijzen, dat ik van Cuyck zoomin den lauwer der kunst, als den palmtak der martelaren heb verleend uit mijne eigene autoriteit.

De schimp- en lofliedjes,en nog meer de geheele houding der Dordtsche bevolking, staande de executiën, bewijst, dat ik alle recht had te zeggen: »dat deze wijze van de Kerk voor te staan en den Koning te dienen niet populair was.” En toch zullen Doopsgezinden en andere Hervormingsgezinden dáár wel niet de meerderheid hebben uitgemaakt te dier dage; zóó waar is het, wat sommigen zoeken te loochenen, en wat wij met blijdschap en dankbaarheid herhalen, dat een goed deel weldenkende Roomsch-Katholieken de dwingelandij van Filips II, en de moordschavotten van zijn Alba en de brandstapels van zijne Inquisitie even hartelijk moede waren en in even grooten afschuw hielden, als de voorstanders der Hervorming, die zij in den bevrijdingskamp manmoedig en standvastig hebben ter zijde gestaan. De afscheuring van Spanje is niet huns ondanks geschied, maar met hunne instemming en samenwerking. Zeker, er was eene partij onder hen, die, met geestdrijvende ketterjagers, monniken en heerschzuchtige priesters, het vreemde dwangjuk liever heel Nederland wenschte opgelegd te zien, dan de vrijheid van consciëntie toegestaan, die het beginsel was der reformatie; maar de overigen — zij het de meerderheid, of eene minderheid, te meer prijzenswaardig om hare zelfstandigheid — voelden zich nog eerder Nederlanders dan Roomschgezinden; en ik twijfel niet of er zijn onder hunne geloofsbroeders van onzen tijd velen, die zich even ver en vreemd houden van de meneën en machinatiën eener drijvende en dwepende partij, die zich eerder thuis voelt over de bergen, dan in onze vlakke Nederlandsche beemden; zij al zoo zullen vrede hebben met mijne afkeurende voorstelling van geloofsvervolging, waarvan gelijkdenkenden onder hunne broederen in 1571 niet de werktuigen, maar de tegenstanders zijn geweest. Het was op dezulken denkende, dat ik van Cuyck schuilplaats heb laten vinden bij eene RoomschKatholieke vrouw. De onderstelling is niet uit de lucht gegrepen; maanden lang heeft van Cuyck geleefd in Dordrecht, wijkende van de eene schuilplaats naar de andere. Bij geloofsgenooten in te keeren, ware hem al te onveilig — het allereerst toch zou men hem bij Doops- of Hervormingsgezinden hebben gezocht; gesteld dat dezen voor hun zelven eenige veiligheid aan huis en haard ware gebleven; — om werkelijk verborgen te zijn, moest hij verblijf nemen bij Roomsch-Katholieken, die als zoodanig ter goeder naam en faam stonden en onverdacht waren; dus eenigszins verzekerd tegen huiszoeking. Waaraan zulke Katholieke Christenen zich blootstelden van de zijde der onchristelijk-Roomsche overheid, kan men beoordeelen uit de strengheid der Dordtsche keuren bij klokkeslag afgekondigd, waarin tegen het herbergen van Anabaptisten en andere sectarissen wordt gewaarschuwd: »en een iegelijk die dezelve gehuist oft gehooft, oft dair of weten’oft eenigzins van deze gehoort hebben, dat zij dat van stonden aan den Schout en den Burgemeester aanbrengen. Want indien yemant naermaels dair of bedragen, oft bevonden worde geweten te hebben, en ’t selve rechtewaerts niet an en brochte, dat zouden die Goede Luden (NB I) an hem zoo zwairlick corrigeren als principael, ende oft hij zelf een Anabaptist ware aan hair lijf ende goet ten exemple van alle anderen.”

Dat zulke plakkaten uitgevoerd werden was maar al te zeker; de exempelen, die er gesteld werden op dit punt, waren velen. Mr. Lothrop-Motley haalt er een aan, dat te Utrecht gegeven werd, in 1568, aan eene vrouw van aanzien en vermogen, die vier en tachtig jaar was en Roomsch-Katholiek. Zij, of eigenlijk een bloedverwant, die bij haar inwoonde, had één nacht huisvesting gegeven aan den reformatie-prediker Jan Arendz. — en zij moest deze onwillekeurige misdaad boeten met haar leven. Zij werd op het schavot in een stoel gebonden — en onthoofd.

Uit dit ééne voorbeeld kan men zien, welke plakkaten er werden gemaakt in de 16e eeuw, en op welke wijze zij werden gehandhaafd door eene Roomsch-Katholieke regeering tegen Roomsch-Katholieke onderdanen, — een liefhebber van oudheden als de Heer Paulus Foreestier (*) zal ze kennen en verschoont mij zeker van de moeite om ze allen op te sommen van gelijken geest en scherpheid, doch ze kennende, kan hij het niet anders dan logisch vinden, dat de plakkaten van 1623 en vervolgens, waarover hij klaagt, niet zachter vielen! Hier was het een jonge, nog niet vast gevestigde Staat, die zich te veiligen had tegen vijanden van buiten en verraad van binnen, en de personen, tegen wie zulke strengemaatregelen genomen werden, ware geene geloofsgenooten, geen gevestigde inboorlingen — maar vreemde monniken, priesters en ordebroeders, vooral die van de gevreesde en gehate orde der Jezuïëten (et que n’avaient pas volé leur réputation), die uit den vreemde kwamen, op vijandelijk gebied heen- en weertrokken, met den vijand heulden, en het voor plicht achtten al het mogelijke te doen, om den staat van zaken om te keeren en terug te brengen tot hetgeen er bestaan had in de 16e eeuw of dat nabij kwam. De Heer P. F, erkent het zelf en deelt het mede met eene bewondering, die wij in hem niet kunnen veroordeelen, en met eene openheid, die wij bewonderen — hoe er gewerkt en geïntrigeerd werd door de Roomsche geestelijkheid, ten behoeve harer religie en ten nadeele, althans tegen de intentiën van het nieuwe bewind. Zoude dat dan geen recht gehad hebben tegen zulke intrigeerende personnaadjes strenge maatregelen te nemen — zoo mogelijk ter afschrikking — kon het niet anders, ter bestraffing? En al moet het menschelijk en Christelijk gevoel altijd, betreuren, dat er eenige vervolging heeft plaats gehad — het gezond verstand moet toestemmen, dat de strengheid hoog noodig is geweest, en dat er van den schrik voor Spanje en voor de pauselijke inquisitie, die eenmaal in ’t bloed was geslagen, wel niets anders te wachten was. Maar ik houd voor zeker, dat, indien strenge Calvinisten of zuivere Zwinglianen dezelfde communicatie hadden kunnen of willen houden met de uitheemsche machten en mogendheden, waartoe de vreemde ordebroeders en geestelijken in nauwe en onophoudelijke verbintenis stonden — dat de Staten tegen dezen dezelfde rigueur zouden geoefend hebben, waarmede zij toenmaals deze Roomschgezinden — maar toch niet het meest als Roomschgezinden — troffen. Bevestigt de strengheid tegen de remonstrantsche predikanten en hunne medestanders niet dit vermoeden? Vrijheid van consciëntie was gewaarborgd in den toenmaligen Nederlandschen Staat maar geene vrije exercitie van allerlei godsdienst. Die bekrompenheid oefende men, ik stem het toe; maar tusschen dit en den dwang der consciëtiën die men pleegde onder Filips II, is nog een hemelsbreed verschil. Niemand werd te vuur en te zwaard gedwongen tegen zijne overtuiging tot de belijdenis der Hervormden over te gaan. Hierin deden de regeerders van de zeventiende eeuw, wat de negentiende-eeuwsche Pater Ventura nu nóg predikt. Zij lieten de conciëntie vrij — maar achtten dat er geen andere godsdienst beschermd en gehandhaafd moest worden, dan die zij voor den waren hielden; mij dunkt, dat zij, hun tijd in aanmerking genomen, nog al niet heel achterlijk waren; doch men moet hun vergeven, dat ze wat bang waren geworden voor een kerkgenootschap, welks volkomene uitbreiding tot de Inquisitie kon heenvoeren, en van de laatste had men in de afgeloopen eeuw te veel geproefd, om niet een weinig ongerust te blijven — en als men de macht had, niet wat zwaar te drukken op hoofden en armen, waarvan het te duchten was, dat ze zich bewegen zouden om haar weer binnen te leiden.

Wij hebben in de novelle Van Cuijck de Inquisitie eene »vreeselijke nieuwigheid” genoemd; dat is alleen waar in zekeren zin. Zij is helaas! oud genoeg. Maar zij was eene nieuwigheid in onze provinciën op die schaal en in dien vorm, waaronder Filips II en zijne handlangers haar in werking brachten. Wat was dan toch die Inquisitie, dat zij de voorname oorzaak is geworden van den opstand tegen Spanje, en dat zij een schrik heeft gebracht in ’t hart der Nederlanders van de 16e eeuw, die na eeuwen tijds nog zit in het bloed hunner afstammelingen? Een onzer letteren geschiedkundigen (*) spreekt er van, naar aanleiding van Gerbrand Adriaanz. Bredero’s kluchten, wien hij zeker met alle recht de onzedelijkheid zijner voorstellingen verwijt, maar hij voegt er bij: »dit was in overeenstemming met den volksgeest, die vóór alles vrijheid wilde, en goed en bloed opofferde, onder anderen ook, om een einde aan de inquizitie, dat is: het onderzoek naar dwaling of vergrijp tegen den godsdienst (*) en de censuur, dat is: de veroordeeling van berispelijke lettervruchten, gemaakt te zien.” Op die wijze gezien, schijnt de zaak nogal zoo erg niet, maar de Heer A. T. is een volijverig Roomsch-Katholiek — zijne consciëntie zal op de punten van dwaling en vergrijp tegen dien godsdienst wel volkomen zuiver zijn, en dus beoordeelt hij van zijn standpunt zulk een onderzoek wat heel licht. Hooren wij dus ook een ander, wien niet als ons de schrik in het bloed zit, en die als vreemdeling boven de partijen kan staan. De Amerikaansche historieschrijver Mr. Lothrop Motley, die zich de smartelijke taak heeft getroost deze zaak diep te onderzoeken en er in ’t breede over uit te weiden, spreekt er dus van, na eerst van de instelling in Spanje gewag te hebben gemaakt:

»In course of time the jurisdiction of the office was extended. It taught the savages of India and America to shudder at the name of Christianity. The fear of its introduction froze the earlier heretics of Italy, France and Germany into orthodoxy. It was a court owning allegiance to no temporal authority, superior to all other tribunals. It was a bench of monks without appeal, having its familiars in every house, diving into the secrets of every fireside, judging, and executing its horrible decrees without responsibility. It condemned not deeds, but thoughts, It affected to descend into individual conscience, and to punish the crimes which it pretended to discover. Its process was reduced to an horrible simplicity. It arrested on suspision, tortured till confession and then punished by fire. Two witnesses and those to separate facts, were sufficient to consign the victim to a loathsome dungeon. Here he was sparingly supplied with feed, forbidden to speak or — even to singto which pastime it could hardly be thought he would feel much inclination (hier vergunne Mr. Lothrop Motley mij de opmerking, dat de zielstemming van sommigen dier gevangenen kon ondersteld worden te zijn eene hoog geestelijk geëxalteerde, die hun juist te midden van de bitterheid, die hun werd aangedaan, opgewektheid moest geven om in psalmen of geestelijke liederen hun gevoel uit te storten of van hun geloof te getuigen; dit te voorkomen lag, als vanzelve spreekt, in de bedoeling van ’t Heilig Ambt) — and then left to himself, till famine and misery should break his spirit. When that time was supposed to have arrived he was examined. Did he confess and forswear hls heresy, whether actual innocent or not, he might then assume the sacred shirt, and escape with confiscation of all his property. Did he persist in the avowal of his innocence, two witnesses sent him to the stake, one witness to the rack. He was informed of the testimony against him, but never confronted with the witness. The accuser might be his son, father or the wife of his bosom ( of een doodvijand) for all were enjoined under the death penalty, to inform the inquisitors of every suspicious word which might fall from their nearest relatives. The indictment being thus supported, the prisoner was tried by torture. The rack was the court of justice; the criminal’s only advocate was his fortitude, for the nominal counsellor, who was permitted no communication with the prisoner, and was furnished neither with documents nor with power to procure evidence, was a puppet, aggravating the lawlesness of the proceedings by the mockery of legal forms.” (*)

Volgt de beschrijving van de pijniging, die wij ons zelven en onzen lezeressen sparen — en waarvan Motley terecht zegt: »The inmagination sickens when striving to keep pace with these dreadful realities.” Maar wij weten genoeg om de vraag te opperen, of dit niet iets meer was dan censuur en onderzoek naar de kerkleer? en of dat onderzoek niet wat heel onzacht werd ingesteld, en de Nederlanders wel recht gaf om ongerust te worden over de toepassing? (*) Maar, zegt men, dit gold de Spaansche Inquisitie, en deze heeft toch nergens recht kunnen aarden dan op haar eigen bodem. Hetgeen intusschen den Koning van Spanje niet behoefde te weerhouden van proefnemingen, hoe zij op den Nederlandschen grond was over te planten. De Koning en Granvelle ontkennen dit voornemen — maar of er veel te vertrouwen is op de verzekeringen van die beiden als het Nederlanders, als het ketters gold? Ook hadden zij niet noodig dit te doen. Reeds had men in Nederland onder Karel V, van tijd tot tijd ervaring gehad, van hetgeen de bisschoppelijke en de pauselijke inquisitie wezen kon — ingeleid door de keizerlijke macht en gevolmachtigd door de keizerlijke edicten. Aan deze pauselijke en bisschoppelijke inquisitie nu, had Filips maar de volkomene uitbreiding te geven; waarvoor zij vatbaar was — en dit deed hij. Haar hoofden en handlangers werden volmachten verleend, die hen in hun werkkring al het gezag gaf van de Spaansche geloofsrechters, en dezelfde onafhankelijkheid van iedere andere geestelijke en wereldlijke rechtbank, hetzelfde recht om de uitvoerende macht van welken rang ook tot hare dienares te maken; de harde edicten door den Keizer uitgevaardigd — doch te diens tijde alleen slapjes gehandhaafd — zoo al niet geheel in onbruik geraakt, werden door hem opgefrischt, verscherpt en de uitvoering er van met allen aandrang bevolen.

Deze edicten nu, hoewel naar Nederlandsch costuum ingekleed, waren in afkomst en geest zoo na verwant aan de Spaansche Inquisitie, dat de Koning zelf op eene vraag van Margaretha van Parma met voldoening antwoorden kon »Waartoe de Spaansche Inquisitie in te voeren? de Inquisitie in de Nederlanden is onbarmhartiger dan die in Spanje.” (d’ailleurs l’Inquisition des PayBas est plus impitoyable que celle d’ Espagne.)

Na zulk getuigenis hebben wij er niets meer bij te voegen; maar het zal genoeg zijn om te doen opmerken, dat de Nederlanders der 16e eeuw door iets anders in beweging waren gebracht, dan door de zucht naar losbandige vrijheid. Die dus oordeelen, zien even onjuist, hoewel op andere wijze, als de Kardinaal GranveIle, die beweerde »dat de »Groote Heeren” de eenige oorzaak waren van de volksbeweging tegen Spanje! en dat het volk geen mond zou hebben opengedaan als de edelen niet zulk misbaar hadden gemaakt. Lothrop Motley noemt den Kardinaal ridiculous, om die bewering, er bijvoegende (zonder de verdiensten en de noodzakelijke medewerking van den hoogen adel te kort te doen), dat integendeel de beweging tot eene groote en belangrijke omkeering is geworden, omdat zij in het volk hare oorzaak had: »because the movement was a popular and a religious,” en ik kon niet nalaten, dit lezende, te denken aan hen, die in onze dagen met zooveel diepe minachtig neerzien op de Aprilbeweging en hare oorzaken. Voor hen ook, al noemen zij zich republikeinsch van richting, is het volk niets dan een »vile and mischievous animal,” dat zelfs voor de naaste en hoogste belangen niets weet te gevoelen noch te begrijpen, en dat door heerschzuchtige aristocraten of doordrijvende dominés, moet worden omgekocht of aangehitst, om zich in beweging te stellen. Het is verre, verre van mij eenige gelijkstelling te bedoelen tusschen de groote, volhardende, bezielde beweging der Nederlanders van de 16e eeuw, en de demonstratie in de onze; maar zoo weinig de omstandigheden te vergelijken zijn, zóó gelijk was het beginsel — en al waren het nu slechts vonken van ’t geen toenmaals heldere, krachtige gloed was, toch behoort men dat beginsel te eeren, en het »ridiculous,” aan Granvelle gewijd, valt, naar mijn gevoelen, een weinig terug op hen, die uit een zelfde dédain niet beter willen zien dan hij.

Op Des Konings vriend is mij niet bewust dat de critiek aanmerking heeft gemaakt, dat ik zou behoeven te releveeren of te wederleggen. Hij heeft gratie gevonden zelfs in de oogen van hen, die om redenen, boven vermeld, de Van Beverens en Van Cuyck niet konden uitstaan, dezen hebben hem echter uit aanzien van die verwantschap ter zijde gelaten, zonder van de goedkeuring openlijk te betuigen. Over ’t algemeen is hij niet bemind geworden zooals hij ook niet verdient — maar begrepen en beklaagd — en dat is alles wat ik voor hem en voor mij kon wenschen. Zijn zielstoestand, zoowel als zijne huiselijke betrekkingen rusten meer op een psychologisch en dan op een historischen grond — zijne fortuin en uiterlijke gedragingen zijn niet van mijne vinding. Hij droeg in 1588 den titel van Vicomte de Dormaele, en had de functiën van Thésaurier des domaines de Sa Majesté Surintendant et Commissaire Général des Vivres du Camp. Conseiller d’éat. Tot zulken eeretitel en eereambten kwam een geboren Hollander niet in zoo korten tijd onder het toenmalige Spaansche gouvernement, zonder zich hoogst verdienstelijk te hebben gemaakt. En wat verdienste was bij Filips en zijne landvoogden, weet men.

Op De Haarlemsche Arria vestig ik alleen de opmerkzaamheid om mijn lezers te doen zien, dat zij eene uiting is van denzelfden geest, die mij later de Van Beverens heeft ingegeven, en dat er geene volksbeweging noodig was, om mij in protestantschen en vaderlandschen zin te doen schrijven.

Van Hemert is eene schets uit het midden mijner Leycester-studiën gegrepen, die ik gaarne vollediger en uitvoeriger had gemaakt. De stof er toe was ruim en rijk voorhanden in het merkwaardig proces van dezen bevelhebber en zijne kapiteinen — doch de plaats, die ik mocht innemen, was even beperkt als mijn tijd, en ik zou liever op het sujet een nieuwen roman schrijven, dan eene oude schets om te werken.

Over Een Alkmaarder te Praag heb ik kort geleden een bericht opgevangen uit den Kunst- en Letterbode, dat ik mijn lezers niet wil onthouden. In het eigenhandig dagboek van zekeren Hans Jacob Wurmoser von Vendenheym, die Lodewijk Frederik Hertog van Wurtemburg Mumpelgard op een gezantschap naar Engeland vergezelde, wordt gelezen onder dagteekening van den 1en Mei: »S. E. alla au parc d.Elthon (Bitham) pour voir La Perpetuum Mobile. L’inventeur s’ appelle Cornelius Trebel ( Drebbel) natif tf Alkmaar, homme fort blond et beau, et d’une tres-douce façon, tout au contraire des esprits de la sorte. Nous y vismes aussy des Espinnettes, qui jouent d’elle mesmes. De Letterbode vervolgt: »Het Engelsche blad vermeldt daarbij Drebbels werk: de quintessentia, et epistola ad Jacobum Regum de perpetui mobilis inventione, in 1621 uitgegeven, dat echter in geene openbare bibliotheek te vinden is. — Het hier bedoelde werk schijnt ook in geene Nederlandsche openbare bibliotheek aanwezig te zijn.” Wie er naar zoeken of groote begeerte hebben het te vinden, zou men misschien moeten raden om eens rond te zien in eene of andere boekerij te Weenen of te Praag. Van heeler harte aan den Roomschen Keizer verbonden (die reeds in 1621, zooals bekend is, den armen Winter-Koning had verwonnen), voormalig leermeester van diens zoons, zou het niet onnatuurlijk zijn zoo Drebbel aan dezen een exemplaar van een werk had aangeboden dat in dien tijd zeker grootere belangrijkheid zal gewekt hebben, dan in den onzen; — den volledigen Latijnschen titel kan men nazien in den Letterbode van 14 Maart 1857, No. 11.

Volgens Dr. G. D. J. Schotel is men verplicht den geslachtsnaam onzer beroemde jonkvrouwe: Anna Maria van Schurman te schrijven, en niet Schuurman of Schuurmans, zooals men haar meestal hoort noemen, en zooals ik in de vroegere uitgaaf had geschreven. Ik heb in dezen herdruk van mijne schets zijne aanwijzing gevolgd. Men raadplege zelf het uitvoerig werk van den Tilburgschen geschiedvorscher, over Anna Maria van Schurman, zoo men verlangt kennis te nemen van zijne gronden voor deze spelling. Men zal in dat werk tevens vinden, wat mijne voorstelling niet geven kon, noch omvatten mocht; ik vond er in, de vervulling van mijn wensch: onze onvergelijkelijke landgenoote opnieuw tot het voorwerp gemaakt te zien van een billijk en nauwkeurig onderzoek, en begrepen en gewaardeerd in datgene, wat voor haar zelve het hoogste is geweest, en waarbij zij al het vele, dat zij boven anderen bezeten had, gering achtte. Ook getuigt hij van haar: »dat zij gestorven is niet, zooals velen willen, in eenzaamheid, op haren ziekenstoel gezeten, als verlaten van God, in vertwijfeling en wanhoop; maar omringd door hare geestelijke broeders en zusters, kalm en gelaten, vast verzekerd van hare zaligheid.” En zij kon op haar sterfbed de vraag der haren, of zij iets begeerde, uit de diepte van haar hart beantwoorden: »Ik verlang niets dan mijn God zelven!”

Wat zegt het haar en ons, die haar liefhebben, na zulk een einde — dat het nageslacht niet eens volkomen zeker is omtrent het plekje, waar haar aardsch omhulsel rust, en dat geen monument of standbeeld — de manie onzer eeuw — hare grafzerk pralend versiert?


Ingezonden op: 19 July 2001