EEN ALKMAARDER TE PRAAG


II.

Wij vliegen a vol de plume over een tijdsverloop van twee-en-twintig jaren heen, en wij voeren u naar Praag, in 1620; dat enkele jaartal zegt u meer van hetgeen er op dat oogenblik te Praag omging, dan vele pagina’s dicht volgeschreven het zouden doen, als men dit jaartal niet wist. Men denkt zich nu terstond in de hitte van den Boheemschen religiekrijg; men ziet ter eener zijde de Unie der Duitsche Protestantsche vorsten, met den zwakken en ijdelen Frederik V als onwaardig hoofd eener waardige zaak. Men ziet ten andere de ligue der Katholieke vorsten met den nieuwelings gekroonden keizer aan het hoofd en den aartshertog Maximiliaan aan zijne zijde; men voelt zich te midden van de ijselijke worsteling om eene kroon, die heerschzucht en geloofshaat tot prikkels, geloofsijver tot voorwendsel had; men denkt hoe het altijd in en om Praag was, dat de grootste uitkomsten van dien krijg werden beslist, en men weet, dat in 1620 Frederik V na een bloedigen krijgstocht, het eerst als overwinnaar binnen Praag trok, nadat hij door zijne partij als Koning van Bohemen was erkend geworden. Van de zwakke zielen weet men het, dat zij wreed zijn, als zij eens tot gewelddadigheid zijn aangehitst. De vrome Keurvorst van den Paltz leefde als Koning van Bohemen zoo onbarmhartig met de nieuwe onderdanen die zijne vijanden waren geweest, als had hij te Heidelberg nooit een woord van de Christenwet kunnen hooren. Hij had geene genade, geene menschelijkheid zelfs voor wie hij aan den Keizer getrouw achtte. Berooving van goederen, gevangenis, doodstraf, alles dreigde en voltrok hij aan Ferdinands getrouwen (»overmits het er doen wat scherpjes uitliep,” zegt mijn naďeve kroniekschrijver, nogal een vergoelijkend optimist tegenover de ongeregeldheden en de gewelddadigheden van den krijg.)

Het bloedend, het uitgeplunderd Praag lag, om het zoo eens uit te drukken, zieltogend aan de voeten van den overwinnaar, die geen voornemen had van mededoogen. Er zijn zoo enkele steden die als voorbeschikt zijn bij politieke rampen altijd het zwaarste deel te dragen, en onder alle is Praag altijd de vreeselijke schouwplaats geweest van hemelsche en aardsche strafgerichten, om van pest en watervloeden niet te spreken. Hoeveel malen is Praag wel niet de prooi geweest van allerlei soort van overwinnaars, Turken, Hussieten, Oostenrijkers, Duitsche Boeren, Hongaarsche Edelen, Protestanten, Bondgenooten en Katholieke Ligueurs, Zweden, Franschen, — wie al zijn er niet geweest, wie al hebben er geen bloed vergoten, geen goud geroofd, geene kunstschatten verwoest, geene stroomen van tranen ontlokt. aan de droeve bewoners van de grijze Moldau-stad! Het standbeeld van den H. Nepomuk zelf, zoo het gevoelen kon, zou zich tot water hebben geschreid over het lot van eene bevolking in wier midden hij den marteldood onderging. Maar sinds dat verre verleden, tot op het nog doorleefde tegenwoordig, zou er wel een menschelijke jammer te lijden zijn geweest die in Praag niet geleden is? En toch wie zal zeggen: dat daar meer schuldigen zijn geweest onder wie geleden hebben, dan elders? Wie zal oordeelen? Beklagen wij hen veel liever; maar toch, wij hebben op dit oogenblik ons medelijden anders te gebruiken, dan aan wezens wier namen zelfs ons vreemd zijn; onze Alkmaarder is te Praag, onze beroemde Cornelis Drebbel, en hij is er niet een van de minst bedreigden. Zijne reize naar Engeland had hem goede vrucht gebracht, eene zulke vrucht als hij er wellicht onbestemd van wachtte. Hij had er bekendheid gewonnen voor zijn naam en gunst van vorsten, en bet oog van Europa’s geleerden op zich gevestigd. Uit Alkmaar ware in die tijden zijn naam niet tot Keizer Matthias en Koning Ferdinand doorgedrongen, van uit Engeland ging zijne faam snel en vaardig derwaarts heen; hij werd uitgelokt Duitschland te bezoeken; hij kwam te Weenen; hij beantwoordde aan de verwachting die men van hem had; de keizerlijke Koning van Bohemen nam hem tot opvoeder van zijn zoon, en gaf hem den titel van keizerlijk raadsheer, titels die geene simpele eereambten waren, als men denken kan, en die bij hetgeen nog zijn verder werken en streven hem aanbracht, zijne fortuin tot eene hoogte voerden, die als eene vorstelijke gelden mocht. En werkelijk de geleerden waren toenmaals vorsten, als wij het ontzag en het eerbiedig opzien indenken dat men voor hen had; alles het natuurlijke gevolg van de mindere algemeenheid der kennis die zij bezaten, van de onbekendheid met de oorzaken en de uitkomsten hunner wetenschap, en vooral van, het min bereikbare van dit alles voor iedereen. Het is waar, somtijds mengde het bijgeloof zich daaronder, en als ’t ontzag dan overwonnen werd door vromen afschuw, verbrandde men hier en daar een geleerde of natuurkundige als toovenaar… Maar de gevallen zijn zeldzaam, in vergelijking ten minste van de tallooze jammeren, waaronder in onze eeuw eene schaar van menschen zonder ander vermogen dan intellectueele kennis het leven hebben voortgesleept of geëindigd. Voorwaar het is waar als Nodier zegt: »voor dezen althans is de algemeenheid der beschaving geene groote winst…”

Drebbel nu had daarvan nog geen last. Twee dagen voor de inname van Praag bewoonde hij een der prachtigste huizen der Boheemsche hoofdstad. wij moeten hem daar even zien in vollen glans van rang en rijkdom. Hij is nu acht-en-veertig jaar geworden; de krachtige jongeling is tot een forschen man gerijpt, en reizen, lotgevallen, wisseling van klimaat en van toestand, omgang met personen van allerlei rang en karakter, van velerlei kunde en veelzijdige beschaving, hebben hem werkelijk alles gegeven wat hij zich wenschte en nog noodig had tot zijne vorming, levenservaring en menschenkennis. De veelbelovende jonge geleerde is de man geworden, die woord kon houden aan iedere belofte; te midden van al de angsten en spanning, al het gejoel en rumoer of de doodsche stilte der bange verwachting die er heerscht in de bedreigde stad, zit hij rustig in zijn studeervertrek, niet uit zelfzucht, als een die zonder vreeze is voor zich zelven, maar omdat zijne hulp, zijn raad, zijne deelneming door allen juist daar gewoonlijk gezocht werd, en dus, zoo hij er zich bevond, ook het eerst kon gevonden worden. Zijne studeercel is ruim en in tweeën afgedeeld; het eene gedeelte bevat alles wat men sinds lange kent als de vereischte omringing van een geleerde en physicus dier eeuw; het andere, door een prachtig scherm van hongaarsch goudleder er van gescheiden, is meer bepaald tot schrijfvertrek ingericht; het is daar dat wij Drebbel vinden, in een gemakkelijken kamerpels gewikkeld, den lederen armstoel dicht bij den verwarmenden oven geschoven, want men weet, het was winter toen Frederik V Praag binnentrok.

Onze geleerde schijnt ernstig verdiept in eenige berekeningen die hij maakte; doch nu wordt hij op eens gestoord door iemand die binnentreedt, hoewel met behoedzaamheid. Die persoon is ook een oude bekende van ons, namelijk de knaap Gijsbert Annes, maar die nu ook reeds een man van twee-en-dertig jaar is geworden. De oogenkuur schijnt de meest wenschelijke uitkomst gehad te hebben, althans hij ziet zijn meester aan met een paar glas-heldere kijkers van het meest frissche, meest klare blauw dat er te denken is. Hij heeft zijn Heer niet meer verlaten sinds hij hem naar Engeland mocht volgen, en hij ook heeft met diens omgang en van de voordeelen, die er uit het verblijf in den vreemde te trekken zijn, goede winst gedaan. De Alkmaarsche wees is ook niet meer de onwetende knaap, maar een dienaar zijn meester waardig, en die zelfs tusschen het publiek en dien meester eene vrij beduidende rol speelt. Zijne kleeding is gevenredigd aan den rang en de fortuin van zijn Heer; en Gijsbert is volstrekt niet iemand, die door onachtzaamheid op dit punt de eer van zijn meester te kort zal doen; integendeel, zoo wij eene aanmerking durfden maken op zijn voorkomen, zoude het die zijn, dat hij zich met wat overdreven praal schijnt uit te monsteren. Hij heeft het Boheemsche kostuum aangenomen, en hij schijnt al de bontvervige tinten die het toelaat, in vreedzame vereeniging samengevat te hebben. Zijn wambuis is van schitterend rood, gesierd met geel zijden vangsnoeren, die in zilveren nestels eindigen; een smal grijs bont omzoomt het, en de donkerblauwe pantalon, met ronde omboorde zakgaten en aan de zijnaden met blinkend geel belegsel gesierd, steekt in rood marokijnen laarzen, met witte lammerwol gevoerd en geboord; den hals draagt hij ontbloot, met een smal omgeslagen kraagje; een kort gekromd mes of koerde in eene schede van robbevel met zilver gevest en keten hangt hem in den veelvervigen gordel. Zijne goudblonde Noord-Hollandsche haren worden gedekt door de sierlijkste Boheemsche muts, die er ooit op een hoofd werd gedragen; nu echter heeft hij dien hoffelijk in de hand, want hij spreekt tot zijn meester:

»Ik moet u wel storen in uwe studie… Mijnheer… daar buiten in het voorportaal en in de kameren is eene menigte van luiden, die in deze bedrukte tijden toevlucht komen zoeken bij u, hebbende zonderling groot vertrouwen in uwe wijsheid, niet min dan of ge profeet of wonderdoener waart…”

»Zeg liever of ik toovenaar ware, want daarvoor toch houden zij mij in ’t heimelijk!” hernam Drebbel, het hoofd schuddende; terwijl hij lei en griffel nederlegde; doch ziet gij, indien dit hun zulk vertrouwen geeft, dat zij tot mij komen om de hulpe en raad die ’t in mijne macht zijn hun te geven, zoo getroost ik mij die duistre faam; — de Heere God kent mij beter dan menschen, en weet dat ik nooit geheime of verboden kunsten, bezweringen, aanroepingen des Duivels, of wat ook, gebruik bij mijne proefnemingen, maar dat het alles zuiverlijk is gegrond op de berekeningen der wetenschap en op de grondige kennis der hoofdstoffen en der natuurlijke proprieteiten der dingen…”

Dit sprak Drebbel meer in zich zelven dan tot Gijsbert; nu echter dezen aanziende, zei de hij:

»Laat de aanzienlijken hier binnen, dat zij wachten; ik ga zelf tot de andere… Wat zouden zij van mij hopen, Gijsbert?… dat ik de zaken tusschen den Keizer en den Paltzgraaf bij minnelijk akkoord zou weten te schikken… dat ik Praag zou mogen verlossen van de ellende des oorlogs, nog voor den tijd?…”

»Ik twijfel of zij zoo hooge verwachtingen durven voeden; alleen dit is zeker, dat men aan uwe rust meenen zou, gij waart volko. men verzekerd van uitredding.”

»Uitredding! voor de bedrukte stad! dat ware het beste luk van mijn veelgezegend leven, Gijsbert!” hernam Drebbel met vuur. »Had de Keizer bij den aanvang naar mijnen raad gehoord, wellicht…”

»Ik bedoelde uitredding voor u zelven, Heer!” sprak Gijsbert.

»Schaam u de gedachte, Gijsbert. Behoud voor mij alleen! en ik zou daar rust bij hebben?”

»Ik althans, Heer! maar ik weet wel dat het niet zoo is; alleen gij leeft in rust alsof het zoo ware.”

»Gij weet beter dan iemand hoe weinig er aan is, en hoe ik integendeel nevens allen, die men kent voor oprecht getrouw aan den Keizer gehecht, grooter gevaar loop van hard gehandeld te worden dan iemand, zoo de Paltzgraaf hier meester wordt.”

»Lacy! mijn goede Heer! dit is ’t juist wat ik vrees, en dat maakt, dat ik geene ruste zal hebben voor gij u daartegen hebt geveiligd.”

»Ik mij daartegen veiligen, hoe zou ik dat kunnen?” vroeg Drebbel verwonderd.

Gijsberts oogen schitterden. »Het middel is gevonden, het biedt zich gereedelijk aan. Onder hen die wachten, is de man dien gij hebben moet.”

»Welken man dan toch, wat meent gij?”

»De geheimschrijver van den Graaf Schwarzheim, wiens Heer mede in ’t leger van den Paltzgraaf is, en die welhaast als overwinnaar hier binnen zal trekken.”

»Hij is er nog niet in, Gijsbert.”

»Neen! maar iedereen zegt hier, dat het wellicht geen drie dagen zal duren…”

»Kleinmoedigheid ziet zoo kort!”

»En al te koele overmoed ziet ganschelijk niets, Heer!”

Drebbel, de uitvinder van een instrument, waarmede men alle hemelsche lichamen kan zien en onderkennen,” glimlachte op deze woorden.

»Ja gewis, door uwe hooge konste ziet gij ver en veel boven alle andere menschen: maar diezelfde verdieptheid in de hooge wetenschap maakt dat gij nauw bemerkt wat om en rond u voorvalt!”

»Ei, zie toch! gij vertoont mij daar als een suffenden boekgeleerde, gelijk mijn goede vriend Gerrit Pieters Schagen geworden is, naar de roep gaat.”

»Daaraan zoude ik ongelijk hebben; maar toch… Heer gij weet niet, hoe het er in de stad uitziet, en hoe er zulke neerslachtige moedeloosheid heerscht, dat men zelfs de armen niet opheft om te bidden, laat staan om te strijden.”

»Dan moet er een Aäron zijn, die de armen steunt van onze wankelende Mozessen. Ik wil trachten die voor hen te zijn; ik zal mij onder hen begeven.”

»Begeef u veeleer tot den secretaris van den Graaf, die tot u komt met een goed voorstel.”

»Gij kent het dus, dat gij het goed prijst?”

»Hij heeft het mij medegedeeld, in hope ik zoude Uwe Edelheid daarvoor gunstiglijk stemmen, aleer hij zich voor u vertoonde.”

»Nu, zeg gij het mij dan, ik hoor liever u dan de tegenstanders van mijn Keizer.”

»De Graaf van Schwarzheim laat u het voorstel doen uw huis aan hem af te staan voor de som van 11,000 gulden.”

»Eilieve! ’t is meer dan 20,000 waard!… maar hij heeft gelijk; in tijden als deze gelden zulke waarden niet, want de oorlog beschaamt alle rekenkonst.”

»Daarna nog biedt zich de Graaf tot de overname van alle huisraad, zilvergeschir, sieraden, zaken van konst als anderszins, waarvan gij u te dezer dagen moeielijk kunt ontdoen en die niet wel vervoerbaar mogen zijn.”

»Ei zoo! de Graaf denkt er dus op mij ganschelijk te plunderen en te ontzetten uit al mijn goed?”

»De Graaf weet dat er kans is dat anderen zulks doen, en om het te voorkomen, wil hij u de hand reiken; hij biedt aan er u den prijs voor te geven, dien gij zelf stellen zult.”

»De Graaf is edelmoedig,” hernam Drebbel met bitteren glimlach.

»Certein, Heer! ja, dat is hij, want morgen of overmorgen wellicht gewordt hem dat alles door gunst van het ootlogslot of door gunst van den Paltzgraaf… ik oordeele, gij neemt doch aan,” ging hij voort, met zekere onrust.

»Dan oordeelt gij gansch verkeerd, mijn goede Gijsbert; ik kan dat niet aannemen.”

»Gij kunt toch de onderhandeling aanvangen; wellicht heeft meester Gunther geheime ordre van zijn Heer om tot hooger bod te komen.”

»De prijs is mij hoog genoeg; ware ’t anders niet, de Graaf kon zijn zin krijgen… ik ben noch dus onwijs, noch dus vastgehecht aan dit wereldsche goed, om er niet tijdig afstand van te kunnen doen tot lichte schade, waar ik later wellicht met geheel verlies wordt bedreigd; dan, er is eene maar.”

»Ik rade uwe zorge, Heer! daarin is voorzien… Gij oordeelt dat gij Praag moet verlaten, zoo gij huis en goed hebt overgedaan; zoo moet het ook zijn, en dat juist is voor uwe rust; de Graaf biedt nog boven alles vrijgeleide in ’t leger van den Paltzgraaf, dien zij Koning noemen, en de beste ontvangst bij dezen zoo gij tot hem komt.”

»Dit giste ik en daar wachtte ik ze. Maar gij ziet dus, Gijsbert, dat ik die niet kan aannemen.”

»Mijn grootste heil en wensch is dat gij ’t doen zult; ik had dan ge ene zorg meer voor uw goed en huis, leven en fortuin.”

En voor mijne eere, Gijsbert, voor mijne consciëntie, voor mijn goeden roep van de deugd der trouwen der dankbaarheid: of hadt en hebt gij dáár dan gansch geene zorge voor, Gijsbert?” vroeg Drebbel, met straffen ernst op hem ziende.

Gijsbert werd verlegen en verward onder dien blik; er welden tranen op in zijn helder oog, maar hij zweeg.

»’t Is immers zoo goed als overloopen, als een verraad tegen den Keizer, mijn Heer en hoogen weldoener, dat men hiermede van mij vordert. Kan ik eerlijk man blijven en dezen dus verlaten, gesteld mijn gemoed was koud en eigenbatig genoeg het te kunnen!”

»Maar, Heer! ach, mijn waarde Meester! het geldt hier niet enkel uw goed… het geldt zekerlijk uwe vrijheid, uw leven,” stamelde Gijsbert met weifelende stem.

»Moet ik dat dan liever hebben dan plicht, dan trouw aan mijn weldoener?… wijs het oordeel hier zelf, Gijsbert, zoudt gij het uwe kiezen ten koste van zulk en prijs, ten koste van ontrouw jegens mij?”

Gijsbert zweeg altijd, maar de tranen vielen nu onweerhouden neder…

»Kunt gij mij die keuze ernstelijk raden, Gijsbert! na de lessen die ik u doorgaand gegeven heb van noodwendige oefening der plichten!… na alles wat gij nu hebt begrepen van de waardij van Christendeugd? Antwoord,” herhaalde Drebbel streng, want zelfs de aarzeling op dit punt was hem tegen.

»Ik weet alleen dit, dat mijns Heeren en weldoeners leven mij lief is en liever dan alles,” riep de jonge man hartstochtelijk en viel aan zijne voeten, zijne handen kussende, onder tranen en dringende smeekingen.

Als men uit de vastheid van Drebbels karakter denken kon, zij, baatten niets, en de meester nu werd ernstig ontevreden tegen den dienaar, in wiens verfijnd eergevoel hij zich dus had vergist. Ten laatste zeide hij hem met strengheid:

»Sta op, Gijsbert! en zeg dien meester Gunther, den geheimschrijver, dat hij van hier ga, dat ik een voorstel zoo onwaardig. niet eens in overweging zal nemen.”

»Ai mijn goede Meester, overweeg nog eerst dit; door uw hierblijven is deze zaak voor den Keizer niet meer te redden. door uw gaan…”

»Doe ik nogal de schande die een slecht voorbeeld op zwakke lieden werken kan. Zwijg, Gijsbert! en gehoorzaam haastig, gij verwekt mij tot toorn.”

»Veel liever draag ik dien, dan zulken last over te brengen” die mij uw ondergang schijnt,” hernam Gijsbert met eene zonderlinge uitdrukking in het gelaat, terwijl hij opstond. »Bedenk u op wat anders, Mijnheer! dezen last breng ik niet over.”

»Zoo laat het en ga, het was mijn laatste bevel,” hernam Drebbel verrast en toornig door dien hardnekkigen wederstand.

Gijsbert was doodsbleek geworden, hij drukte de lippen samen, als weerhield hij met moeite zijn antwoord.

»Is dit… mijn afscheid?” vroeg hij, met eene poging om iets uittartends in de stem te leggen, dat toch eigenlijk op een trillenden toon neerkwam.

»Als gij ’t zoo nemen wilt, ja!” sprak Drebbel hard, terwijl hij, hem aanzag als geloofde hij zelf niet wat hij hoorde.

En Gijsbert hief de oogen niet naar hem op, maar knielde neder en drukte nog eens met onstuimigheid de hand zijns meesters aan zijne lippen, hoewel deze hem afweerde, en ijlde toen voort, bijna als een ijlhoofdige die voortliep in koortshitte.

Drebbel zag hem na met smartelijken blik; ook zijn oog stond ietwat vochtig.

»Bemoei u dan het volk op te leiden tot hooger deugd en tot edele gevoelens,” sprak hij met wat bitterheid: «tot min grove zinnelijkheid en zelfzucht; het verbreekt bij de eerste klem het fijne weefsel, al rukt het meteen de draden der dankbaarheid in stuk.” Hij peinsde ene wijle zuchtend; daarna opstaande, sprak hij: »Zoo moet ik zelf die boodschap overbrengen.”

Naar deel 3.


Ingezonden op: 19 July 2001