EEN ALKMAARDER TE PRAAG.


III.

Zooals Gijsbert voorspeld had, waren er geene drie dagen verloopen, of Praag was van meester verwisseld en nu in handen van den Paltzgraaf.Koning.

De eerste roes van de zegepraal, de eerste hitte der wraakneming was nu voorbij, en alles keerde langzamerhand tot de orde weder, zoo niet tot de rust. Frederiks vijanden binnen de stad waren gedood, gevangen of tot volstrekte onmacht neergedrukt! zijne vrienden en getrouwen beloond met de prijsgemaakte schatten. Of juist de Graaf van Schwarzheim in het bezit was gekomen van Drebbels huis en kunstschatten, kunnen wij nu nog niet zeggen, maar Drebbel zelf was van het genot er van beroofd voor altoos; een diepe duistere kerker had zich over hem gesloten, waar hij te ieder stond den dood wachtte, die nu te langzaam kwam naar zijn oordeel, omdat de voorstellingen van de gedaante, waaronder deze zich aan hem vertoonen zou, hem wellicht vreeselijker zielsangsten te lijden gaven dan een barmhartige bijlslag, die snel en zeker het hoofd van het lichaam scheidde. Men gebruikte toen doorgaans meer langzaamheid en meer verfijning van wreedheid bij die gevangenen, die men niet in de hitte van den eersten wraaklust had vermoord! en niets waarborgde Drebbel, dat hij met een der gespaarden was met zulk doel; de behandeling die hem in zijn kerker werd aangedaan, bewees hem althans geene verschooning; wellicht ook hoorde hij tot hen die vergeten bleven in zijn kerker, en dat wees toch eene toekomst aan zoo rampzalig en zoozeer verwijderd van allen troost en alle hoop, dat zelfs een marteldood nog verkieslijk kon zijn tegenover zulk een onafzienbaar verschiet van lijden, Arme Drebbel! en dit verschiet scheen toch het zijne, toen de eerste weken verliepen, en niets, niets op verandering in zijn toestand, op eenig einde scheen te duiden. Zeker heeft hij toen wel eens met pijnlijk terugzien gedacht aan zijn vriend van Schagen, die te Alkmaar teruggebleven was, en daarmede in het rustig bezit van vrijheid, van licht, van boeken, van gelegenheid tot werken, tot onderzoek, tot voortgang, tot roem, a1 hetwelk hij zelf verloren had als hij een kwijnenden dood onderJ ging, vergeten in een kerker te Praag. En den eenigen landgenoot, den beweldadigen dienaar, die nu met hem had kunnen zijn, die hem trouw had moeten blijven, had hij van zich gedreven… of liever de zekerheid van zijn ongeluk was voor dezen het sein tot verlaten geweest, Gijsbert had niets van zich laten hooren.

Men begrijpt hoeveel dat toevoegde aan het lijden van onzen gevangene.

Intusschen was de fiere Elisabeth Stuart, dochter van Jacobus van Engeland en gemalin van Koning Frederik, trotsch op haar geluk en op haar nieuwen rang, naar Praag gekomen en had er haar zegevierenden intocht gehouden. Gebiedende vrouw van den zwakken gemaal, had zij zelve hem aangevuurd naar eene kroon te dingen, die voor zijn hoofd te zwaar, voor haar voorhoofd een passend sieraad scheen. Zij zat nu in haar slaapsalet en liet zich de prachtige haarvlechten met paarlen omwinden.

Eene der vlugge en bevallige jonkvrouwen die tot die eervolle taak was geroepen, scheen bijzonder in het welgevallen der Koningin te deelen, die voor haar zachte glimlachjes had en woorden van vertrouwelijke gemeenzaamheid, en meestal bij uitsluiting zich tot haar wendde. Die voorliefde was niet vreemd; Mary was een zacht en beminnelijk kind, maar zij was ook de eenige landgenoote der Koningin, die haar uit Engeland had mogen volgen en bijblijven voor altijd; met haar sprak zij de geliefde moedertaal, zij was haar als eene levende herinnering aan het Vaderland, en zoo gelukkig maakt de heerschappij over vreemde onderdanen nooit eenige Koningin, dat zij niet veelmalen met een blik van weemoed, met een zucht van verlangen terugziet of zich terugwenscht aan het vaderlijke hof. Maar de gunstelinge scheen niet zoo gelukkig en niet zoo blijmoedig, als de geheime benijding der anderen haar zeker geloofde. Het was haar aan te zien dat zij leed en dat zij slechts ten halve het hoofd had bij hetgeen de hofplicht haar oplegde.

De Koningin scheen het op te merken, en zij zelve ook was niet opgeruimd. Somwijlen zuchtte zij, somwijlen betrok zich haar hoog en edel voorhoofd, als onder de aanraking van eene sombere gedachte. Was het voorgevoel van haar volgend lot, was het twijfel of de weg, dien zij haar gemaal had ingevoerd, een goede — was; — was het iets als teleurstelling bij het bezit van eene macht waarnaar zij met al te veel drift had gejaagd? Licht valt hier het gissen, moeielijk het raden; zeker alleen is dat Elisabeth, toen haar kapsel was voltooid, al hare vrouwen wegzond en alleen Mary bij zich hield, terwijl zij zeide:

»Gij zijt niet vroolijk, mijn kind! gij past dus beter bij mij dan die koele blijde gezichten die altijd glimlachjes gereed hebben, Ook ik ben ontstemd, en schoon ik zelve de reden niet ken, komt er iets van de bedruktheid der overwonnenen tot mij… ik weet het niet, maar ik vind het somber te Praag.”

»Ik voor mij ben nooit in eene stad geweest, waar het mij dus bang te moede was,” zeide het meisje.

»Ziet gij, ik geloof dat het dit is: nu al mijne wenschen voldaan konden worden, weet ik er niet één uit te denken, die mij iets anders dan het gewone, dan het gekende zou aanbrengen. En gij?”

»O! ik… ik…” hernam Mary en scheen willens terstond met gulheid uit te spreken wat haar op het hart lag, maar op eens hield zij zich terug, bedacht zich even en zeide toen, als dacht zij slechts over de woorden harer meesteres: »En uwe Majesteit diende toch wel iets ongewoons, iets schitterends uit te vinden, dat alleen door vorstelijke macht kan worden daargesteld. Zoo iets alleen mag eene vorstelijke ziel voldoen.”

»Ik vinde niets; als Paltzgraaf weigerde mijn gemaal mij nooit iets; als Koning heeft hij mij nog geene gelegenheid gelaten hem iets te vragen; alles wat ik kon wenschen was vooruit geraden en voldaan, en juist dit geeft mij een onmetelijk ledig, dat ik door niets weet aan te vullen… Of ja,” hervatte zij met een glimlach die half schertsend was, half zwaarmoedig, en als tot zich zelve: »Gisteren heeft Frederik mij iets geweigerd… ik stelde mij vermaak voor van eene sledevaart over de Moldau, en men vreesde een snellen dooi… de Koning wilde niet dat, ik mij waagde. Kon men maar een dag vooruit verzekerd zijn van het weer!… ik dwong hem zijne vreeze te vergeten.”

Terwijl Elisabeth dus sprak, scheen Mary op een inval te komen, die haar zacht, droevig gelaat op eens kleurde en verhelderde.

»Zie nu, Mevrouwe,” riep zij, »dat treft goed, dien wensch van mijne Koningin kan ik voldoen.”

»Gij?” vroeg Elisabeth verwonderd.

»Ja, Mevrouwe! ik weet een man, en ik dacht juist aan hem, die in staat is de gesteldheid van het weer vele dagen vooruit te voorzien en desnoods zelfs hitte en koude te maken, naar hem verkiest.”

De Koningin verwoog even de fijne lippen tot een glimlach van minachting.

»Een kwakzalver, een wonderdoener! aan dezulken ontbreekt mij geloof.”

»Neen, die man verricht alles wat hij doet, door zekere natuurlijke konsten en door zonderling diepe kennis, die hij heeft van. de natuur en den aard aller dingen…”

»En gij kent dien man?”

»Ik niet, maar… indien Uwe Majesteit meer weten wil…”

»Nu dan?…”

»Zoo ken ik iemand, die veel van hem weet en die jarenlang met hem was.”

»Gij weet dus te zeggen waar die duizendkunstenaar te vinden is?”

»Die niets vuriger verlangt, dan hem bij Uwe Majesteit te brengen.”

»Die wensch kan voldaan worden, misschien kort het mij eene langwijlige ure…”

»De persoon wien ik bedoel, is bij den Graaf van Schwarzheim in dienst als wondarts,” hervatte Mary aarzelend.

»De Graaf is heden aan het hof, ik weet het,” sprak Elisabeth.

»En zijn lijfarts is met hem en wacht in uwe voorzaal,” hernam Mary levendig.

»Hij wacht?” vroeg Elisabeth bevreemd.

»Ja, Mevrouw! want hij had mijne hulp ingeroepen om tot u te komen; en ”ik had hem beloofd, indien het mogelijke ware, hem in dit uur aan mijne genadige meesteres voor te stellen.”

»Ga hem dan schielijk roepen.”

Mary liet zich, als men denken kan, een bevel niet herhalen, dat zij zelve had uitgelokt, en welhaast keerde zij terug met een jonkman in de deftige kleeding van een arts, die eenigszins naar het geestelijk gewaad zweemde; maar ondanks de stemmigheid van houding en gewaad herkennen wij onzen Gijsbert in den statigen Esculaap. Men denke echter niet, dat dit eene vermomming was om de vorstin te misleiden; verre van daar, onze Alkmaarder was werkelijk bij den Graaf van Schwarzheim tot zulke diensten als men te dien tijde van een wondarts vergde; men weet wel hoe licht het toen viel zich in dien stand door een schijn van kennis te handhaven, als men behendigheid bij wat ondervinding wist te paren. En onze goede vriend Gijsbert had bij zijn meester en in den omgang met diens vrienden werkelijk eenige kennis en ervaring verkregen in diens vak, die, gevoegd bij een goed geheugen dat hem het gebruik der kunsttermen gemakkelijk maakte, hem werkelijk tot geen ongeschikter, noch onhandiger arts maakte dan de meesten, die er zich toenmaals voor uitgaven. Minder kiesch dan zijn meester in het gebruiken van middelen, waar hij een goed doel bereikbaar achtte, had hij reeds vroeger de kennis en de vriendschap gezocht van meester Gunther, en toen hij Drebbel niet kon overhalen om het voorstel des Graven aan te nemen, had hij zich willens laten verdrijven om zich van een schijnbaren onwil tegen zijn meester verdienste te maken bij de tegenpartij, hetwelk hem volkomen gelukte. Een geneesmiddel, dat hij Gunther had gegeven tegen eene ondermijnende koorts, had bij geluk goede uitwerking gedaan, en van toen af viel het dezen licht zijn vriend bij den Graaf als wondarts aan te bevelen. Gijsbert hield zich alsof de behoefte aan zulke bescherming zijn eenige doel was, maar dit was hem slechts middel; voor zijn meester, voor zijn geliefden meester was het dat zijn dankbaar hart werken wilde en dat het bleef kloppen, en dat zijn vindingrijk vernuft vonden wist uit te denken, die al de kans van gelukken insloten. Had hij, de zwakke, geringe, niet kunnen verhinderen dat men zijn meester inkerkerde en van het zijne beroofde, hij wist toch een oog te houden op dien kerker zelven en wat er omging, als wij hooren zullen; en verre van met het weten tevreden te zijn, trachtte hij zich zelven in staat te stellen tot krachtige hulp door middel van bondgenooten. Het laatste had hij gezocht en gevonden in Mary, de Engelsche kamerjuffer en zoogzuster der Koningin, die hij eene wijle ijverig het hof had gemaakt, eerst door herinneringen uit haar vaderland, later door meer rechtstreeksche betuigingen aan haar persoon gericht; het lieve kind was onvatbaar noch ongevoelig voor het een en het ander, en zij nam het aan op eene wijze, die onzen Gijsbert welhaast aanmoedigde tot de vermetelheid om haar hart te vragen, dat hem uit aanzien van zijne groote heldere oogen, goed uiterlijk en niet ontbrekende proeven van waren moed en andere goede eigenschappen, met veet. oprechtheid geschonken werd.

Van toen aan geene geheimen meer tusschen de gelieven, van toen aan was ook Mary’s belangstelling gewonnen voor den onbekenden Hollandschen geleerde, die de weldoener was geweest van haar vriend; van toen aan wilde zij volgaarne met dezen medewerken tot zijne verlossing, en te eerder daar Gijsbert haar had te kennen gegeven, dat hij na dit goede werk der dankbaarheid zich zelven beloonen wilde met een volkomen geluk, dat hij, in Holland of in Engeland met haar wilde gaan genieten. Mary nu voelde zich niet gelukkig aan het hof sinds de oorlog was aangevangen; hare zachte ziel werd telkens te veel geschokt door hetgeen zij zag of hoorde van den strijd en de ellenden., die deze in een vreedzaam land aanbracht; en Mary had daarenboven zulk een hartstocht opgevat voor haar blonden Gijsbert, dat zij een meer benijdenswaardigen toestand dan den haren met vreugde zou hebben opgegeven, om het tijdstip te verhaasten,” waarop zij zich met hem vereenigen kon. Drebbels verlossing was dus de vurigste begeerte van het lieve kind. Maar hoewel hare meesteres haar liefhad en onderscheidde, de fiere vorstin. die bij wijlen zeer hoog en zeer koud kon de zijn als er van ernstige zaken sprake was, te naderen met het rechtstreeksch verzoek om uitredding voor een man, wiens enkele titel: raadsheer van Keizer Ferdinand, genoeg was om haar uitersten toorn, op te wekken, dit durfde de arme niet. Gijsbert zelf had het haar ontraden: eene mislukte poging van dien aard ware de aandacht brengen op hem, die voor het oogenblik ten minste, de veiligheid genoot der vergetelheid; hij zelf wilde zien wat hij door behendigheid vermocht bij de Vorstin, en hij verbood Mary Drebbel te noemen of voor hem te spreken, maar hij bad haar voor hem zelven de gelegenheid te vinden Elisabeth te naderen. Het ergste was dat de nood drong, want er zouden den volgenden dag eenige gevangenen worden terechtgesteld, en men sprak er van, dat het hooge hoofden waren die vallen moesten, en Gijsbert had vreeze, dat ook het schrandere hoofd van zijn meester onder dat vonnis begrepen mocht zijn.

Wij zijn nu genoegzaam ingelicht om te begrijpen wat hij beoogde met zijn verlangen om tot Elisabeth toegelaten te worden; men zal nu zelf oordeelen hoe hij partij trok van den verkregen wensch.

Hij knielde neder aan de voeten van Elisabeth met eene mengeling van galanterie en eerbied, die van goede staatkunde was tegenover eene kleindochter van Maria Stuart. Mary bleef staan naast den armstoel harer meesteres, en daar zij van die plaats op het gelaat der Vorstin onweer of zonneschijn evengoed kon vooruitzien als aan Drebbel toegekend werd dat in de natuur te doen, kon zij haar bondgenoot door blik of wenk aanmoedigen in het spreken, of het voortgaan ontraden als het noodig was.

Na de eerste vragen tot inleiding en nauwere bekendheid met den persoon dien zij voor zich had, kwam Elisabeth snel op het voorwerp harer nieuwsgierigheid, den man, die, als Mary zeide, niet door tooverij, maar door zijne uitnemende kennis van de natuur het weder kon vooruitzien en zelfs hitte en koude daarstellen…Dat laatste intusschen is nauw geloofbaar,” eindigde zij weifelend tusschen geloof en wantrouwen.

»Toch is dat waar, doorluchtige Vrouw! alleen niet in den zin waarin Mary het zeker verstaat. De uitnemende kenner der natuur heeft haar dus onderworpen aan zijn wil door zijne grondige kennis der elementen, dat hij sneeuwen regen, ijs en zonnegloed kan daarstellen naar het hem lust, alleen niet door de gansche natuur, maar slechts op zulke bepaalde en bekwame plaatse, die voor zijne kunstbewerking geschikt is.”

»In zijn laboratorium dus?”

»In deze zaal! zoo Uwe Majesteit dat verkiezen mocht.”

De Koningin zag verwonderd om zich heen, als berekende zij de kansen, die de ruimte opleverde voor de zonderlinge vertooning, terwijl zij herhaalde: »In deze zaal?”

»Op het eerste bevel. Zoo iets is hem licht,” sprak Gijsbert, »en meer nog; hij kan donder en bliksem verwekken, in de vrije natuur, buiten tijds en niet anders dan of het van den Hemel kwam! — Voorts weet hij te maken zekere glazen bollen, in welke hij uit kracht der vier elementen daarstelt eene eeuwige beweging… Zulks dat er al wat daar in een jaar op den aardbodem passeert in de natuur, ook al te zamen geschiedt in deze bollen, in vier-en-twintig uren, zoodat men daarin zien en bemerken mag alle jaren, maanden, dagen, uren; den loop van zon, maan, planeten en sterren.”

Maar de Koningin viel hem in de rede; eerst had zij toegeluisterd met zekere goelijke verbazing, later was die door twijfel en onrust vervangen. Zij vreesde zelve aan die vreemde dingen geloof te hechten; nu kon zij het niet langer aanhooren zonder zekere vrome ergernis.

»Maar, vriend, naar uw zeggen is die man de heer en meester der natuur; zoo het waar is, kan dat niet zijn door eene natuurlijke macht…”

»Het is waar, genadige Vrouw! hij is ook heer der natuur, maar alleen door verstaan en weten, niet door booze kunstenarij” Daarop, als om de Koningin gansch te bedwelmen en weg te sleepen, ging hij voort: »Dus leert hij wat de koude is, wat de oorzaak is van het perpetuum mobile, wat de oorzaak is van de zonne, hoe die beweegt den Hemel, alle sterren, de maan, de zee, den aardbodem; wat de oorzaak is van ebbe, van vloed, van donder, van bliksem, van regen, van wind, hoe alle dingen wassen en vermeerderen…” Gijsbert sprak dit alles in een adem uit, als vreesde hij in de rede gevallen en onverhoeds tot zwijgen gebracht te worden, eer hij nog den breeden schat van zijns meesters gaven en krachten had uitgemeten. Zijn toon had daarbij veel van die gejaagde, hoogdravende en snorkende voordracht van den uitlegger in eene optische tent, maar waarvan toen nog door de gewoonte de illusie niet was verloren gegaan, zoodat de vorstin werkelijk overbluft werd door de wichtigheid en zelfs eenigszins bedwelmd door de radheid er van. Nog vele gaven en krachten van zijn heer telde de trouwe en ijverige jonkman achtereenvolgens op, meer van zonderlingen en fantastischen aard, dan van bruikbaarheid in het gewone leven; maar de optelling er van zoude ons vermoeien, gelijk het de Koningin deed, zonder dat wij nog als zij de hoop konden hebben van al die wondre krachten en kunsten de proeven te zien, en zich met eigene oogen van de waarheid te overtuigen. Dit laatste scheen inderdaad haar wensch en voornemen, want zij zeide tot Gijsbert:

»En nu, mijn goede vriend, gij hebt mij veel gezegd, maar toch het voornaamste vergeten, dat mij het eerst noodig was te weten. Is die man in deze landen? in deze hoofdstad? is er mogelijkheid hem te zien en te doen komen?”

»Ja, Mevrouw! die mogelijkheid is er… maar…”

»Welnu?”

»Alleen door koninklijke macht, door den wil Uwer Majesteit is hij tot u te brengen.”

»Dan wil ik hem nog heden zien.”

»Uwe Majesteit heeft daartoe maar alleen een bevelschrift te geven en dat door den Koning te laten teekenen en goedkeuren.”

»Door den Koning, zijt gij dwaas? zou het niet genoeg zijn dat ik het wil…”

»Ik vrees van neen, Mevrouw! want het geldt een gevangene, en…”

» »Hij is gevangen die man… die zulke buitengewone dingen doet; dat is toch wel jammer… is het om eene misdaad?”

»Neen, mijne gebiedende Vrouwe, hij is onschuldig; het is simpel zijne kwade fortuin die hem in het ongeluk hielp. Hij is gevangen geraakt bij de verandering van zaken te Praag.”

»Bij geval?”

»Ik denk van ja!” hernam Gijsbert; maar hij kleurde sterk, want hij voelde, dat hij eene onwaarheid sprak. Hij moest tot ieder en prijs de Koningin stemmen voor de bevrijding van zijn meester en haar daarin een persoonlijk belang doen vinden; dan zou ook de Paltzgraaf-Koning licht te veroveren zijn. Maar de geheele waarheid op eens zou haar afschrikken, en dan ware alles verloren.

»Hij woonde dus te Praag?”

»Op dat oogenblik, maar hij is lang in Engeland geweest en heeft zeer in gunst gestaan bij Uw koninklijken vader…”

»Zijn naam dan toch,” riep Elisabeth met ongeduld.

»Hij heet Cornelis Drebbel en hij is een Hollander van geboorte, maar om zijne zeldzame geleerdheid en konstvaardigheid is hij naar Duitschland getrokken, en zoo bevond hij zich ten laatste hier…”

»En heeft de slechte kans van de ongelukkige stad gedeeld; ik begrijp het,” sprak Elisabeth. »In de drift der overwinning wordt er maar zelden onderscheid en oordeel gebruikt door de overwinnaars. Maar een geleerde, een man dien mijn vader begunstigde! hij zal gered worden!”

»Als dat de intentie mijner Koningin is, dan durf ik spoed vragen, want er is vreeze dat hij morgen reeds een verschrikkelijken dood zal ondergaan.”

»Hij! waarom?”

»Met andere lieden die nevens hem gevangen zijn.”

»Morgen worden er raadslieden en gunstelingen van den Keizer terdoodgebracht, dat weet ik, en daarin is niets te veranderen… maar hoe betrekt men ook dezen in dat vonnis…”

»Ongelukkig is hij ook verbonden geweest aan Keizer Ferdinand…”

»O! dan begrijp ik alles! maar dan is de ongelukkige niet te redden. Mijn gemaal is vast besloten niemand gratie te geven, die aan den Keizer behoorde.”

»Hij hoort ook niet aan den Keizer, Mevrouw! hij hoort aan de . wetenschap. Een geleerde, een konstenaar; dat is heel wat anders dan een hoveling. Nu licht hij dezen Vorst voor met zijne kennis… morgen weer een ander; het al naar ’t geval en de luim hem ingeven…”

»Dat is waar! hij zou dus den Koning ook kunnen dienen, als men hem bevrijdde en van goede gunst verzekerde. ”

»Naar mijn gevoelen kon dat heel goed; hij heeft wel den Koning van Engeland gediend, en wat niet al Heeren en Vorsten meer.”

»Toch zal hij moeielijk te redden zijn, omdat hij den Keizer gediend heeft…”

»Als Uwe Majesteit het wil, zal dat toch niet meer onmogelijk zijn!”

»Maar ik ben het hierin met mijn Heer eens; de staatkunde dwingt er toe,” sprak Elisabeth, een weinig kleurende en het hoofd afgewend. Zij was het niet eens, maar zij vreesde te veel dat haar invloed hier krachteloos zou wezen, en zij was te schrander en te fier om het te erkennen of zich aan eene teleurstelling te wagen.

»Dat is jammer, dat mijne genadige Vrouwe het hier juist eens is met den Koning; anders ware dit eene goede gelegenheid om eens te beproeven wat uwe schoonheid vermag op zijn wil!” sprak Mary zeer zacht en als moest de Koningin alleen dat hooren.

»Gij hebt gelijk,” hervatte Elisabeth levendig. »Het is zwak.alleen het lichte te durven. Ik geloof, dat ik straks naar een hinderpaal heb gewenscht, welnu, ik zal dezen zien te overwinnen…”

»Maar als mijne Koningin niet reeds heden overwint, is het morgen wellicht te laat…”

»Dat is waar, maar hoe zal men in dien tusschentijd het doodsgevaar afkeeren?…”

»En ’t zou toch vreeselijk zijn dat zoo uitnemend licht door zulk en wreeden dood dus plotseling wierd uitgedoofd!” hervatte Gijsbert dringend.

»Ja… en als dit geschiedde door Frederik, mocht het hem tot schande gerekend worden en onwil tegen hem verwekken,” hernam de Koningin peinzende en in zich zelve.

Gijsbert nam de vrijheid de woorden op te vatten, of zij tot hem gericht waren.

»O, zonder eenigen twijfel! wil dit wel goed indenken, mijne genadige Vrouwe, eer gij weigert. Uw koninklijke Heer zou door al de wereld, vriend en vijand samen worden misprezen, zoo hij door eene daad van vorstelijke wrake op eens de wereld beroofde van al het nut en voordeel dat er voor haar mag getrokken worden van zoo zeldzame gaven en krachten als Meester Drebbel bezit… En ik weet niet of de Prins van Oranje en Mijneheeren de Staten niet met de allergrootste indignatie zulke handelingen tegen hun ingeboren onderdaan zouden opvatten…” Maar Gijsbert was te ver gegaan; het gelaat der Koningin teekende het en Mary wenkte hem te zwijgen.

»Mijn gemaal voert oorlog tegen Koningen en Keizers!” hernam Elisabeth, maar bij zich zelve dacht zij in, dat de Geuniëerde Provinciën een der trouwste bondgenooten waren van haar gemaal, bij wier trouwen vriendschap de Protestantsche Paltzgraaf-Koning van Bohemen het meeste belang kon hebben ter vestiging van zijn nieuwen troon, en dat het werkelijk eene onvoorzichtigheid zou wezen de Hollanders te beleedigen in zulken landgenoot. Daar moet ik Frederik voor behoeden, peinsde zij voort, die man moet gered worden. »Hij moet,” sprak zij toen luide en besloten. »Ik wil het, omdat ik belang in hem stel. Voorshands moet zijn leven geveiligd zijn tegen een onverhoopt en geweldigen dood; weet gij een middel?”

»Ja, Mevrouw! en dat middel zal tegelijk hooge gunst zijn voor mij.”

»Welk middel is het?”

»De gewone barbier en wondarts, die in de gevangenis, waar mijn voormalige heer kwijnt, placht te dienen, is gisteren gestorven. Er is nog geen ander in zijne plaats gesteld; laat mij voor eene wijle gebruikt worden in zijne plaats…”

»Dat zou te doen zijn, als gij u zulke verlaging van staat getroost; maar zijt gij niet in dienst van den Graaf van Schwarzheim?”

»Zoolang het mij lust; ik heb met den Graaf zulk akkoord gemaakt, dat ik hem verlaten kan als ’t mij gevalt. Daarvoor heb ik hem ingewijd in zeker geheime konsten die ik verstond en die hij voor zich noodig achtte.”

»Ik onderken uw plan. Gij wilt Mr. Cornelis Drebbel tot de vlucht bevorderen, en daarin kan ik u niet dienen; mijn rang, noch mijne intentiën gedoogen het.”

»Neen, Mevrouw! ik wil er een duren eed op doen dat ik enkel mijn heer wensch te salveeren van den dood op morgen, zoo hij daartoe voorbestemd ware. Mijn leven en Mary, die mijne bruid is en in uwe macht blijft, zijn u borgen dat ik woord zal houden.”

»Hoe denkt gij ’t aan te leggen?”

»Dat weet ik nog niet; Mijnheer heeft zelf zooveel vernuft. Hij zal mij helpen vinden. De hoofdzaak voor mij is, dat ik hem zien kan en gemeenschap met hem houden.”

»Dat begrijp ik; welnu, ik zal u deze ingeving laten volgen. Kom over een uur terug. Intusschen zal ik mijne bevelen hebben gegeven, gij zult het ambt bekomen en zonder verhindering oefenen.”

Gijsbert wierp zich met dankbaarheid aan hare voeten en kuste den zoom van haar kleed in zijne blijdschap; hij was eindelijk op den weg om een doel te bereiken dat hij sinds zeer veel jaren in het oog had gehad: hij zou zijn meester door eene sprekende daad van trouw zijne dankbaarheid kunnen toonen.

Naar deel 4.


Ingezonden op: 19 July 2001