EEN ALKMAARDER TE PRAAG.


IV.

»Het is onnoodig dat gij bij den gevangen vreemdeling gaat,” sprak des anderen daags de cipier van Drebbels kerker tot Gijsbert, die voor het eerst zijne functiën kwam oefenen in den vroegen ochtend.

»De arme jonkman verbleekte. »Waarom niet noodig? is hij dood?”

»Zoo goed alsof hij ’t ware; de scherprechter zal zich voor heden wel belasten met het ordenen van zijn haar en baard… Hij bereidt zich tot den dood…”

»Is er een priester bij hem?”

»Hij heeft gezegd dat hij geen priester begeerde, dat hij ongestoord wil zijn; dus dient een barbier hem nog minder dan een monnik…”

»Integendeel, de barbier is hem noodig; ik heb hem iets in te fluisteren vanwege een hoog personaadje, dat hem, de Heere helpende, nog vele jaren levens belooft.”

»Dan dient dat hooge personaadje zich wel wat te haasten; ’t is zes ure, en te negen ure, naar mijne ordren luiden, zal hij ter dood geleid worden.”

»Hebt gij zoodanige particuliere ordre jegens hem?” vroeg Gijsbert getroffen.

»Neen, maar eene algemeene; alle raadsheeren des Keizers die tot hiertoe gevangen bleven, zullen ’t heden met den dood bekoopen; ik moet ze uitleveren aan den scherprechter.”

»Dat geldt dezen niet, dat kan dezen niet gelden, hij is geen raadsheer van den Keizer, hij is de… een wondergroot konstenaar en geleerde, die vele onnatuurlijke zaken door natuurlijke kracht uitvoert, die…” en Gijsbert ving weer aan de breede lijst op te tellen van zijns meesters zeldzame krachten en gaven. De cipier luisterde toe in angstige spanning; toen Gijsbert eindigde, sprak hij, het teeken des kruises makende:

»Zoo is hij toovenaar? nu begrijp ik waarom hij geen priester begeerde. Hij staat met Satan in gemeenschap…”

»’t Kon wel zijn,” hernam Gijsbert, overtuigd dat dit gevoelen hier eene heilzame schuwheid kon wekken. »Maar de Koningin wil niet dat hij, geen gewone hoveling of raadsman des Keizers zijnde, met die allen zal ter dood gebracht worden.”

»Dat verwondert mij niet; de Koningin is eene vrome vrouw, zegt men, al is zij kettersch, en zij wil niet dat een duivelskonstenaar met welgeboren Christen-luiden gelijkelijk zal gehandeld worden en eenerlei dood sterven. Dezen wil zij zeker bewaard hebben voor den brandstapel; ’t is hier in Praag wel meer gebeurd, al is ’t lang geleden en al heugt het u en mij niet.”

»’t Kon wezen dat gij juist gist; mijne boodschap aan u, vawege Hare Majesteit, is althans dat gij hem niet met de overigen zult uitleveren, en dat gij mij toelaat te iedere ure van den dag tot hem te gaan.”

»Mijnentwege zooveel ’t u gelust en zoolang ’t u gevalt. Wat mij belangt, ik zal er zoomin komen als ’t wezen kan…”

»Zooals gij wilt, en nu breng mij tot hem.”

»Volg mij!…” Terwijl zij voortgingen, sprak de cipier, na hij den haastigen vasten tred van Gijsbert eene wijle had gadegeslagen: »Gij vreest den Duivel dus niet; of zijt ge ook van ’tverbond?”

»Ik ben in een verbond tegen den Duivel, mijn vriend,” hernam Gijsbert gevat; »en ziet gij, dit maakt mij zoo sterk.”

»Dat is wat anders… zoo treed dan binnen, want het is hier;” en zoo haast hij hem had ingelaten, trad de cipier met schuwen blik ter zijde.

Gijsbert had moeite zijn armen meester te ontdekken; eerst moest hij zijne oogen gewennen aan de duisternis van het hol; want een vertrek kon het akelige onderaardsche hoekkamertje niet wel genoemd worden. Eindelijk bemerkte hij hem.

Drebbel zat als versuft en wezenloos op zijn stroo-leger, de geketende handen op de knieën samengevouwen; of hij bad, dan of hij droomde, was moeilijk te beslissen… de vermagering en de bleekheid van zijn gelaat waren akelig om aan te zien.

Gijsbert, die misschien lang bij zich zelven overlegd had hoe hij zijn weldoener het best en voorzichtigst zoude naderen; was zich niet meer meester op dat gezicht; hij wierp zich neder aan zijne voeten zonder iets te zeggen en begon luid te snikken.

Drebbel scheen niets te bemerken…

»Meester, mijn meester!” kon de trouwe jonkman ten laatste uitbrengen, »hoe peinst gij dus, meester, dat gij mij niet hoort of ziet, en waarop denkt gij?”

»Ik denk niet. Ik heb geene denkbeelden meer,” hernam Drebbel, die niet eens bevreemding toonde over dit wederzien.

»Meester, mijn diere Meester! gij herkent mij dus niet, uw trouwen Gijsbert… die met zooveel blijdschap tot u komt?”

»Ah! gij komt dus toch, gij komt dus ten minste weer,” hernam Drebbel, die hem nu scheen te begrijpen en die toch nog; even koel tot hem sprak, zonder hem aan te zien; en uit die koelheid sprak geheel de diepte van smart, waarmede het ondersteld verraad van Gijsbert, van den landgenoot, van den eenigen vriend, hem het overige lijden had verzwaard.

»Ik keer niet terug, Meester! want om zoo te spreken ben ik nooit van u af geweest, sinds iedere mijner daden, gedachten en wenschen, sedert onze scheiding daarheen gestrekt hebben tot u te komen en u uit te helpen; ja zelfs die eigen scheiding was niets dan een tijdig voorzien in ’t geen ik vreesde, en dat uwe edele, standvaste trouw niet weren wilde.” En de jonkman begon het verhaal van hetgeen hij bedacht had en bedoeld, en wat hem reeds was gelukt.

»Dit spreken geeft mij ’t leven terug, al moet ik nog heden ter dood gaan,” sprak nu de geleerde onder tranen, den edelen jongeling aan zijne borst sluitende. — Mijn zoon, mijn vriend! want ik vertwijfel niet meer aan de menschheid, want de wezenlijke dood des harten is ondragelijker dan die andere, dien ik welhaast zal ondergaan.”

»Daarvan kom ik u redden, mijn lieve Heer!” riep Gijsbert, hem de handen kussende; en hij deelde hem zijn ontwerp mede en zijne hoop op de tusschenkomst der Koningin.

»Dat zal helpen voor een korten tijd, mijn zoon!” sprak Drebbel met een ernstigen glimlach. »Elisabeth’s tusschenkomst zelf zal hier niet baten, en zoo zij slaagt, zoo men mij vrijheid en leven biedt, zal het zijn tot een prijs dien ik niet zal geven… Ik diene den vijand van mijn Keizer nooit… gij hebt het reeds onbestemd beloofd, ik vergeef het u, maar ik zal uwe voorwaarde nooit kunnen vervullen.”

»Den Koning van Engeland zoudt gij toch willen dienen?” vroeg Gijsbert aarzelend.

»Dezen, ja dat kon gaan! maar dat zal niet licht te doen wezen.”

»Ik geloof wel, Elisabeth van Engeland is zoo trotsch op haar vaderlijk hof en zoo gehecht tevens… zoo de Koning zelf hier tusschen beide kwam en u opeischte.”

»O, dat ware… ja, dat ware mij goed; ik zou dan nog weer aan de wetenschap, aan mijn arbeid, aan mijn onderzoek wedergegeven worden; ik zou nog van ’t lieve vaderland hooren, van mijn vriend Schagen, den gelukkige, die wijzer was dan ik.”

»Dat behoeft niet eenmaal te wachten tot gij vrij zijt, gij kunt nu schrijven, ik zal u de middelen er toe verschaffen, en mij dunkt het zal licht zijn eene gelegenheid uit te vinden uwe brieven naar Holland te verzenden. ”

Door Drebbel werd dit voorstel aangenomen als eene weldaad, met eene blijdschap alsof dit reeds de redding van zijn leven was; en werkelijk dit werd het middel tot zijne verlossing.

Want Elisabeth kon bij den Paltzgraaf-Koning haar wil dit maal niet doen zegepralen; met al de stijfhoofdigheid zijner innerlijke zwakte klemde hij zich vast aan het denkbeeld, dat de uitroeiing van Ferdinand’s vrienden tot de vestiging van zijn wankelen troon noodwendig was; dat vooral een man als Drebbel, dien hij van alchimisterij verdacht, een schat moest wezen, dien hij zijn vijanden niet wilde toevoeren; en na eene eerste heftige weigering, waagde de gekrenkte trots der jonge Vorstin zich daaraan niet meer; maar te vaster was in haar de wil gevestigd, om niet te laten steken wat zij eens had ondernomen. Mary en Gijsbert waren daarenboven daar, om er haar door velerlei middelen toe aan te prikkelen. De jonge Hollander deed haar inzien, wat er te verkrijgen zou zijn door den Koning van Engeland. Zij beloofde zich tot dezen te wenden. Intusschen waren de brieven naar Holland afgezonden en daar ontvangen met al de vreugde en al de verrassing, die van wanhoop tot vroolijke hope voert.

In Alkmaar hield men Cornelis Drebbel verloren en betreurde er den ontijdigen dood van den beroemden man. Voor Gerrit Pietersz. Schagen kwam de brief van den vriend te laat. Hij had geleefd als in de fabel der twee duiven, de te huis gebleven vriend. Hij had zich altijd dieper en dieper in zijne studiën verloren; het had hem geholpen zijn verlies te dragen, misschien somwijlen te vergeten, maar het had zijne levenskracht nog meer uitgeput; die groote geleerde was voor het uiterlijke een wandelende doode, of liever, een zittend lijk, want hij kwam bijna niet meer uit zijne studeercel; maar dit verteerd en verdord lichaam werd nog lang gesterkt tot leven, door het vermogen der ziel, wier veerkracht het opgericht hield.

Maar eindelijk was de stof onder den geest bezweken. Zijne laatste woorden waren eene vraag naar een boek; wij durven niet zeggen dat het de Bijbel geweest is… Dat was reeds gebeurd in 1616. — Maar er leefden nog andere machtige vrienden van Drebbel; hij had zelf bloedverwanten in de Staten. Zij deden eenige stappen in het belang van hun aanverwant en slaagden volkomen. Het duurde niet lang, of daar kwam officiële intercessie van de Hoog-Mogenden bij den Koning van Bohemen, ter bevrijding van hun beroemden landgenoot, en van datzelfde lichaam aan den Koning van Engeland, »om te intercedeeren tot gelijke memorie” bij Zijne Majesteit van Bohemen, dat eene snelle en gelukkige werking deed, en te eerder, daar de ongelukkige Koning van Bohemen reeds het tijdperk zijner rampspoeden was ingetreden, waarbij hij den steun van vrienden en bondgenooten hoog noodig had, en dus aan beiden niets had te weigeren.

Drebbel werd aan den Koning van Engeland uitgeleverd, maar wij onderstellen dat hij Holland en Alkmaar heeft willen weerzien, al vond hij er zijn vriend Schagen niet, eer hij zich voor altijd te Londen vestigde. Jacobus schatte hem hoog, en de dankbaarheid die hem aan dien Vorst verbond, gaf hij lucht door schitterende bewijzen van zijne kunst, die eene vorstelijke nieuwsgierigheid bevredigen moesten. De gunst van den Koning en der Engelsche grooten hergaf hem zijne vorige fortuin.

Hij is twee-en-zestig jaar oud geworden en rustig gestorven te Londen, waar zeker nu zijn naam en gedachtenis wel een weinig zijn verbleekt. Zijne vaderstad is hem trouwer gebleven; zij ziet nog haar roem in hem en zij telt hem nog onder hare liefste zonen.

Gijsbert is met hem naar Engeland gegaan, als men onderstellen kan; maar voorwaar dit was eene nieuwe proef zijner dankbare trouw, en geene geringe. Mary kon niet scheiden van hare Vorstin op een oogenblik waarop dier fortuin keerde, zonder zich schijn te geven van ondank. Gijsbert was de laatste om het haar niet toe te stemmen; eerst toen de arme Paltzgravinne van troon en macht en erflanden vervallen, als ballinge schuilplaats kwam zoeken in Holland, in het vaderland van Drebbel; toen zij er veilig leefde; toen hare inkomsten zelfs vermindering van gevolg noodzakelijk maakten; toen nam de lieve Mary haar afscheid, zag Engeland weder en vond er een bruidegom, die door trouw aan zijn weldoener zich in trouw aan de verloofde had geoefend.

1856.

Aantekeningen.


Ingezonden op: 19 July 2001