EEN ARME DIE RIJK MAAKT.

(LEGENDE UIT HET ST. JANS GASTHUIS TE BRUGGE.)


Een vreeselijke schok had gansch Vlaanderen doortrild; de machtige hertog van Bourgondië Karel de Stoute, was met zijn gansche heirleger jammerlijk verslagen in de sneeuwvelden van Lotharingen — en hij zelf roemloos omgekomen bij zijne laatste nederlaag. Die roekelooze veldtocht, midden in den winter van den vermetelen, hartstochtelijken, al te slecht beraden, al te onverzettelijken held, had Bourgondië en Vlaanderen, en al diens schoone landen en heerlijkheden, zonder hertog en heer gelaten; niet zonder hoofd, dat is waar; maar de hertogelijke kroon was plotseling in volle drukkende zwaarte neergevallen op de teedere slapen eener jonkvrouw, wier zwakke hand niet krachtiglijk den staf konde voeren over zoo veelzijdig gebied, en zoo weinig gegedweeë onderdanen ternauwernood in bedwang gehouden door de ijzeren vuist van haar geduchten vader. Maria van Bourgondië de rijkste erfdochter van midden-Europa, wettige vorstin en vrouwe van Bourgondië Vlaanderen, Braband, Holland en van alle provinciën en steden door haar grootvader en vader overheerd, voelde zich dies ondanks beklagenswaardige weeze, toen zij, nog bedwelmd van smarte en rouwe na den slag die haar had getroffen, met wankele treden ten hoogen hertogsstoel steeg; geen zetel der ruste en der zorgeloosheid voorwaar, al scheen het mollig purper enkel weelde te beloven. Hare rijke erflanden waren uitgeput, ontvolkt, verarmd, ten behoeve van Karels geweldige oorlogen; de bloem van adel en ridderschap, geheel des hertogs weerbare en getrouwe heirkracht naar den vreemde heengedreven door zijn toomeloozen moed, die geene hinderpalen achtte, was geknot en verpletterd op de bloedige slagvelden van Granson, Morat en Jarville. Trouwelooze bondgenooten en leenmannen hadden den hertog verlaten toen zijne fortuin hem verliet; gunstelingen en schijnvrienden hadden hem verraden en overgeleverd; zijne eigene soldaten waren in vertwijfeling tegen hem opgestaan, en dat deel er van, dat in al de wanorde en verwildering van het sauve-qui.-peut naar Vlaanderen was heengevlucht, kon niet meer voor een leger gelden. De jonge hertogin was zoo goed als ter prooie aan de heerschzucht van die enkele rijksgrooten die haar nog waren bijgebleven, en die niet de macht hadden haar te beschermen tegen de rebellie van hare vazallen: machtige poorters en overheden der gilden, die nu driest en overmoedig het hoofd opstaken en de handen ineenlegden om voorrechten en vrijheden te verkrijgen, die Filips en Karel nimmer hadden geschonken; alle vreedzamen en getrouwen sidderden voor geweld en verwarring, doch wisten zich weerloos in de hand van den sterkste. De openlijke en geheime vijanden van Vlaanderens grootheid en Brabands welstand, Lodewijk van Frankrijk, Reinier van Lotharingen en zijne bondgenooten de Zwitsers, zagen scherp toe naar de uitbarsting van een burgerkrijg, dien zij niet ongebruikt meenden te laten, om eigen macht en gebied te vergrooten, ten koste van het erfdeel eener weeze, of althans om die weeze en hare onderdanen onder het juk eener vreemde afhankelijkheid te brengen; en Hertogin, Rijksgrooten, Magistraten, Poorters en Vazallen, allen wachtten in verschillende gemoedsstemming, maar in gelijke onrustige spanning, terwijl de vijand vast van zijne voordeelen gebruik maakte en naar de Bourgondische grenzen opdrong, terwijl Lodewijk XI, Karels oude tegenstander, list en omkooping gebruikte om de binnenlandsche tweedracht aan te wakkeren en te ontvonken. Een bang en droevig tijdstip was aangevangen, dat niet zou voorbijgaan zonder verwarring en bloedstorting.

De onrustige en vrijzinnige Bruggenaars, die met meer spijt dan lijdzaamheid het juk van Filips en Karel hadden gedragen, waren van de eersten in beweging gekomen om op de jonge Landsvrouw te herwinnen alles, wat zij bij ieder hunner opstanden onder haar vader en grootvader ingeboet hadden.

Ook heerschte er eene sterke spanning in de prachtige en woelige stad Brugge, toen nog met alle recht het Vlaamsch Venetië genoemd, ook daarin Venetië gelijk, dat zij wel gaarne haar meesters de wet stelde. Onder de stille burgers heerschten onrust en verslagenheid; bij hen die de hofpartij waren toegedaan, werd de rouw over den val van den fieren hertog verzwakt door de vrees voor de gevolgen van dien slag; de heerschzuchtigen vergaten de ramp, die ’t gemeene vaderland had getroffen, onder de geheime blijdschap over toekomende triomfen en onder een gevoel van verlichting, dat de staf ontvallen was aan de hand van den heerscher. Al die rouw, al die vrees, al die heerschzuchtige wenschen en plannen stelden een staat van gisting daar, waarbij het niemand wel te moede kon zijn, en waarbij ook voor zwakken en weerloozen geene volkomene veiligheid was, terwijl weerbaren en sterken niet eenmaal geduld hadden tot het groote onweer van den burgerkrijg losbarstte, maar reeds van tijd tot tijd onder elkander geweld pleegden en aanvallen, waagden tegen de openbare orde, die onder Karel den Stouten gewisse straf zouden hebben ontvangen, doch die nu straffeloos bleven, gelijk ze schaamteloos werden gepleegd. Tot in de kloosters toe was men er op bedacht, oude handvesten en voorrechtsbrieven uit het stof der vergetelheid aan het licht te brengen en te ontcijferen, om zoo mogelijk in deze algemeene jacht naar het betere, het meerdere ook voor de orde (ieder voor de zijne, zooals de gildebroeders) het een of ander voordeel of recht te laten gelden, en aldus in het troebele water van de verwarde zaken en verzwakten staat der hertogelijke regeering, voor eigen belang te visschen, zonder veel acht te geven op het recht des naasten of te luisteren naar eigen plichtbesef. Maar waar men de ook booze hartstochten zag uiten, door woest geweld of door fijner list, waar ook verwarring heerschte en twistvuur smeulde, waar ook heerschzucht en hebzucht de roofgierige klauwen uitsloegen, ééne plaats was er binnen Brugge waar rust en orde bleven heerschen, en waar vrede en gelatenheid zetelden ondanks alles wat men ook daar van de jammeren en het bederf der buitenwereld mocht te wachten hebben; de Christelijke liefde had daar gezegevierd over dat grove en gruwelijke eigenbelang, dat alle die anderen daar buiten in beweging bracht. ’t Is daarmede niet gezegd dat er geene smarte werd geleden noch geene droefheid werd gevonden; integendeel, hier werd veel lijden doorgestaan: het was de eigenaardige woonstee van menschelijke ellende, want het was een ziekenhuis: het hospitaal aan den Apostel Johannes gewijd en naar dezen genoemd. De stille deugden die hier geoefend werden, de zelfverloochening de opofferende liefde, waarvan hier het voorbeeld werd gegeven, de heilige ijver, waarvan zij die de hulp reikten vervuld waren, moesten noodwendig terugwerken op de verpleegden; en de orde, de kalmte, de reinheid, verzachtten alle leed, terwijl daar buiten vaak geluk en levensgenot vergald en verwoest werden door het gemis van dat alles. Zij die daar leefden, hadden in waarheid afstand gedaan van de wereld en hare begeerlijkheden, en zij droegen den Heere Jezus zijn kruis na, hem volgende in dienende liefde. Want het zijn geene bezoldigde huurlingen, die hier tot de verpleging der zieken worden gebruikt en betaald, en die om des loons wille met meer of minder goedwilligheid den lijders hulp reiken; het zijn geestelijke broeders en zusters die zich geheel aan die taak hebben gewijd, omdat zij eene roeping voelden tot dit groot en Christelijk liefdewerk. Het zijn geordenden die niet hunne heiligheid zoeken in werkelooze kloosterrust en kloosterlijke opsluiting, maar in heilige werkzaamheid. Eenvoudige, weldadige instelling, bovenal te prijzen in die dagen waarin men nog zoo weinig begrip had van de algemeene verplichtingen onder Christenen, waarin alle Christendom begrepen werd in het woord Kerk, en de toepassing der Evangelische voorschriften in het leven was teruggebracht tot het waarnemen van zekere vormen op bepaalde tijden en gelegenheden. Eerwaardige instelling, die nog na ’t verloop van zooveel eeuwen in stand is gebleven, om nog bewondering en dankbaarheid te vragen van elk, die stille Christendeugd weet op te merken en te waardeeren.

Het hospitaal van St. Jan dagteekent reeds van de dertiende eeuw. In 1275 stelde een Doorniksch kanunnik zich voor eene rijke schenking te doen ter oprichting van een ziekenhuis te Maldeghem, maar hij veranderde van plan en bracht de goederen, die hij voor zijn weldadig doel had bestemd, over op het hospitaal te Brugge, onder voorwaarde dat de zieken van Maldeghem daar zouden verpleegd worden (eene verplichting die tot op dezen dag wordt in het oog gehouden). Omstreeks 1397 begeerden en verkregen de broeders en zusters, die zich aan de verpleging der kranken hadden gewijd, de vergunning om zich als geestelijke orde in te richten, en te leven naar den regel van St. Augustinus. Tegenwoordig zijn er alleen maar zusters die er de zieken verzorgen, en de geneesmiddelen toebereiden in hare eigene apotheek, waarover zij zelve het opzicht houden, en waar, zoowel als in de ziekenzaal, de bewonderenswaardigste orde en reinheid heerschen. In de middeleeuwen behoefde noch verkreeg men verdere geneeskundige hulp van buiten; doch de inrichting is niet zoo strak behoudend, dat zij in onzen tijd niet zoude gebruik maken van de voorlichting der wetenschap: de professoren van de geneeskundige school bezoeken er nu de zieken en brengen hun de hulp der kunst. De kapel, die bij het hospitaal behoort, bevat kostbare kunstschatten. Het gebouw was in overoude tijden een arsenaal; de ziekenzaal, waarvan de luchtigheid en doelmatige inrichting geheel negentiende-eeuwsch is, draagt nog in hare zware kolommen en dikke zolderingbalken de heugenis van zulk gebruik, terwijl de hooge, in eeuwen trotseerende muren uitgehouwen, boogvensters zeker van lateren tijd zijn. Zij geven een zacht vroolijk licht, niet te helder voor de lijdenden, en toch helder genoeg voor haar die ze moeten oppassen en gadeslaan. Het is er koel bij drukkende zomerhitte, het zal er niet kil noch guur zijn bij winterkoude tusschen die beschuttende wanden, bovenal bij die beschermende en oplettende zorg die hier aan de lijders wordt te koste gelegd. Men moet deze ware zusters der barmhartigheid zien te midden van haar liefdewerk om het in te stemmen; men kan het haar aanzien dat het haar geen last is maar een lust; zij hebben in haar voorkomen niets sombers noch wangunstigs, maar eene stille blijmoedigheid, die getuigt van innerlijken vrede; men gevoelt het in haar bijzijn, zij hebben afgedaan met de wereld — waarvan zij niets meer wenschen voor zich zelve — maar die zij niet noodig hebben in duistere cellen te ontvlieden, die zij rustig en vast durven binnentreden als het zijn moet; het zijn geen dwepende, sidderende nonnekens, die zich schuchter in hare sluiers hullen, maar vrome, goedhartige matronen, die ieder te woord staan, hetzij mannen of vrouwen, die haar troost, hare hulp of hare voorlichting behoeven, en zij hebben die zekere beschaving in spraak en manieren, die veeltijds ontbreekt aan dezulken, die bij ons zich aan zulke taak wijden als beroep, en die toch voor de zieken zelve, die altijd fijner voelen en licht door iets gehinderd worden, hare groote waarde heeft, Men ziet het, de zusters van ’t hospitaal St. Jan hebben mijne sympathie gewonnen; en waarom zou men ’t niet zeggen en erkennen, of waarom mag men het goede niet opmerken en niet prijzen dat men vindt aan de zijde van Rome? Zoo ’t van Rome uitgaat, het is toch ingegeven door Hem, die bekwaam maakt tot alle goeds, en voorwaar, wie geene oogen heeft om het goede bij anderen op te merken of wie ze er willens voor sluit, heeft ook het recht verloren om het kwade te gispen.

Dan, het is in dezen voor ons niet de vraag van het heden, wij moeten terug naar de 15de eeuw, naar dat tijdstip vol verwarring en onrust, waarvan wij boven hebben gesproken, en naar dat woelig en onrustig Brugge, dat reeds verbond had gemaakt met die Gentsche oproermakers, die twee der voornaamste staatsdienaren hunner landvorstin, ondanks hare ootmoedige smeekingen, zouden doen onthoofden op een schavot. Gelukkig is het niet met dit drama dat wij te doen hebben; gelukkig hebben wij er niets te zoeken dan die schuilplaats der kranken en die kweekplaats dier stille deugden, waarvan wij u de voorstelling hebben gegeven.

»’t Is zulk een duistere, gure Maartsche dag geweest en de avond vooral heeft, in afwisseling van stormvlagen en hagelbuien, zoozeer haar nukkigen en wrevelen aard getoond, dat de straten als gevaagd zijn van menschen en de woeligste poorters en gildebroeders zich voor heden wel binnen hunne woningen en gildehuizen zullen houden, en niet, zooals ze gewoonte hebben, gewapend zullen samenscholen op de markt, om van daar af hunne aanvallen te richten tegen ’t wettig gezag; want niemand die een dak heeft om onder te schuilen, zal zich vrijwillig aan zulke rukwinden, hagelslag en kille sneeuwbuien prijsgeven.”

Dit was ten minste het gevoelen van den broeder portier toen hij, na even het hoofd buiten gestoken te hebben, de zware gothieke hoofdpoort sloot, in ’t gewelfd portaal terugtrad, en tot een der andere broeders zeide, die zich naar den refter wendde:

»St. Benedictus zorgt er voor dat die van Brugge zijn vieravond niet zullen ontwijden door straatrumoer!”

»Zoo moeten we zegenen wat ons dus huiverig maakt,” antwoordde deze droogjes en ging verder in eigen gepeinzen verdiept.

In den refter of reventer (de eetzaal) zijn nu alle broeders bijeen om hun sober avondbrood te nuttigen. Reeds is het gebed uit gesproken, en de broeder wiens beurt het is, staande den maal tijd tot stichting van de anderen, een geestelijk loflied of een epistel uit de vulgata voor te lezen, heeft zich reeds naar het pultrum begeven, dat in ’t midden der tafel is gesteld. Daar wordt op eens de diepe stilte gestoord door een luid gerucht aan de voor poort; de zware deurklopper blijkt met een driftigen ruk te zijn opgeheven en is dreunend neergevallen, men zou gezegd hebben dat de hand die haar ophief die van een wanhopige of een razende moet geweest zijn. Van zieken en hulpbehoevenden is men het niet gewoon dat ze op dit uur en op deze wijze toegang komen vragen. Het moet een vervolgde zijn; is hij alleen, of wel zijn de vervolgers hem op de hielen en gereed met hem de vreedzame schuilplaats binnen te dringen? Kan ’t ook een aanval zijn die de trouwe wachters der zieken zelven geldt? Ongehoord is het niet: men heeft reeds de ervaring dat in dagen van oproer en burgertwist zelfs geene kloosters gespaard worden, waarom zou de euvelmoed en de waanzin ook niet vrijheid vinden om de schendende hand te slaan aan een hospitaal, dat men rijk wist in aardsche goederen… doch terwijl deze onrustige vragen en twijfelingen in den geest oprijzen, brengen ze toch niet tot aarzeling waar het een plicht kon gelden.

De broeder-portier spoedt zich naar zijn post en opent. Een man stort naar binnen; zijn voorkomen is haveloos en verwilderd, maar toch, ’t is een kranke; het ziekelijk bleek, de zichtbare uitputting zijner krachten bewijzen het; zijn flauwende blik zegt wat zijne tong niet meer kan uitspreken: hij heeft hulp, hij heeft schuilplaats, hij heeft spijze noodig. De broeders die toegeschoten zijn, begrijpen zonder woorden, zij verstaan die taal der behoefte en der ellende, en eer hij bewusteloos nederstort aan hunne voeten, is hij reeds liefde rijk opgevangen in hunne armen, en heengevoerd naar de ziekenzaal. Wie is hij? Van waar komt hij? Aan welke ziekte is hij lijdende? Welken last zal hij hun aandoen? Zij vragen er niet naar, zij denken er niet om. Hij lijdt, hij moet geholpen worden, ziedaar alles wat zij noodig hebben te weten; toch, terwijl zij hunne verpleging aanvangen, kunnen zij zich niet onthouden van onderstellingen en gissingen te bouwen op hetgeen zij bij hem waarnemen Zijne kleeding, zoover hij die had behouden, was die eens krijgsmans; op den wapenrok hoewel gescheurd, beslijkt en met bloed bemorst, onderkennen zij het kruis van St. Andries, de kleuren van Bourgondië hij is dus een der krijgers van hun gevallen vorst — misschien wel een der ontvluchte gevangenen; zijne wonden zijn niet versch, maar zij zijn verwaarloosd, en opnieuw opengereten door verzuim of sterke inspanning van den lijder. Ergens gewond neergevallen, moest hij zeker geplunderd zijn of op andere wijze beroofd, want hij had niets bij zich. niet het geringste dat eenige waarde had of op een spoor kon leiden van persoonsherkenning. Geen gebedenboek, geen reliek, geene munt, geen handschoen of neusdoek, en zelfs de patenen waren hem ontvallen of ontnomen, want hij droeg een grof versleten boerenschoeisel dat niet eens paste aan zijn fijnen voet. Wapenen had hij evenmin bij zich, niets dan een stok van ruw hout, die zijne wankele schreden had gesteund. Zijn smakkende, droge tong wees hen al terstond op eene behoefte die zij voldoen konden. Hij had lafenis noodig en zijn uitgeteerd lichaam maakte het hun duidelijk, dat hij zeer lang vele ontberingen had geleden, en dat honger hem kwelde niet minder dan de dorst. Eindelijk, toen hij verkwikt, gespijsd, vetbonden en gereinigd, rustig terneder werd gelegd op het leger dat de Christelijke liefde hem had gespreid, hoorde men hem uitroepen met een zucht van verlichting: »Nu zal ik toch in mijn vaderland sterven!” en daarop was hij in een zachte sluimering gevallen. Hij was dus een landgenoot, een Vlaming, een Bruggenaar wellicht, iets wat te onderstellen viel uit zijne bekendheid met de weldadige inrichting van ’t St.Jans hospitaal, waarheen hij in zulk en toestand, ondanks den duisteren avond, den weg had gevonden. Wat daar ook van ware, de ziekte die zich openbaarde was langdurig en ingewikkeld; die man moest lang en veel geleden hebben en op velerlei wijze, het waren niet enkel zijne wonden door verwaarloozing verergerd die zijne herstelling tegenhielden, het was niet slechts die doodelijke zwakte door langdurige ontbering en uitputting veroorzaakt, maar bovenal een diep en onnaspeurlijk zielelijden dat zijn zenuwgestel had geschokt en alle zijne krachten ondermijnd.

Hiervan waren de oorzaken zoomin te onderkennen als weg te nemen, en daartegen hadden de goede broeders den zwaarsten kamp te voeren; maar toch, zij deden wat zij konden, zij spanden alle hunne kennis en krachten in, geene middelen die onder hun bereik vielen werden gespaard, mannelijk beleid en ervaring, vrouwelijk geduld en zachtmoedigheid, alle oplettendheden der liefde, alle scherpzinnigheid der geoefende ziekenverpleger werden besteed aan den vreemde, de ernstige troost van den godsdienst, en de afleiding van vriendelijke en gemeenzame toespraak, werden beurtelings aangewend om den lijder naar ziele en lichaam op te richten.

En ziet, een blijde triomf was hen voorbehouden: de ziekte week voor hunne geneesmiddelen en voor hunne zorgen; de herstelling volgde langzaam maar gewis, er restte nog zwakte; maar reeds begonnen de ingevallen wangen hun ziekelijk gele tint met een zachten blos van gezondheid te wisselen, reeds begon er uit die oogen, wier wezenloos staren of verwilderd flikkeren dikwerf ijzing had gewekt, een vriendelijke straal te lichten van diep gevoel en helderen geest. De trekken van ’t gelaat bleven strak en ernstig, maar ze waren fijn en edel; een zweem van zachte zwaarmoedigheid verving de uitdrukking van wilde smart en bitterheid die het voormaals had gestempeld. Het dunne lichtbruine haar hing sluik neder langs de slapen, en dekte een voorhoofd waarop iets stond uitgedrukt, dat de goede broeders wel niet hadden kunnen ontcijferen, maar dat hen toch had aangetrokken: het merkteeken van ’t genie.

Nog altijd wisten zijne verplegers niet wien zij hunne zorgen hadden besteed; toen hij zijn naam had kunnen uitspreken had hij zich slechtweg »Hans” laten noemen, en dat gaf zeker niet veel licht over zijne afkomst en stand. Slechts klonk de naam eer Duitsch dan Vlaamsch. Meer dan eens ook had de vreemde gedurende zijn ziekte in ’t ijlen der koorts, of ook wel in vlagen van smart en verbijstering, zich geuit in eene taal die zij niet verstonden en die nu eens klonk als Duitsch en dan weder op meer zuidelijken tongval denken deed. Doch dat alles belette nog niet dat hij Vlaming van afkomst zou zijn: krijgslieden, kunstenaars en kooplieden trokken van ’t eene land naar ’t andere te dier tijde, en dienden voor meerder of minder jaren vreemde heeren zonder daarom voor altijd de zaak van hun landsheer verlaten te hebben, en Karels leger was versterkt door Italianen, Duitschers, Polen en Portugeezen zelfs, zoodat het gebruik van vreemde talen daar vrij algemeen was. De broeders bleven dus vasthouden aan hunne eerste onderstelling, dat Hans, die zich volstrekt niet uitliet over zijn rang en die zijn geslachtsnaam scheen te verbergen, een der voorname krijgsbevelhebbers van Karel den Stouten moest zijn. Een der ziekebroeders, die alover de dertig jaren in ’t hospitaal had geleefd, en niet dan zeldzaam eenige aanraking met de buitenwereld had gehad, opperde de mogelijkheid of de onbekende niet Karel de Stoute zelf kon zijn? Diens leeftijd moest, naar zijne berekening, wel overeenkomen met dien van hun patiënt, en er liep een gerucht dat de Hertog niet werkelijk dood zoude zijn. Het naakte, uitgeschudde, verwonde lijk dat men met het aangezicht in het ijs vastgevrozen had gevonden op het slagveld, en dat door sommigen was herkend geworden, werd door anderen niet voor dat van den Vorst gehouden, en de sprake ging onder ’t volk, dat deze onder het uiterste smarten schaamtegevoel over zijne laatste volkomene nederlaag, zich ergens schuilhield en niet tot de wereld, niet tot de zijnen wilde wederkeeren. Waarom kon hij niet zoo goed hierzijn als ergens elders? Waarom kon het deze niet zijn, wiens geheele voorkomen iets zonderlings en geheimzinnigs had, dat wel van eenige ongewone lotswisseling scheen te getuigen? De goede broeder werd uitgelachen over zijne onderstelling door de jongeren en meer wereld-wijzen, waaronder er waren die den Hertog meer dan eens hadden gezien. Maar waarheid is, dat Karel de Stoute zelf, in zulk geval, nauwelijks meer voorzorg kon gebruikt hebben om zijn geheim te bewaren dan de zich noemende Hans, toen hij zijne bewustheid herkreeg en meester was van zijne woorden en gebaren. Geen enkele vraag ontviel hem die anderen aanleiding kon geven om hem wedervragen te doen over het verledene, en zoo men hem diens ondanks daarop brengen wilde, dan verviel hij in zoodanige vlaag van sombere afgetrokkenheid, dat hij vergat te antwoorden of een verward en verbijsterd antwoord gaf, en zoo duidelijk bleek het dan, dat men hem smarte had aan gedaan, dat de goedhartige en zorgvuldige verplegers aflieten hem te kwellen en het offer hunner nieuwsgierigheid brachten op datzelfde altaar der liefde, waar zij reeds zoovele offers der zelfverloochening hadden neergelegd. Zooveel was hun echter tot zekerheid geworden, de belangwekkende herstellende had een verleden, waarmede hij voor goed wilde gebroken hebben, en waarvan iedere herinnering hem pijn deed. Had hij nog eene toekomst? dat was eene andere vraag, die de goede broeders in hunne bescheidenheid hem nog minder durfden doen, maar die hij vermoedelijk zich zelven deed, zonder haar geruststellend te kunnen beantwoorden; want terwijl hij hunne goedheden roemde en dankte voor hunne liefdezorgen, ontviel hem telkens de klacht, dat hij niets had om hen te vergelden, — verwonderlijke naïveteit van het genie; — wist hij het toen zelf niet dat hij het doen zoude op eene wijze, die hun hospitaal tot in volgende eeuwen bekend en beroemd zou maken onder de kunstenaars en kunstminnaars van geheel de beschaafde wereld? Dat hij te midden van dat toevluchtsoord der menschelijke ellende eene kunstgalerij zoude scheppen die nog tot op den huidigen dag de verwondering en bewondering wekt van allen, die zich de bedevaart naar ’t aloude ziekenhuis hebben getroost. En de man, die deze belooning in zijne macht had, twijfelde in oogenblikken van sombere mismoedigheid aan zich zelven, aan zijne toekomst en jammerde dat hij niet wist hoe de zorgen zijner oppassing te loonen! Maar de goede broeders hadden meer te doen gehad met onvermogende beweldadigden, en al was het hun dan ook aangezegd, dat ze geen ander loon te wachten hadden dan de innerlijke voldoening des harten, en het welgevallen des Heeren, in wiens naam zij barmhartigheid oefenden, toch gingen zij in alle getrouwheid voort met hunne verpleging, en bemoedigden den neerslachtigen herstellende met de verzekering, dat ze veeltijds het zoetste loon hadden ontvangen door hen die niet hadden te geven.Verheven paradox, alleen door reinen Christenzin ingegeven en tot waarheid gemaakt. Maar meester Hans was niet van hen die bij deze uitspraak kon berusten waar zij hem zelve gold. Zoo haast hij zijne krachten voelde toenemen, zoo haast hij zich eenige uren kon ophouden, had hij zijne verplegers verzocht hem palet, penseelen en schilderbehoeften te geven, want dat hij naar bezigheid verlangde, en dat hij iets voor hen wilde schilderen. De bevreemding der broeders was groot. Een krijgsman die jarenlang Karel den Stouten in zijne veldtochten was gevolgd (want deze bijzonderheid van zijn leven had hij hun niet verheeld) zou die het penseel hanteeren? Zij geloofden zeer weinig aan zijne bekwaamheid, en zij aarzelden… Maar toen hij aanhield met vurigen drang, begrepen zij dat men aan het ziekelijk verlangen van den herstellende behoorde toe te geven; het gebruik mocht dan zijn zooals het wilde, het zou toch eene afleiding zijn voor het droefgeestig gemoed. Hem werd alles toegeschikt wat hij wenschte. Toen hief de neergebogen lijder zich op en toog aan het werk met een vuur en ijver, met een glans van vergenoegen op het gelaat, die wel bewezen dat het oefenen dier kunst hem zielsbehoefte was, De zwakke vermagerde hand bleek vast en krachtig bij het voeren van het penseel, de inspanning perste zweetdroppelen uit de fijne poriën, maar het oog schitterde van het vuur der bezieling, de gloed der geestdrift kleurde de bleeke uitgeholde wangen; de volharding en de werklust lieten zich nauwelijks binden aan de voorschriften der voorzichtigheid. Uit de eerste proeven zagen de broeders reeds dat iets anders dan ziekelijke inbeelding dien vreemde tot dien arbeid had gedreven; ze waren niet genoeg kunstkenners om de waarde van zijne eerste vluchtige schetsen te kunnen bevatten, maar ze waren genoeg liefhebbers (de liefde voor de kunst is den Vlamingen als in ’t harte geprent) om met groot welgevallen zijn aanbod te vernemen, om iets te vervaardigen dat hen tot wezenlijken dienst zou zij in hunne kapel.

Het geestelijk gezelschap namelijk was in het bezit eener hooggeschatte reliek, herkomstig van St. Ursula de vorstelijke pelgrimme, die met hare elfduizend edele jonkvrouwen uit Groot-Brittanje ter bedevaart was getogen naar Keulen, met het vrome doel om den woesten Attila en zijne horden tot het Christendom te bekeeren, en met die allen een smartelijken, maar roemrijken martelaarsdood had gevonden, zooals de legende getuigt. Of die legende een vasten historisch en grond had, of de echtheid der reliek te bewijzen was, ligt niet in onzen weg te onderzoeken; zeker is het dat de meester-schilder zich niet met dat onderzoek ophield, maar dat hij het voorwerp door zijne weldoeners in hooge eere gehouden, eene bergplaats wist te bereiden, die later van zoo hooge kunstwaarde werd geacht, dat rijke en vorstelijke kunstliefhebbers die volgaarne hadden willen inwisselen tegen eene van denzelfden omvang en zwaarte in edel metaal! En de arme meester Hans, die met droefheid had moeten zeggen, »zilver en goud heb ik niet,” had er dus zonder overdreven eigendunk bij kunnen voegen, »maar ik heb meer dan dit om te geven,” want hij had wat beters gegeven dan zilver en goud: hij had hun de reliekkast van St. Ursula geschonken, wier beschouwing alleen tot den tocht naar Brugge moet uitlokken, en die met alle recht is gesteld onder de wonderen der kunst, die de glorie uitmaken dezer kunstlievende en in kunstschatten zoo rijke stad.

De reliekkast van St. Ursula in het St. Jans hospitaal te Brugge is zoo vaak en zoo uitvoerig beschreven en voorgesteld door bevoegden en kunstenaars, dat ik mij liefst niet aan eene beschrijving daarvan zoude wagen, maar veeleer mijne lezers en lezeressen aanrade, om zelf een uitstapje naar Brugge te maken om met eigene oogen te zien, en op eigene gewaarwordingen te teren, ware het niet te vreezen dat er onder hen zullen zijn, die daartoe niet kunnen komen, en die er mogelijk nimmer van gehoord hebben. Om deze ten minste eenig denkbeeld te geven van dit Herculeswerk. dat te zwaarder moest zijn naar gelang der kleine proportiën, wil ik trachten hun duidelijk te maken, hoe dat kunstgewrocht er uit ziet en welke er de verdiensten van zijn.

De reliekkast heeft den vorm eener oud-gothieke kerk met hare kruisen en klaverbladeren en ranke, van beeldwerk voorziene torentjes, het al in verguld koper, Ter weerszijden van het dak ziet men drie medaillons, musiceerende engelen voorstellende, op wier lieflijk gelaat een waas van Hemelschen zin en Hemelsche reinheid ligt uitgespreid, die hen waarlijk als niet tot deze aarde behoorende kenschetsen; maar zij zijn hier niet dan bijzaak. Het hoofdwerk is de geschiedenis van St. Ursula en hare maagdelijke tochtgenooten, voorgesteld op de zes boogvormige paneeltjes, nauwelijks een voet breed, die tusschen de fijne koperen kolommen zijn ingezet en die het kerkgebouw voorstellen. De geheele geschiedenis in alle hare uitvoerigheid zooals de legende die aangeeft! Haar vertrek uit Groot-Brittanje met de gezegde elfduizend maagden, en een groot getal ridders en pages die volgen tot haren .dienst en bescherming. De inscheping; de tocht naar Rome; het bezoek bij den Heiligen Vader, die haar ontvangt en den zegen geeft, ten overstaan van zijne hooge geestelijkheid, en het besluit neemt den vromen stoet te begeleiden; de gansche reize langs den Rijn, wiens rotsachtige oevers, gothieke kasteelen en roofsloten met zeldzame trouwen juistheid zijn weergegeven; de aankomst in de aloude stad Keulen; het heidensche leger dat den jonkvrouwelijk en pelgrimstoet opwacht om dien met woestheid aan te randen en met wreedheid te moorden; Ursula zelve, tot het laatste gespaard, die men ziet vallen door de hand van Maximiliaan — ziedaar het grootsch en aandoenlijk drama, welks tafereelen zich daar voor het oog ontrollen: een heldendicht door het penseel geschetst en waarvan de uitvoering de hoogste bewondering wekt. Alle die honderde kleine figuurtjes zijn niet in bonte, verwarde massa opeengetast; ieder heeft zijne plaats, zijne behoorlijke ruimte, zijne eigenaardige uitdrukking. Maagdelijke reinheid en de bezieling der hoogere geestdrift liggen op het gelaat der Britsche prinses; stille vroomheid en zachte onschuld op dat harer tochtgenooten, die men ziet in voortdurend gebed. De wanhopigste krachtinspanning verwringt de wezenstrekken en verlengt als het ware de ledematen der ridders en pages die haar trachten te beschermen; de verstomping der dierlijke wreedheid neemt, men waar bij de heidensche speerknechten en boogschutters, die hunne wapenen richten tegen den zwakken weerloozen vrouwenstoet. De helsche verharding van wie zich tegen betere inspraak verzet, spreekt uit den blik van Maximiliaan, waar hij de heilige Ursula doorvlijmt. Alles is voorgesteld met eene naïeveteit die een glimlach ontlokt, en evenwel tot tranen roert. Gij voelt u getroffen door het kinderlijk sublime dat u toespreekt en aantrekt, dat u eene huivering door de leden jaagt, terwijl de mond zich tot een glimlach heeft geplooid. Het is als bij Shakespeare, u wordt niets gespaard, maar… ge wilt ook niets missen. De voorbeeldelooze uitvoerigheid van deze miniatuurschildering moet met het gewapend oog worden nagespeurd om recht gewaardeerd te worden. De scherpturende blik ontwaart een paar vlekjes op een blinkend koperen borstharnas… gebruik het vergrootglas en de vlekjes vertoonen u de beeltenis van de Heilige en van haar moordenaar, zich afspiegelend in het metaal! Gij bemerkt op een achtergrond een gothiek huis, welks boogvensters u toelaten waar te nemen wat er op een bovenverdieping voorvalt. Gij ziet er eene vrouw verdiept in de beschouwing van een Hemelsch visioen, gij herkent lichtelijk Ursula; maar gij wilt weten wat die wolk van purper en licht beduidt, waarop de jonkvrouw in haar extase den blik houdt gericht, gij neemt de hulp der kunst te baat en voor uw blik ontplooit zich de kleurige nevel en geeft eene verkorte voorstelling te zien — eene prophetie en action van de lotgevallen die der jeugdige Heilige wachten. Men aanschouwt zeer duidelijk den Paus, in prachtig gewaad en luisterrijke omgeving; men ziet hare ridders, hare jonkvrouwen, hare belagers, haar moorder en tot zelfs het wapen waarmede zij zal getroffen worden! Wat dient hier het meeste bewonderd? Het vernuft der vinding of het vermogen der uitvoering; het genie dat het grootsch geheel samenstelt en de kleinste bijzonderheid niet verachteloost, of het geduld dat zich bij zulken arbeid is gelijkgebleven? Men bedenke daarbij dat het deze miniatuurschildering noch aan grootschheid, noch aan kracht ontbreekt. De behandeling is noch kleingeestig noch achteloos. Er is frischheid, er is rijkdom in de kleuren, er is forschheid in de figuren. De costumen zijn in aanzien van den tijd juisten waar. Het landschap en de stadsgezichten van Keulen en Rome, de Rijnoevers, zijn zoo goed weergegeven, dat de reizigers ze ter stond herkennen, en dat in een tijd toen een goudgrond of een conventioneel landschap nog den vastgestelden achtergrond vormde van de meeste schilderstukken. De man, die de reliekkast van St. Ursula heeft geschilderd, moet niet enkel een grootmeester in zijn vak zijn geweest, maar hij was ook een denker, ook een dichter, ook een oorspronkelijk genie, die wel van anderen kon geleerd hebben en overnemen, maar die allereerst en meest van zich zelven raad nam, en alles bezielde en veredelde wat hij aan raakte.

En deze meester had dan niet eens een naam, vraagt men? Och ja! hij had er een, maar het was nog geen beroemde onder zijne tijdgenooten, ondanks het recht dat hij reeds had om vermaard te zijn; maar het was er een die de geschiedenis niet eens zuiver heeft bewaard; althans in onzen tijd, een tijd waarin men zoo veel weet van ’t geen waarin men belang stelt te weten, is men het nog niet recht eens hoe die naam moet gespeld worden. Sommigen noemen hem Hans Hemling, elders schrijft men Johan Hemmelinck of Hembelynk, ook Memmelink of Memling. De Italianen maken er Juan Memmelino van, de Spanjaarden Juan Flamenco, en er is nog niet met zekerheid uitgewezen hoe het eigenlijk zijn moet. Zijn werk houdt eene eenige, eene belangrijke plaats in de geschiedenis der kunst, maar de strenge geschiedenis heeft zijn persoon niet belangrijk genoeg geacht om in hare breede rollen zijn naam en lotgevallen te boeken, Zijne afkomst, de plaats zijner geboorte, alles laat zij in ’t onzekere. De Duitschers eigenen zich hem toe als een landgenoot; zijne kennis van de Rijnstreken, het vele werk dat er van hem gevonden wordt in allerlei kerken en kloosters van Duitschland, en de bijzonderheid dat er een Duitsche tint ligt over zijne figuren meer dan een Vlaamsche, en vooral dat hij zich lang te Keulen en te Constanz moet hebben opgehouden, schijnt er hun aanleiding toe te geven. België echter betwist aan Duitschland die eer en geeft hem Brussel, of Brugge, of de stad Damme, — dat nu niet eens meer een stedeke is — tot geboorteplaats, en hoe weinig zeker zij dan ook moge zijn omtrent de plek waar hij het eerste levenslicht zag, hare rechten om hem als landgenoot te groeten, blijken op iedere wijze gegrond. Zijn werk vooral spreekt voor dat recht, want al getuigt het van kennis aan de oude Duitsche meesters al getuigt het van lang verblijf in den vreemde, in Italië of zelfs in Spanje, de stempel van de oude Brugsche school is niet te miskennen in de eerste en oudste proeven van zijne kunst, die er zijn bewaard gebleven. Zijne eerste schreden op de baan der kunst moet hij gedaan hebben, wel niet onder de leiding van Jan van Eyck zelf, maar toch onder die van een zijner oudste, leerlingen, Rogier van der Weijde, Rogier van Brugge toegenaamd. Later behield hij van zijne meesters wat hem goed dacht, en vormde zich eene eigene manier, maar door die school is hij heengegaan in zijne eerste jeugd, en zij heeft voortdurend invloeld geoefend op zijn werk, hetgeen niet te betreuren is, maar hetgeen helpt bewijzen, dat Vlaanderen hem voor het eerst heeft gekoesterd en gekweekt. Gekoesterd! het woord is onjuist gekozen, want uit alles schijnt te blijken, niet het minst uit de verachtloozing der geschiedenis te zijnen opzichte, dat hij geen troetelkind der fortuin is geweest; dat zijne geboorteplaats bij zijn leven hem stiefkind heeft gehouden, en weinig prijs heeft gesteld op hetgeen de nakomelingschap nu met reden wel hoog waardeert. De overlevering en de legende, de mildste (maar zeker niet onvermengde bronnen) die men kan raadplegen als men iets van Memlings persoon wil weten, geven te onderstellen, dat hij lang is miskend geworden en dat hij veel heeft geleden en geworsteld eer de roem en de fortuin hem hunne kransen en gunsten hebben verleend, en dat ze hem niet werden toegeworpen, maar met zweet en arbeid zijn verdiend. Zijne portretten ook, door hem zelf vervaardigd schijnen hem aan te wijzen als een lijder, als een man van een vast wil, van een sterk karakter, maar geenszins van die heldere opgeruimde gemoedsstemming, die de gunstelingen der fortuin kenmerkt en welgevallig maakt. En zoo zijn naam niet reeds in 1472 gevonden werd op de breede, lijst van kunstenaren door Karel den Stouten bezoldigd en geconsidereerd als in zijn dienst, men zou moeten gelooven dat hij later diens vanen was gevolgd als gewoon soldenier, en met het wanhopig besluit om in den krijg dien roem te zoeken, die hem als kunstenaar toekwam en toch niet was geworden.

Maar wij hebben ons laten aflokken van het terrein dat wij gekozen hadden om Memling voor te stellen; wij moe ten daarop terug, midden onder de ziekebroeders en klooster zusters, nog onwetend van een naam die hun toch niet veel zou gezegd hebben; maar die reeds begrip kregen van zijn kunstvermogen, toen zij hem zagen werken en in blijde verrassing staarden op de eerste voortbrengselen zijner kunst, die hij hun te aanschouwen gaf. Het spreekt vanzelve dat de inwoners van het St. Jans hospitaal niet de voltooiing van het zeldzaam kunstgewrocht hebben afgewacht, want het moet een arbeid zijn geweest van zeer langen duur; men zou onderstellen dat die jaren tijds zal gekost hebben; maar bij het vele dat Memling gedurende zijn verblijf te Brugge heeft voortgebracht, moet men aannemen dat hij even snel als meesterlijk heeft gewerkt. Met het eigenaardige der miniatuurschildering meer gemeenzaam dan men het is in onzen tijd, hoewel vermoedelijk niet zoo goede beoordeelaars der schilderkunst als deze meester noodig zou gehad hebben om recht gewaardeerd te worden, waren ze echter opgetogen van hetgeen ze zagen daarstellen, en kwamen zij den schilder om strijd danken en aanmoedigen. Hunne verbazing over de schoone Rijnoevers, over de wondervreemde vaartuigen, over het gezicht van de heilige stad Rome en de vreemde stad Keulen lokten als vanzelve vragen uit over zijne reizen, over zijn werken, over zijne standsverwisseling — want het was wel duidelijk dat hij schilder moest geweest zijn eer hij krijgsman was geworden — vragen die hij echter met de meeste kortheid beantwoordde, zonder hen in te lichten over de oorzaken die hem tot dit alles gebracht hadden. Zij zochten achter die terughouding geene misdaad of schande, maar ongeluk en smarten, die het hem te zwaar moest vallen op nieuw te verfrisschen door er van te spreken. In een ziekenhuis, in een klooster, was zulke bescheidenheid en verschooning niet vreemd. Zij hadden hem reeds leeren kennen als een vroom en geloovig Christen, die met gemoedelijken eenvoud zich voegde naar de strenge leefwijze van het klooster, hoezeer die ook in tegenstelling was met het woelig en ongeregeld leven van een reiziger, dat hij voorheen moest geleid hebben. Doch ook van zulke contrasten hadden de broeders de ervaring. Meer dan één schitterende en stormachtige levensloop had onder hen zijn eind gevonden in de stille roemlooze vergetelheid van dit gesticht. Zonderling, deze eene zou er juist de helderste stralen van zijn roem opvangen, en de hoogste gunsten der fortuin die hij genieten zou, moesten te midden van deze afzondering op hem vallen!

Toen eindelijk het schilderwerk gereed was, en ook de beeldwerkers en vergulders hunne krachten hadden besteed om het geheel op voegzame wijze in te lijsten; toen de kostbare reliekkast in haar geheel daar stond, en in allen glans dien men er aan had kunnen geven, waren het niet meer de kloosterlingen alleen wier oog zich daaraan mocht verlustigen. Zij werd tentoongesteld in de regentenzaal ter bezichtiging voor belangstellenden in een zeldzaam kunst gewrocht. En de dankbare schenker, zoowel als de begiftigden hadden de voldoening, dat niet slechts eene nieuwsgierige menigte, maar inzonderheid kunstenaars en liefhebbers der »schoone konste” het verwonderlijke schilderwerk kwamen zien en luide den lof er van verkondigden. De meesten hunner deden meer, zij wilden den meester-schilder leeren kennen, zij wilden van zijn werk bezitten. Tot het laatste toonde deze zich bereid, maar tot het eerste werd men weinig aangemoedigd. De strakke zwijgende man had niets aantrekkelijks noch innemends voor het meerendeel der menschen, en zijn koude ernst, zijne stille zwaarmoedigheid weerden, misschien zelfs zonder dat hij het wilde, alle gemeenzaamhei en vertrouwelijke toenadering af. Alleen op vragen, die in betrekking stonden tot zijne kunst, verwierf men een antwoord; nooit ontplooide een glimlach van zachte minzaamheid zijne bleek, lippen; nooit kwam er een woord van courtoisie of wellevende vleierij over zijne tong; hij wist niet te behagen, of, hij wilde het niet; maar zeker, hij scheen ongeschikt voor den omgang met vroolijke, gezellige menschen, zooals de rijke levenslustige Bruggenaars waren, die door kunstliefde tot hem gevoerd werden. Hij scheen geboren voor de stilte en de afzondering van een klooster; men liet hem daarin, en men begon meer en meer naar zijn werk te vragen, met terzijdestelling van zijn persoon, Dit scheen hij zelf bedoeld te hebben; hij droeg het althans met de grootste gelijkmoedigheid, en zonder iets te doen om te verhouding te veranderen. Hij scheen zich nauw verbonden te gevoelen aan de ziekebroeders; hij schonk hun zijn portret in de kleeding van het hospitaal, die hij bleef dragen; het was of hij zich er toe stelde zeer lang bij hen te blijven, zoo niet voor het leven. Zij van hunne zijde deden wat zij konden om hem te vergenoegen. De groote regentenzaal, die slechts bij zeer enkele gelegenheden werd gebruikt, werd zijne ruime en vrije werkplaats, zijne vermaardheid nam toe ondanks, misschien zelfs wel door zijne af zondering; telkens werden hem nieuwe bestellingen gedaan, die hij uitvoerde met al de volvaardigheid en met al de consciëtie van een die in den arbeid zijn lust en leven vindt, en kennelijk was het nu, dat niet meer de drang der behoefte, maar de drang der liefde, hem terughield in ’t hospitaal van St. Jan; want hij was nu in het volle bezit van zijne gezondheid en krachten, en de arme onbekende die er binnengekomen was, tot stervens toe krank en gewond, met zijn wandelstaf als eenigen rijkdom, van wien het gezegd kon worden in volle waarheid, dat hij toch zijn ganschen schat bij zich droeg in zijn zeldzaam kunsttalent — die arme onbekende was nu een rijk, geërde, weldoende gast geworden, die den roem en den trots van het gesticht uitmaakte en de welvaart er van vermeerderen en verzekeren zou tot in de toekomst. Dat hij zijne schilderijen als hij ze teekende (dat niet altijd het geval was) met eenige onleesbare letters voorzag, waaruit niet met volkomene zekerheid zijn naam was op te maken, wat zeide dat? Te dier tijde vroeg men niet zooveel naar den naam; men had de zaak, dat was allen genoeg; het was in ’t eind geen vorst, geen krijgsheld, geen staatsman, geen geestelijke of geleerde, ’t was maar de vraag van den kunstenaar, van den schilder , en ’t was aan het gilde van St. Lukas om zich over dien naam te bekommeren, als zij er belang in stelde. Toch was er iemand die er anders over dacht. Niet dat het hem juist om den naam te doen was, maar meer om ’t vertrouwen, om de vriendschap, om de diepere kennis van dien man, dien hij als kunstenaar waardeerde, in wien hij als mensch belangstelde en in wiens karakter en handelwijze hij contrasten had opgemerkt, die hem onvereenigbaar schenen in een en hetzelfde wezen. Het was Mr. Jean Floreins, een aanzienlijk en gegoed inwoner van Brugge, die het bestuur had over de geldelijke belangen van het hospitaal en die, zoowel in deze hoedanigheid als in die van oprecht kunstvriend, tot meester Hans was doorgedrongen, die zijne genegenheid had gewonnen en die voorzichtiglijk stond naar eene nog meer zeldzame gunst: zijn vertrouwen. Mogelijk zou het hem toch niet geworden zijn, zonder eene aanleiding waarvan wij spreken moeten.

Meester, of wel broeder Floreins, zooals hij ook werd genoemd, had hem eene uitvoerige vleugelschilderij opgedragen, de aanbidding der Oostersche Wijzen voorstellende, waarmede hij het hospitaal wilde begiftigen. Terwijl hij daaraan werkte, kwam Floreins den schilder dikwijls bezoeken, en bleef dan rustig en zwijgend zijn arbeid aanzien, zich vergenoegende alleen dan te spreken als deze er hem toe uitlokte. Deze bezoeken bleken zoo welkom, dat Memling hem voorstelde zijne beeltenis te schilderen op den achtergrond van de schilderij, gelijk hij voornemens was zijne eigene daarnevens eene bescheidene plaats te geven. Op een anachronisme zag men te dier tijde zoo nauw niet; maar wel op de moraliteit der voorstelling; zich met de Wijzen te vereenigen in aanbidding voor het Goddelijk Kind, was als eene daad, waardoor de schilder als Christen zich openbaarde; en hij scheen te wenschen dat de vriend zich tot die daad met hem zou vereenigen, hetgeen met blijdschap werd aangenomen. Gedurende de lange uren van dit verplicht en ongestoord samenzijn van den meester met zijn model, was van tijd tot tijd de verpoozing van een gesprek noodig geworden, en had de laatste de opmerking niet kunnen weerhouden, hoe het toch mogelijk was geweest dat een man van zoo stillen, vromen aard, die de geestverrukking en de reine zielverheffing der Heiligen zoo volkomen scheen te begrijpen en zoo juist wist weer te geven, dat men moest aannemen, hij voelde zelve mede wat hij voorstelde, dat deze man zich had kunnen voegen naar het ruwe krijgsmansleven en hoe hij het had kunnen uithouden, jarenlang, onder zoo losbandigen hoop, en te midden van de gruwelen en jammeren des oorlogs.

»Waarheid is, dat het er rouw toeging in het leger van onzen Geduchten Heer den Hertog, wien God genadig zij,” hernam meester Hans met een zucht. Zonderling, sinds de Condotièro Campo.Bassa met zijne Italianen, die zoo goed als roovers en moordenaars waren, daarin den meester speelden — doch Onze Lieve Heer Jezus heeft het wel voor ons uitgehouden aan het kruis, tusschen twee moordenaars… wat zoude ik dan klagen?… met een vasten wil gewent men zich aan alles als men moet!”

»Als men moet! lieve broeder; maar mij dunkt toch, gij hadt u daar af konnen houden; een konstenaar van uwe abelheid behoefde niet naar de wapenen te grijpen, om door het leven komen… en roem te verwerven.

Memlings gelaat wisselde in eenige seconden tweemaal van kleur; het doodelijke bleek werd vervangen door een vlammend rood; een oogenblik scheen hij willens in wilde drift uit te barsten, doch hij wist zich te weerhouden, drukte de bleeke lippen opeen, maakte het teeken des kruises, en sprak op een deemoedigen toon: »Verschoon mijn onwil, zeer lieve broeder; dat is mijn geheim, waarover ik met niemand rekenen wil dan met God en mijne consciëtie; doch dit wil ik u wel zeggen: ik ben altijd een trotsch, een korzel, een hoogmoedig man geweest, mijn leven lang, maar het was toch geen dwaze roemzucht alleen; het was de drang van vele passiën samen, de drang der omstandigheden, die mij dus lang een roeping deed verzaken, mij van God ingegeven. Ik smoorde de stemme die in mij was en die mij luide en krachtig toeriep, dat ik mij der konste zoude wijden en deze alleen: en al wat daar buiten lag zou hebben te verzaken, mij zelven verloochenende, en den Heer het welbehagelijk offer brengende van al het andere. Ik gaf gehoor aan de stemme der wereld die mij vleide met krijgsroem, met aardsche grootheid en geluk, en ik volgde de vanen van hem die mij alle deze begeerlijke goederen had toegezegd, geloovende in hetgeen hij beloofde, zelf achtende dat hij mij de schoonste en snelste bron der fortuin en der eere had opengesteld. Maar helaas, mijn Genadige Heere van Bourgondië hoe heeft hij mij bedrogen, zich zelven bedriegende allermeest! Gods mogendheid heeft den geweldige geslagen, en mij willen behouden, om mij, na zwaar en bitter lijden, nog ten laatste te doen stilstaan op mijn weg, opdat ik mocht wederkeeren… wederkeeren tot mijn vaderland, tot mijne konst, tot mijn God; want men verzaakt zijn God als men zich wendt tot de afgoden, die het eigen hart zich schept, als men weerstaat de roeping die binnen in ons is, en op eigene wegen eigen glorie zoekt. Van dat alles heb ik nu afgezien. Ik wensche van nu aan alle mijne krachten te besteden aan mijne schoone konste alleen, daarmee men God en Zijne Heiligen in allen ootmoed en devotie vereeren mag, en alle glorie die mij daarop mag toekomen, eeniglijk neer”te leggen aan den voet van ’t Kruis. Ziedaar wat met de gratie Gods mijn heden is, mijne toekomst moet zijn. Waartoe zoude ik den innerlijken strijd van het heden verzwaren, de rust en de stille blijdschap verstoren of in perikel brengen door ’t gedenken van ’t verleden; gij verstaat me, niet waar, en verschoont mij?”

Daar viel niets meer tegen te zeggen. Mr. Jehan Floreins begreep van nu aan dat hij zich met eene schemering zou moeten vergenoegen, door een enkelen lichtstaal verhelderd.

Onze lezers ook kunnen wij niets beters geven. Volle, dagheldere klaarheid, en zuiver historische zekerheid is er toch niet te verkrijgen over het leven van een man, wiens innerlijk gemoeds bestaan zeer zeker heeft teruggewerkt op zijn werk en uit dat laatste is te verklaren, doch wiens uiterlijke lotgevallen niet van zulk belang schijnen geweest te zijn, dat de historie ze heeft kunnen opteekenen.

Dat er eene vrouw hare plaatse had gehad in het hart van den kunstenaar, dat een groote ongelukkige hartstocht het doorvlijmd maar ook gelouterd moest hebben, had meester Floreins reeds lang vermoed. Hij zou er de zekerheid van krijgen. Hij had opgemerkt dat alle Memlings vrouwenfiguren, van de heilige Ursula af tot de Maagd Maria toe, ondanks de verscheidenheid, die met genoeg talent werd in ’t oog gehouden, toch een zekeren familietrek hadden, die met eenige studie telkens was uit te vinden; de leelijkheid van enkele beelden werd er door verzacht, de schoonheid van anderen er tot verhevenheid toe door veredeld.

Dat kon geen toeval zijn bij een meester, die bij alles wat hij deed zoo kennelijk zijne intentië had. Jean Floreins — hem eens in eene zachte, blijmoedige stemming vindende, terwijl hij bezig was de Moedermaagd te schilderen, die het heilig kind Jezus schijnt te onderrichten hoe Hij der wereld Zijn zegen moet geven en die de teedere handjes als vormt tot een gebaar, dat symbool kon geacht worden van geheel Zijn leven, en op wier Hemelsch gelaat de trek, waarvan wij spraken, zeer bijzonder uitkwam — kon zich niet weerhouden om hem te vragen of hij dit model had gekozen uit de goelijke, maar wat Martha-achtige ziekezusters, die gewoonlijk voor hem poseerden? Memling had kortaf geantwoord, dat het een model was dat hem in ’t hoofd lag.

»Misschien ook wel een weinig in ’t harte?” had Floreins gewaagd er bij te voegen; het was toch, dacht hem, geene onbescheidenheid; de schilder was geen geestelijke; hij was nog niet oud; maar hij was toch wat ongerust hoe de vraag zou worden opgenomen. Ditmaal stemde zij den schilder tot zachten weemoed.

»Ja, ook in ’t harte,” hernam hij, »maar zoo diep begraven, als iets, wat niet meer leven mag en dat toch niet kan sterven!”

»Maar dat uws ondanks leven en gestalte krijgt door het penseel,” dacht Floreins, terwijl hij hem zwijgend en meewarig bleef aanzien, want hij zag op dat vervallen en sterk teekenend gelaat in die oogenblikken zulke sprekende sporen van strijd en smart, dat het hem duidelijk werd, waarom die lijder naar rust verlangde ten koste zelfs van eene vergetelheid — die hij toch niet scheen te kunnen machtig worden.

Hij brak het gesprek af, met besluit om zich met deze ervaring te vergenoegen. Zijne bescheidenheid zou beloond worden; er zou iets voorvallen dat hem nog beter zou inlichten. Daar heerschte op zekeren dag eene ongewone bedrijvigheid in het stille St. Jans hospitaal. De supérieure van het Heilige-Geest klooster te Brugge, had er met toestemming van den bisschop haar tijdelijk verblijf genomen. Hoewel zij niet eigenlijk ziek was, leed zij aan eene smartelijke, langzaam verwoestende kwaal, tot wier genezing of verplichting althans de ziekezusters geacht werden het geheim te hebben, hetgeen de bezwarende voorwaarde oplegde, dat de patiënt zich geheel onder hare behandeling kwam plaatsen. Deze hier, eene dame van rang, die vroeger aan het Hof had geleefd, en waarvan men fluisterde dat ze den Hertog in den bloede bestond, was het voorwerp niet slechts van de bijzondere zorgen en oplettendheden der zusters, maar ook van hare belangstelling en bewondering.

De ziekezusters roemden hare schoonheid, hare lieftalligheid, hare singuliere vroomheid; en zij meenden meester Memling geen geringen lof te geven, waar zij hem zeiden, dat zijne allerschooste Moedermaagd haar zeer nabij kwam in schoonheid van gelaat en gestalte. De schilder haalde de schouders op en zweeg, in zijn binnenst overtuigd dat er geene vrouw leefde die te vergelijken was bij het origineel dat hij kende en vereerde,

Maar op zekeren dag kwamen de zusters hem melden dat de supérieure verlangde zijn schilderwerk te zien, nadat ze de reliekkast van St. Ursula, die nu in de kapel was geplaatst, had bewonderd, en dat zij komen zou om hem eene schilderij op te dragen voor haar klooster. De kennismaking was niet af te wijzen. Mr. Jean Floreins, altijd de tusschenpersoon waar het zijne geldelijke belangen gold zoowel als die van het hospitaal, geleidde de eerwaarde vrouwe, die langzaam en statig binnentrad. Memling stond op en groette eerbiedig, maar strak en koel, en wees haar de schilderij, die hem gezegd was dat zij begeerde te zien. Toen sloeg zij haar sluier op, terwijl zij trachtte het gelaat van hem af te wenden, maar hij had gezien — hij scheen herkend te hebben. Hij werd doods bleek, scheen een oogenblik als bedwelmd, en drukte de lippen met kracht opeen, als om een uitroep te weerhouden. Die kamp met zijne gewaarwordingen was kort maar hevig, en hij behield de overwinning. Hij zonk neer aan de voeten der eerwaarde vrouwe, terwijl hij sprak:

»Gij hebt het beste deel gekozen. Uw zegen, mevrouwe! ik wil u navolgen.”

»Ik ben u slechts iets vooruit!” hernam zij, terwijl zij werkelijk zegenend hare hand over zijn hoofd uitstrekte. »Gij zijt nog in de wereld, maar van de wereld zijt gij toch niet meer. Ik meende dat gij mij reeds voorgegaan waart naar de eeuwigheid, en ik zocht den veiligsten en zekersten weg om u daar te volgen. Vergeef mij, zoo ik u lijden heb toegebracht door dat besluit.”

»Gij hebt niet, ik was op zoo iets voorbereid. Ik heb u al voor lang aan God afgestaan. Ik heb onder veel druk en lijden ten minste dat eene geleerd, mij zelven te verloochenen. En ik heb nimmer zooveel dank in ’t harte gevoeld voor deze genade als nu in deze ure. Wat Gods hand gescheiden heeft, behoorde niet bij een. De eenige mensch, die ’t in zijne macht heeft gehad de ongelijkheid die daar tusschen ons bestond te effenen, die is zelf gevallen als een schrikkelijk toonbeeld van Gods overmacht tegen de menschen die zich roekeloos verheffen willen…”

»Geen verwijt aan den doode!” viel zij in. »De Hertog, wien God genadig zij, meende het goed met ons…”

»De Heer, die mijn harte kent, weet dat ik hem dankbaar ben geweest en het mogelijke gedaan heb om zijn leven te beschermen tegen geweld en verraad; dat ik mijn leven heb willen stellen om het zijne te veiligen; het heeft niet mogen zijn. Karel de Stoute heeft in zijne laatste dagen, als door waanzin aangegrepen, zijne vrienden mistrouwd en van zich verwijderd, om zich weerloos ter prooi te geven aan vijanden en verraders; zijn schrikkelijke hoogmoed heeft hem ten val gebracht. Hij was van God verlaten ”,

»Een .mensch behoort van deze dingen niet te oordeelen, mijn broeder,” sprak zij zacht doch met nadruk. »Bij God is alles mogelijk. Bidden wij vlijtiglijk voor zijner ziele zaligheid; de voorbede der liefde, de voorbede der Heiligen vermag veel. En nu spreek mij van u zelven. Sire Olivier de la Marche, die uit zijne krijgsgevangenschap is wedergekeerd, heeft ons medegedeeld, dat hij u had zien vallen niet verre van de plek waar monseigneur zoo jammerlijk is omgekomen.”

»Hij heeft de waarheid gezegd… doodelijk.gewond en zonder bewustzijn op het slagveld neergestort, ben ik rn handen geraakt van Zwitsersche boeren, die mij hebben uitgeplunderd en mishandeld. Doch verschoon me; waartoe het verledene op te halen, dat ons van herinnering tot herinnering voeren zoude waar wij niet zijn moeten? Ik heb geleden, doch niet meer dan mij noodig is geweest; ik heb geworsteld en met Gods hulpe heb ik nu overwonnen. Ik ben gered en genezen. Ik heb begrepen dat deze dingen mij overkomen zijn, omdat ik mijne roeping miskend had en verachteloosd. Gij, mevrouwe, behoort aan de Kerk, aan Christus; ik, ik behoore aan de kunst, en deze wil ik Hem heiligen. Uw werk op deze aarde is het gebed — ik zal biddend werken. Ziehier hoe ik van nu aan met u vereenigd wil zijn! dus moet het geoorloofd wezen.”

»Zoo is het, mijn broeder. Ik wist wel dat ik u vroom en sterk zoude vinden, want zoo daar ooit vurige gebeden zijn gestort aan de voeten van ’t Heilige Kruis, voor den troon van de Koninginne des Hemels, onze gebenedijde voorsprake, zoo waren het de mijne voor u.”

»Ze zijn verhoord!” sprak hij vast en ernstig.

»Om er zekerheid van te hebben, heb ik u nog eenmaal op aarde willen weerzien, en dat moest spoedig zijn, want,” vervolgde zij met een verheven glimlach, »het gaat mij als uwe St. Ursula; ik zie het instrument daarmede ik getroffen zal worden. De pijl steekt me alreede in de borst… De pijne zal haast voorbij zijn. — En nu, verklaar mij uwe schoone schilderij van de aanbidding der Wijzen uit het Oosten… Broeder Floreins, waarom zijt ge ter zijde gegaan? Wat ik met dezen mijn broeder in Christus te spreken had, mocht wel in aller menschen ooren klinken,” De goede Floreins had zich werkelijk zoo ver mogelijk op een afstand gehouden, toen hij zag dat zijne tusschenkomst bij de stoffelijke belangen van zijn vriend niet werd gevraagd, maar de belangstelling, de nieuwsgierigheid had hem te zeer overmeesterd, dan dat hij zich geheel had kunnen verwijderen.

In eene zielsstemming als waartoe deze ure Memling moet hebben opgevoerd, kon hij het plan maken voor zijn mystiek huwelijk van Catharina van Siena, eene schilderij die nog in St. Jans hospitaal te bezichtigen is, De supérieure van het Heilige Geest klooster stierf in het St. lans hospitaal, maar Memling zag haar niet weer. Na dit wederzien scheen hij rustiger geworden en zich minder afkeerig te toonen van alle aanraking met menschen; hij gaf gehoor aan de stemmen die hem buiten zijne stille werk plaats riepen. De rijke abdij van St. Bertin en de stad Leuven wenschten en zagen hem achtereenvolgens in hunne muren om aan belangrijke opdrachten te voldoen.

Het was of de volmaakte afzondering, die hij eens had begeerd, hem niet meer wenschelijk scheen. Omstreeks de jaren 1480 of 1482 verliet Hans Memling het St. Jans hospitaal en Brugge en Vlaanderen, vermoedelijk plotseling, en zonder iemand toe te vertrouwen werwaarts hij zich heenwendde; eigenwillig brekende met de fortuin en den roem, die hem daar hunne gunsten hadden geschonken. Latere ontdekkingen geven recht om te gelooven dat hij naar Spanje is getrokken en er geleefd en gewerkt heeft tot na het jaar 1499. De onderzoekingen van Don Antonio Ponz, in den jare 1799 in de archieven van het Karthuizer klooster van Mira-Flores, schijnen Memling aan te wijzen als den vervaardiger van een reeks schilderstukken in de kapel aldaar, ten onderwerp hebbende tooneelen uit het leven en den marteldood van Johannes den Dooper, hoewel hij er bekend stond onder den naam van Juan Flamenco. Het was zijne compositie, zijne behandeling en droeg zoozeer zijn eigenaardig en stempel, dat men aan geen ander schilder van dat tijdvak schijnt te kunnen denken, op wien die naam toepasselijk zou kunnen zijn. Is die onderstelling waar, dan weten wij ten minste waar, en hoe hij geëndigd is; is zij niet waar, dan blijft het leven onzeker waar zijn graf als zijn wieg te zoeken… maar wat doet er dat toe? Hetgeen niet kan betwijfeld worden, dat is zijn kunstvermogen, zijne vroomheid, zijne dankbaarheid; want hij heeft er bewijzen van gegeven in het St. lans gasthuis te Brugge, die na meer dan vierhonderd jaar nog in wezen zijn om er van te getuigen, zonder iets van hunne waarde verloren te hebben; ja wier waarde juist nu meer dan voorheen wordt erkend en begrepenr

De Heere verleent soms zijn menschen-kinderen wondergroot gaven… aan hen is ’t om ze wel te gebruiken, en er den Gever voor te danken en mee te eeren. ”

1857.


Ingezonden op: 19 July 2001