JAN WOUTERS VAN CUYCK.

KUNSTSCHILDER EN MARTELAAR.


De kroon is niet zoo waard en zoet,… Waaraan men ligt geraken kan , Dan die, gehaald door zweet en bloed Niet staat gereed voor alle man.
D. Rz. KAMPHUYZEN, Stichtelijke Rijmen.

I.

Zeer waarde lezers! wij voeren u naar de werkplaats van een Hollandsch schilder. Dat niemand zich echter door zijne verbeelding late verleiden, om hier te denken aan een ruim, prachtig atelier, voorzien van alles wat kunstzin en goede smaak kunnen samenbrengen, om den kunstenaar bij zijn werk tot hulpmiddellen te zijn en zijn oog behagelijk aan te doen; met één woord, wij leiden u niet in bij eenig schilder van onzen tijd, die allen in meerdere of mindere mate het geheim verstaan. zich door de kunst te laten dienen, terwijl zij. haar dienen, en die dus hunne omgeving in overeenstemming weten te brengen, zoowel met de eischen van hun werk, als met die der weelde en die van hun smaak. Onze kunstenaar is niet van onzen tijd, en daarbij, hij verkeert in omstandigheden, die hem geene gelegenheid laten, om aan zijne comforts te denken, zelfs al had men de beteekenis van dat woord in 1572 zoo goed begrepen als in onze eeuw.

Het armelijke bovenvertrek op den Rietdijk te Dordrecht dan was eene schilderkamer, in zoover men er de volstrekt onontbeerlijke hulpmiddelen vond om te schilderen, en er door het eenige hooge kruisraam een licht viel, dat vrij gunstig was, naar het oordeel van den schilder zelven. Er kon dus gewerkt worden en er was ook gewerkt, getuige een klein schilderstukje op een ezel, dat bijna voltooid was, doch over welks kunstwaarde wij geen onderzoek gaan instellen; maar hiermede was dan ook alles gezegd, men vond er niets dan het onmisbare; geen sieraad, geen meubel was er te veel, en zelfs een stoel te weinig, want behalve die, waarop een paar kostumes onachtzaam waren neergeworpen, was er geen andere dan die van den schilder zelven, en zoo er bezoek komen mocht… maar op bezoekers was er zeker niet gerekend, en wie toch kwam, moest hier dus heel gemeenzaam zijn, of zou zeer onwelkom wezen. Wij haasten ons het te zeggen, de schamele omgeving, waarin wij onzen kunstenaar aantreffen, is geen gevolg van armoede en onbekendheid; het is Jan Woutersz. van Cuyck, dien wij u voorstellen, en zijn naam was in zijne stad, in zijn vaderland, gansch geen onbekende, gansch geen ongeachte. Hij werd er mede geteld onder de beroemde kunstenaars van zijn tijd, en was bovenal vermaard om zijne vaardigheid in het schrijven en schilderen op glas, een talent dat toenmaals hoog geschat werd en ruim beloond. Wij zouden in van Cuyck dus zoowel een rijk als een geëerd man zien, zoo er niet dit eene aan gehaperd had, dat hij op een slechten voet stond met de justitie der goede stad Dordrecht. Dit dwong hem zich schuil te houden om hare aandacht te ontgaan dit dwong hem somwijlen plotseling van verblijf te verwisselen, om hare vervolging te ontkomen en schielijk de eerste de beste woning in te trekken, die zich gastvrij voor hem opende en hem tot eene stille en veilige schuilplaats kon zijn, terwijl het kortstondige en ’t onzekere van zijn verblijf hem noch lust noch gelegenheid liet; om er zich een thuis te bereiden, zooals hij het liefst zou gewenscht hebben. Zoo was Jan Woutersz. dan een misdadiger? Niet in onze oogen althans; niet in de uwe zoo wij hopen. Zijne misdaad was dezelfde, waaraan duizende Nederlanders te dier dagen schuldig waren, of liever, waarom zij als schuldigen vervolgd werden, naar de bevelen van hun eigen Landheer, Koning Filips II, die geene gewetensvrijheid duldde in zijne Staten, hierin vlijtig gediend door de Roomsch-katholieke geestelijkheid, die in deze hare eigene zaak — de zaak harer Kerk te beschermen had. In de oogen dier Geestelijkheid nu was van Cuyck schuldig, omdat hij, met het woord in ’t harte en op de lippen:

»Men moet Gode meer gehoorzamen dan de menschen”, geweigerd had in zaken van religie andere voorschriften te volgen dan die van zijne overtuiging en van zijne consciëntie, en de wereldlijke macht was te dier tijd te Dordrecht nog de onderdanige dienaresse der Priesterschap. Voor ’t overige was van Cuyk…” maar wij zullen hem zien handelen.

Eerst echter een blik op zijn uiterlijk, dat den stempel dragen van ’t geen hij is, een waardig zoon zijner krachtige eeuw. Er ligt vastheid en volharding op zijne rustige trekken, er spreekt geestdrift en levenslust uit zijn donkerblauwoog, ondanks al den ernst van het leven, dien hij heeft onderkend, ondanks al de zwaarte van den druk, waaronder hij leeft op dit oogenblik. Het frissche rood der gezondheid is er niet door verbleekt op zijne wang, de gulle glimlach der vroolijkheid is niet voor altijd verstorven om dien mond. Het lichaam is gezond en krachtig, de ziel is helder en blijmoedig; men ziet het hem aan, diens mans rust en geluk zijn niet afhankelijk van de uiterlijke omstandigheden; zij kunnen hem veelontnemen, hem met erger bedreigen, maar ze zullen er hem niet toe brengen, bij gemis troosteloos te jammeren, of zich door schrik te laten verslaan; zijne kleeding is zelfs in deze afzondering niet verwaarloosd, hoewel streng eenvoudig. Hij draagt het deftig zwart lakensch wambuis en den zeer smal geplooid en halskraag der aanzienlijke burgers; de mouwen van het eerste zijn losgeknoopt tot boven de buiging van den arm, en laten fijn linnen ondermouwen zien, wier heldere witheid groot gevaar bedreigt, want de schilder is bezig de verven op zijn palet te schikken, en het is waarschijnlijk, dat hij daarbij de zorge voor zijne kleeding vergeet… Neen toch, hij denkt er aan, want hij slaat de mouwen op, en nu zien wij een krachtvollen; gespierden arm, die zwaarder werktuig had kunnen voeren dan het lichte penseel. Een harde en haastige tik aan de binnendeur van ’t vertrek leidt zijne aandacht af van zijn arbeid. Hij staat op en opent zelf.

»Vrouw Zegers!” riep hij met kennelijke teleurstelling, terwijl hij eene persoon binnenliet, gekleed in ’t blauwen grijs karsaai, naar de wijze van den geringen burgerstand; het was zijne hospita van het oogenblik. Eene knappe burgervrouw, met helderbruine oogen, een goelijk gelaat, die, zonder acht te slaan op ’t geen zijne trekken uitdrukten, met zeker welgevallen uitriep:

»Ik zelve! en met uw noenmaal, me dunkt ik zal welkom zijn, Meesters Woutersz.!”

»Gij zijt het, goede Marij! doch ik hoopte, dat mijne huisvrouwzelve…”

»De toezending komt van de jonkvrouw ,” hernam Marij, terwijl zij haar korf op de tafel zette en begon uit te pakken. »Te droes! ” ging zij voort, »wat de edele joffer goed gezorgd heeft! een koude runderharst, vruchten, een gierstkoek en tweederlei wijn, Rijnsche bleeker en zoete malvezei; voorzeker, Meester! ge gaat goede sier maken of ’t slempdag ware!”

»Neem er af wat u gelust, Marij! zoo deelen we samen; doch zeg me, weet ge niets van mijne vrouw, zij had toch beloofd mij ons dochterken toe te schikken!”

» Uw harte jookt naar ’t oevle bericht, dat mijne tonge niet dan schroomachtig overbrengt…”

»Ik ben bereid ook het kwade te hooren,” hernam hij vast, en zag haar aan met een rustigen blik, »spreek toch.”

» Wel dan!” hervatte zij met eenige verlegenheid, »de uwen moeten mijn huis mijden, omdat wij vernomen hebben, hoe des Schouts dienaren op hunne wegen letten… daarom zond jonkvrouw van Beveren haar ouden Simon, daar niemand op achten dat een vertrouwd dienaar is.”

»Ook dit nog!” hernam Cuyck met een pijnlijken zucht, »sinds het huiselijk geluk mij ontzegd werd, was het mij de beste vergoeding, mijne Brechte en haar kind somwijlen hier te zien, ware het ook kort, ware het ook ter sluik… doch! rust, mijne ziele!” sprak hij, de oogen naar boven slaande, »rust ook hierin. ’t Is Gods wille, die ’t u oplegt.”

Eene wijle liep hij, in gepeins verdiept, het vertrek op en neder, zonder acht te slaan op vrouw Zegers, die nu geheel hare opmerkzaamheid gaf aan het keurig maal, dat ze rangschikte. »En toch,” vervolgde Woutersz. halfluid, »is dat gestadiglijk peizen simpel op mijne veiligheid niet wat overdreven zorge… Voorwaar, ’t zou vrij beter zijn, zoo mijne liefsten mij den troost van hun aanzicht bleven schenken en minder omzichtigheid gebruikten om mijnentwille.”

»Bij mijne zonden! dat ’s een zottelijke inval van zoo’n wijs man! sinds we weten, dat eene enkele onbedachtheid van hunne zijde u den Schout in handen kan voeren. En als Heer Jan van Drenkwaart eens iemand van de Doopersche sekte in zijne macht heeft, dan weten we God betert uit de exempelen wat daarna volgt!”

Van Cuyck schudde het hoofd. »’t Valt me soms in, of angstige vreeze voor lijfsbehoud wel groot bewijs is voor Christelijken moed, en als die bekommering mij aangrijpt, dan bejammer ik het, dat ik deze sluipwegen der voorzichtigheid ben ingeslagen; betaamt het mij niet veeleer vrij uit en zonder omzien mijns weegs te gaan, zonder op hunne vervolging te achten…”

»Maar mijn simpel verstand zou dat nietwes zijn dan vertwijfelde reuckeloosheid, Meester Woutersz.!” zei vrouw Zegers, »nog verschoonlijk, daar het in den aard der mannen ligt stoutelijk perikelen tegen te gaan, zoo gij een ongehijlikte borst waart; doch hoe acht ge dat vrouwen kind daarbij staan zouden? uwe ouders, die vrome Christenluiden zijn! Om niet te zeggen hoe spijtig dat wezen zou, als zulk een braaf konstenaar, daar de gansche stad u voor roemt, door ’t gespagnoliseerde gerecht voor ketter stond gevonnisd te worden…”

»Waar gesproken! dank voor uw trouwhartig vermaan, beste Marij!” riep van Cuyck, terwijl hij op haar toeging en haar de hand reikte met een verhelderd gelaat, dat bewees, hoe zijn innerlijke strijd was geëndigd. »Ja ik mag, ja ik moet mij bergen tegen nieuwe aanslagen, God kan ze verijdelen uit de kracht Zijner almacht, doch ’t past mij niet Hem te verzoeken, en ik wil leven en vrij zijn ter liefde der mijnen, ter liefde mijner nobele konst, zoolang Hij het mij gunt, die wel weet, dat ik bereid ben, beide te leven en te sterven in zijn dienst en der waarheid getuigenis te geven in banden als in vrijheid, zoo men deze enge beperking vrijheid mag noemen!” vervolgde hij, met een weemoedigen blik rondom zich ziende, »en ’t is nog de vraag, of de vier muren van een kerker mij nauwer zouden omklemmen, dan deze droeve wanden, nu ik er mij verstoken zal zien van ’t aanzicht mijner liefsten…”

»Alleen ge vergeet, Meester! dat dit eng vertrek op den wijdsten kerker dit groot voordeel heeft, dat ge, de deur links uitgaande, u bevindt in mijne woning, dat wil zeggen, bij luiden, die, zooveel in hun vermogen is, u in nood en dood zouden bijstaan, en ter andere…”

»Marij! Marij! breng me niet te binnen, dat de andere rechtstreeks heenvoert naar de volle vrije lucht! Ik mocht in verzoeking komen, tegen hetgeen ik als mijn plicht heb onderkend, de verkwikking te zoeken van in de frissche ruimte te ademen; laat mij liever eeniglijk gedenken aan uwe trouw… aan uwe goedheid, zoo welverzekerd als zeldzaam voor eene van uw geloof, tegen een, dien men u leert ketter te noemen.”

»Niet zoo zeldzaam, Meester! ge moogt het gelooven. Velen van ons, schoon ze trouw houden aan de H. Kerk, achten het te schendig een stuk, dat ze in ons vrij en goed Holland de Spagnoolsche Inquisitie invoeren, en wat de paters ook zeggen mogen, het hangen en blakeren om des geloofswille van goede ingezetenen gelust den meesten onzer niet. Daarbij ge weet, ik voor mij heb driedubbele redenen om op uwe veiligheid toe te zien, vooreerst: mijn gegeven woord aan joffer van Beveren, mijne nobele weldoenster, daartoe, de goede wil van mijn man te uwaart, sinds hij in ’t heimelijk ook al te preek loopt bij de Martinisten… en allermeest nog, ” voegde zij er bij met tranen in de oogen, »omdat, uitgezonderd de Doopersche dolingen daaraf ze u betichten, ik voor mij nooit ietwes anders in uw gezien zou hebben dan een goed Christen.mensch, die iedereen het zijne geeft, nooit zweert, noch liegt, noch kwade taal voert, en die noch beeldenstormer, noch sacramentschenner zou kunnen zijn! zooals de herdoopers en hun snoode aanhang!”

»Dank voor uw goed gevoelen, vrouw Zegers! dat ge mij onbekwaam acht tot zulke dingen; mijn nieuw geloof verbiedt mij zelfs op rouwe wijze de hand te leggen aan ’t geen anderen achten tot hunne religie te behooren, of geweld te plegen anderen tot schade of ergernis. Herdoopers en Doopsgezinden zijn niet een; ik heb het u meer gezegd, en Menno Simonsz. heeft niets gemeens met Jan van Leyden, dan afscheiding van de Pausche Kerk, zonder volkomene samenstemming met de leer van Luther nocht Calvijn. Wij condemneeren den dollen hoop der Munsterschen; wij verfoeien de ongoddelijke leer van David Jorisz. en zijne adherenten; wij zijn stille luiden, die in eenvoudigheid des harten onze zaligheid zoeken op den engen weg, en die trachten ons onbesmet te houden van de wereld, gelijk dat past aan uitverkoren kinderen Gods…”

»Eilieve!” viel Marij in half schertsend, half in ernst, »ga me niet aan met uwe godkundige redeneeringen; ik voor mij ben bagijn noch docteresse, en gansch niet voornemens, mij van onze Heilige Kerk af te scheiden; ik blijf bij mijn geloof, al heb ik de zwakheid om een der afvalligen tegens vervolging te bergen, ondanks ’t geen paters en priesters ons bevelen.”

»In die zwakheid, vrouwe Marij! zie ik de sterkte der ware Christelijke liefde, die vromelijk luistert naar ’t geen God haar in ’t harte geeft, en niet naar het onchristelijk verbod door wereldzin opgelegd; ik acht er u goede Katholieke om naar de rechtr beteekenis van het woord.”

Zij schudde het hoofd met verduisterden blik. »Ik weet dat mijn biechtvader niet van uwe opinie zal zijn; maar dat moet er nu zoo mee door, wat ik beloofd heb, dat zal ik houden: mijn harte als mijn gegeven woord porren mij daartoe; de Heilige Moeder Gods, mijne Patrones, redde daarna mijne ziele van het verderf, en hoede mij op aarde tegen de gramschap der paters…” dat laatste sprak zij half binnensmonds, als ontviel het haar ondanks zich zelve, en als ware het niet bestemd door hem gehoord te worden; maar hij had het toch verstaan.

»Ge zoudt in last en lijden komen om mijnentwille! ” riep hij met zekere drift, »dat zal niet zijn, Marij! veel liever zoek ik elders een heenkomen.”

»Oft gij u nu weg begaaft, het zou er mij niet te beter om gaan, noch slechter zoo gij blijft, Meester! peis daarop niet meer, zet u liever aan den disch. Joffer van Beveren heeft laten zeggen.” dat de giersttaart wel haastig diende aangesneden te worden. Zij heeft die zelve voor u gekneed!”

»Zoo zou ’t ondankbaar zijn niet met graagte toe te tasten,” zei van Cuyck en schoof zijn stoel bij de tafel.

Dit scheen voor vrouw Zegers als het signaal van haar aftocht.

»Wil blijven, beste Marij!” riep hij haar toe.

»Al goed, Meester!” hernam ze, »mijne kinders zullen vastenavond houden van ’t geen er overschiet.”

Zeker dreef een audere prikkel dan die van plotselingen eetlust Woutersz. aan, om met zooveel haast het mes in zijn gierstkoek te zetten; was het nieuwsgierigheid naar eenigen geheimzinnigen inhoud, zoo werd die onmiddellijk bevredigd, want bij de eerste insnijding stuitte het mes, en vertoonde zich een klein rolletje perkement, dat hij schielijk wegnam en ontvouwde.

De inhoud scheen hem echter onaangenaam aan te doen.

»Kan ’t wezen, ik zou in deze woning geen vier en twintig uren meer veilig zijn?” riep hij halfluid, ten toch, als zij het zegt, moet het waar zijn, zij heeft zulke berichten uit de naaste bron! Een zwaar lot voorwaar, viermaal van woning veranderen binnen drie maanden tijds! Als een gejaagd hert te vluchten voor het aanzicht mijner vervolgers! Doch mij betaamt het, de stemme der waarschuwing gehoor te geven en mijne tente op te rollen, als die mij toeroept: »trek heen!” Vreemd toch! wie ons verklikt mag hebben…

»Marij is getrouw; maar Schout Jan is fel op zijne prooi en heeft arendsoogen om die uit te vinden. Vandaar zeker die wenk, om hier ten spoedigste alles weg te ruimen wat arg kon geven van mijn verblijf; ik ben ’t aan mijn goede gastvrouw schuldig! Maar certein nooit was dáár konstenaar in zoo jammerlijke conditie… ik ga bij zulker manier alle geschiktheid gelijk alle occasie verliezen tot de oefening van mijn schoon handwerk, dat mij zoo treffelijk bijstaat, dit droeve, eenlijke leven vroolijkmoedig te dragen! Doch wat zwakheid is dit; zou ik opzien dit offer te brengen! Is ’t niet dat Hij, die mij dit lot toeschikt, mij gestadiglijk wil doen gedenken aan mijne vreemdelingschap op aarde, en hoe dit leven eene reize is, die heenleidt naar ’t Hemelsch Vaderland, naar ’t rustige Vaderhuis, de woning, daar Christus mij plaatse heeft bereid? En daarom getroost mijne toebereidselen gemaakt tot een nieuwen aardschen zwerftocht. Alles dient vaardig te zijn, eer de jonkvrouw komt om mij af te halen. Overtreffelijke vrouw! trouwe Christelijke ziel als zij is, zich zelve met de bezorging van mijn logies te verledigen, en nog daartoe zich te belasten met mij derwaarts in te leiden!” — Al sprekende met zich zelven — want de eenzame komt er toe, het vol gemoed in zulke oogenblikken door woorden lucht te geven — al sprekende dan, had de kunstenaar werkelijk al die beschikkingen gemaakt, die men hem scheen te hebben aangegeven. De kleine schilderij, het palet met zijne verven, die bestemd scheen daarop ongebruikt weg te drogen, de penseelen, de kostumes en alle verdere zaken, die tot zijn arbeid behoorden, werden in een groote schilderkist bijeengepakt; twee of drie boeken, die hier zijne gansche bibliotheek uitmaakten, werden daarnevens gelegd, met die zekere, behoedzame zorge, die bewees, dat voor hem die eenvoudige lederen banden eenigen geheimzinnigen schat omsloten. Eerst toen dit alles volbracht was, zette de schilder zich aan den disch; zijn gelaat was kalm, maar diep ernstig; dat afstaan van zijn arbeid, voor wie weet hoe langen tijd, had hem moeite gekost, maar toen het gedaan was, voelde hij zich rustig en getroost. De stemming van den waren Christen: droevig, maar altoos blijde, was nu de zijne. Hij kon nu rustig de komst van zijne edelmoedige beschermster afwachten, want zij had beloofd, dat zij tot hem zou komen, nog dien eigen avond, om alles met hem te regelen voor zijne veiligheid. Ook deed Jan Woutersz. van Cuyck zijn gebed met geloovig vertrouwen, en gebruikte zijn maal welgemoed en met luste.

Pas was dit verricht, of dezelfde deur, die vrouw Zegers toegang had verleend, werd geopend zonder omstandigheden; eene jonge vrouw, dicht in de huik gewikkeld en een klein meisje aan de hand leidende, trad binnen en wierp zich schreiende in de armen van Jan Woutersz.

»Brechte mijne, allerliefste vrouw!” riep hij, »die stoute verrassing treft me wonderlijk. Geloofd zij den Heere, die u den moed daartoe in ’t harte gaf!”

»’t Gebrak me juist aan moed om weg te blijven, beste man! ze hadden mij welopgelegd niet meer tot u te komen, en ik meende het te kunnen volbrengen; maar daar kwam vrouw Zegers, barmhartige ziel als ze is, mij in stilte zeggen, hoe gij ’t genomen hebt, dat ik achterbleef. Toen bezweek mijn harte ik beidde tot de schemering viel; maar die nam ik te baat, ik moest hierheen, wil vergeven. De Heere erbarme zich over ons en were het, dat mijne reuckeloosheid onheil brenge over uw; dierbaar hoofd!”

»Aan de reuckeloosheid ben ik schuld; dat gij den drang van het liefhebbend harte niet kondet weerstaan, is een blijk van uw teederen, vrouwelijken aard, dien ik dit vriendelijk weerzien danke.”

»Het moet van korten duur zijn… Ik worde gewacht,” sprak. zij met zelfbeheersching, de huik afwerpende en zich neerzettende: op een der beide stoelen.

»Luister, Woutersz.! de gemeente gaat zich verstrooien om de hitte der vervolging; bij de broederen en zusteren is besloten, dat we al t’ zamen, zoovelen we daar vrijheid toe hebben, zouden heentrekken. Ik zou meegaan en gij zoudt kunnen volgen, zoo ras de waakzaamheid niet meer op u is gericht… de voorganger oordeelde, dat het dus zijn moest, wat zegt gij daartoe?” en zij zag hem angstig vragend in de oogen. Hij sloeg ze ten Hemel, werd zeer bleek en bleef een tijdlang zwijgend in ernstig beraad; daarop sprak hij met vastheid: »Mijne vriendin en zuster! ik wil, dat gij doen zult den wille van den voorganger en u voegen bij de gemeente. Wel zijn wij hier vereend om samen te gaan; maar als het enge pad te nauw is voor het vleesch, dan dient er aan gewaagd te worden, wat hier op aarde blijven moet. Wij zijn toch één naar den geest, en in Christus blijven wij samen. Het zijn geene tijden voor hijliksluk, en nademaal de Heer ons beiden de genade heeft verleend, ons voor de zijnen aan te nemen, zoo moeten we dit heden voor eene lichte zake achten. We komen toch weer samen, zij het in den vreemde hier op de aarde — of — thuis, bij Christus.” En daarop drukte hij haar de hand en kuste haar op het voorhoofd.

Zij kon niets antwoorden, zij wischte zich haastig de tranen af; had zij eene andere uitspraak gehoopt?

»Zegen ons dochterken!” sprak zij na eene poos, het kind bij de hand nemende, dat wat vreemd en schuchter om zich heen stond te kijken. Hij nam het op zijne knieën en sprak het toen met zachten, vaderlijken ernst, eer hij zegenend de hand op het blonde hoofdje legde.

»Dat ze toch neerstiglijk leere schrijven en lezen, opdat ze de Schriftuur moge onderzoeken en dat dagelijks onderhouden. ’t Is het grootste goed, dat wij haar geven kunnen, de kennis van Gods Woord.”

»Zoo zal ik, mijn beste man en broeder! Verder over tijdelijke belangen zult ge me hierna schrijven,” hernam zij opstaande. »Ik mag niet meer toeven…”

»Nog eene wijle, — ik heb u zooveel te zeggen… , doch luister, ik hoor voetstappen op de buitentrap.”

»Wat mag dit zijn?” vroeg zij verschrikt.

»Niets, wees gerust… ik wacht… iemand, die wellicht mij te spreken heeft zonder getuigen… eilieve, ga bij vrouw Zegers… ga toch,” hernam hij, terwijl ze aarzelend staan bleef, »ik wil niet, dat men u zien zal;” hij legde in die laatste woorden eene zekere uitdrukking van ongeduld, die haar ijlings deed gaan; zij vergat hare huik om te slaan; ze vergat zelfs, dat zij zich scheidde van haar kind.

»O Heere! ’t is eene goede zaak, uwe beproevingen,” sprak van Cuyck bij zich zelven, »hoe meer Gij ons vraagt, hoe beter wij geven kunnen; straks viel het mindere mij zwaar, en nu vindt Ge mij tot dit meerdere bereid.”

Een heftige tik op de buitendeur, bewijs der driftige begeerte om binnengelaten te worden, stoorde zijne vrome overdenking. — Waarom de joffer juist de buitendeur kiest, dacht hij, zich stellende om te openen, ’t mag zijn om vrouw Zegers in niets te moeien, eer het tijd is; met vaardige snelheid opende nu Wouterz.: het was geene vrouw, die toen binnentrad, het was niemand anders dan de gevreesde Schout Jan van Drenkwaart, in eigen persoon.

De goede van Cuyck was zoo getroffen door die verschijning in plaats van de liefelijke, die hij wachtte, dat hij terugdeins en zelfs de uitroep van schrik in zijne keel werd gesmoord.

De Schout zag langzaam en oplettend rond, van zijne zijde ook met de uiterste verwondering. Men had hem eene andere uitduiding gegeven van het verblijf des kunstenaars, dien hij niet persoonlijk kende en van wiens arbeid hij wist, dat nog in den laatsten tijd de voortbrengselen werden verkocht.

»Woont hier Jan Woutersz. van Cuyck!” riep hij, half ondervragend en. half in bevreemding, terwijl hij zijn donker haviksoog op den schilder richtte.

Deze had zich intusschen hervat; hij begreep, dat hij zich redden kon door eene logen; maar hij voelde ook, dat hij het niet mocht.

»Ik verloochen zoomin mijn naam als mijn geloof! ik ben ben ’t zelf,” was zijn moedig antwoord.

»Zoo zijt ge geknipt, vermaledijde dooper! ,. riep de Schout met triomf, en zich omkeerende, riep hij zijn dienaren toe, dat zij opstijgen konden en den schuldige vatten. Van Cuyck wer4 door hen zonder barmhariigheid aangegrepen en geboeid.

»Mannen! hoe bindt ge mij dus, alsof ik een kwaad meusche ware!” riep van Cuyck met luider stem, opdat zijne gade gewaarschuwd zou zijn om te vluchten. Van de dienaars kreeg hij een ruwantwoord; maar zijn doel was bereikt, zijne vrouw kwam niet terug; de Schout deed geen verder onderzoek en vergenoegde zich met deze prooi. Naar het kind, stom van verslagenheid, zag, niemand om, dan even de vader met een steelschen blik. Toen werd hij heengesleurd langs Dordrecht’s straten tot aan de Vuilpoort, de stadsgevangenis.

Naar deel 2.


Ingezonden op: 19 July 2001