JAN WOUTERS VAN CUYCK.

KUNSTSCHILDER EN MARTELAAR.


II.

De stad Dordrecht was, gedurende de eerste drie jaren van Alva’s schrikbewind, verschoond gebleven van »geloofsonderzoek” (zegt een Historiekenner,) wiens uitspraak in dezen gelden mag); geloofsonderzoek, die vreeselijke nieuwigheid, waarmede de Oude Roomsche Kerk zich in Holland zocht te handhaven tegen die andere nieuwigheid, haar zoo gevaarlijk, waarbij de menschen het recht namen, zelve onderzoek te doen naar de gronden van hun geloof, aan de eenige zuivere bron, waaruit Christenen noodig hebben te putten: het levend water van Gods Woord; maar toch moest ten laatste de Dordtsche Regeering bewijs geven van gehoorzaamheid, in dit opzicht, aan Koning en Landvoogd, en zoo stelde zich ook daar omstreeks 1570 het kettergericht in, en werden er de bloedplakkaten uitgevoerd. In den aanvang schoorvoetend en met matiging, vooral onder de leiding van den schranderen, edelaardigen burgemeester Arend Cornelisz. van der Mijle, een goed Roomschgezinde, maar geen priesterslaaf, en den Schout Adriaan van Bleijenburg, een rustig en billijk man, die verschooning gebruikte waar hij kon, en die ten laatste, uit weerzin aan de verschrikkelijke en stuitende plichten, die hij zich zag opgelegd, zijn ambt nederlegde en zich van de regeering terugtrok, Maar zijn opvolger, Schout Jan van Drenkwaart, was van anderen zin. Jong, eerzuchtig, vurig van geest, gebruikte hij alle middelen, die onder zijn bereik lagen, om gevreesd te worden in zijne stad en geprezen aan ’t Hof van Brussel. En hij wist het, niets zou hem meer zeker leiden tot dit dubbel doel, dan de strengste toepassing der scherpe ordonnantiën tegen de ketters, die hij, als een overijverig Spaanschgezinde, en als een volstandig voorvechter en dienaar der Priesterschap, in gemoede haatte, en met volle gerustheid te vuur en te zwaard vervolgde, zonder eenige aarzeling en zonder eenig bezwaar, niet anders dan of het de vraag ware, eenig schadelijk gedierte uit te roeien. In de handen nu van dezen man, en als overgegeven aan zijne genade of ongenade, bevond zich onze kunstschilder, geapprehendeerd onder suspicie van Doopersche ketterij, eene suspicie, die de moedige van Cuyck bij het voorloopig verhoor, dat de Schout hem afnam, tot volkomene zekerheid had gemaakt.

Maar de Achilles der Dordtsche Justitie had ééne kwetsbare plek, al was het niet juist aan den hiel. Verfijnd zingenot trok hem aan; bij oppervlakkige begrippen van de schilderkunst had hij die zekere eigenschappen, die den liefhebber daarstellen. Hij had meer opgewondenheid dan diep gevoel; doch waar hij tot bewondering was geprikkeld, daar steeg de zucht naar bezit bij hem tot passie. Hij was van hen, wier belangstelling soms afdaalt zelfs tot den persoon des kunstenaars, zoo haast die zekeren graad van vermaardheid heeft verkregen. De laatste was aan van Cuyck niet te ontzeggen; de Schout was een vurig bewonderaar van zijn talent… en daarom zien wij hem nu binnentreden bij zijn gevangene tot een onderhoud, dat wij zullen afluisteren. Het bezoek was zeker meer officieus dan officiëel, want de Schout had zich door dienaren noch assistenten laten volgen, had zelfs den cipier weggezonden en groette den gevangene met een goedwilligen hoofdknik, al hetwelk hij zeker niet zou hebben gedaan, zoo hij voornemens was dezen in zijne kwaliteit in ’t verhoor te nemen; De gevangene zat in een hoek van het kerkerhol, met het hoofd tegen den muur geleund, verzonken in een stil gepeins; de stoornis was hem blijkbaar onaangenaam; hij hief het hoofd op naar den Schout, met een blik, of hij zeggen wilde: »Stoor toch niet den vrijen loop mijner gedachten en ontneem mij niet het eenige, wat men mij hier gelaten heeft, de ruste der eenzaamheid.”

Heer Jan van Drenkwaart scheen iets van die uitdrukking te begrijpen; want zijn antwoord op het zwijgend verwijt klonk als eene verontschuldiging.

»Dat ge mij hier ziet, is eene uitwerking mijner goedgunstigheid t’ uwaarts, Meester van Cuyck!”

»’t Was me niet aangezegd, Achtbare Heer!dat ik daarop te rekenen had,” hernam van Cuyck droogjes.

»Ge zult het contrarie van dien ervaren en smaken, zoo ras ge wilt.”

»In trouwe! bij aanvang heb ik ze beproefd,” hernam van Cuyck, even een blik werpende op zijne voeten,

Ze waren van schoeisel ontbloot en in ijzers geklemd.

»Ge acht zooveel op die lichte kwelling; alleenlijk een voorsmaak van ’t scherpe verhoor, dat men u naar rigueur van justitie had kunnen aandoen! wel dan, ge kunt er van ontslagen zijn, zoo ras ge wilt… , eeniglijk door uwe complicen te noemen.”

»Ik ben geen kwaaddoener, Heer! heb dus ook ge ene complicen.”

»Dezulken zijn ’t, die zich laten vinden in de grouwelijke kettersche. vergaderingen, daarin gij u gesteld hebt leider en voorganger te zijn; noem de anderen, en men zal al aanstonds wat goedheid met u gebruiken.”

»Ik kan noch wil dat, in die vergaderingen kennen wij maar één naam, dien van broeders in Jezus Christus; naar ’t overige, vragen we niet.”

»o! Gij verfoeielijke Wederdoopers, die ge daar zijt,” viel de Schout uit, zijne drift niet meester, »ge weet toch wel, dat deze samenkomsten zijn tegens de plakkaten des Konings en tegens de ordonnantiën van den Magistraat?”

»Heer Schout! dat ik u bidde, noem mij geen Wederdooper, ik ben ’t niet; ik heb u bij uwe eerste ondervraging klaarlijk uiteengezet, wat ik houde van den Christelijken doop. Ik ben maar eens op mijn geloove gedoopt, den kinderdoop houde ik niet voor een doopsel: toen ik een kind was, zoo is mij gedaan als een kind, zoo mij mijne ouders leidden; nu ik een man ben, denk ik als een man; een Anabaptist ben ik niet, met de Libertijnen heb ik niets gemeens, en wat onze samenkomsten belangt, ik wist, dat ze van de overheid verboden waren; maar ik weet ook, dat men Gode meer gehoorzamen moet dan den menschen, en ik had in mijne consciëntie de verzekerdheid, dat de Koning en de Magistraat, het zij met eerbied gezegd, hier meer wijlden nemen dan hun toekwam, en zoo gehoorzaamde ik niet.”

»Ge erkent dus zelf, dat ge schuldig en straffelijk zijt voor de wet.”

» Wel dan, Heer! ik ben in uw geweld, zoo oordeel mij en veroordeel naar uw wil; het zegt niet zoo veel, door een menschelijk oordeel getroffen te worden, zoo maar God de Heere ons vrijspreekt om den wille en door de verdienste van Zijn Zoon; het zegt niet zoo veel, wat gijlieden met dit lichaam doet; maar den geest, dien de Heere heeft levend gemaakt, dien zult gij noch dood en noch uitblusschen!”

De Schout stampvoette van ergernis, meest over zich zelven; want hij gevoelde, dat hij het gesprek op een terrein had gebracht, dat hem rechtstreeks afvoerde van zijn doel; ook om het niet te missen, wisselde hij plotseling van tactiek; hij liet zich de ware bedoeling van den spreker te misverstaan en hernam:

»Ge hebt gelijk, mijn eêle konstenaar! gij zijt nu alreede onsterfelijk door uwe werken, alschoon, ’t geen tegens mijn wil en wenschen zou zijn, alschoon Mijneheeren van den Gerechte u tot eenige smadelijken en smertelijken dood kwamen te verwijzen; die treffelijke schildergeest, die in u leeft, is u door menschendaad niet te ontrooven, ook… zelfs wie uwe dolingen haten hebben daar liefde voor en verschooning, of — weet ge ook anderszins, waarom ge simpellijk aan de enkels zijt geklemd niet aan de polsen… Men heeft u tot hiertoe de duimschroeven gespaard, mijn brave Meester! en met voordacht.”

»Neen, heer Schout! ik rade niet,” hernam van Cuyk, pijnlijk aangedaan door de valsche uitlegging, die hij hoorde geven aan zijn blijden geloofsroem.

»Wat ge onwillig of stompzinnig zijt! ’t Is opdat die vaardige vingeren nog weder konstig als vroeger het penseel zouden mogen hanteeren!”

»Ge meent, mij zou nog weer occasie gegeven worden om , schilderen?” vroeg van Cuyck, terwijl een flauwe blos zijne bleeke wangen even kleurde.

»Zoo meen ik het juist,” hernam de Schout, nader tredend, »mits ’t u gevallig kan zijn.”

»Ik zou een veinsaard moeten wezen, zoo ik anders kon spreken, dan om dankelijk aan te nemen; alleen, ik kan toch niet denken, dat men er op zint, mij de vrijheid weder te geven!”

»Dat staat niet bij mij! alleen een anderen kerker, die geschikte logies zou zijn voor u, met een bekwaam licht voor ’t oefenen uwer konst, voorzien van al zulke geriefelijkheden en wenschelijke aangenaamheden des levens, die het lot voor een gevangene verzachten kunnen, en strekken, om hem de zuurheden zijne inkerkering te doen vergeten…”

»Voorwaar, Heer Schout! dat luidt als treffelijke gonst, en zekerlijk, ik ben niet van de luiden, die eigenwillig leed zoeken, meenende, daarmede Gode welbehagelijk te zijn. Gereed wat Hij oplegt, gewilliglijk te dragen, zou ik met vreugdigheid aannemen lindering van des kerkers lasten, als eene goede gave van Zijne hand.”

»Wil echter niet overzien, dat het soulaes u zou toekomen door mij.

»En als ik vreeze op conditiën, die ik niet zal kunnen vervullen,” zuchtte de schilder met zekeren argwaan. »Is ’t niet op hope, dat ik broederen in last en lijden zal brengen, of zelf afstaan van mijn geloof, dat ge mij door goedheid wilt trekken?”

»Ik zegge u neen, ik ken u reeds te wel, stijfhoofd! om u in dezen een eisch te stellen, dien ge toch niet zoudt vervullen. Wel dan, luister. Mij gelust te sinds lange naar eenig werkstuk van uwe konstrijke hand, en ’t geval heeft gewild, dat ik tot heden toe nimmer ietwes van u heb konnen machtig worden; nu is dit mijn verlangen, dat gij hier in den kerker zijnde, eenig doek zult bemalen en mij dat afstaan…”

»Ik ben gansch gereed tot uw dienst, Heer!” sprak van Cuyck levendig; »te mogen werken, acht ik in mijn toestand een zonderling groot voorrecht. Ook de getrouwheid jegens mijne huisvrouwen kind gebieden het mij, die niet hebben om van te leven, zoo ik ze verweesd achterlaat.”

»De winste van uwen arbeid zal u zuiverlijk worden toegelegd.”

»En,” vroeg de kunstenaar met eenige aarzeling, »laat Uwe Edelheid mij vrijheid in de keuze van hetgeen ik wil voorstellen? Of wel heeft zij hare gedachten daarover zelve laten gaan.”

»Dat juist nog niet, maar het dient een goed Christelijk tafereel te zijn, niet een van die barbaarsche Heidensche voorstellingen, als waarmede gij de glazen van mijn collega van Beveren’s boekvertrek hebt bemaald…”

»Barbaarsche voorstellingen: de dood van Socrates — de strijd bij de Thermopylen — Alexander de Groote en…”

»Altemaal goed voor van Beveren, die zich vermeit in ’t gedenken aan die Heidensche oudheid; ik voor mij wil, dat men aan de keus mijner schilderijen zien kan, hoe ik een goed Christen-mensche ben; het dient ietwes stichtelijks te wezen, dat als eene reuke van heiligheid heenspreidt over de wanden, waar ’t hangt…”

»Dus iets gewijds.… iets stichtelijks,” hernam van Cuyck, zich bezinnende, »iets uit de Bijbelsche Geschiedenis?”

»Bah! wat een inval, bij zulker maniere zoudt ge ten leste nog wel van mij eischen, dat ik u een dier ongoddelijke geuzenboekskens, die ze in Duitschland prenten en voor Bijbels venten, in de handen zou voeren, ter voorlichting bij uw onderwerp — fij van die dolle rank! — ge weet toch wel, dat Bijbels hier verboden zijn, op scherpe poene, en dat het geen goed Christen past, zich met Bijbellezen af te geven! Bijbel-Geschiedenis, woord riekt naar den mutsert. Oordeel zelf, wat de schilderij zou geven! en dat in mijn huis, waar de Geestelijke Heeren als vrienden in- en uitgaan!”

Woutersz. schudde het hoofd en beet zich de lippen. Hij begreep, dat hij den Schout niet door zijne woorden van zijn ingeroest vooroordeel zou kunnen genezen, dat hij hem nutteloos zou verbitteren, door alles uit te spreken, wat er op dit punt in hem oprees… Toch kon hij zich niet weerhouden te zeggen: »Ik voor mij heb den Bijbel gelezen en herlezen, zooveel en zoo vaak het mij doenlijk is geweest, en dank er God vuriglijk voor, dat ik daartoe occasie had, sinds ik daaruit te allen tijde en in alles licht, troost en raad heb mogen scheppen, als geen menschelijke mond of eenig menschelijk geschrift mij had kunnen aanbrengen.

»Och zwijg doch! meent ge, dat men zonder die bekentenis niet weet, welk een verweerde Hemelbestormer gij zijt, die meent zonder voorbede van de Moeder-Gods en de Goede Heiligen zalig te worden, simpellijk door het lezen van een boek…”

»Het lezen, Gestrenge Heer! zou weinig baten, zonder ’t geloovig aannemen van de goede boodschap des Heils, die ons er door wordt verkondigd, zonder den biddenden wensch om te betrachten… zonder de verlichte oogen des Geestes…”

»Al wel, we kennen ulieden voor werkheiligen! de Schout mag niets van dat alles gehoord hebben, de konstliefhebber van Drenkwaart bespreekt nu liefst uwe schilderij… en zie, ik kom daar op een treffelijken inval.”

»Laat hooren of die uitvoerbaar is.”

»Ze is het, want ik zag haar uitgevoerd in eene kleine dorpskapel, waar het tafereel tot altaarstuk strekte. Ons Lieve Vrouwe, in haar statelijk gewaad, als Koninginne des Hemels, dragende haar Kindeken zoet, omstuwd door de Heilige Engelen, vertredene met den voet de serpent en voerende den schepter der wereld.

Zoo gij me dat schildert, zal ik het stellen in mijbidvertek, en daarvoor dagelijks mijne devotie doen en nog daartoe u gedenken in mijn gebed, oft de Heilige Maget zich ontfermen mochte over u, en u afbrengen van uwe dolingen…”

»Ik ben zonderlinge zeer beweegd door uwe goedheid, lieve Heer! doch eene zulke voorstelling mag ik niet schilderen; dat verbiedt mij mijne consciëntie…”

»Uwe consciëntie, en dat waarom?” vroeg de Schout in de hoogste verwondering…

»Eerstens, omdat het strijdt tegen het tweede gebod: Gij en zult u geen beeld noch geene gelijkenis maken van ’t geen boven in den Hemel is…”

»Dat ’s Oud-Testaments en aan de Joden gericht; maar wij Christenen hebben ons daaraan niet te binden; de Kerk staat het toe, ja moedigt het aan, dat we door zulke hulpmiddelen onze devotie verlevendigen.”

»Christus, de Heer der Kerke, heeft tittel noch jota van de Wet te niet gedaan; ja, zoo de Evangelische voorschriften in iets mogen verschillen van de oude Wet, is ’t daarin, dat het die meer vergeestelijkt, bijgevolg, nog sterkere eischen doet tot onthouding, en zoo ik bestaan durfde zoodanig tafereel te conterfeiten, als gij daar aangeeft, zou ik grootelijks schuldig zijn ook aan uwe ziele, als die uwe superstitie had helpen voeden en daartoe occasie had gegeven; maar boven alles zou ik gezondigd hebben tegen de Majesteit Gods en tegen de Hoogheid des Heeren Christi, diens eere daarbij wordt verkort, onder schijn van Hem te vereeren in Zijne Moeder. Dat is een eigenwillige godsdienst, door het vleeschelijke herte der menschen uitgevonden, dat liever knielt voor hout, zilver of steen, dan zich te willen opheffen tot den zuiveren Godsdienst, dien de Heer zelf hun wil leeren!”

»Ge zijt een verweerde rhetorijker! maar ik versta niet, hoe ge zooveel ergernis kunt nemen uit die schoone voorstelling, van de Gebenedijde Maagd met het kindeken Jezus, daaraan alle goede Christenen zich stichten!”

»Zeker, de Heer is een kindeken geweest en heeft zich alzoo zeer voor ons vernederd tot dien staat; doch wat gaat men toch altijd den Heer, die de wereld verlost heeft, vertoonen in de gedaante van een onnoozel kindeken, op den arm zijner moeder, alsof Hij, die de zonde heeft verwonnen en den dood heeft te niet gedaan, in eeuwige momberschap dient gehouden te zijn door eene vrouw; dit alles tot meerdere glorie der gezegde welzalige Maagd, maar tot verkleining van den Koning der eere; en verschoon mij, Heer Schout! maar de tegenwoordige Roomsche Kerke is grootelijks te berispen, dat ze al zulke misbruiken onbestraft laat, ja zelfs steunt bij exempel; daaruit volgt, dat spmmige onwetende en doldriftige luiden onder de nieuwe geloovigen, niet aanziende, dan wat voor oogen is, en niet konnende scheiden de leere van de abuizen, en aanmerkende, hoe zondige afgoderij men huide ten dage is plegende, tot ongerechte kerkschennis en beeldenstorm gedreven zijn.”

De Schout was zoo overbluft door de ongehoorde stoutheid van zijn gevangene, die zich op eens tot beschuldiger verhief dat hij zoo dadelijk geen antwoord vond, eenigszins geëvenredigd aan hetgeen hij had moeten aanhooren, en hij antwoordde alleen in eene zekere verstrooiing, als bleef hij nog onder den dwang van dien indruk.

»Voorwaar… voorwaar, als we u naar de houtmijt leiden, zal ’t niet gestolen zijn. En gij belgt u, dat we u sacramentschenner noemen! de beeldenstormers in ’t gelijk te stellen, en u te verkloeken, Onze Heilige Moeder, de Kerk, te oordeelen!”

»Niet ik! overzeker niet ik, ’t is de Heer, die door een nadrukkelijk verbod haar alreede heeft geoordeeld, en de Apostelen Paulus en Barnabas, als die van ’t Heidendom hun goddelijke eere wilden toebrengen, wezen die haastelijk af, en met groote ontsteldheid, roepende, dat ze niet waren dan menschen van gelijke beweginge als zij, en juist gekomen om hen af te brengen van die ijdele dingen, dewelke nu toch weder in de Paussche Kerk geleden worden, als eerende men daar creaturen, zoowel door aanroepinge en. …”

»Mij bangt van dijne taal, onverbeterlijke drijver! ik zorge, ik ga besmet worden door de pestilentie van dijne opiniën, simpellijk door en naar te luisteren; zeg me zonder omhaal van woorden of ge ’t doet of niet!”

»Ik mag niet, Heer Schout! De konstvaardigheid, die God mij heeft verleend, meene ik niet te gebruiken tegen Zijn geopenbaarden wil.”

»Hebt ge dan gansch geene barmhartigheid met u zelven! en beseft ge dan niet, dat het aan mij staat u zoo drijvend aan de palije te laten klinken!” riep de Schout toornig en moedeloos over dien rustigen weerstand.

»Dat zou de voorzeide schilderij niet veel vorderen,” hernam de schilder koel; »Gij kunt deze vingeren vermorzelen; doch ze niet dwingen datgene uit te voeren, wat mijn wil en geweten u moet ontzeggen; en zoo handelende in de hitte der verbolgenheid, zoudt ge mij oorzaak geven u uit te beelden in de gedaante van den onrechtvaardigen rechter…” voegde hij er bij met een glimlach, die de scherpte van het woord trachtte te matigen; maar de Schout glimlachte niet.

»Ik sprak in vollen ernst; het zal me een lust zijn, het openlijk en beslissend onderzoek naar uwe schuld te verschuiven… mogelijk wel… mits ge mijne intentiën steunt, breng ik het daartoe, dat ge met lichte straffe wordt vrijgelaten; doch ik versta, dat gij in uwe wederhoorigheid besloten zijt nietwes te doen, noch voor mij, noch voor u zelven!” en de toon, waarop Jan van Drenkwaart dit zeide, was veeleer droevig dan toornig. Ondanks zich zelven voelde hij zich al meer en meer gedwongen tot hoogachting voor den man, dien hij als kunstenaar vereerde, doch als scheurmaker en afvallige meende te moeten minachten, en wie hem juist als zoodanig eerbied afdwong, nu hij hem hoorde spreken met al den ernst eener vaste overtuiging, en met al de vrijmoedigheid van een vrij man, schoon in nauwe banden geklemd.

»Dat zij verre, Heer!” riep Woutersz. door de zachtheid van zijn toon getroffen. »Ge weet, ik schroom geenszins onderzoek; ik ben voorwaar wel gezind rekenschap af te leggen van mijn geloove en van de blijdschap, die in mij is, schoon ik wete wat daarna volgen moet; doch ik ben geen drijver, die eigenwillig den dood zoekt. Ik heb vrouwen kind; ik heb ouders, die mij innig dierbaar zijn, en wie met mij de staf hunner grijsheid ontvalt; mij jookt ganschelijk niet naar het martelaarschap; en dan dat uitzicht dat ge mij biedt: ik zou nog weer eene wijle mogen leven voor de konst, in stede van weg te kwijnen in die afstompende ruste, voorzeker, dat is me te kostelijk eene gifte, om zonder leedgevoel af te wijzen. Alleen wil u bezinnen op iets, wat voor mij uitvoerbaar is, of gun me zelf op een onderwerp te peizen.”

»Het mijne is gevonden!” riep van Drenkwaart levendig; »ik achte,” voegde hij er aarzelend bij, »dat gij geene. zwarigheid maakt… de gestalte van den lijdenden Christus uit te beelden…”

»Ook dit bidde ik af,” hernam de kunstenaar, maar op een gansch anderen toon, er sprak leedgevoel uit, en hij hield de oogen neergeslagen, als schaamde hij zich deze herhaalde weigering.

»Hoe kan ’t zijn! hoort dat ook tot de artikelen van uw nieuw geloof, om daarin gevaar te zien, dat men de gedaante van onzen Heer ter vereering uitbeeldt!”

Van Cuyck zuchtte. »Zekerlijk, eere en aanbidding komt Hem toe, die het zich geen roof behoefde te achten Gode gelijk te zijn, en zoo waar ’t eenigszins in ’s menschen macht is Hem te prijzen, te loven en eere toe te brengen, daar kan dat niet onderlaten worden zonder schuld en ondank; doch ik achte Hem daarmede noch gediend, noch geëerd, dat men zijne lijfelijke gedaante gemaald, gesneden of uitgehouwen aan den wand hangt; maar daarmede, dat men zijne beeltenis draagt in ’t harte, uitdrukt in het leven, zijn exempel navolgende, zooveel men dat in zwakheid vermag.”

»Het eene doende, volgt daaruit niet, dat men ’t andere zou nalaten,” hernam de Schout.

»Niet noodwendig; alleen er is vreeze, dat de zinnelijke en zondige rnensch, met dat uiterlijk bewijs van vroomheid, zal meenen te kunnen volstaan.”

»Ik houde veeleer, dat het tot prikkel moet strekken, om ’t andere niet te verzuimen; aanzien doet gedenken!”

»Heer! waar Zijn exempel, Zijn evangelie, zijne wonderen, zijne leering, zijn dood, niet dat onweerstandelijk vermogen hebben, om den zondaar tot Hem te trekken, wat zal daar dan een gesneden of gepenseelde beeltenis, door onwaardige menschenhand onwaardiglijk voorgesteld…”

»Ik wacht betere dingen van u; waar ik mij tot u wendde, vroeg ik eene waardige voorstelling!”

»Ei! welke, door menschenkonst daargesteld, kan eenigszins Hem waardig zijn? Wat menschenhand is waardig, die taak op te vatten, welk mensche is zoo rijk aan gaven en bezieling om daarbij niet zoo gansch zijn onvermogen te voelen, dat zijne hand verstijft, zijne geestdrift versuft door geestdrifts overmaat, dat hem de moed ontzinkt en de arm als verlamd nedervalt! En wie zich niet dus verplet voelt door de hoogheid van ’t onderwerp, gemeten aan de zwakheid zijner krachten, dien zult ge toch wel niet achten, dat het waardiglijk zal weten te malen?”

»Zoo hebben dan naar uw inzien allen gedoold, die het hebben bestaan en ook volbracht, daaronder gij weet, dat niet weinigen en van de roemruchtige konstenaars zijn geweest.”

»Zij hebben geleefd en gewerkt naar ’t licht, dat hun gegeven was… ’t Zij verre. van mij, dat ik hen zou oordeelen of hun werk den roem onthouden, die hun toekomt van de menschen… alleen, meer dan dat alles zou ik eischen, en weet toch dat ik het niet zou kunnen volbrengen! Voormaals in ’t prille mijner jonkheid, toen ik nog van mijne konst het hoogste wachtte, en van deze aarde het meeste, toen zou ik het mij veellicht onderwonden hebben; doch sinds de levende Christus in mijn harte gestalte heeft verkregen, kenne ik mijn onvermogen, en zou ik het vergrijp achten te onderstaan, wat gij mij vraagt; dus verg het mij niet, tenzij gij besloten zijt mij ook in mijne konst, mij ook naar de ziele te martelen, en die schrikkelijke pijniging op te leggen naar het hoogste te trachten tot de ellendigste uitkomst!”

»Ik zal ’t u niet afdwingen,” hernam de Schout, zelf verwonderd, dat hij geroerd was door ’t geen hij een ijdel gemoedsbezwaar achtte; doch! ’t is te jammerlijk, wat er van uwe arme konst gaat worden, zoo dit nieuwe geloof stand houdt en toeneemt, dat haar hier zooveel verbiedt, elders zooveel vergt, tot het hare krachten te boven gaat.”

»Voorzeker!’t zou een arme konst zijn, zoo ze eeniglijk leven kon bij dwaallicht of doling, zoo ze eeniglijk in ’t verbodene grijpen moest of ontberen, zoo ze niet rijp kon worden met de menschheid, niet rijker met de nieuwe denkbeelden, die deze verovert, en zoo zij alleen bewegingloos moest blijven, en geboeid aan eene plek, het kerkelijk grondgebied.

»Voorwaar, wat er van haar zijn zal, wie zal het haar nu aanzeggen; maar mij dunkt, dat ze leven kan en leven moet zonder Heiligen-glories en kruisbeelden; dat zij God dienen kan, al rukt zij den Hemel niet neder op de aarde; zoo de invloed van ’t gezuiverd geloof haar kan dooden, dat zij sterve. Zoo men haar geene bezieling weet te geven, dan miraculeuze aanblazing van wonderdoende Heiligen, dat ze dan, verga met de tempelen, die haar hebben noodig gehad! Maar zoo is ’t niet, zoo zal het niet zijn. Wien de Heere het verstand heeft verlicht om aan te nemen de Evangelische waarheid en die Hem plaatse heeft gegeven in het harte, diens werk is rein, en getuigt van Gods werk in hem, die sticht zijne naasten en spreekt tot Gods eere, wat hij ook aanvangt; die mijdt het heilige te ontwijden, en die zorgt ook het ongewijde een goeden reuk van eerbaarheid te geven die zoetelijk maant tot zuivere tucht. Zal het .hierna anders gaan, dan ik meene? dat staat niet bij mij vooruit te zien; doch naar mijn verstand zal de Hervorming, daarvoor wij nu strijden, ook de maalkonste zuiveren van ’t kwade, zonder het goede te schaden, zoo waar dat schoone handwerk niet van die is, welke een ieder kan aanleeren, maar eene liefelijke gave Gods, die haar verleent wien Hij wil.” (*)

»Dat gij althans met miraculeuze overredingskracht begiftigd zijt, ervaar ik zelf,” viel nu de Schout in; »want zoo lange reeds aanhoor ik van u met matige spijt, wat uit eens anders mond verstaan mij de haren zou doen te berge rijzen, en tot heftige grimmigheid zou verwekt hebben; zoo maar die wondere overmacht niet van onderaardschen oorsprong is, en daar heksenkonst of duivelkonstenarij onder speelt!”

»Zijt des geruste, Achtbare Heer! ik schuwe Satan en de booze geestenwereld niet minder dan gij, en alschoon in mijne moedertaal bid ik getrouwelijk het Vader ons…”

»Ik hoop, dat het u bate moge!” viel van Drenkwaart in, de schouders ophalende.

»En daarbij, zoo ik u vervoeren wilde, zou ik u door macht van fraaie beloften willen winnen; in stede van dien, kon weleens mijne straffe weigering…”

»Ge hebt gelijk, door goeden wil verlokt ge mij niet; en toch, een weinigje van dien moet ge mij toonen, zal ik anderszins niet als uw heftige vijand scheiden; want mijne begeerte naar een werkstuk van uw penseel is tot felle brand van passie opgevoerd door uw wederstand. Zeg dan zelf wat ge mij geven wilt.”

»Luister, Heer!” hernam Woutersz., »ik zou wel iets weten… maar ik heb wat schroom het u voor te leggen. Nog voordat ik gedwongen was als een voortvluchtige uit mijn huis te vlieden, had ik eene schets ontworpen, die ’t mij een groot soulaes zou zijn vóór mijn dood te mogen schilderen, en u als aandenken na te laten; alleen ’t is een onderwerp uit de Joodsche Geschiedenis…”

»Dat kan wel gaan, dunkt me, Koning David blijkt geen ketter, sinds de Kerk zijne Psalmen in gebruik heeft gehouden.”

»Zijn zoon Salomo is ’t, wien ik had willen voorstellen.”

»De groote Koning Salomo, in al zijn pracht en luister op den troon zittende…”

»En Techt doende; zijn eerste recht; een Koning, die wijsheid heeft gevraagd van God, als de uitnemendste gave, en die al aanstonds blijken geeft, dat zijne bede werd verhoord.”

»Maar dat kan een wonderheerlijk konstgewrocht worden!” riep de Schout in verrukking. »Eene vraag: ge vertoont ons zeker de oneerlijke vrouwen en hare zogelingen?”

»Zoo was mijn voornemen; doch ik vreeze de uitvoerigheid, de zwarigheid van gewaden en wat dies meer zij…”

»Niets daarvan zal u ontbreken; wat ge aanvraagt, zal u geworden.”

»Het allereerst mijne schilderkist… mijne eigene?” vroeg van Cuyck in zekere spanning,

»Gansch gewis! Het is me bewust, hoe konstenaars zekere eigenheden hebben, en aan sommige noodwendigheden zijn verslaafd, daarin men niet kan veranderen, zelfs niet ter verbetering, zonder dat ze klagen van gemis en verstoring… die kist zal uit uw logies worden gehaald en hierheen gebracht in alle zorgvuldigheid.” Van Cuyck hief de oogen ten Hemel met zwijgenden dank, en met eene uitdrukking van blijdschap, die den Schout wellicht verwonderd zou hebben, want die toestemming scheen niet zoo beduidend, zoo hij bij het vallende schemerlicht, in den vrij somberen kerker, dien blik nog had kunnen onderscheiden.

»Best, nog een bezwaar: de schilderij is op groote schaal aangelegd; reden, waarom ik haar niet heb kunnen voortzetten in de dagen mijner omzwerving: zij vraagt veel ruste en vordert ongemeen veel tijd.”

»Ik zal zorgen, dat men u beide laat.”

»Maar zal het geen schijn hebben, oft ik op zulker maniere mijn leven wilde rekken?”

»Welnu! daarmede zoudt ge nietwes doen, dan hetgeen men van u begeert! Die tijd wint, heeft veel gewonnen, en wie weet wat voordeel men wederom trekken kan van deze winst?”

»Gij zegt dat op eene wijze, Heer Schout, alsof werkelijk mijne uitredding uw wensch ware,” hernam van Cuyck verrast.

De Schout glimlachte en knikte met het hoofd.

»En dat treft me zonderling zeer, na de bijstere scherpheid van uwe voorgaande vervolging, en na den heftigen ijver, dien ge hebt getoond om mij in boeien te klinken.”

»Wat zal ik u zeggen. Ik kende u toen niet van persoon; en juist de reverentie, die ik voelde voor den naam van den roemruchtigen konstenaar, maakte mij diens dolingen nog meer hatelijk! Dus jammer ik het vond, dat ze bij een zoodanigen post hadden gevat; dat ik u en hen al t’ zamen verfoeide, en wenschte niets liever, dan u door een haastigen dood van de aarde te verdelgen, dat daarmede die ergernis voor mij uit had: doch wat gebeurd… Bij uwe gevangenneming zag ik u kalm en onversaagd kerker en foltering te gemoet gaan, die ge door eene tijdige noodleugen nog hadt kunnen mijden; dit trof mijn harte, en ik voelde voor u opleven eene wondre toegenegenheid met eerbiedenis doormengd. Voeg hierbij nu den vierigen wensch, dien ik heb naar eenig konstgewrocht van uwe hand, en het zal u niet vreemd schijnen, zoo ik er op peis hoe u respijt te geven… Er worden nieuwe orders uit Spanje gewacht aan ’t Hof te Brussel; misschien linderen ze de strafheid der ordonnantiën, en wie weet of gij niet een van de eersten zult zijn, die daaraf het profijt geniet…”

»Dat gij het wenscht, Achtbre Heer! dwingt me tot dankbaarheid t’ uwaarts; alleen, hoe zullen de andere Heeren van de Magistraat dit nemen?”

»Ze hebben er vrede mee, wees er zeker af. Van Beveren heeft stout en sterk voor u gesproken in den Raad en men is ’t eens geworden, het beslissend verhoor zoolang te verschuiven als doenlijk is, en vorders de oogen te luiken voor ’t geen er staande uwe gevangenschap u ter verlichting geschiedt.”

Alles wat de Schout Jan van Drenkwaart hier sprak, was waar; maar de geheele waarheid zeide hij niet. Hij vermeed te zeggen, dat de inhechtenisneming van Jan Woutersz. van Cuyck, zoo ras zij ruchtbaar werd, niet enkel de levendigste deelneming had verwekt bij de inwoners van Dordrecht, maar zelfs eene hooggaande verontwaardiging, die zich bij de lagere volksklasse door luid gemor had geuit. De vrome kunstenaar was door al zijn medeburgers bemind en geëerbiedigd; wie zijne talenten niet konden waardeeren, hadden achting voor den goeden zoon, den trouwen echtgenoot, of eerden in hem den vriend, den weldoener, wien men niets kon verwijten, dan dat hij zijne eigene begrippen had in geloofszaken. Ook waren Roomschen en Onroomschen het ditmaal eens in hunne afkeuring over de handelwijze van den Schout, dat hij den verdienstelijken stadgenoot als een misdadiger geboeid over de straten had heengeleid, en een groot deel der Regeering, de bloedige strafoefeningen moede, die zij gedwongen waren op hunne medeburgers toe te passen, . hadden van die stemming onder het volk gebruik gemaakt om de andere partij in den Raad over te halen tot die verschooning jegens den algemeen beminden man, waarvan de Schout zich nu de grootste eere toedichtte, gelijk hij er het grootste voordeel van wachtte. Wat hij echter van zijne gewaarwordingen had uitgesproken, was volkomen juist, Hij had zich om velerlei redenen met ruwe blijdschap verheugd, toen hij na eene langdurige vervolging eindigde met van Cuyck als gevangene weg te voeren! En hij meende het deze eens recht te doen gevoelen, hoe grooten afschuw hij had van die rebellische gezinte. Maar welhaast begon hij na te denken over de handelwijze van dien man, die zijne vrijheid had kunnen redden door eene leugen, en die terstond zonder aarzeling de waarheid had gezegd; hij was een vinnig ketterjager, maar geen stompzinnig mensch; voor het eerst begon hij in te zien, dat men afdwalen kon van »de Kerk,” zonder af te dwalen van burgerdeugd en zedelijkheid. Reeds berouwden hem de eerste ruwe mishandelingen, die hij den kunstenaar had aangedaan, en nog vóórdat van Beveren’s stem in den Raad zich verhief, om de zaak van van Cuyck te bepleiten, was van Drenkwaart alreede besloten tot die verschooning, welke hij zich echter liefst door de meerderheid liet opdringen, dan haar uit zich zelven te oefenen. Zijne verhouding tot de Spaanschgezinde partij dwong hem daartoe; maar hij achtte daarmede toch nog niet het recht verloren te hebben, om zich bij den gevangene verdienste te maken van ’t geen hij bij zijne collega’s liet doorgaan voor een toegeven aan den drang der omstandigheden. In ’t belang van van Cuyck heeft men echter geen recht, den Schout deze dubbelheid kwalijk te nemen.

Naar deel 3.


Ingezonden op: 19 July 2001