JAN WOUTERS VAN CUYCK.

KUNSTSCHILDER EN MARTELAAR.


III.

De Schout Jan van Drenkwaart hield woord, De meest geschikte, of liever de minst ongeschikte gevangenkamer der Vuilpooit werd van Cuyck tot verblijf gegeven en ingericht, zooveel dat zijn kon, naar de wenschen en behoeften van den schilder. Zijne schilderkist, die wij hem met zooveel zorg hebben zien inpakken, was te zijner beschikking gesteld, en aan ieder verlangen, ter bevordering van zijn arbeid, werd voldaan, Daarbij werden hem allerlei vrijheden en voorrechten toegestaan, om zijne gevangenschap te verzachten en te verhelderen. Papier en schrijfgereedschap waren hem niet ontzegd; het nachtelijk duister werd vervroolijkt door een vriendelijk lamplicht en wijdde hij gemoedelijk den ganschen dag aan het opgelegde schilderwerk, zijne avonden bracht hij door met schrijven, en hieraan danken wij het, dat we een blik konden slaan in het gemoed van den vromen en blijmoedigen Christenbelijder, zoowel waar hij zich uitspreekt aan geliefde betrekkingen, als waar hij in den vorm van zelfbekentenissen getuigenis geeft van ’t geloof, dat in hem is, of geloofsgenooten en medeburgers vermaant en troost, waar ze tot eenigen gelijken strijd mochten geroepen worden. — Eene groote vreugde was hem geworden: bij de toezending van schildersbenoodigdheden, ontving hij somtijds brieven van vrienden of verwanten. Eens gewerd er hem een van zijne vrouw, die hem meldde, hoe zij met haar dochtertje veilig buiten Dordrecht was geraakt, en hoe zij zeer in zijne nabijheid leefde, te midden van getrouwe geloofsgenooten; hoe zijne brieven haar toekwamen, en hoe zij zelve zich zoo moedig en gesterkt voelde, door hetgeen zij van hem vernam; dat zij wel zou begeeren zijne gevangenschap te deelen, maar niet hem daaraan te onttrekken, »naardemaal die toch vorderlijk was tot zijne blijdschap en eere als een geroepene om voor Christi zake uit te komen.”

Zoo ging het destijds. Wie te lijden had om des geloofs wille, werd niet door de zwakke verslagenheid zijner liefsten tot zwaarmoedigheid neergedrukt. Maar hij werd getroost door de vrome berusting der zijnen en door hun geloofsroem over zijne standvastigheid. Toch betuigde van Cuyck, dat hij God dankte voor die groote barmhartigheid, dat vrouwen kind zijn kerker niet hadden te deelen. Hij was goed Christen, maar ook teeder zorgend vader; hij heeft het in alles bewezen.

Onder dit alles verliepen er weken, maanden zelfs, en de schilderij is reeds merkelijk gevorderd, nu het ons voor ’t eerst gegund is er een blik op te werpen; wij gelooven niet het recht te hebben, haar te beschrijven als een zeldzaam meesterstuk, als een voorbeeld van geniale conceptie en meesterlijke uitvoering. Het ging den kunstenaar als menigen zijner kunstbroeders van lateren tijd, hij wilde meer van zijn talent dan het kon volbrengen; en al was hij zijn tijdgenooten al vooruit met zijne denkbeelden, hij had niet de macht om ze uit te drukken op het doek, zooals hij onbestemd voelde, dat het zijn moest. En daarbij al was hij met vroolijke geestdrift aan het werk getogen, al arbeidde hij met volhardenden ijver, al trachtte bij met gemoedelijke trouw het beste te geven wat hij vermocht, de langdurige kerkelijke opsluiting verkilde welhaast de bezieling; de bijgedachten, ditmaal van den arbeid onafscheidelijk, waren alles behalve opwekkelijk, en nog daarbij, de Christen-kunstenaar had , ondanks alles, te veel het oog gericht op de kroon van den bloedgetuige, die hem aan ’t eind aan zijne loopbaan wachtte, om met onverdeelde aandacht te streven naar den lauwer der kunst, eene kroon, die lager hing, die lichter bereikbaar was, en die zijn blik niet meer het sterkste aantrok. Maar wat hem aan gloed en aan geestdrift mocht hebben ontbroken, had hij door gemoedelijken arbeid willen vergoeden, en zoo was hij gansch niet gebleven beneden de eischen van den aanstaanden bezitter van zijn werk.

Eene bijzonderheid van de schilderij moeten wij aanwijzen.

Koning Salomo, gedost in het rijkevorstenkostuum van dat tijdperk had eene treffende gelijkenis met den strengen Schout, wel is waar, eene veredelde gelijkenis; maar toch zij was zoo onmiskenbaar en zoo sprekend, dat zij voor portret had kunnen gelden. Zij was portret; de toekomstige eigenaar had het dus gewild, en de kunstenaar had niet te veel zwarigheid gemaakt om hem dezen eisch in te willigen, Zekerlijk, zijn ideaal van Salomo’s wezen, met een glimp van goddelijke wijsheid bestraald, was wel een ander, een meer verheven, dan de stoute, bruske uitdrukking van den bitteren vervolger der arme Doopsgezinden; maar toch, veel keuze van modellen zou hem wel niet geboden worden in den kerker, en op het fiere, schrandere voorhoofd van Jan van Drenkwaart lag eene vastheid van wil, die den Israëlietischen tempelbouwer geene oneer zou hebben gedaan. Zijne trekken waren voor ’t overige fijn en bevallig; zijn donker oog had eene groote levendigheid zoo vaak hij het opsloeg; daarbij was hij nog jong en droeg geen baard, dat hem in jeugdigheid van voorkomen winnen deed, zoodat het den schilder geene al te groote inspanning van verbeelding kostte, om uit dit gelaat zich den jeugdigen Koning van Israël samen te stellen, wiens vroomheid en wijsheid hem reeds als jongeling tot de ernsthaftigheid van den man hadden gerijpt, De schilder behoefde zijn kunstgevoel dus geen geweld aan te doen bij het schetsen van zijne hoofdfiguur; hij vond er een zeker behagen in, die trekken als te veredelen en te verzachten, en waar hunne oorspronkelijke ruste en waardigheid mocht geleden hebben onder den indruk van heftige hartstochten of bittere zielsstemming, wist hij die daarop terug te brengen, en er den stempel op te drukken van iets beters en iets hoogers, dan hetgeen ongelukkig de ziel van het model vervulde.

De Schout voelde zoowel zijne ijdelheid als zijn kunstzin gestreeld, door de wijze, waarop hij zijn voorkomen zag teruggegeven. Aan geduld had het hem niet ontbroken; hij had zich willig geleend tot de houding, die de schilder hem aanwees, en hij scheen er zijn lust in te vinden, de uren van samenzijn te verlengen en te vermenigvuldigen, door den kunstenaar somwijlen uit te lokken tot een gesprek, dat hem afleidde van zijn arbeid.

Zoo was er tusschen hen eene soort van vertrouwelijkheid ontstaan, allervreemdst zeker bij de verhouding van gevangene en kerkermeester; doch niet onnatuurlijk door de betrekking, die de kunstliefhebber gevoelde op den kunstenaar. Zoo had de laatste van hem opheldering gekregen wegens iets, dat hem zeer ter harte ging; vrouw Zegers had hem niet verraden, daar was hij zeker van; maar was ze ook door hem in last en lijden gekomen? De Schout verzekerde hem van neen: »de goede vrouw schijnt niet eenmaal geweten te hebben wien zij huisde, op last van jonkvrouwe van Beveren”…

Woutersz. was niet weinig verschrikt, toen hij dien naam hoorde uitspreken onder zulke beschuldiging; maar de Schout stelde hem lachende gerust. »Ik begreep wel, dat van Beveren als een groot liefhebber der konst, en nog daartoe tot zachtigheid geneigd jegens de afvalligen, er zijn werk van zou gemaakt hebben, u tegens vervolging te bergen, zoo achtte ik het allermeest op de gangen en gesten van zijne luiden, nasporende, welke huizen hem in eigendom behoorden, en op welke wijze die bewoond werden, en toen ik zoo omtrent mijne zekerheid had, liet ik mij zoo in ’t Schepen-collegie een paar woorden ontvallen van de goede hope, die ik had, u binnen de vier en twintig uren machtig te zijn. Van Beveren meende, dat hij blikte noch bloosde; maar ik zag ’t hem aan, dat zijn wezen veranderde, en zoo zei ik tot mij zelven: Let nu op, Mr. Jan! want ze gaan hem waarschuwen en een bode tot hem zenden… Gelijk ook geschied is, en ik, niet links, liet geen vier en twintig uren verloopen… Ge weet het vervolg!”

»Ik kan niet anders dan uw goed beleid prijzen, Mijnheer! schoon het mij tot schade heeft gestrekt,” sprak Woutersz. verlicht van een grooten last; — geen vrienden, geen vreemden zelfs hadden hem verraden; de list van de tegenpartij was eeniglijk oorzaak van alles.

»Het en beIge u niet, dat ik mij dat winst achte,” hernam de Schout, »ware ’t simpellijk het welaangename voorrecht van uwe kennismaking… Schoon ik nu wel van harte wensche, dat ze u niet te duur moge te staan komen.”

»Daarvan zal zijn wat God wil!” had Woutersz, geantwoord, met de kalmte, van wie zijn lot zonder aarzeling, zonder voorbehoud, in Gods handen heeft overgegeven.

En werkelijk, eene zoodanige was de zielsstemming, waarin Jan Woutersz. van Cuyck leefde en werkte, sinds zijn verblijf den kerker ,

De uitzichten, hem door den goeden wil van den Schout voorgespiegeld, misleidden hem niet, althans zij verleidden hem niet, om zich te laten slingeren door wisseling van hoop en vrees, gemeenlijk droeg zijn rustig, blijmoedig gelaat den afdruk zijner welverzekerde ziele. Toch treffen wij hem nu bleek en ontdaan; zijne oogen staan dof; hij zit voor zijn ezel, houdt palet en penseelen in de handen, maar toch, hij schildert niet. ”

»Ik vermag ’t niet voor heden,” roept hij uit, »de konst is een onvolkomen hulpmiddel tegen zulken indruk; ik heb beter troost van doen,” en uit de diepte van meergemelde kist ziet men hem een dier kleine boekskens te voorschijn halen, die wij hem voormaals hebben zien bergen. Het was een Nieuw Testament met de Psalmen, naar de berijming van Datheen, toenmaals nog door alle Nederlandsche Hervormden, van welke gezinte ook, in gebruik.

Hij sloeg den 142sten Psalm op:

Ik roepe God van herten aan.…

Al lezende, werden zijne trekken rustiger; een zachte blos van geestdrift begon zijne bleeke kaken te kleuren; het tweede vers las hij niet meer alleen met de oogen, maar halfluid murmelden zijne lippen, als was het hem noodig, de woorden tot de zijne te maken, door ze uit te spreken:

Als mijn geest en mijn hert met nood
Gantsch beswaert is en met anghst groot,
Noch weet Gij Heer in desen al,
Hoe ik daaruit verlost sijn sal:

De laatste woorden riep hij uit met volle overtuiging des geloofs, en toch scheen hij niet volkomen rustig. Op eens wendde hij het hoofd om en luisterde; voetstappen naderden; ijlings verstak Woutersz. het boek tusschen zijn schildergereedschap, en hernam zijn palet; de deur der gevangenkamer ging open.

Het model van Salomo trad binnen.

»Gegroet, mijn brave konstenaar!” riep hij hem toe; »naar ik zie, wacht ge mij al werkende.”

»Ik heb getracht te werken; maar het ging niet, ik was kwalijk gestemd; als ik u tegen mij over heb, zal ’t beter gaan, wil ik hopen,” hernam Woutersz. met neergeslagen oogen; terwijl matte lusteloosheid zich weder teekende op zijn gelaat.

De Schout sloeg hem opmerkzaam gade. »Verpijn u niet al te zeer we hebben niet zoo’n bijstre haast; ge zijt al te gezet op den arbeid; uw wezen staat versuft door den dwang, dien gij u zelven oplegt; bijlo! dat is mijne meening niet; gij moet u wat wils geven; de konst heeft hare luimen, die men vieren moet.”

Tegen dien lof was de eerlijke van Cuyck niet bestand. »Die prijze doet me kleuren van schaamte!” hernam hij; doch waarheid is ’t, Achtbre Heer! dat ik niet heb gewerkt; ik had troost, ik had kracht noodig; ik heb gezocht mij te versterken met de Psalmen Davids … ik was lezende, toen gij binnenkwaamt.”

Een schok voer den Schout door de leden; toch verbeet hij een uiting van heftigen toorn.

»Zoo hebt gij verboden boeken?” sprak hij beslissend. »Gij zijt er de man niet voor, om u te genoegen met die, welke men in onze getijboeken vindt.”

»Ik mag het niet ontkennen, Heer!” hernam van Cuyck, »ik heb zoodanige boeken.”

»Dus van mijn goed vertrouwen misbruik gemaakt, om ze in te sluiken?”

»Niet aldus, Heer! daar was tusschen ons veraccordeerd, dat mijne schilderkist met den inhoud mij zou worden toegeschikt, zonder navraag.”

»O achterlist, o spitse geuzenranken?Wiens vernuft is op zulke loosheid gescherpt… gij hebt mij deerlijk verschalkt.”

»Zoo gij acht, dat ik kwalijk jegens u gehandeld heb, wil vergeven,” sprak van Cuyck ootmoedig, »doch wil bedenken, dat niets mij beter heeft gediend om den druk van den kerker te weerstaan, dan de troost, dien ik scheppe uit mijne boeken.”

»Ge zult u toch daarbuiten behelpen moeten, want ik eisch ze op.”

»Sta af van dien eisch, Gestrenge Heer! zoo ge anderszins eenige vriendschap voor mij hebt opgevat…”

»Maar, ongelukkige! mijn plicht daargelaten, die het mij instantelijk gebiedt, is het bovenal uit genegenheid t’ uwaarts, dat ik op die vordering sta… Luister,” en de Schout kwam naderbij sprak fluisterend: »Gij weet van nietwes wat buiten deze muren omgaat; maar ik weet het, en naar het zich laat aanzien, zult gij niet lang meer die ongestoorde ruste genieten, d ie ik u toezeide, hopende, dat ik hierin eeniglijk meester zou blijven… doch het staat te vreezen, dat de paters zullen komen en u aanzoeken tot terugkeer in den schoot der Kerk, en…”

Woutersz. haalde de schouders op. »Zij kunnen daarin doen wat zij believen; maar des te meer zal het mij noodig zijn, mijn boeken te behouden, tot versterking in mijn geloof.”

»En in welke meening acht gij, dat zij versterkt zullen worden, als zij zoodanige boeken bij u zullen vinden?”

»Wees wel verzekerd, dat ze zorgvuldig geborgen zijn… ginds~ onder al de verven en penseelen, wie zal ze daar zoeken?” liet zich van Cuyck ontvallen in zijne onergdenkendheid.

»Wel, allereerst ik! en wat de monniken belangt, die zouden: schilderkist en al met zich nemen, ja noodzijnde de schilderij, als ze eens argwaan hadden gekregen… en om u daartegens te veiligen, zullen wij ze vóór zijn!” en al sprekende, was de Schout de aangewezen plaats genaderd, had de schilderkist doorzocht, en haalde daaruit triomfantelijk het kleine Testament te voorschijn en nog een paar andere boeken, den grootsten en dierbaarsten schat van den armen gevangene!

»Laat ze mij! laat ze mij!” bad deze met tranen in de oogen: »gij weet niet wat ge mij ontneemt, als ge mij van deze berooft.”

»En gij weet niet, waaraan ik u zou wagen en mij zelven, daartoe, als ik de zwakheid had ze u te laten houden…”

»Voor ’t minst, laat me dat eene, ’t is het Nieuwe Testament, ’t is het Evangelie, ’t is Gods Woord! en overkome mij dan wat mag, ik zal getroost zijn!”

»Juist dat is het ergste; die beide andere boeken, naar ik zie. Henricus Bullingerius Huisboek en Menno Simonsz, Verantwoordinge, zijn minder gevaarlijke bewijzen tegen u; maar dat eene, in uwe handen gevonden, is alles wat uwe vijanden noodig hebben; dat kan u het leven kosten.”

»Hoe korter ik verkeere in dezen staat van overgang, in dit levend sterven, hoe beter ’t mij zijn zal, zonderling, waar ik verstoken worde van deze goddelijke bron van troost, daar ik mijne kracht scheppe!”

»Fij van u, gij drijver! Hoe! ge scheldt ons Katholieken van bijgeloof, omdat we hechten aan het H. kruisbeeld en de relieken, onderwijl gijlieden, die zegt, God in geest en in waarheid te dienen, met zoo zonderling bijgeloof verkleefd zijt aan ’t bezit van een boek.”

»Is gij oordeelt, dat ik uit bijgeloof daaraan hechte, zoo neem het van mij weg. God zij geloofd! ’t voornaamste van den inhoud ligt mij in ’t hoofd, en bovenal in ’t harte,” hernam Woutersz. en schoon hij een traan wegvaagde uit het oog, liet hij af van dringen.

De Schout, bewogen door dien diepen weemoed, en half beschaamd over de wijze zijner overwinning, liet langzaam het Nieuwe Testament uit de hand vallen in den vorigen schuilhoek, en zeide toen: »Nu dan, wondre man! verspeel er uw leven voor, als gij wilt; alleen, zorg hierin mij buiten ’t spel te laten.”

»Wat dat belangt, Heer! ik verhope, gij zijt zeker van mij zonder eed of gelofte.”

De Schout knikte.

»En wat mijn leven aangaat, zekerlijk, ik zou geene vrijheid hebben, daarmede een reuckeloos spel te drijven, doch antwoord mij in volle oprechtheid: Was het niet alreede verbeurd, toen ge mij hierbinnen voerdet? Het respijt, dat naar Gods raad uwe jonste mij gunt, zij wat korter of langer, het einde is te voorzien…”

»Waarheid is, dat ik hard word aangezocht, om u ten verhoor te laten roepen… en gij weet wat u dat brengen kan bij uw voornemen, om te volharden in uwe opiniën.”

»Ik weet het, en houde mij bereid, als een getrouwe dienstknecht, wachtende op den Heere te ieder stond,” hernam van Cuyck, de hand op het hart leggende. »Ik heb mij gesierd met het bruiloftskleed zijner gerechtigheid. en Hij, die mij genood heeft, zal mij niet beschamen, en Hij zal zich niet onbetuigd laten aan mij in de ure der zwarigheid.”

»Nu, nu, ik acht ze nog niet nabij,” hervatte de Schout, die, ook voor zich zelven, liefst de gedachte verwijderen wilde aan ’t geen komen kon.

»Eer zij dáár is, en om niets onafgedaan te laten van ’t geen mijne hand nog vindt om te doen, zoo gelief u te zetten, dat ik Uwe beeltenis voltooie eer de tijd ons ontschiet…” antwoordde de schilder met die tegenwoordigheid van geest, die van waren moed getuigde; maar ondanks al den ijver, waarmee hij aanving te schilderen, ontging het van Drenkwaart niet, dat hij scheen te kampen met blijkbare lusteloosheid en ongeschiktheid tot zijn werk; het penseel weifelde in zijne vingeren, en somwijlen liet hij het hoofd op de borst nedervallen en sloot de oogen, als had hij behoefte aan rust.

»De arbeid past u voor heden niet; naar ’t mij toeschijnt, hebt ge ruste noodig, Meester van Cuyck!” sprak de Schout meewarig, zonder zich echter op te richten uit de Salomo-pose, die hem was aangewezen,

»Waarheid is, dat ik mij overheerd voele door eene drukkende matheid; de oorzaak ligt in ’t gebrek aan nachtrust, ik heb in drie nachten de oog en niet geloken.”

»k versta het, in eene gevangenkamer slaapt men niet goed… alschoon ik u daaraf nog niet heb hooren klagen,”

»Gemeenlijk slaap ik hier rustig; doch in de laatste nachten werd mijn slaap reeds bij den aanvang gestoord door jammerlijke kreten en klachten, die ik hoorde slaken boven mijn hoofd, op zulke wijze, dat de huiverlijke onrust over ’t geen daar geschiedde, mij den ganschen tijd wakende hield, ook zelfs toen doodschestilte dit akelig gerucht had vervangen.”

»Laat u dit noch ontrusten noch verwonderen. Uw vertrek ligt vlak onder den pijnigingzolder, en men heeft in de laatste nachten eene beschuldigde in ’t scherp verhoor genomen.”

Van Cuyck rilde en sprak met een zucht:

»Ik vermoedde zoo iets. Het scheen eene vrouwenstem; die ongelukkige was dan wel zeer verhard en wel schuldig, dat zij hare foute niet wilde bekennen of dat niet durfde…”

»Verhard was ze zeker, en schuldig ook, schoon ik achte, dat gij anders zult oordeelen, want hare foute is dezelfde, daaraf men u beticht… ze loopt mee naar de conventikelen der Dooperschen, en zij beleeft hunne leer en kwade praktijken.…”

»Mijne zuster in den geloove! en is dat al wat men haar te laste legt”

»Mij dunkt, het is meer dan genoeg. Of meent ge, dat de verschooning, die jegens u wordt gebruikt, kan geoefend worden jegens allen? Veeleer is ’t er zoo mee gelegen, dat we grooter rigueur moeten plegen jegens anderen, om den schijn te mijden oft wij in ijver verkoelen.”

»Zoo is ’t veellicht om mij te sparen, dat gij die vrouwe dus handelt?”

»Gij tast de waarheid… Onder ons gezegd, de heeren Geestelijken begonnen zoo wat te mompelen van slappen voorstand der Kerke, van slechte uitvoering der ordonnantiën, en wat dies meer zij, en ik meen hun te toonen, dat ik dezelfde gebleven ben en blijven zal in ijver voor de religie en in getrouwheid jegens den Koning, al is ’t ook dat ik verschooning oefen jegens een enkelen… Dus heb ik mij voorgisteren gesteld eene wisse greep te doen in zeker verdacht huis, en zoo is die vrouw, schoon ze tot Molenaarsgraaf thuis hoort, in mijne macht geraakt. Haar proces zal spoedig opgemaakt zijn; de verhooren hebben plaats gehad ter overstaan van Broeder Franciscus Mierbecanus, Gardiaan der Minrebroeders, nieuwelings aangesteld tot geloofsrechter alhier; bij het laatste onderzoek heeft zij geconfesseerd, herdoopt te zijn geweest uit vollen, vrijen wil; ze zal alzoo tot den vuurdoop gedoemd worden, en de executie zal metterhaast plaats hebben, opdat al de wereld wete en ervare, dat er goed recht wordt gedaan tegen de ketters en scheurmakers in deze welvermaarde stad Dordt!”

»Hoe heet die vrouw?” vroeg van Cuyck bijna gebiedend. Een koortsachtige gloed had zijne bleeke wangen gekleurd, terwijl hij luisterde; zijne matte oogen begonnen te tintelen van opgewekte aandoening

»Adriaantje Jansz; haar man heet van Dort; hij is mede verdacht, doch niet in onze handen. ”

» Heere mijn God!” barstte nu Woutersz. uit en liet palet en penseelen uit de hand vallen.

De Schout haalde de schouders op en schudde het hoofd. »Hoe is dat, mijn vriend! laat gij u dus zonderlinge zeer bewegen door ’t geen een ander wacht; hoe zult ge dan zelf dragen wat u niet kan gespaard worden, tenzij ge grootelijks uwe vlijt doet, om onzen goeden wille t’ uwaarts te ondersteunen…”

»Hierin vergist gij u, Mijnheer! dat ik voor mij zelven zou vreezen; zwak zult ge mij niet vinden ter ure der beproeving, tenzij die Eenige mij verliet, die mijne sterkte is; maar te weten, dat eene vrouw, dat deze vrouwe, door mij allereerst tot het licht des Evangelies gebracht en bewogen, den ruimen weg der wereld te verlaten…”

»Zwijg doch! zwijg!” riep de Schout opspringende, en legde hem de hand op den mond; »wie zegt u, dat niet de Eerwaarde Broeder oft een van zijne verklikkers hier rondwaren in den kerker? Eene zoodanige bekentenis van u zou ’t mij gansch ondoenlijk maken, u te verschoonen van hare straf.”

»Maar ik wil niet verschoond zijn, ik wil die deelen. Ik wil niet, dat men eene zuster folteren zal uit oorzaak van religie, mij ontzie, die, zoo ’t bij u lieden schuld is, God naar zijne consciëntie te dienen, tot de voornaamste der schuldigen behoore…

»Och!” riep de Schout verdrietelijk, »wil uwe cause goed bezien; men spaart in u niet den ketter. Alle goede Heiligen des Hemels bewaren mij voor die zonde! we sparen eeniglijk den konstenaar. Of zeg me, zou uwe hand niet te onvast zijn, om, naar uwe belofte, dit conterfeitsel te voltooien, zoo men u te pijniging had gelegd; gij, die reeds van den wederschok die smarten met ongewisse vingeren ’t penseel hanteert!”

»Gij bespot mijne zwakheid,” hernam van Cuyck smartelijk, »en dat met schijn van recht; zoo dan, indien ’t u lust, verschoon mij; maar spaar ook de andere.”

»Eerstelijk, staat dat niet meer in mijne macht, sinds er brieven gekomen zijn van den Zeer Welwaarden Heer Peter Titelman, Deken van Ronssen, die den Gardiaan heeft aangesteld, om in deze zaak uitspraak te doen; doch ik zeg u, al vermocht ik zulks, zoo zou ik mij wel wachten, zelfs te uwer bede, zulk, een blijk te geven van verdoemelijke flauwhartigheid!”

»Leider, ja! ge zijt een Saulus in ijverigen haat tegen wie ge afvalligen noemt! och! oft de Heer gave, dat gij nog in een Paulus mocht verkeeren, die zijne gemeente tegens vervolging kwam te schutten, in stede van haar te verdrukken!”

»Maar mij dunkt, ik sta aan de zijde, waar St. Paulus heeft gestaan na zijne bekeering. Nog Saulus zijnde, zoo men ons onderwijst, vervolgde hij ’t geen toen de Kerke Christi uitmaakte; ik ter contrarie, vervolg eeniglijk wie haar aanranden, in macht verkorten en in eere schenden!”

Van Cuyk schudde het hoofd, met eene uitdrukking van droefheid. »’t Is maar al te waar, gij meent Gode een dienst te doen, met al zoo te handelen.”

»Zoo doe ik; mijne geestelijke leidslieden verzekeren het mij… Ik heb geleerd nietwes te raadplegen dan hunne uitspraak, en mij rustig op hun gezag te verlaten.”

»O, die klagelijke gerustheid! Mocht ge daaruit nog bijtijds konnen opschrikken; laat u niet omvoeren door die geleerden, het zijn blinde leidslieden der blinden, in wereldsche wijsheid abel, in geestelijk dingen stikziend; onderzoek met eigene oogen, en zie toe voor u zelven, dat zal vrij beter zijn.”

»Gezalfd en gewijd tot den dienst onzer getrouwe Moederkerk, acht ik ze voorgelicht door den H. Geest.”

»Dienaren der Kerk! helaas ja, ze zijn het en maar al te zeer; maar ze behoorden wat anders te zijn, zouden zij zich anderszins mogen beroepen op de voorlichting van den geest der waarheid, die in alle kennisse inleid; zij behoorden dienaren van Christus te zijn en… ze zijn het niet, het verscheelt zooveel, dat men ze gelijken mag bij de Pharizeën en Schriftgeleerden, ten dage van onzes Heeren leven op aarde; die hebben Hem laten kruisigen, omdat hij den tempel bedreigde en met den tempel hun gezag; de priesters van onze dagen, ik meen hen, die zoo ijverig het Pausdom voorstaan, zouden Christus zelven op nieuws laten kruisigen en niet in Hem willen gelooven, als Hij kwam en verkondigde hun zelf dat zuivere Evangelie, dat leert, niet aan te zien wat voor oogen is, en dat geene macht geeft aan menschen over de conscientiën hunner broederen. Ze zouden zich door Hem verkort achten in hunne rechten, en ze zouden Hem valschen Messias schelden en hun kleed over Hem scheuren, als over een Godlasteraar, in stede van dat te doen over zich zelve, en ze zouden Hem verloochenen, omdat ze zich zelve niet wilden verloochenen, en over Hem het doodvonnis spreken, liever dan de heerschzucht te dooden in hunne eigene harten. De Paus van Rome en zijne adhaerenten, dat is nog altijd Cajaphas en het Sanhedrin. Ze willen de Schriften niet onderzoeken, die van Hem getuigen, en zij willen die verduisteren voor de menschen, om daarvoor hunne inzettingen in de plaats te stellen, Zij voelen het, dat konstig en wonder heerlijk gebouw hunner Kerk moet invallen, waar Zijne gemeente wordt opgebouwd; zoo Hij wast, moeten zij minder worden, en dat willen ze niet; liever stellen zij eene Koninginne des Hemels aan, en geven die aandeel in Zijne heerschappij, opdat zij met die gebiedster van eigen maaksel mogen heerschen over de zinnelijke harten der menschen; liever stellen zij kettergerichten in tegen wie Hem alléén eere en heerlijkheid willen geven, hopende door schrik en doodsangsten de arme geloovigen te versagen en te beproeven, of ’t hun niet mogelijk is deze dingen, die ze nieuwigheid noemen, te niet te doen… Maar ’t is geene nieuwigheid, ’t is het reine zilver en goud, dat nu gereinigd uit den smeltkroes te voren komt, ontdaan van hun slijk en hunne onreinheid; maar dit is uit God en alzoo vermogen ze niets daartegen; het bloed der martelaren, daar mede zij de aarde bevochtigen, wordt kostelijke dauw… die het mild gestrooide zaad doet gedijen… en zoo ’t Hem behaagt, geve ik daartoe het mijne…”

»Het is aangenomen!” sprak eene stem, die niet die van den Schout was.

Jan Woutersz. van Cuyck zag om: een Priester in de kleeding der Minrebroeders stond achter hem; eene lange, magere gestalte met uitgebleekte wangen en glinsterende oogen, die deze woorden koel en statig had uitgesproken, en om wiens mond een sarcastische glimlach speelde bij de verrassing van den schilder. Het was de Gardiaan Franciscus Mierbecanus. Sinds eenigen tijd had hij toegeluisterd, zoowel als de Schout.

Binnengetreden, krachtens zijn recht als geloofsonderzoeker, had hij een paar woorden opgevangen van de stoute taal des gekerkerden, die hem in het vuur van het gesprek niet had opgemerkt; hij had meer willen hooren; hij had van Drenkwaart toegewenkt geene opmerking te geven aan zijn binnentreden, en deze was blijven zitten roerloos van schrik, half wezenloos van spijt en ontroering. Mierbecanus, Gardiaan der Minrebroeders, was nu vrij wel ingelicht, wien hij te zien had in den kunstschilder Jan Woutersz. van Cuyck.

Naar deel 4.


Ingezonden op: 19 July 2001