JAN WOUTERS VAN CUYCK.

KUNSTSCHILDER EN MARTELAAR.


IV.

Na dat uur zag van Cuyck het model voor zijn Salomo niet weer terug in die kwaliteit. Niet vreemd: de Deken had den Schout later met al den nadruk van zijn geestelijk gezag gewaarschuwd tegen »de perikelen van al te vierige konstliefde,” en Jan van Drenkwaart had verstaan. Toch verdedigde hij met vastheid zoowel zijne eigene rechterlijke oppermacht als de belangen van zijn gevangene tegen de eischen van den geloofsrechter, die onverwijld diens proces wilde opmaken. Hij dekte zijn weerstand met het besluit van de Magistraat, om voorshands geen onderzoek te doen in de zaak van den schilder, omdat de uitkomst daarvan niet twijfelachtig was, en men te dier oorzake vreesde voor opschudding onder het volk. De Gardiaan moest zich voor ’t oogenblik met dien uitvlucht tevreden stellen; maar hij wist waaraan hij zich te houden had, en van toen aan begonnen de paters uit de conventen en de wereldlijke Heeren al te zamen te prediken tegen de ketters, en wie ze steunden; bedreigden en scholden openlijk de Magistraat; spraken de grofste beleedigingen tegen dezen uit, en ontzagen zich niet met ronde woorden te zeggen en te herhalen: »dat de Schout den ketter van Cuyck maar gevangen had genomen om voor hem te schilderen!”

Die ophitsingen, de laatste aantijging vooral, maakten geheel den indruk, dien men er van wachtte, op een zeker deel der volksklasse, dat van zijne zijde zich nu gestemd toonde, de eischen der priesterpartij tegen de regeering te steunen, en deze verloor hierdoor haar voorwendsel. Om zwarigheid onder het volk te mijden, scheen het nu juist noodig, dat zij den »wederdooper” prijs gaf aan de geloofsrechters. De Schout haastte zich de vlek van lauwheid en eigenbaat, die men op hem wierp, uit te wisschen, door te wijzen op den Raad, over welken hij geen gezag hield, en welks bevelen hij slechts was nagekomen. De Raad zag in deze verklaring van den Spaanschgezinden Schout een verwijt van het verledene, dat men den moed niet had te trotseeren. Had de Schout volkomene oprechtheid geoefend, en was hij er voor uitgekomen, dat hij van Cuyck’s behoud wenschte, wellicht zou de Magistraat, zich door zijn steun gesterkt voelende, den moed hebben gevonden om weerstand te bieden aan de bloedgierige vorderingen der geestdrijvers. Doch waar die het zwaard der uitvoerende macht tegen zich gekeerd zag, zoowel als het kruis der Inquisitie, voelde die zich te zwak tot tegenstand; hij versaagde, en hij gaf toe.

Hij liet van Cuyck voor zich brengen tot een openlijk verhoor. Wat van Cuyck aangaat, hij versaagde niet, schoon hij allen tegen zich wist, nu het de vraag was, getuigenis af te leggen van hetgeen hij voor waarheid hield, en rekenschap te geven van dat geloof, dat hem was geworden eene kracht Gods ter zaligheid.

In het vuur van zijn ijver, om den tweeden doop te verdedigen, dien hij had ondergaan, sprak hij met bitterheid en geringachting van den kinderdoop. en haalde zich daardoor den heftigen toorn op den hals van de heimelijke Calvinisten en Luthersgezinden, die het vrije onderzoek der Schrift voor zich zelven begeerden; maar die verschrikten en zich ontrustten, waar het voerde tot zulke afwijking van hunne gevoelens; noodlottige bekrompenheid, die er hun een gemoedsbezwaar van maakte, om voor van Cuyck uit te komen als voor een broeder. Ook verhief zich geene stem te zijner gunste, zelfs niet die van van Beveren, die te fijn was en te voorzichtig om zich advocaat te stellen van een proces, dat vooruit verloren was.

De Kamer van Schepenen en de Raad stelden van Cuyck ter dispositie van de kettermeesters, met belofte dezen den wereldlijken arm te leenen in al wat zij zouden bevelen en goed achten. En dat was niet weinig. Het was zelfs zooveel, dat wij ons niet de kracht kennen, het te beschrijven, al heeft hij. kracht gevonden het door te staan. Het was meer dan genoeg, om gansch Dordrecht als een kreet van mededoogen en verontwaardiging af te persen.

De Gardiaan der Minrebroeders, door geen kunstzin tot verschooning bewogen, en door wiens verstompt gevoel zelfs de natuurlijke stem der menschelijkheid niet meer werd verstaan; de Gardiaan der Minrebroeders voerde den schilder naar den pijnigingzolder op de Vuilpoort, Het is niet duidelijk met welken glimp van noodwendigheid men die wreedheid omhulde. Immers niet om hem te doen bekennen wat hij zonder eenigen dwang reeds bekend en beleden had, en herhaald aan wie ’t hooren wilde; immers niet, omdat Mijnheer de Substituut-Geloofsrechter eenig gemoedsbezwaar kon hebben, of hij ook misschien in den gewaanden ketter een rechtgeloovig Roomsch-Katholiek ter houtmijt zou voeren? Broeder Franciscus Mierbecanus had op dit punt zijne volkomene overtuiging gekregen, en uit de beste bron; hij kon dus in volle gerustheid des gewetens den schuldige overgeven tot de doodstraf, zonder die nog vooraf te bezwaren met de ijselijke pijnigingen van het »scherp verhoor.” Maar niet alzoo procedeerden Mijneheeren van het Heilig Ambt; zij waren geroepen tot onderzoek, en zij onderzochten, zelfs dáár, waar de klare waarheid hun zuiver was voorgesteld; zij onderzochten zooveel en zoolang en bovenal zóó scherp (niet enkel in geestelijken, maar ook in vleeschelijken zin), dat somwijlen de patiënt voor de overmacht van ’t onderzoek bezwijkende, er toe gebracht werd tegen de waarheid te getuigen, die hij eerst had beleden; en het was bovenal in de hoop van zulke tegenspraak uit hem te krijgen, dat men dit onderzoek in al zijne verfijnde wreedheid toepaste op Jan Woutersz. van Cuyck. Zeker, indien men het op hem verkregen had, de triomf ware geen zwakke geweest, Na de stoutheid, waarmede hij voor zijne begrippen was uitgekomen; na de vijandschap, waarvan hij blijk had gegeven tegen Rome’s kerksysteem en priesterschap; na den afkeer, dien hij had getoond van de misbruiken en de ergernissen, die daar heerschende waren, kon niets haar zoo volkomene genoegdoening geven, dan zijn terugkeer tot haar moederschoot, of eenige zwakke verloochening van zijne eigene belijdenis, ware die dan ook door der scherpte der folteringen afgeperst, Zijn dood, dit wisten ze vooruit, zou niets bewijzen in het voordeel der Kerk; niets, dan dit eene, dat zij het ruw geweld te harer beschikking had. Maar herroepen, maar schuldbelijden, zoo hij er toe te brengen ware, die geene vergiffenis had begeerd, die geenszins zich een schuldige wilde belijden, die zich gesterkt roemde door de kracht Gods, en zich steunde op het gezag van het Evangelie; dat ware de rechte voldoening voor den bitteren hoon, Rome aangedaan in het aangezicht; dat zou hare eer herstellen, ten aanzien des volks, en de zaak der vermetele sekte zonk er door zoo diep, als zij hooger rees, zoo het tegendeel plaats vond. Doch ja, men had hem ook nog wat te vragen, waarop hij bij ’t gewone verhoor het antwoord was schuldig gebleven, niet (als hij zeide) uit kleinachting voor de Magistraat, maar omdat zijne consciëntie hem te machtig was.” Men wilde namelijk, dat hij de schuilplaatsen zou aanwijzen van zijne gevluchte geloofsgenooten, onder welke zijne vrouw, zijne bloedverwanten, zijn meester, en dat hij verder zoude uitzeggen wie er te Dordrecht tot de hunnen behoorden;” eene verzoeking tot verraad, door de schrikkelijkste bedreigingen en gewelddaden gesteund, die de vrome Christenheld herhaaldelijk afwees, met den eisch van zijn Heer: »Gij zult uwe naasten liefhebben als u zelven,” »en zoo is ’t aan mij,” voegde hij er bij, »en te veiligen tegens uwe verdrukking.”

Men gaf hem wel te verstaan, dat hij dusdoende zijne naasten liever had dan zich zelven; maar hij voerde aan, »dat hij daarin, in allen ootmoed, het exempel volgde van den goeden Herder, die ook zijn leven had gesteld voor de schapen;” men bracht zelfs Casuďsten tot hem, die wilden bewijzen, dat hij het verraad behoorde te plegen om den wille Gods; maar hij beschaamde hunne spitsvondige redekunst door een eenvoudig beroep op klare uitspraken van ’t Evangelie.

Na iedere dergelijke overwinning, die hij echter niet had behaald, dan ten koste van nameloos lijden, dankte hij God vuriglijk, »die zijn mond had bewaard,” en voelde hij den moed klimmen voor ’t geen daar verder te dragen viel; want immers, »voor den Getrouwen Heer was ’t eene lichte zake hem verder te bewaren voor zwakheid of afval.” En zijne hope werd niet beschaamd! »Toen ik maar eens met Abraham mijn eenigen zone (dat is mijn vleesch) den Heere geofferd hadde (betuigt hij), dat Hij Zijnen heiligen wille met mij doen zoude tot mijne zaligheid; zoo veranderde de Heere mijne bangigheid in blijdschap, in zulke heerlijke onuitsprekelijke blijdschap, dat mij de oogen overliepen, en dat ik den Schout wel had willen omhelzen (schoon nog niet weder gekleed van ’t pijnigen), zóó vond ik mij gedrongen door eene teedere ontferming jegens hen, die mij dit aandeden, want, lacen! zij vervullen de mate hunner vaderen, opdat het rechtvaardig bloed bij hen zal bevonden worden.”

Dan er is genoeg gezegd, om te bewijzen, dat men langs dien bloedigen weg van scherp onderzoek niets verkreeg op van Cuyck, dan dit, dat zijne standvastigheid te sterker uitkwam, en dat zijne geloofskracht onverwinnelijk bleek. De vrijheid tot schrijven schijnt men hem gelaten te hebben, en den lust er toe bleef hij behouden tot den einde. Zijne brieven (getuigt zijn geschiedschrijver) smaakten naar de ernsthaftigheid eener welverzekerde ziele, die, reeds gescheept met de smerte, den dood en een beter leven te gemoet ziende, der wereld den laatsten adieu toeroept!

Dat zegt zeker veel, en het is toch niet alles; zij ademen eene zoo volkomene Christelijke blijdschap, dat men er niet op zien kan, zonder bevredigd te wezen met zijn lijden, zoowel als hij zelf; ze verheffen zich somwijlen tot zoo hoogen apostolischen zin, dat men den ongewijd en schrijver in hem vergeet. En toch zijn ze zoo echt menschelijk; toch voeren ze nooit den overspannen toon eener ziekelijke verbeelding, door hare eigene hersenschimmen begoocheld. Dezelfde brief aan zijne gade, die aanvangt met een vromen en dankbaren juichtoon over hetgeen hij noemt, »mijne zegepraal op zijne vijanden,” daalt af tot eene klare en kalme beschouwing van den toestand zijner vrouw, als zij zijne weduwe zal zijn. Hij vergeet niet hare aardsche behoeften; maar hij vergeet evenmin de vermaning: »Ist dat ge in eenige neeringe blijft, zoo wacht u. dat ze niet te groot en wordt, opdat uwe herte niet daardoor beswaert worde, alsoo dat gij kwalijk uw gebed doen kondt,” Hoe diep die blik in ’t menschelijk hart, hoe teeder die voorzorge! Al ’t overige is in denzelfden geest, den geest der liefde, den geest der getrouwheid, den geest des gebeds. Zijn afscheidswoord aan die vrouw is roerend van eenvoud. »Ik bedanke u zoo minnelijk al dat ik u bedanken kan van uw lieve goede gezelschap, getrouwigheid en liefde, ’t welk ik mij zelven onweerdig achte van zoo goeden deel. Nu heeft de alleen goede, barmhartige God mij, onweerdigen, tot een hooger staat beroepen, en gij en meugt mij, uwen allerliefsten op aarde, tot geen hooger staat den Heere opofferen. Aldus, troost u met elkander, want uw druk zal maar wezen voor eenen kleinen tijd.” Hij eindigt met een gebed, vol heilig geloofsvertrouwen. Ook tot zijn dochtertje spreekt hij de taal van vroolijken geloofsroem, zonder boven hare bevatting te gaan, en zonder te verzuimen, minzaam, maar ernstig, bij haar aan te dringen op het vervullen harer kinderlijke plichten. Hij zelf vervulde de zijne als een goed zoon jegens zijne ouders, ook nog in die dagen; hij vervulde ze in iedere betrekking, ook in die, waartoe hij stond tot wat hij noemt »de Gemeente Gods tot Dordrecht, die alsnu verstrooit is om ’t getuigenisse Christi.” Hij troost en sterkt haar met al den ijver van wie besloten is, door eigen voorbeeld zijn vermaningen kracht te geven, Zelfs aan zijne vervolgers, aan de regenten van Dordt, heeft hij een bewijs zijner liefde nagelaten. Een Testament, als hij ’t noemt, eene belijdenisse des geloofs, wel geschikt om hun zelven de oogen te openen voor de waarheid, die hij beleed en zeer zeker over hunne eigene schuld, bij het onderkennen, wat zij eigenlijk in hem vervolgd hadden.

Maar genoeg over zijne schriften; uit een woord daarin (een verzoek om verven) blijkt, dat hij zich nog heeft ingespannen om te schilderen, ware ’t ook om zijne belofte aan van Drenkwaart af te doen, en hem te bewijzen, dat hij zich door eigen lijden niet zoo diep liet neerslaan, als deze van hem had ondersteld. Toch moet hem dat niet licht zijn gevallen; want meer dan eens verontschuldigt hij zich bij de zijnen met groote naďveteit over »zijn kwaad schrift,” wijl hij toen korts was gepijnigd. Wat de Schout later wel bij die schilderij mag gedacht hebben? hij, die, bij alles wat men tegen van Cuyck pleegde, aanvoerder en getuige moest zijn; hij, die de houding der alleruiterste strengheid tegen hem moest aannemen, om de gramschap en de verdenking der Spaansche partij en der ijveraars van zich te werren. Er zijn bewijzen, dat zijne innerlijke betrekking op den schilder niet was verloren gegaan, maar slechts werd overstemd; zijn gedurig smeeken en dringen, dat deze toch zou toegeven, zijne beloften, die verleidend moesten werken op het menschelijkste in den mensch, zijn verwijt: »Gij hebt het liefelijk aangezicht van een engel, maar uw harte is harder dan Pharao’s harte;” zijn aanhouden midden onder de folteringen, dat van Cuyck toch zou spreken, en »zijne leden ontzien om den wille van zijn schoon handwerk:” dat alles maakt het ons tot zekerheid, dat Jan van Drenkwaart de beul is geweest van den Christen, met de innige begeerte in ’t hart, om den mensch te sparen. In de verscheuringen van zulken tweestrijd, ligt hellestraf. Het gerucht van ’t geen men Woutersz. aandeed, en de vastheid, waarmede hij het doorstond, drong heen door de muren van zijn kerker, en bracht de gemoederen dus in beweging, dat men noodig vond, met hem te eindigen, al had men ook niets op hem verwonnen, en zoo werd de uitvoering van zijn vonnis vastgesteld op den 28sten Maart, tegelijk met dat van de vrouw uit Molenaarsgraaf, wiet lijden zijn medegevoel had opgewekt.

Wij achten het nutteloos, uwe verbeelding en de onze te pijnigen met de afgrijslijkheden van zulke executie: wij gelooven niet, dat iemand, zelfs niet hij, die het meest begeerig het hoofd omwendt naar het verledene, met leedgevoel, dat het voorbij is, zich zou vermeien in de voorstelling der brandstapels, door het Spaansch gedrocht, de Inquisitie, ontstoken op onzen vaderlandschen grond.

Ééne bijzonderheid kunnen wij echter niet terughouden, zonder van Cuyck onrecht te doen. Altijd had hij van zijn dood gesproken als van »zijne offerande;” nog hooger steeg zijn toon, toen hij stond tegenover het volk om die te volbrengen. »Dit is de dag der zaligheid,” riep hij vol vroolijken moed; doch hij werd bestraft over dien roem, en terstond op hem toegepast, hetgeen het gebruik medebracht, dat men den slachtoffers bij het naderen van de strafplaats den mond stopte, opdat noch hun blijde geloofsroem, noch hun vertrouwend gebed, »van kwaad exempel mocht zijn,” of wel een hulpgeschrei of een angstkreet de omstanders tot ontferming mocht bewegen. Hij echter wist daarna de beklemde tong te ontboeien, en riep, in luide en roerende woorden, tot God om hulp en uitkomst in die uiterste ure. Dit bewoog een onbekenden vriend, uit het gewoel des volks tot hem door te dringen, en hem troostend toe te spreken: »Strijd vromelijk, broeder! gij zult hierna niet meer lijden!” Maar van Cuyck had niet van lijden geklaagd, schoon hij den Heer als Helper had aangeroepen, Met de opgewekte geestdrift van den lijder, die de overwinning in ’t oog heeft en de zegeteekenen reeds toon en kon, rukt hij zijn boetekleed open, toont den volke zijne bebloede borst, door felle geeselslagen aan de paleie doorvlijmd, en spreekt, met de oogen gericht naar dien Hemel, waar hij in den geest zijn Heer reeds aanschouwt: »Ik drage alreede de litteekenen des Heeren Jesu in mijn lichaam!” Mijneheeren de Kettermeester en die van den Gerechte hadden wel gaarne den moedigen trooster gegrepen, wiens toespraak tot zulken zegetoon had uitgelokt; maar de volksstroom had zich bliksemsnel voor hem geopend, en door zijne kronkelende golving was hij bedekt en verdwenen, eer het bevel der gevangenneming kon gegeven worden. Mijneheeren van de Inquisitie en van den Gerechte ervoeren het uit deze proeven en uit nog meerdere: hunne wijze van het geloof voor te staan en den Koning te dienen, was niet populair. Het volk toonde zich minder verschrikt en versaagd door de ijselijkheid der straffe, die men zag uitvoeren, dan afgeschrikt van en verbitterd tegen eene Kerk en een gezag, die zulke middelen noodig hadden, om zich staande te houden.

Men had de poorten gesloten en veel krijgsvolk op de been gebracht, omdat men oproer vreesde; voor dat oogen blik bleef het bij gemor, maar het gedenken der martelaren bleef leven in de harten des volks. Het getuigde daarvan zoowel door schimpliedjes op de Regeering, als door lofliederen op de slachtoffers, waarin hunne laatste zegevierende woorden werden herhaald, en een van welke dus eindigt:

„Deze twee schaepkens zijn door, voor ’t Tempeest,
Wat heeft al haar lijden nu geweest?
Zij hebben de kroon
Der martelaren verworven,
Die hebben zij nu voor haar loon.”

Zekerlijk, zij waren martelaren gekroond; Jan Woutersz van Cuyck had eene betere kroon verworven, dan die de kunst hem had kunnen geven; zekerlijk, het was hem geen klein genot geweest in de dagen zijner vrijheid, te mogen leven voor de kunst; maar bovenal heeft hij het groot gewin geacht, en is het hem tot hemelsche blijdschap geworden, te mogen sterven voor de getuigenis van Christus.

De Regeering van Dordrecht voelde zich te sterker getroffen en ontrust over die bewijzen van ’s volks afkeuring in dezen, daar zij gansch niet de bewustheid bij zich omdroeg, van gehandeld te hebben als een waardige Magistraat, Zij achtte het noodig voor hare eer en dienstig voor hare veiligheid, de processtukken te vernietigen, die op deze rechtszaak betrekking hadden, »opdat daarvan geen getuigenisse meer overblijven zoude;” maar men vernietigt papieren, men verduistert geen feit, dat men zelf door de vlamme der houtmijt heeft toegelicht. Het volk wist te onthouden; onwil en ontevredenheid klommen met den dag; welhaast, nog in den loop van dien zomer, stak het »Tempeest” op, brak het onweder los over de hoofden der Regeering, over de geestdrijvende dienaren der Kerke, en Dordrecht wrong zich los uit de Spaansche boei. Toen durfde men vrij uitspreken en neerschrijven wat men had geleden en aanschouwd. Jan Woutersz, brieven waren niet verloren gegaan; allen leefden nog, die voor en van hem getuigen konden; de historie nam dat alles in bewaring, en bracht het tot ons als een kostelijken erfschat, en wij oordeelden, dat het van de dingen was, die men moet voortzeggen.

1856.

Aantekeningen.


Ingezonden op: 19 July 2001