EENE HERINNERING AAN EENE BEROEMDE VROUW.


»Vrijster, is de heer burgemeester te spreken?”

»Ja, juffrouw, dat zal heel wel gaan, gelief even in de zijkamer te komen; ik zal mijnheer boodschappen dat er iemand is.”

En de dienstmaagd, die al zoo wat op hare jaren was, ging met slependen tred, de dame voor naar een vertrek, dat zij opende terwijl zij vervolgde:

»Het weer is al wat guurtjes, ik zal de juffrouw eene stoof geven,” en zij plaatste een zoodanig meubeltje van eikenhout, keurig gebeeldhouwd en spiegelglad gewreven, voor den stoel, waarop de dame zich had neergezet.

»Als ik nu weten mag, wie moet ik aandienen?” vroeg de dienstmaagd.

»Juffrouw van Schurman, van Utrecht,”hernam de ondervraagde.

»Wel Heere nog toe! diezelfde roemruchte en wijdvermaarde juffer — Anna-Maria Schurman, daar de sprake af gaat dat zij spinnekoppen eet — simpel voor haar pleizier!”

»Dezelfde!” hernam de dame onwillekeurig glimlachend, bij de gedachte, dat van alle die roemruchte vermaardheid niets zoo vermaard bleek als eene excentriciteit, die op zijn best als kwade gewoonte gelden mocht, of ook wel geen grond had dan in een sprookje.

»Wat dat mijnheer vreugd geven zal, als ik hem dat ga boodschappen!”vervolgde de dienstmaagd, zelve de gestalte der jonkvrouw opnemende met eene nieuwsgierige aandacht, als had zij tegelijk haar signalement moeten geven.

»Zoo ga!” sprak de dame, terwijl de zucht, waarmede zij dit bevel eindigde, van meer dan ééne soort van ongeduld overtuigde: het verdriet over dit onkiesche gadeslaan, en het verlangen, om tot het doel te komen, waarvoor zij dáár was.

De goede Trijntje — of Pieternel — zoo ze heeten mocht, gaf dan ook niet langer toe aan hare nieuwsgierigheid, maar ging met volvaardige haast en keerde schielijk terug, om te zeggen dat haar meester in aantocht was. Terwijl hij nog niet daar is, hebben wij even tijd de beroemde vrouw gade te slaan, zoo scherp en misschien nog minder bescheiden dan Pieternel; maar toch nogal à distance, en niet door haar knijpbril — maar met den telescoop der verbeelding.

Dat was dan werkelijk de beroemde Anna-Maria van Schurman, die vrouw die dáár nederzat en, nu zij alleen was, met een strakken, verstrooiden blik voor zich heenstaarde, als ware er niets dan het ledige rondom haar.

En toch moest dat oog nog kunnen schitteren van schranderheid en geestverrukking; en de trekken van dat gelaat waren zeker niet altijd dus onbewegelijk en gespannen, als nu in dit oogenblik, waarop de ziel, in diepe mijmering weggezonken, zich nauwelijks meer bewust scheen van haar verband met het lichaam. Anna-Maria van Schurman, zooals zij dáár nederzat, was, naar het uiterlijke, niets meer dan eene schaduw van haar zelve. Zij was twee-en-zestig jaar oud geworden, en schoon die ouderdom genoegzaam ware geweest om eene gewone vrouw hare hoogste voorrechten van schoonheid en frischheid te ontnemen, deze was het aan te zien, dat niet de jaren alleen, dat zelfs niet de jaren het méést tot de sterk sprekende verandering hadden bijgedragen, die van eene jonkvrouw, schitterend van levendigheid en geestkracht, vernuft en verbeelding, dus stemmig en strak eene matrone had gemaakt; die eene kunstenares, bij wie de geestdrift van het talent zich alleen liet beteugelen door het heldere oordeel en de veelomvattende kennis der geleerde, had teruggebracht tot de proportie eener gewone bedaagde vrouw, die er uitzag; alsof zij zonder iemands schade of smart van het tooneel der wereld kon aftreden. Hare kleeding, hare houding, niets in haar voorkomen sprak deze onderstelling tegen; — ook is het in waarheid gebeurd, zooals wij het daar opgaven. Anna-Maria van Schurman, eene der meest geleerde vrouwen van Europa, de uitstekendste en beroemdste onder alle vrouwen, die in Nederland hebben, uitgeblonken door gaven van geest en kennis, de vrouw, die ook door vrouwelijke bevalligheden »de oogenlust” was van de uitstekendste mannen van haar tijd, voor wie de doorluchtigste harer tijdgenooten gebogen hadden met vreugd en met liefde, heeft zich, op een gegeven tijdstip, van dat alles gescheiden; dat alles, om het zoo eens uit te drukken, als van zich geworpen en zich daarbuiten gesteld, en de wereld hoezeer zij ook het afgodsbeeld betreurde, dat uit zich zelve van het hooge altaar trad, zonder te wachten tot zij het er had afgestooten — hoezéér zij den edelsteen had gewaardeerd, dien zij nu verloren dacht — de wereld had zich ten laatste geschikt naar die verandering. Zij had vergetelheid mild geschonken aan wie háár vergat; van al het vele, dat de beroemde vrouw geweest was, hield zij ten laatste nog het meest de herinnering van het weinige, dat zij scheen gebleven; en hoewel de geleerdheid van Anna-Maria van Schurman doorgaand geroemd bleef — nog meer dan deze is het gedenken aan hare dwaasheid blijvend. Althans waar men de eerste roemt, wordt er terstond de laatste bij geroepen; de berijmde veroordeeling in het schoolboekje van Nieuwenhuis:

Maar dweepzucht schoof, wat spijt! een wolk voor dat verstand,

is zeker nog meer levendig in ’t geheugen van ons allen, die naar het verbeterd onderwijs zijn opgevoed, en tegelijk het eindoordeel, dat over haar werd geveld, als haar meest bekende karaktertrek. En bevreemden zou het mij, zoo het niet velen is gegaan als mij, die, eer zij de vrijheid konde gebruiken zelve te onderzoeken achter die wolk over dat verstand heengeschoven, zich bijna de afgrijselijkheid eener verstandsverbijstering dacht, of althans aan de feitelijke buitensporigheden van een verwarden geest, die al den glans van een roemrijk verleden dus plotseling deden verbleeken onder den indruk van een jammerlijk tegenwoordig. Maar niets daarvan is ons gebleken, en door in eene enkele voorstelling haar beeld te geven, zooals zij het ons zelve toont, hopen wij u tot ons gevoelen te brengen, en voor haar het pleit van gezond verstand te winnen tegen de aantijging van het schoolboekje, welks eenzijdigheid meer porté heeft, dan die van den krachtigsten historieschrijver; want het drukt zich in in gemoederen en geheugens, die er niet zoo licht weer van ontslagen worden, die meestal bij die eerste indrukken blijven stilstaan, en zelden gelegenheid hebben of waarnemen tot nader onderzoek en eigen overzicht, en het heeft altijd op den beroemdsten historieschrijver eene macht van populariteit vooruit.

Maar… burgemeester van Beuningen (ditmaal Koenraad, niet Geurt Dirksz.) is intusschen binnengekomen en groet zijne bezoekster met welwillende hoflelijkheid, terwijl hij zegt:

»Wees ons hartelijk welgekomen, mij en mijne stad, geesten kunstrijke juffrouw! Niets verblijdt mij zoozeer dan u van aangezicht te mogen kennen, die mij sinds zoolang door geruchte en faam bekend en geliefd was.”

»Och, dit oudsch en vervallen wezen is zoo vriendelijk eene aandacht niet waard; en ware ’t in jonkheids schoonsten bloei, dan nog zou ’t nietwes zeggen; alleen moge uwe goedgunstigheid mijwaarts geen kwalijken keer nemen, zoo ge de oorzake mijner komst in Amsterdam verstaan hebt.”

»Welke ook de oorzaak dier komst moge zijn, wij zullen haar altijd danken het bezoek, en zij dan ook maar tijdelijk het verblijf van joffrouw Anna-Maria van Schurman, eene paarle, wier herkomst en bezit men te Utrecht grootelijks benijdt. Toch is de oorzaak, die u derwaarts voert, geen geheim, onderstelle ik?”

»Gansch niet; ’t is bekommerdheid over het welvaren en de opname mijner vrienden en zeer waarde broederen in Christus, die mij herwaarts voert, mitsgaders de hope op een vreugdig wederzien.”

»Uwe broederen, mejuffrouw? Ik achte, gij hoort nog tot de publieke kerk… tot de ware Gereformeerde religie?”

»In zoover de Gereformeerde religie waarlijk de Evangelisch Christelijke mag zijn, ja heer, zoo hoore ik daartoe… dan… niet wetende uw oordeel en gezindheid daarover , niet willende in strijd komen op dit punt, moet ik u dit zeggen: als mijne broeders en zusters heb ik onderkend, en erkenne ik die leden uit de gemeente van Zeeland, die om religions-zake uit deze hunne provincie zwerven als ballingen, en zich hier tot Amsterdam hebben begeven, in hope er voorshands veiligheid en schuilplaats te vinden.”

»O! gij bedoelt die luiden, die hierheen zijn gekomen onder geleide van Dr. de Labadie…”

»Die bedoelde ik… Maar eilieve, heer burgemeester, gij ontstelt mij. Wordt de eerwaarde de Labadie alleen als hun leidsman en leeraar genoemd, en verzellen hem ook niet anderen?…” vroeg Anna, met onrust.

De burgemeester had intusschen een klein zakboekje uitgehaald en het inziende, antwoordde hij:

»Nog twee anderen, Dr. Peter Yvon, en Dr. du Lignon; maar een van hen, namelijk de eerste, schijnt krank te zijn, althans in zulken toestand hier aangekomen, dat hij zich niet met de anderen in persoon bij de regeering is komen aanmelden, om van zijne komst en voornemens kennis te geven.”

»Vrouwe Dr. Yvon! De Heere sterke hem naar de ziele, moge ook het lichaam zwak zijn!’ hernam Anna. »Maar zeg mij, bidde ik u, mijnheer, hoe zijn ze door den magistraat ontvangen? Is hun ’t oponthoud hier ter stede vergund? Zullen zij goed onthaal vinden en vrijheid tot hunne godsdienstoefeningen?”

»Voorzeker, ze zullen. Het is gansch niet in den geest der tegenwoordige hooge regeering, noch van die der Amsterdamsche in ’t particulier, de luiden, om der consciëntie wille, te bezwaren of moeite aan te doen, en de tijden loopen er niet naar, bij ’t verval van zooveel nering en koophandel, dat men vrome en rustige menschen de inwoning zijner stad zou weigeren, om particuliere opiniën in zaken van ondergeschikt belang.”

»Ondergeschikt belang!” herhaalde Anna, op smartelijken, veel beduidenden toon; »och, ja,” vervolgde zij met een zucht, »dus wordt te dezer dagen geconsidereerd datgene, wat men voormaals het hoogste achtte, waarvoor men lijf, goed en eere veil had! Toch neme ik dankelijk aan van Uwe Edelachtbare de verzekering en gunstige toezegging, dat mijne vrienden in dezen last noch leed zullen lijden, en dat zelfs hunne religieoefeningen; zonder al te nauwe inperking zullen worden toegestaan, en zoo heb ik hope, dat hun, in deze ballingschap hier tot Amsterdam,. eene wijle eene zoete rustplaats zal bereid zijn.”

»Zoo ’t aan mij ligt, en aan de meesten mijner ambtgenooten in de regeering, die met mij eenstemmig denken, zal ’t hun daaraan niet gebreken!”

»Zou ’t Uwe Edelheid gelieven, mij te zeggen, waar deze mijne vrienden, of sommigen uit hen, zich ophouden in deze stad?”

»Volgaarne. Sommigen hunner, en daaronder Dr. Yvon, hebben gastvrijheid gevonden in het huis van den heer Izaäk Bernards, voormaals ouderling der Waalsche kerk alhier…”

»Bij den heer Izaäk Bernards! Zekerlijk dat verheugt mij zonderling! Met diens huisgezin heb ik lang vriendschap gehouden, en ik ben nu gansch gerustgesteld omtrent het lot en onthaal mijner vrienden. Zulks ik nu met meer kalmte en lust op mijn eigen verblijf hier ter stede ga peinzen…”

»Gun mij te zeggen, juffrouw, dat ik mij grootelijks verwonder daarover, dat gij, bij zulke belangstelling voor die luiden, niet alreede van hun wedervaren hier tot Amsterdam waart onderricht.”

»Ik zal u zeggen hoe het daarmede gelegen is. Ik heb eenigen tijd in hun midden doorgebracht te Middelburg en andere plaatsen in de provincie Zeeland, groote verkwikking smakende in hun gezelschap, tot op het oogenblik, dat zij, door de vervolgingen en smaadheden hun aangedaan, van daar verdreven werden; zoo ben ik gelijktijdig met hen verreisd, mij naar Utrecht begevende ter regeling mijner zaken, om zoo haast het zijn kon hen weder tot Amsterdam op te zoeken. Doch daar ik hier vele vrienden en magen heb, die allen aanspraak zouden maken op mijn bijwezen, voordat ik mij tot hen begeef, die mij in Christus de naasten zijn geworden, zoo is ’t dat ik liever berichten omtrent dezen en hun wedervaren wilde inwinnen, om mij daarna bij de mijnen te voegen, wetende nu waar ik ze kan vinden.”

»Sta mij toe, u te doen opmerken, dat hunne zaak in geen geval luisterrijk staat, en dat eene juffrouw van uwe kwaliteit, fortuin en aanzien in de wereld, om niet te spreken van de somme uwer uitstekende kunde en geleerdheid, welomzichtig mag gaan, met zich aan te sluiten daar, waar in allen deele meer verlies dan winste te berekenen valt.”

»Met het welnemen van Uwe Edelheid, daar is voor mij met hen gansch geen verlies te vreezen, maar wel zekerheid van uitnemende winste. Integendeel, nu ik de kracht van den Geest Gods in hunne Evangelische bediening recht heb beginnen te proeven, is daar niets, dat ik niet schade heb geacht, zoo het mij mocht scheiden van dit… en dus los ben ik van al ’t gene aardsch en menschelijk is, dat ik mij niet meer denk te vervreemden van hen, welken voortgang God ook moge geven aan hun werk of in welke verdrukkingen het Hem behagen zal hen te leiden.”

»Fij, juffrouw van Schurman, hoe sombere tafereelen haalt gij u voor oogen! Waartoe lijden en verdrukkingen voor u — de roem van ’t land — en de oogenlust van allen, die ’t slechts gebeuren mag u te aanschouwen?”

»Gij vergist u, heer van Beuningen; de Anna-Maria van Schurman, die gij daar noemt, zoo ik die ooit mag geweest zijn, ben ik niet meer…”

»Ei! waarom niet, volgeestige juffer? Uw leeftijd wellicht… Vergeet dien zelve en niemand zal er om denken; — de muzen zijn onsterfelijk en toch altijd jong!”

»Het zou kunnen zijn dat daar, ondanks ’t verloop der jaren, ietwat in mij overig was gebleven, dat hunne slooping wederstond; alleen ’t is niet daarvan dat ik spreke. Ik zou niet meer willen zijn die ik voormaals was, zelfs al vermocht ik, de jeugd en schoonheid van voor veertig jaren mij het leven lang tot vast en onverliesbaar deel te kunnen gewinnen… Ik heb nu andere zorge dan die… menschen te behagen en naar ijdele hulde om te zien, of zoetluidende lofspraken uit te lokken en aan te hooren…”

»Dat ’t te groot eene strakheid en zedigheid, waarde juffrouw; uwe zusteren in Phebus, Roemer Visschers dochters namen te haren tijd het leven anders op, en waren niet min geliefd van de menschen noch gezegend van den Hemel.”

»Ik zegge daarop geen neen. Ik oordeele niemand. Alleen de schoone Tesselsche en hare zuster waren van eene zulke religie, daarbij men doorgaans het leven anders pleegt op te nemen; doch mij, die een ander licht is toebedeeld, mij betaamt het een anderen weg te nemen. Zij waren de Martha’s, vervuld van de zorgen des levens, om dat wel aangenaam te maken en met de wenschelijke zoetheid der allerfijnste genietingen te vullen, zulks dat de geure daaraf van rondom de omstanders mocht toekomen. Zij wisten als ’t liedeken zegt: alle zinnen haar lust te geven. Ik trachte met Maria een ander deel te krijgen, dat min uiterlijken schijn van heerlijkheid heeft, maar dat de Heer zelf het beste heeft geroemd. Ik hebbe dat bereids gekozen en ben wel gezind dat te houden.’

»Ik zal tegen die vrome keuze niet meer zeggen, alleen gun nij antwoord op de vrage, of ge door ’t aanhangen en volgen van Dr. de Labadie en zijne gevoelens eene keuze meent te doen, die te gelijken is bij zoo singulieren exempel, als dat van Maria?”

»Ik kan met volle waarheid en klare bewustheid hierop ja zeggen,” hernam Anna, terwijl toch bij dit antwoord, dat aan vermetelheid grensde, geen zweem van de overspannen hartstochtelijkheid der dweperij zich toonde op haar gelaat, dat alleen sprak van een vast beraad en van eene koele overtuiging; en zoo zich hare oogen verlevendigden, het was nog geen gloed der opwinding, maar een licht van helderheid en, om het zoo eens uit te drukken, van helder zien, als had zij met dien blik gepeild wat zij moest, en als zag zij daarmede heen door nevelen, die voor anderen ondoordringbaar waren; een blik, scherp en fijn, die door diepten scheen te zullen heenboren en waarvoor hoogte noch horizont meer hindernissen waren.

»Gij zegt daarop zoo haastig en zoo gulhartig ja!” hernam van Beuningen, met een licht hoofdschudden, »dat het mij ietwat aan het harte gaat, juffrouw. Ik vreeze, hier is uw klaar verstand op zonderlingen doodweg geleid; of — neem ’t harde woord ten goede — dweperij heeft het omneveld.”

Zij glimlachte rustig.

»Dweperij! mijnheer! Neen, ik ben hier met verstand en oordeel te rade gegaan, niet met die haastige en vurige beweginge der ziele, die men gevoel noemt, dat zich door indrukken heen en weer laat slingeren… en daardoor meer tot een tijdelijk geloove komt, dat ook met den tijd, als de dingen tegenloopen, verdwijnt… ”

»Maar toch… juffrouw! maar toch, om niet eenmaal te spreken van de doling in de leere, daar van de luiden, die de Labadie volgen, beschuldigd worden; om geen enkel oogenblik geloof te slaan aan de dwaze sprookjes, die de menigte uitvent, over de zonderlinge gebruiken en zeden, die daar omgaan tusschen hen; gij gingt, door uwe uitspraak van straks, die personen daarnevens gij u voegen wilt gelijken bij den Heer, jegens wien alleen eene zoo uitsluitende keuze eene goede mag genaamd worden.”

Anna bedacht zich een oogenblik; daarop zeide zij:

»Mijn waarde heer van Beuningen, dit is eene aantijging, daaraf ik mij volgaarne zou willen zuiveren — gunt gij mij dat?”

»Wel hoe, mejuffrouw? Als magistraat is mij recht en billijkheid te na, om geen ja te zeggen; als uw vereerder zal het mij grootelijks tot eere en genoegen zijn, u te hoor en spreken van de gronden, waarop gij den zonderlingen ommekeer in uw leven en denken grondt.”

»Maar ik zal ’t niet in twee woorden kunnen doen, dies ik voorzeker te groote aanspraak zal maken op uw tijd…”

»In geenen deele: ik heb een paar vrije uren voor mij, en mocht er al stoornis komen uit oorzake van mijn ambtsplicht, dan… zult ge mij ontschuldigen.…”

»Die voorwaarde is ingesloten, plicht gaat voor; de mijne is ’t nu (en ik bekenne, dat nooit de behoefte des harten zich nauwer met dezen heeft samengetroffen) u rekenschap af te leggen van mijne uitkiezinge des besten deels, en waarom ik meene dat gevonden te hebben in mij te voegen aan de zijde des eerwaarden mans Ds. Jean de Labadie (*) en wie van zijn gevoelen zijn.”

Toen zette zich Anna-Maria van Schurman tot spreken. Zij sprak langzaam, als eene die ernstig hare woorden weegt, maar toch gemakkelijk en met dien zekeren nadruk en vastheid, als eene die diep voelt wat zij zegt, en die wenscht te overreden zonder kunstenarij. Haar gelaat veranderde onder ’t spreken; de harde stroefheid werd milde ernst; de verstrooide blik dwaalde niet meer af; de onbewegelijkheid der trekken wisselde voor eene fijne en geestige uitdrukking; somwijlen zag men een zachten gloed van geestdrift de bleeke wang en het schrandere voorhoofd kleuren; maar rustige ernst toch bleef de hoofdtrek van deze physionomie; toch kon men het dien fijnen mond aanzien, dat zij nog met zoete glimlachjes had kunnen tooveren, zoo zij het gewild had.

Nimon de l’Enclos en Marion de l’Orme waren beide van hare eeuwen wisten te behagen op nog later leeftijd; zij had meer geest en meer kennis dan deze, om schoonheidsbloei te vergoeden; maar zij wilde niets van dat alles; zij dacht er zelfs niet aan; zij wilde zich en hare zaak rechtvaardigen voor een man, wiens hoogachting zij wilde behouden, wiens steun zij voor hare vrienden noodig achtte, en daarom sprak zij, zooals wij haar nu hooren aanvangen.

»Zekerlijk is ’t waar dat geen sterfelijk mensch, ware ’t profeet of Apostel, bij den Heere geleken kan worden, noch diens beeld hier op aarde in zulke volkomen gelijkenis dragen, dat men zonder zonde hem daarbij zou mogen gelijken; zelfs zoude het zijn, zich nieuwe afgoden stichten, nadat men de oude had omvergeworpen. Maar ter andere zijde is ’t ook waar, dat de Heer, niet meer op aarde wezende, Zijne discipelen en volgers geene weezen heeft gelaten, maar hen telkenmale, ook naar het uiterlijke, door mannen vol des Heiligen Geestes heeft getroost, en hun dezulken heeft gesteld tot herders en voorgangers, op zulke wijze, dat men, die volgende en daarvoor zoo ’t nood doet het al verlatende, niet feilen kan of men brengt dat offer Hem zelven en Zijne zaak, en doet alzoo die goede keuze van dat ééne noodige, daarop Hij heeft aangedrongen en die, gedaan zijnde, Zijn welgevallen erlangt.”

»Heel goed, juffrouw, maar mij dunkt, die herders en leeraars zijn, in onze Gereformeerde Kerke, in overvloedigen getale, en men heeft niet noodig bij uitsluiting zich dezulken te kiezen en zich bij hen te voegen, die zooveel daarvan verschillen en zulke vreemde en nieuwe leeringen invoeren, dat de Synode heeft geoordeeld haar te moeten condemneeren, en die zich bereidwillig; afscheiden van de heerschende Kerke, daarover men oordeelen mag, dat de zorg des Heeren waakt — en Zijn licht over haar schijnt:”

»Maar hoe nu, indien die Kerke zelve gecorrumpeerd is en vervallen van de waarheid en van het levend Christendom, hoe kunnen de leeraren en leden uit haar midden, daaruit de Synode bestaat, van zoodanigen geest zijn, dat ze zuiverlijk scheiden kunnen, en dus rechtmatig condemneeren mogen diegenen, die, door Hooger licht en warmer ijver aangedreven, zich niet meer willen vereenigen met hun flauwhartigen sleurdienst, noch met de vleeschelijke en wereldsche duisternis daarin zij zich hoe langs hoe meer verliest?”

»De Kerke gecorrumpeerd… maar, juffrouw, gij oordeelt voorzeker al te hard: onze Kerke is al zoo zuiver en vrij van papistisch bijgeloof als anderszins…”

»Ik durf daarop niet eenmaal vrijuit neen zeggen; maar toch, dat is zeker: een ieder, die Christus in waarheid en inwendig dient, zal met volle toestemming moeten belijden, dat het leven en lot van de oorspronkelijke Kerke, nadat ze de doorluchtige en overvloeiende eerstelingen van den geest Christi nieuwelings ontvangen hadde, toen de allerbeste en gelukkigste geweest is.”

»Zonder eenigen twijfel, juffrouw; alleentusschen dien schoonen aanvang en deze tegenwoordige eeuwe ligt zoo breed een afstand van tijden en gebeurtenissen, dat men niet wel meer van onze huidige Kerke kan vragen, wat onder de wisseling van zoovele; eeuwen en zaken is voorbijgegaan.”

»Ik stemme dat toe, maar teffens moet gij ’t mij toegeven, dat men dan in deze woestijne des Christendoms een klein verborgen plekje vindende, waar Christus de klare beek Zijner leere en genade mildelijk doet vlieten, zich niet mag weerhouden daarop toe te gaan, en aan die levende wateren zijn dorst te laven…!

»Ik zal daar geen neen toe zeggen,” hernam van Beuningen bedenkelijk; »alleen men dient zekerheid te hebben dat het geen troebele bronnen zijn, daaraan de dorst zich niet laaft, maar die tot duizelens bedwelmt.”

»Die zekerheid hebbe ik,”sprak zij met overtuiging.

»Zekerlijk, eene persoon van uwe bekwaamheid in allerlei wetenschap en menschelijke kennis zal ook niet min uitmuntende zijn in de geestelijke wetenschap…”

»Neen, ’t is niet de wetenschap noch de veelheid van kennis, maar de ervaring en het klare schijnsel van ’t Hemelsche licht, waardoor mij gegeven is deze dingen te verstaan. Wil mij aanhooren. Nademaal ik nu al eenige jaren herwaarts de afwijkinge, ja, bijna den geheelen afval des Christendoms van zijn eersten oorsprong met droevige oogen aangezien heb, terwijl ook alle hope van een toekomstig herstel door den gemeenen weg, dien de kerkelijken van onze eeuwe nu meestendeels betreden, wel ganschelijk is afgesneden; zoo heb ik in deze zeer uitnemende dienaren Christi en in hunne trouwe volgers, die dezelfde genade met hen deelen, eene weder opspruitende Evangelische Kerke gevonden, die zich niet aan de regelen en zeer onbillijke besluiten eener Synode houdt, noch er zich door leiden laat, maar naar het richtsnoer van de Evangelische leerlingen, en in allen deele is volgende het voorbeeld van de oude Kerke.”

»Maar, naar de sprake gaat, zijn de luiden die Ds. de Labadie volgen, gansch afkeerig van de gewone bezigheden en bedrijvigheden des levens, daaraf zij zich ontslaan, levende onderling van elkanders goederen…”

»Als de eerste Christenen deden. En waarom toch niet; waar men het hoogste gemeen heeft, zou daar ook niet het mindere zonder omzien worden afgestaan? Doch dus overdrijven zij dit stelsel niet… Noodwendige arbeid om des broodswille verbieden zij den Christenen niet, alleen ijdele wereldsche kennis en wetenschappen…”

»Eilieve!” viel de burgemeester in, »die verwerping der kunste kan doch nooit eene zoo begaafde vrouwe, en die in alle die oefeningen zoo wondere vaardigheid heeft, aangenaam zijn, noch kan zij in die miskenning mede stemmen.”

»Gewis zij kan!” hernam Anna met vastheid. »Zeker daar is een tijd geweest, dat ook ik gedreven werd door zoo sterke begeerte en onmatige zucht naar weten en kennen, dat het was als eene krankte, die mij aanzette, van mijne vroegste jeugd af, om alles wat onder het bereik van menschelijke vermogens was, tot het mijne te maken, ’t welk alles in bijzondere mate en in ongemeen korten tijd mij gelukt is te bereiken, zulks ik zeggen kan, dat daar nauwelijks eenige menschelijke wetenschap of konste is, daarin ik niet zekere hoogte en mate van vaardigheid heb bereikt, en daarin ik niet vermaak en luste, zoo niet gevonden heb, dan toch gezocht; zulks ik eenmaal aangaande de studiën van eene Christelijke vrouwe, aan den heer Andréas Rivet heb geschreven, woorden, die ik nu niet meer zonder blozen zeggen kan: »Mijn gevoelen is, dat alle eerlijke wetenschappen of, als men ’t noemt, het geheel al van den sluitcirkel der leeringen, een Christelijk vrouwenbeeld als een algemeen goed des menschen, of als een sieraad eigen is.” Alzoo dat ik toen geloofde, dat ik alles wat weetrijk is, leeren moest, en dat wel, zoo als de philosofen zeggen, om de onwetendheid te ontgaan. Doch hoeverre mijne gedachten toen geweest zijn van de vermaninge onzes Zaligmakers: Eén ding is noodig; zeker is mij dat nu duidelijk geworden, sinds ik wete wat het zegt Christi beeld in het leven uit te drukken, en eerst Dien eeniglijk te zoeken en te volgen.”

»Maar mijn goede juffrouw van Schurman, hoe vreeze ik, dat gij, bij uitwerpinge van dit alles, van nu aan een ledig in uw leven zult voelen, dat niet bekwamelijk door iets anders kan worden aangevuld.”

»Integendeel, mijnheer, dat alles was niet genoegzaam om mijne zielszucht volkomenlijk te voldoen, en liet mij een afgrond van leegheid, daaruit zich als uit een verpeste poel, menigte van booze dampen en afgrijselijke kwalen ontwikkelden, terwijl daarentegen die ééne zuivere liefelijke gestalte Christi mij de ziel dus geheel vervult, dat zij die ganschelijk heiligt en inneemt en altijd blijde maakt door den rijkdom harer algenoegzaamheid.”

»Ik heb het recht niet tegen uwe ervaring te spreken. Alleen gelooft gij, dat de geleerde wereld vrede zal hebben met zulk een afval? En zal het u niet grootelijks verkorten in naam en eere, dat gij, zulk eene treffelijke en bevoorrechte dochter van Pallas, de spere der kracht en der kennis richt tegen de borst dezer uitnemende moeder, en haar zelve verwondt en den hartaar afsteekt?”

»Mijn antwoord daarop is sinds lange bereid en gegeven, dewijl er geen vermaarde en geleerde mannen ontbreken, welke den vorigen stand mijns levens zoo voortreffelijk en beminnelijk achten geweest te zijn, dat zij meenen het mij niet vrij zoude staan, dien met een ander te verwisselen, dan veellicht met toe, stemming van alle mijne vrienden of ook met toejuichinge der geletterde wereld, als aan welke ik de beroemdheid van mijn naam ten deele schuldig was. Maar ik achte dat men in een werk van godsdienst, waarbij toch van het recht en de eere der Goddelijke Majesteit sprake is, en waar het den dienst en de navolginge Christi geldt, met vleesch en bloed niet moet te rade gaan, gelijk de apostel Paulus ons met zijn voorbeeld geleerd heeft. naardien het vernuft en de menschelijke wijsheid de dingen van het koninkrijk Gods noch verstaan, noch vatten kunnen, en dat de eigenliefde daarbij de slechtste raadgever is, dien men hooren kan, als welke zich zooveel afgoden opricht als er schepselen zijn, welke ze tot haar ingebeelde goed, eere, voordeel of vermaak misbruiken kan; maar dat we de stemme Gods in Christi alleen moeten hooren, dat die ons onderwijzen zal. Die stemme nu heeft tot mij gesproken, luid, krachtig en onmiskenbaar: niet tot mijne verbeelding, maar tot mijn hart en verstand beide; niet in den koortsigen droom eener opgewonden jeugd, die hare eigene inbeeldinge voor goddelijke ingevinge uitroepen gaat; maar nu in dezen mijn rijpen ouderdom, na een leven vol onderzoek, arbeid en gestadige zorge, tot voltooiing en volmaking van mijn geest en mijne kennis; niet omdat ik in eenige verwachting der ijdelheid, of in eenig streven van den hoogmoed, of in eenige bejagingig van menschelijk geluk ben teleurgesteld, en daarom achter zulk goddelijk schild mijne schaamte en rouwe zou willen verschuilen, maar omdat ik, na het gedurig streven naar kennis en deugd, van de ongenoegzaamheid der eerste en de onbereikbaarheid der laatste ben overtuigd geworden, en de vervulling van mijn dorst naar wetenschap, gelijk de volledige stilling mijner behoefte aan heiliging, na de onloochenbare erkenning mijner ellendigheid, heb gevonden in Jezus Christus, mijn Verlosser en Zaligmaker. Diens stemme heb ik gehoord, waar Hij mij geroepen heeft om Zijne eigene te worden, en dies volge ik Hem, blijde en gewillig Zijn kruis op mij nemende, ondanks alles, en moet het zijn, tegen den wil van allen.”

Burgemeester van Beuningen scheen niet van zins zich een der tegenstanders te toonen van een besluit, met zooveel vastheid als rijpheid genomen, en dat zoo weinig kans liet van wederroeping; toch, daar hij niet volmaakt met haar instemde, zweeg hij, en verschikte de prachtige lokken van zijn majestueuze allonge-pruik, terwijl Anna vervolgde:

»Wat nu het kleine eergerucht van mijn naam betreft, welke de wereld der geleerden mij heeft toegewezen, zoo bekenne ik dat ik haar daarvoor zeer verplicht ben, niet alleen omdat ze mij, volgens hare meening, een grooten schat heeft toegeschikt, maar ook omdat ze mij daarmede de stoffe bereid heeft om mijn Heer een offer te brengen, namelijk door die veel geprezen en welriekende nardus-flesch der eere voor Zijne voeten te vergruizen, of nevens andere dingen, die mij voormaals zeer lief waren, te verkoopen, om den kostelijken parel des Evangeliums behoedzamer en zuiverder te bezitten. — Maar laat de wereld weten, dat zij danks genoeg van mij weg heeft, indien ik haar die waarheid, die ik door de ondervinding geleerd heb, mede bekendmaak, namelijk: dat indien iemand het minste gedeelte van eere, als welke God alleen toekomt, door eigenliefde tot zich trekt, dat Die — Die zich zelven niet tevergeefs een ijverzuchtigen God noemt — dezen roof op ’t hoogste en veellicht met een eeuwigen smaad zal wreken, zoo men het door ware boetvaardigheid niet voorkomt.”

Wij moeten even de vrome beroemde in de rede vallen, en zeggen, dat het ons bij zulke uitspraak, die zij ten overvloede gedrukt en uitgegeven heeft, niet meer verwondert, dat de wereld haar daarna heeft voorgesteld als ietwat van haar gezond verstand beroofd; de wereld houdt er volstrekt niet van, dat men de eer, die zij geven wil, dus op kleinen prijs stelt, of voor ’t minst zoo geneigd is die op te geven; de wereld begrijpt niet, kan niet begrijpen, dat men hare liefkoozingen en hare gaven ontberen kan, en vrijwillig afstaan; en wie het doet, wie de genietingen, die zij biedt, de reukoffers, die zij brandt, óf onverschillig voorbijgaat, óf aanneemt als bloemen en geuren, die slechts eene wijle gezicht en reuke streel en kunnen, maar verder zonder waarde zijn — die acht zij wel zeker van een deel zijner heldere zinnen beroofd, op een doolpad der stugge zwaarmoedigheid, of omneveld door de wolken der dweperij. Vreeselijk vonnis, waartegen het later moeielijk is in beroep te komen, en bijna onmogelijk het pleit te winnen, zelfs al heeft men het koele gezond verstand tot advocaat; het enthousiasme der zelfvergoding wordt bijna nooit als roes der zottelijke opgewondenheid bespot, wel veelmalen als de edele geestdrift eener zelfbewuste ziele geprezen. Maar de geestdrift der zelfverloochening mag zich niet uitspreken in uiterlijke daden, of de glimlach der bespotting plooit zich om aller mond, en de zachtste straffe, die er dan wordt opgelegd, is: een levend begraven, een wikkelen in het lijkkleed der vergetelheid en der verwaar1oozing van de levende persoon of van den onsterfelijken naam.

Wij zijn onze beroemde vrouw in de rede gevallen, zij zelve had niet veel meer te voegen bij de hare. De burgemeester kreeg welhaast een storend bezoek, hij voelde er zich wellicht niet al te zeer door gestoord; de figuur was te streng en te weinig liefelijk om welgevallen te wekken, of met leedgevoel te worden nagezien. Anna zelve verlangde haars weegs te gaan…

Toen van Beuningen haar uitgeleide had gedaan tot aan zijne huisdeur, sprak hij bij zich zelven: »Oef! Ik had den pensionaris die vrouw gegund! Wat ze te zamen vrome liederen zouden gedicht hebben! Nu vreeze ik er voor; overdreven vroomheid brengt haar tot kwezelarij, en eigenlijk heeft ze mij nog niet overtuigd, dat die Jean de Labadie een beter onderwijs en trouwer voorbeeld geeft naar de Evangelische leer, dan onze Synodaleleeraren, door haar de wereldsche genaamd…’ En wij zeker ook niet, mijne lezers, door de argumenten die zij heeft aangevoerdt (als getuigenis harer degelijkheid moet ik het zeggen, krachtiger en meer voldingend heeft zij ze uiteengezet in hare schriftelijke verdediging) maar wij zijn toch van iets overtuigd — en gij ook, zoo ik hopen wil — hiervan namelijk, dat zij in het volgen van dien weg, dien zij meende te moeten nemen, geloofd heeft Christus, Dien zij voor Heer en eenig doel van haar leven had verkoren, beter, trouwer en meer onafgebroken te kunnen dienen en navolgen, dan in ’t gewone leven: en in de kerk en maatschappij, zooals zij die toenmaals vond — zonder een oogenblik toe te geven, dat hare wijze van ter zijde te gaan iets verdienstelijks heeft op zich zelve, of als voorbeeld navolging zou mogen vergen. Zulk terugtrekken kan veiliger zijn; maar wij houden het voor wijzer noch vromer, minst vooral van meer weldadige en stichtelijke werking tegenover anderen, dan zoo zij met alles wat zij was en wilde in de wereld ware gebleven. Toch is het zeker, dat zij het tegendeel heeft geloofd met vaste, niet schielijk gerijpte, maar kalm geworden overtuiging, en dat zij daaraan eere, naam, fortuin en en alle welgevallen der menschen, gewillig, volkomen en zonder omzien of naberouw geofferd heeft, integendeel met dankbare blijmoedigheid voortdurend tot aan het einde toe is blijven geven, terwijl zij vooruit met kalmte had berekend en gewogen wat het haar kosten zou — dan althans kan men eerbied vragen voor die overtuiging. Dan althans kan men voor hare nagedachtenis een betere hulde eischen, dan den dorren en voor eene vrouw toch altijd wat schor klinkenden naam van geleerde, bijnaam, die nog daarenboven door de smet der dweperij van haar besten luister wordt beroofd. Voor een jonger en ander geslacht, nu in een tijd, waarin hare behoefte aan een levend Christendom beter wordt verstaan, waarin men het onderscheid tusschen naam.Christen en hen die het beeld van Christus uitdrukken in het leven, over ’t algemeen meer helder begint te voelen; in onzen tijd wenschte ik ook te ondernemen de eereherstelling dezer vrouw, hare zuivering van de aantijging, dat zij in dwaasheid gedaan heeft wat haar hoogst heilig en krachtigst gevoel haar ingaf; tenzij men toestemme dat die dwaasheid, de dwaasheid Gods zij geweest, die de wijsheid der wereld beschaamt. Mijne eerste poging daartoe is niet wat ik gewenscht had te kunnen geven, zij moge toch genomen worden, zooals ik wenschte haar te zien ontvangen: als eene proeve. Is zij geheel mislukt, een ander hervatte — ik heb voor het minst het vergeten beeld in ’t geheugen gebracht.

1856.

Aantekeningen.


Ingezonden op: 19 July 2001