DE HERTOG VAN ALBA IN NEDERLAND.

„Wat hem na (toe) komt verstaan
wij hem na te geven.”

HOOFT.

Omstreeks half Augustus ten jare 1567, werden de bewoners der uiterste grens, die het Luxemburgsche van Lotharingen scheidt, opgeschrikt door het eigenaardig rumoer dat de nadering van krijgsbenden aankondigt. De vreedzame houthakkers zien de rustingen der speerruiters blinken tusschen den- en sparreboomen heen — zien bij wijlen hunne spiesen flikkeren in ’t felle zonlicht of ze bliksemstralen uitschoten. De versaagde herder durft zijne kudde niet langer het rustig grazen toestaan op de mossige hoogten die zich langs den zoom van het majestueuse woud verheffen, sinds hij musketiers en ander voetvolk het rotspad ziet bestijgen. Hij drijft zijne woldragers het bosch in, die noode zich van de geurige kruiden zien afgekeerd, doch door den waakzamen herdershond tot volgzaamheid worden geprest. Vrouwen en kinderen die eikels rapen of pijnappels en de harstige sparreknoppen bijeenzamelen — rijzen schichtig op en wijken schuw ter zijde of verschuilen zich achter een boomstam in ’t kreupelhout, reeds bij het eerste paardengetrappel, en zien van uit die schuilhoeken hoe er lansknechten volgen die in smalle rotten afgedeeld, het enge boschpad binnendringen. Soldatenvolk staat in zoo slechten reuk, dat er vrome moedertjes zijn die haar kruis slaan, niet meer, noch minder, dan of het eene verschijning van den Booze gold.

»Nu, daar kon wel iets van aan zijn,” meende de marskramer, die onder zijn last zwoegend. over het slingerend rotspad zijn weg nam, naar het naaste Luxemburgsch dorpje om er de mare te verspreiden van ’t geen hij op zijne omwandeling had waargenomen. »Ja voorzeker, Satan zou er wel wil van hebben, van het groote treurspel, dat deze komenden gingen opvoeren!” Maar de man had wereldwijsheid genoeg om deze gedachte niet overluid uit te spreken; zelfs niet tegen de mijnwerkers en kolenbranders, die met hun gereedschap op den schouder naar hem toekomen en de vraag uiten, die reeds allen op de tong lag — »wat er toch aan de hand was, dat men zooveel ruiters en volk van wapenen door ’t gewest zag dwarrelen?” Zij gaan hun half uurtje middagrust nemen en bieden den zwerver eene teug mee uit hunne kruik als hij zich onder hen wil neerzetten en uitzeggen wat hij er van weet. Het ontbreekt den moede niet aan dorst, en de eenzame wandelaar is wel geneigd tot een praatje. De mars wordt afgelicht, de wandelstok neergelegd nevens de mokers en houweelen, men legert zich zoo goed men kan aan de helling van den ruig begroeiden rotswand, waar men geen overlast kan hebben van de soldaten, al trekken die ook de steilte langs en waar men het oog kan laten gaan over den zoom van het onafzienbare woud — de marskramer, die de eereplaats onder hen heeft ingenomen, wijst met de rechterhand derwaarts heen, en met den toeleg van een redenaar die belangstelling wil wekken en verbazing — vangt hij op eens aan met hen het schrikwekkend feit in volle zwaarte aan te kondigen.

»Dat volk dat daarginds door de Ardennen trekt, hoort tot het leger van den Hertog van Alba, die met een heir van wel veertienduizend man, uit Lotharingen hier is binnengetrokken.”

Hier zweeg de spreker, in afwachting van de uitingen van schrik en verbazing, die naar zijn gevoelen volgen moesten van de zijde zijner hoorders. — Maar toen die er het zwijgen toe deden — hervatte hij — met nog meer nadruk — »de sprake gaat, dat hij reeds zijn hoofdkwartier heeft opgeslagen te Diedenhove, en dat hij er blijven zal tot zijne manschap van den langen vermoeienden tocht zal zijn uitgerust.” En de marskramer — zweeg weer — met een veelzeggenden blik in ’t rond ziende — en nam een teug uit de kruik die zijn buurman hem toereikte; dan hij was teleurgesteld, hij miste zijn effect. De mijnwerkers bleven hem aanstaren met open mond en wijd opgespalkte oogen; maar haalden de schouders op en bleven versuft zwijgen, zij konden de beteekenis van de mededeeling niet vatten; een enkele mompelde wel: dat het niet alles was, zooveel soldatenvolk in hun vreedzaam gewest — dat er vast schaarschte van zou komen — en alles was toch al zoo duur! — nog een ander dat ze op joliger nieuwtje hadden gehoopt — maar de overige zwarte gezichten bleven onverwogen! »Zou er dan toch weer oorlog komen,” verzuchtte eindelijk een der oudsten onder hen, terwijl hij misnoegd zijn houweel tegen den rotsgrond stiet — »wij wisten niet beter of de Koning was in vrede met het Duitsche rijk en met de Fransche buren…”

»Wel zeker,” hervatte de verteller met wat ongeduld, »daar is Koning Filips ook mede in vrede en dat is mogelijk een der oorzaken die hem bewegen om in dezen met zijne Nederlanden zoo kras door te tasten — hebt gijlieden mij dan niet verstaan, toen ik zei — dat de Hertog van Alba de aanvoerder is van dit krijgsvolk!”

»Ja! dat hadden ze wel verstaan,” gaven zij ten antwoord, terwijl zij elkander aankeken met blikken, die hunne wanhopige poging uitdrukten om het fijne van de zaak te vatten, »de Hertog van Alba — ja, dat was een van ’s Konings veldheeren, die was nog eens in Luxemburg geweest, staande den laatsten oorlog om in Lotharingen Duitsche knechten bijeen te verzamelen, die door hun gewest — door hun dorp waren getrokken — maar de eene veldoverste of de andere dat deed er zooveel niet toe, als hij zijn volk maar geen roof of plundering toeliet,” voegden zij er verzuchtend bij, »anders was het gedaan met hun beetje welvaart — met hunne rust — en wat moest er dan worden van hunne vrouwen kinderen.”

»O wat dat belangt, daar hebt gijlieden niet voor te vreezen — op dat punt heeft deze man zijne proeven afgelegd. — Hij is wouden door-, stroomen langs-, bergen overgetrokken met al die ruwe gasten uit alle oorden van Spanje, Italië en Sicilië bijeenverzameld, zonder dat er een stuk vee van de kudde of een tros druiven uit den wijngaard is geroofd, ’t gerucht dat hem voorgaat, heeft dat al naar waarheid van hem gemeld.”

»Nu — dan was het bezwaar ook zoo groot niet,” oordeelden de toehoorders — en ze begrepen niet…

»Stomme eigenbaat — dom volk! niets te begrijpen dan wat je eigen huid en goed raakt,” viel de marskramer uit, met grooter ergernis, dan waartoe hij gerechtigd was — immers hoe konden die arme mijnwerkers en kolenbranders, die hun leven sleten in de groeven, die lezen noch schrijven konden, die de stad niet bezochten dan op enkele groote hoogtijdsdagen, die Zondags ter mis gingen met vrouwen kind, en voorts hun vermaak zochten in de taveerne met hun potteke bier, hoe konden zij iets te weten komen van de groote gebeurtenissen die het aanzien der oude wereld zouden veranderen — hoe konden zij iets raden van de nieuwe denkbeelden die de vorsten op hunne tronen zouden doen wankelen.

Zij konden er niets van hooren dan ’t geen hun dorpspastoor, zelf al heel weinig op de hoogte, er hun van zou willen mededeelen — of een doortrekkend reiziger, die er meer van wist, moest zich de moeite geven er hen terloops mee bekend te maken — en dat zou dan toch maar zeer in ’t onbestemde, zeer oppervlakkig zijn, en vermoedelijk niet zoo terstond door hen gevat worden, hoe konden zij zonder nadere inlichting de beteekenis vatten van die schrikmare: De Hertog van Alba trekt de Nederlandsche provinciën binnen aan het hoofd van een leger door hem zelf bijeenverzameld?

De marskramer zelf, met zijne levendige, zwarte oogen en slimme trekken, zag er wel uit of hij een meer dan oppervlakkig waarnemer was van ’t geen tot zijne kennis was gekomen, het kon ook wel zijn dat hij in dezen reeds partij had gekozen, men zou het denken uit den toon waarop hij hervat: »Zie toch hoe men zich kan bedriegen — ik meende dat de schrik van dien naaM tot in uwe groeven moest zijn doorgedrongen, tot in Afrika toe wordt die door Moor en Mahomedaan niet dan met siddering uitgesproken, en reeds heeft de mare van zijne afreis uit Spanje herwaarts heen, duizende goede burgers van huis en erf verjaagd, die gevlucht zijn in allerijl zoover zij maar komen konden, op zulke wijze, dat hij het land van Vlaanderen en Brabant ontvolkt zou vinden, zoo de Regentes niet door strenge ordonnantiën een dam had gesteld tegen dien vloed van uitwijking.”

»Zoo bleek het wel dat de lieden niet veel goeds van den Hertog wachtten,” was de opmerking waarmee een der toehoorders, die zich tot woordvoerder opwierp — den spreker in zijne hartstochtelijke rede stuitte, »maar dat zeide hun nog niet duidelijk wat hij dan toch in de Nederlanden kwam doen?”

»Wat hij er doen komt!” hernam de vreemde zwerver — met toenemende heftigheid »dàt, wat de vos komt doen als hij in ’t hoenderhok sluipt; dat, wat de uitgehongerde wolf doet als hij op zijne prooi loert en die grijpt; dat wat het wilde zwijn doet als het getergd door de Ardennen rent en de tanden wet tegen alles wat zijne dolle vaart tegenstaat.”

»Dat was heel erg,” betuigde de woordvoerder van den verbaasden troep, die in stijgende onrust zat toe te luisteren, maar de verteller had hun toch verzekerd dat die veldheer hun vee en volk zou sparen bij zijn doormarsch, waarom zou hij dan zoo veel erger doen in de gewesten van Vlaanderen en Brabant, die toch evenzeer tot ’s Konings gebied behoorden als hun hertogdom?

Waarom! ja, waarom! en de marskramer begreep op eens dat hij zich met dit volkje op een gevaarlijk terrein had begeven, dat hij wel een duidelijk relaas van zekere feiten voor hunne ooren kon brengen, maar dat zij er toch zoo op eens niet het rechte begrip van zouden krijgen — ja, dat zij bij het eerste woord van »kerkhervorming” en »beeldenstorm” zouden opschrikken als had er eene mijnontploffing plaats voor hunne oogen. Hij zag op tegen de vruchtelooze moeite waarmee hij niet dan onrust en ergernis kon wekken, zijn langdurig verkeer met menschen van allerlei slag had hem geleerd op zijne hoede te zijn en het speet hem reeds dat hij zich door zijn eigen zucht tot praten zoover had laten meeslepen. Zonder iets te antwoorden rees hij op, zette zijne schouders weer onder zijn last, nam zijn wandelstok ter hand en sprak toen met eene mengeling van onwil en bitterheid, »dat waarom is nu veel te lang om uit te zeggen, en gijlieden zoudt het toch niet vatten. Adieu! — leeft in uwe rust als de marmotten in hun winterslaap, wroet in de aarde als de mollen, blijft in den blinde als dezen en gijlieden zult kans hebben te ontgaan wat die rampzaligen daarginds wacht!” Hij wees met den arm naar het Noorden en als geprikkeld door de ergernis over de sprakelooze versuftheid waarmee zij hem bleven aanstaren, nam hij den staf op, en vervolgde met driftige schreden zijn weg; eerst toen hij van het rotspad was afgedaald naar het diepe dal, nog uit de verte op hen kon terugzien als op zwarte stippen — wendde hij zich om en mompelde halfluid als geperst om zich lucht te geven: »wat hij er doen komt? die gevleeschte Duivel! Hij komt een schrander, levendig volk dat zijn God en zijn Koning eert, maar de vrijheid liefheeft en van geen consciëntiedwang weten wil, verkeeren in een hoop suffers en botterrikken als die daar; in zwoegende mijnslaven, die men als slachtvee heendrijft. waar men ze hebben wil, waar alle geest en leven in uitgebluscht is. Als deze man slaagt in hetgeen hij hier doen komt, is het wel zeker dat er binnen tien jaren tijds van Geuzen noch Ketters meer gewag zal zijn in de Provinciën, maar dan zal er ook geen vrij man meer wezen, die het hoofd fier en moedig kan opheffen, dan zullen deze rijke en schoone gewesten met al wat er in leeft en ademt gespanjoliseerd zijn voor eeuwen!”

En na zijn gemoed lucht gegeven te hebben door het uitspreken van deze weeprofetie, zette de marskramer zijn tocht voort.

Welhaast had hij andere ontmoetingen, die hem bewezen dat de onwetendheid van kolenbranders en mijnwerkers omtrent het groote nieuws van den dag geenszins als maatstaf kon genomen worden van ’t geen er onder de bewoners der steden en in de kasteelen der edelen omging. Hij werd nu eens aangeroepen door edellieden te paard, van pages en palfreniers vergezeld, die hem den naasten weg vroegen naar het legerkamp van den Hertog; hij werd met onrustige en nieuwsgierige vragen bestormd door stedelingen uit Echternach en andere plaatsen, die van hem weten wilden of de Spaansche veldheer zich met zijn volk voor langen tijd in het Luxemburgsche zoude ophouden, welke richting er vermoedelijk zou genomen worden bij den doormarsch, en dergelijke vragen meer, die bewezen dat zij gansch niet op hun gemak waren bij dit bezoek, dat de schrik van zijn naam werkelijk den Hertog vooruitging als een heraut die den vrede kwam opzeggen, en een reeks van namelooze jammeren en ellende aankondigen. En was het dus in een gewest waar de rust was bewaard gebleven, waar van ketterij en beeldenstorm geen sprake was, hoe moest het dán niet zijn in de andere provinciën waar men niet met zuivere consciëntie (naar de opvatting van een Alba) dezen kon inwachten. Ook was het nog iets anders dan de broeiige hitte der Augustuszon, wat de atmosfeer zóó drukkend maakte, dat het ademhalen moeite kostte; het was een bang voorgevoel van heviger stormen, zwaardere onweersbuien en feller bliksemstralen dan die daar uit de donkere wolken aan den hemel dreigden; het was als een voorgevoel van eene toekomst zóó somberen hopeloos dat de levenslust zelve er haar vroolijken blos en haar glimlach bij verloor. Onze wandelaar beantwoordde naar zijn beste vermogen met de meeste lankmoedigheid, al was het niet altijd afdoende en met juistheid, elks nieuwsgierige of onrustige vragen. Het kon hem niet bevreemden dat ze aan hem werden gericht. Marskramers waren nu eenmaal de aangewezen overbrengers van nieuwsmaren in dat tijdperk, waarin dagbladen noch telegrammen in gebruik waren om belangrijke berichten over te brengen. Men wist het; onder voorwendsel van hunne »negotie”, hadden deze rondreizende kooplieden alom een recht van intrede, en zij konden, bij veel weetlust en eenige gave van opmerking, dikwerf iets te weten komen, wat voor de menigte verborgen bleef. Zij werden dan ook niet zelden voor spionnen gebruikt of er voor aangezien — ook wel eens een enkele maal — schuldig of onschuldig — onder zulke verdenking aan den eersten den besten boom opgeknoopt — maar had men de baten van ’t handwerk, men moest de schaden daarvan ook dragen, meenden de overigen en ’t schrikte niemand af. Die welken wij hier aantreffen, zag er slim genoeg uit om snel en scherp op te merken en om met het waargenomene zijne winst te doen. Mogelijk zelfs was hij meer dan hij scheen — was hij een dier dragers van geheime kondschappen, zooals er niet zelden rondzwierven. Hoe dat ook zij, hij vertelde aan ieder die er naar vroeg, dat hij al in ’t Kamp bij Diedenhove had rondgezworven, en vast geloofde wat daar gezegd werd, dat de Hertog zijn soldaten wel een dag of acht rust zoude gunnen eer hij ze verder doormarcheeren liet, »en die hebben ze noodig ook,” voegde hij er bij, »over den Mont-Céénis, door Savoye, langs Frankrijk en de Zwitsersche Alpen, Bourgondië en Lotharingen door, tot in ’t Luxemburgsche te komen, is geen speelreisje! Daarbij de oude Toledo is een slimme rat, die maar niet zoo plomp verloren zal komen invallen in de Provinciën, waar hij weten kan niet welkom te zijn. Hij zal eerst wat op zijn gemak de kaart van het land trachten te leeren kennen, en ’t zou mij niet verwonderen, zoo dit volk van hem dat de Ardennen doorkruist, uitgezonden ware om de gesteldheid van den grond, de laagten en hoogten der rotsen bergstreken te onderzoeken, aleer hun veldheer zijn besluit neemt langs welke zijde hij zal optrekken.”

»Hm! ja! dat zal wel zoo zijn,” was het wederwoord van den persoon tot wien hij, na ondervraagd te zijn, deze toespraak had gericht. Een forsch gebouwd man met litteekens op het verbruind gelaat, die maar ééén arm had, en in wiens houding en voorkomen, schoon hij in boerenplunje was, de oud soldaat was te herkennen. »Nu, ik zeg ’t is een kansje voor den Hertog dat Graaf Peter Ernst van Mansveld stadhouder van Luxemburg is, en niet de prins van Gaveren, onze Lamoraal van Egmond!”

»Waarom acht gij dat zulk een fortuintje voor den Spaanschen veldheer?” vroeg de marskramer, hem met zijne kleine, slimme oogen onderzoekend aanziende.

»Omdat het den Graaf dan niet moeielijk zou zijn den Hertog het doordringen te beletten, en hem den pas af te snijden; hier tusschen de rotsvalleien en de enge boschpaden in, waar het volk om zoo te spreken twee aan twee moet gaan om door te komen, zou een handvol geoefende soldeniers, door een generaal als Egmond aangevoerd, een groot leger kunnen terughouden.”

»Acht gij dan den Graaf gezind om den Hertog zoo’n trek te spelen?” vroeg de marskramer levendig.

»Dat wil ik niet gezegd hebben, al heb ik wel eens gehoord dat het lang geen vrienden zijn. Ik bedoel alleen dat onze Egmond, zoo hem iets dergelijks in ’t hoofd kwam, eene mooie occasie zou hebben om een stout stuk te wagen, en dat het hem lukken zou, daarop zou ik mijn ouden kop durven verwedden; want ik ken hem! ik heb niet voor niet jarenlang onder zijne vanen gediend, en als ik niet bij St. Quentin mijn eenen vlerk had verloren zou ik nog onder zijn volk zijn, maar wat wilt gij als men niet meer van zessen klaar is! gelukkig hadden we in den Franschen oorlog nogal buit behaald en ik… was geen doorbrenger… Ik woon nu te Buchecourt, waar ik herberg houd in de Vergulde Speer, als je die bekend is?”

»Nog niet, maar ik denk er kennis mee te maken, was het antwoord. Wandel je met mij op?”

»Nu niet, want ik wou zien of ik onverlet tot in ’t kamp van Diedenhove kon doorkomen, en gij gaat naar ik zie een anderen koers uit…”

»Juist, ik kom er vandaan, de zaken gingen er goed; mijn marsje is haast leeg en ik heb nog bestellingen ook.”

»Zoo, kunt gij mij zeggen hoe ik het aanleggen moet om er ongehinderd binnen te komen…”

»Te Diedenhove?”

»Ei neen, in ’t kamp.”

»De vraag is allereerst wat gij er doen komt?”

»Niets! maar eens kijken uit liefhebberij, een oud soldaat hoort nog wel eens graag de trom roeren.

»Nu, daar kan je pleizier van hebben, maar die lust is te verklaren in een lansknecht van Egmond. Wees gewaarschuwd dat het niet makkelijk is, om in ’t kamp te komen, er wordt goede wacht gehouden en wie ’t parool niet heeft, komt er niet licht binnen; maar ik wil je het loopje, dat ik er op heb, wel meedeelen. Zie je, ik heb wat te verkoopen en ik vraag maar naar de Hopmansche van de vrouwenbende!”

»De vrouwenbende! denkt de Hertog hier met wijven te vechten!” vroeg de oudgediende met verontwaardiging.

»Vechten! wel neen, zijn je de Spaansche manieren vergeten? Vrouwkens van pleizier, allerliefste schoonen, die het krijgsvolk den tijd helpen korten, door hare galante conversatie in de rusturen, en den marsch vervroolijken op de verre tochten. En uitgedost! of ze prinsessen waren; zoudt ge gelooven dat ik er zes paar zijden kousen heb verkocht.”

»De Hertog is toch zoo niet voor de weelde;” merkte de veteraan op, met een hoofdschudden.

»Neen, maar hij is voor de orde, en daarom nam hij dit middel te baat om ongeregeldheden te weren in de landen die hij moest doortrekken en om desertie te voorkomen. Acht honderd van die goedwillige schoonen vergezelden het leger te paard als een heir van Amazonen, de andere, van minder allooi, volgden te voet, en dat alles bevindt zich nu in het kamp, in rotten afgedeeld, en wordt onder tucht gehouden niet minder dan de manschap zelf, door hare eigene kapiteinschen en rotmeesteressen; die aanvoersters hebben zulke welgevulde beurzen, datzij koopen kunnen wat menige vorstin moeite heeft te betalen.”

»De Hertog weet wat zijn volk toekomt,” hernam nu de veteraan meesmuilend, »het blijkt toch uit alles dat hij een weergaloos veldoverste is.”

»Ja! weergaloos! zooals gij zegt,” hervatte de marskramer, »en dat is zooveel te erger… of… heb jij er zwak op dat we dat Spaansche krijgsvolk voor goed in ’t land krijgen?”

»Wis en waarachtig niet, over dat Spaansche vee is de ruzie aangekomen, tusschen de Vliesridders en de Regentes; al de edelen kwamen in verzet Egmond niet onder de laatsten, ik was tot Brussel in die dagen, ik heb er genoeg van gehoord, de kardinaal Granvelle heeft mee voor dien storm moeten wijken, Ge! Koning zelf heeft moeten zwichten…”

»’t Zijn bekende zaken man!” viel de marskramers in. »Ze zijn werkelijk afgetrokken die Spaansche rabauwen en wij gaven ze het heilig kruis na, maar wat heeft het gebaat, dat’s nog geen volle zeven jaar geleden en daar hebben wij ze weerom, dat uitschot van volk.”

»Uitschot zal het niet zijn,” viel de veteraan in met jeugdig vuur, »een veldheer als Alba zal wel zorgen dat hij keurbenden meebrengt, en dat is juist wat mijn verlangen prikkelt, om ze met mijne eigen oogen te aanschouwen!”

»Keurbenden of niet, ik zag ze liever wegtrekken, en wat gauwer dan de vorigen. Ons land is het koninkrijk Spanje niet, en de Koning is hier maar Hertog en hij heeft geen recht om ons zijn Spanjolen te zenden om ons te onderdrukken; wij zijn vrije lieden, of verstaat gij het anders?”

»Ik! ik ben een zoon der Ardennen, en zou als ’t wilde zwijn kunnen aanrennen op wie mij dacht te vangen. Neen! als we ’t zóó bezien, dan zou ik zelf nog wel een handje willen helpen om de Spanjolen weg te jagen als ’t met de slinke alleen nog maar gaan kon! ”

»Ik zie, wij zijn ’t eens,” riep de marskramer opgewekt, die gewillige linkerhand met warmte in de zijne drukkend, »maar toch kameraad, ik vrees dat het lang zal duren eer ge tot zulken dienst geroepen wordt. Het leger van den Hertog is er niet op ingericht om welhaast op te trekken… Alba blijft hier totdat” — hij zweeg plotseling, men hoorde hoefgetrappel vlak achter de sprekenden, zij waren ingehaald door twee edellieden te paard, gevolgd door een stoet pages en piqueurs, de laatsten wisselpaarden aan de hand voortleidend. Een hunner richtte tot den marskramer de gewone vraag, of men op den goeden weg was naar het kamp van Diedenhoven? Een kort toestemmend antwoord werd op knorrigen toon gegeven. — »Ook al weer Luikenaars of Limburgers die het Trojaansche paard komen inhalen,” fluisterde hij met ergernis den veteraan in; »ga gij met dien troep mee als gij bij uw opzet blijft, dan komt gij licht en veilig mee door. Ik ga mijns weegs,” en hij voegde de daad bij het woord, terwijl de oud-strijder zijn raad volgde, en zoo goed hij kon in het spoor van de ruiters voortschreed. Wij ook willen dit gezelschap in het oog houden en luisteren naar ’t geen zij zeggen, om te vernemen in welke gezindheid zij zich begeven naar het kamp van den Hertog.

Zoolang zij het nauwe en kronkelend boschpad moesten houden, spraken zij weinig of niets, en slechts met korte afgebroken woorden die alleen betrekking hadden op het weer of den weg, al hunne aandacht wijdend aan de paarden, terwijl het ook hunne opmerkzaamheid niet ontging dat er van tijd tot tijd troepjes Spaansche soldaten het bosch doorkruisten. Eerst toen zij op den breeden heerweg waren gekomen, waar men vlak land ter eener, vlietend water ter anderer zijde had, en zij het kleine vestingstadje in de verte zagen opdoemen, veroorloofden zij zich stapvoets te rijden, en de jongste van de beide Heeren scheen de verzoeking niet te kunnen weerstaan om zijn hart lucht te geven.

»’t Valt hard dien hooghartigen en verwaanden Toledo te moeten verwelkomen, nadat men zoolang reeds de hoop gekoesterd had den Koning zelf hier te zien!” sprak hij met zekere bitterheid in den toon.

»Wie daarop zijne hoop had gesteld, bouwde op een zandgrond, Baron! Ik heb het altijd voorzegd,” hernam de oudere edelman.

»Ja, maar gij zijt een zwaarhoofd, Graaf! die alles altijd donker inziet; daarom achtte ik niet veel op uw zeggen, en de berichten, die Egmond meebracht uit Spanje…”

»Bewezen alleen dat hij zich door eene heusche ontvangst en wat vertoons van waardeering heeft laten paaien, of ware ’t anders, waarom is hij zelf dan niet aangesteld als Generalissimus van ’s Konings troepen? Waarom moest er een Spanjaard herwaarts heenkomen om drie voet hooger te staan dan de gansche Nederlandsche adel! die daarmee in ’t aangezicht wordt geslagen?”

»En dan juist een zulke, bij wien het spreekwoord »onbekend maakt onbemind” zijne kracht verliest; want hij is de gansche Christenheid door bekend als de eerste veldheer van zijn tijd — en — hij is evenzeer gehaat als beroemd. Daar is maar éééne stem over zijne heerschzucht, zijne aanmatiging, zijn laatdunkenden toon en manieren, br! — als ik aan dat alles denk zou ik nòg den toom kunnen omwenden.”

»Dat zou u zeer ongeraden zijn, gij en ik hebben hoog noodig bewijs te geven van loyauteit, door den Koning in zijn vertegenwoordiger te eeren; met andere woorden: den duivel eene waskaars te wijden; en de roede te kussen, waarmee men ons wil treffen!”

»Als wij daartoe niet gezind waren hadden wij ’t exempel moeten volgen van Oranje en de anderen, en ’t land moeten verlaten…”

»Gij! daar hebt ge gelijk in, gij hebt de buitenpreeken oogluikend toegelaten… Baron! en zoover uw gebied reikte, de beelden uit de kerken laten wegnemen.”

»Natuurlijk! omdat ik de gewijde kunstwerken niet door den ruwen hoop vermorzeld of geroofd wilde zien, maar gij, die het Compromis hebt geteekend…”

»Daarin vergist gij u, ik heb een paar malen de bijeenkomsten der verbonden edelen bijgewoond, dat is waar, maar toen ik zag dat zij een weg op wilden die de mijne niet was, heb ik mij teruggetrokken, ik heb mij nooit met de Geuzerij en hunne maskerades ingelaten, en ’t bewijs dat ik mij niet gecompromitteerd heb in de oogen der Landvoogdes, is, dat zij mij een ambt heeft aangeboden in hare hofhouding.”

»Dat bewijst alleen dat zij u liever te Brussel wilde hebben onder haar oog, dan in ’t Limburgsche, als vrijheer op uw eigen kasteel.”

»Als gij zoo wantrouwend zijt jegens de Regentes, wat zult gij dan wel van Alba wachten?”

»Het ergste! ik wil het u niet verhelen, waar de Koning sparen en verzoenen wil, zendt hij geen Alba, wees er zeker van.”

»En gij rijdt hem te gemoet om hem te begroeten, in plaats van links om te keeren en in ééén snellen rit over de grenzen te trekken.

»Wat zal ik u zeggen, ik heb in menigen veldtocht onder ’s Keizers vanen mijn leven gewaagd om mindere belangen dan die hier op het spel staan, en die ik wensch te behartigen, omdat, zoo ieder edelman het land gaat ruimen wien tyrannie en conscientiedwang tegenstaan, dat er dan ook niemand overblijft om de goede cause te vorderen, en nog wat kwaads te helpen weren. Ik wil den Hertog dit bewijs geven van mijn eerbied voor ’s Konings gezag; ik wil mij zoomin schuilhouden als uitwijken, ik wil niet beginnen met schijn van argwaan en vijandschap: ik wil liever trachten uit te vorschen wat hij tegen ons in zijn schild voert; ik wil toonen dat er nog mannen zijn die hem onder de oogen durven treden als de ridderlijke pleitbezorgers van een verdrukt en vernederd volk; boet ik het leven dan daar bij in, het zal toch niet vergeefs gespild zijn. Alle martelaarsbloed is vruchtbaar.

»O! die verwenschte beeldstormers en tempelschenders! die ons den demon des Konings toorn en ongunst op den hals hebben gehaald, dat hij zulk een tuchtmeester noodig keurt,” sprak de jongere edelman met smartelijke bitterheid.

»Ach! laad toch de schuld niet op dat hoopje onvoorzichtigen en bandeloozen, die door bloedige verdrukking getergd, zich door wilden religie-ijver hebben laten verlokken tot woeste daden, die wij misdaden achten; verwensch veeleer hen die de bouwstoffen hebben saamgebracht om dit onheilig vuur te doen ontbranden, die den boog spanden tot hij breken moest; die den worm vertrapten tot hij in een serpent verkeerde. Nu men de wonde ziet gapen, wil men ze heelen, en, kiest een wondarts als Alba! Maar daar doemen reeds de tenten van zijn legerkamp op voor ons oog; welhaast zullen wij bij de voorposten zijn, laat ons van deze dingen zwijgen en een goed gelaat zetten bij het slechte spel, zoo wij het niet ganschelijk willen bederven.”

»Gij hebt gelijk, voorzichtigheid is ons noodig, don Ferdinand heeft de troeven in handen.”

Wij laten die edellieden huns weegs gaan, zonder om te zien naar het onthaal dat hun gewerd; evenmin trachten wij hunne namen uit te vorschen; mogelijk zijn het dezulken waarvan de geschiedboeken later zouden gewagen, en kan men ze lezen op de lange lijst dier opgeschreven en ten doode, die de geduchte Hertog welhaast zou samenstellen; mogelijk ontgingen zij dit droevig lot door nog droeveren val, of sneuvelden in de gelederen van een der Nassauers in den heiligen strijd voor ’s lands vrijheid en rechten — wij vragen het niet — zij vertegenwoordigen voor ons slechts dat deel van den Nederlandschen adel, die in het land gebleven, zich verplicht achtte den Hertog zijne opwachting te maken, al was het onder geheim protest, met afkeuring van des Konings maatregel, en vol wantrouwen tegen den persoon die bestemd was dezen ten uitvoer te leggen. Zij zijn geene uitzondering, zij vertegenwoordigden in dit opzicht de geheele natie.

De nieuwsmare dat Alba met zijn volk het Luxemburgsche was binnengetrokken, schetterde door het gansche land als een alarmkreet, die duizenden bij duizenden deed opschrikken; van ontzetting deed sidderen; in een wilde verwensching deed uitbarsten of onder eene rilling van angst tot vertwijfelend zwijgen deed verstommen. Toch was het voor niemand meer eene verrassing.

Maanden lang had die slag van uit de verte gedreigd; gansch het zuidelijk Europa was als het ware getuige geweest hoe de groote veldheer van Filips II zich toerustte voor den tocht; met ingespannen belangstelling had men in Opper-Italië over de zuidelijke grenzen van Frankrijk, langs de Zwitsersche Alpen, bij dien ontzagwekkenden krijgsmarsch toegezien, die weken lang had geduurd eer het landschap van Bourgondië was bereikt, eer Lotharingens bodem dreunde onder de hoeven der paarden, onder den zwaren stap van het geharnaste voetvolk.

Men kende zelfs de namen van de legerhoofden, die onder den Generalissimus het bevel voerden. Chiapino Vitelli, markies, van Cetone, droeg den titel van Veldmaarschalk, don Femando de Toledo, natuurlijke zoon van den Hertog, voerde het bevel over de Spaansche en Italiaansche ruiterij, de Sicilianen werden gecommandeerd door Juliaan Romero, Gabriel Serbelloni was Grootmeester van de Artillerie, Antonio d’Olivera bekleedde het ambt van Commissaris-Generaal der ruiterij, don Sancho de Lodrono was kolonel over het Napelsche en Milaneesche voetvolk; don Gonzalvo à Bracamonte voerde het bevel over het oude Spaansche voetvolk, soldaten in de oorlogen van Duitschland en Frankrijk gehard. Don Lopez d’ Acunha was aan den Prior van Castilië toegevoegd. Alfonso de Ulloa deelde het gezag over ’t Vreemden-legioen met Romero. Als vrijwilligers trokken met dit leger mee: Cesar d’Avalos, Rafaël Manrique, Bernardino de Mendoza, Christoffel Mondragon, Joan Salazar, Jeronimo de Salinas, en meer anderen, waaronder de vermaarde vestingbouwkundige Pacieco, door den Hertog van Savoye aan Alba afgestaan voor den tocht naar de Nederlanden.

Neen! eene verrassing kon het niet meer zijn, voor niemand. Maar toch… men hoopt wel eens tegen hope; zoolang het gevreesde feit nog geene zekerheid was, bleef het altijd mogelijk, dat eene wending in ’t besluit van den aarzelenden monarch, die hem afzond, een gelukkige greep van de Fransche Hugenooten, eene botsing met de Zwitsers, een voorval van welken aard ook, den komende nog tegenhield of terug deed keeren op zijn weg, en het bedreigde Nederland veilig de tegen den jammer, dien hij kwam aanrichten; want de volksstem — inzoover zij nog den moed had zich te uiten onder de verdrukking, waarmee zij sinds lang had te worstelen noemde deze gebeurtenis een groot onheil voor ’t gemeene Vaderland.

Het scheen niet twijfelachtig met welke bedoeling de Hertog was afgezonden. Men kende den man sinds lang uit zijne werken. Hij had Milaan bedwongen, Napels tenondergebracht, Rome zelf onder alle betuiging van eerbied tot capitulatie genoodzaakt. Men vreesde, men haatte hem reeds eer hij in Nederland iets had gedaan om dien haat te verdienen.

Een groot deel van de Edelen, die zich het meest vooropgezet hadden in den weerstand tegen de Granvelle en de despotieke maatregelen die de Koning wilde doorgezet hebben, was al bij voorbaat uitgeweken naar veiliger oord. Zulke burgers, die de oude religie openlijk den rug hadden toegewend en die de middelen hadden om elders handel of beroep voort te zetten, hadden niet geaarzeld huis en hof te verlaten en een vaderland vaarwel te zeggen, dat hun geene veiligheid meer waarborgde. Zelfs van de armsten, die niets hadden mee te dragen dan de kleeding die hen dekte, maar die binnen in zich een vurig verlangen voelden om hun God naar hunne consciëntie te dienen, zag men nu het doornige pad der ballingschap kiezen.

Hoe dichter de Spaansche veldheer naderde, hoe meer de drang om te vluchten algemeen werd; wie geen schuiten of wagens konden vinden voor hunne goederen en personen, gingen te voet en lieten de kostbaarste have in den steek; tot kreupelen en ouden van dagen toe vonden in overspannen zielsangst nog de krachten om de sterkeren te volgen; gansche dorpen liepen leeg; sommige steden raakten haast ontvolkt; en zoo de Regentes door de strengste maatregelen niet dat vlieden had gestuit, zou de Hertog den heerscherstaf hebben gezwaaid over eene woestenij: onbebouwde akkers verlaten weiden steden waar nering noch hanteering meer bloeiden, en wat er nog restte, eene gebogen, uitgebluschte bevolking die zich vaardig krommen zou onder het juk. Dan Margaretha’s voorzorgen hadden grootendeels doel getroffen, en velen waren gebleven omdat ze niet anders konden, niet anders wilden, anderen, omdat zij de blijvenden niet aan hun lot wilden overlaten en, uit wanhoop moed scheppend, besloten waren om het uiterste af te wachten.

Toen hij zijn leger halt liet houden, had de Hertog zijn besluit te kennen gegeven om zijne troepen eenige dagen van den vermoeienden tocht te laten uitrusten. Maar dit was niet het eenige doel van zijn oponthoud. Als voorzienig veldheer wilde hij niet onbedacht voorttrekken zonder nadere inlichtingen verkregen en zijne nadere maatregelen genomen te hebben tegen mogelijk verzet; maar tevens in de verwachting dat de Nederlandsche adel hem als in massa zou komen begroeten. Zijn beroemde naam als veldheer, de rang dien hij hield onder de Grooten van Spanje, die welken hij nu ging bekleeden in Nederland, alles gerechtigde hem naar zijn gevoelen tot dien eisch. Maar het was niet slechts om de voldoening van zijn eigen hoogmoed, dat hij het begeerde, — allermeest achtte hij het als eene hulde waartoe men verplicht was om den wille van den Koning dien hij kwam vertegenwoordigen. En werkelijk spoedde een deel der in ’t land gebleven edellieden zich naar Thionville — en daaronder niet het laatste zij, die zich wel eenigszins gecompromitteerd wisten in de voorgaande troebelen, doch die meenden dat te bedekken of te vergoelijken door dit bewijs te geven van hun eerbied voor ’s Konings wil, en die bij een slecht spel een goed gelaat trachtten te zetten om het niet gansch te verliezen; — maar zelfs zij wier consciëntie zuiver was op het punt van de onlusten, en die er zich niet in gemengd hadden dan om ze te stillen, die persoonlijk niets van den Hertog te vreezen hadden, kwamen hem wel verwelkomen, maar toch gansch niet uit het volle hart en met opene armen. Hoe ook verschillend van gevoelens en denkwijze, de gansche Nederlandsche adel was hierin eenstemmig, dat de Koning hoog spel speelde met zijne schoone gewesten, door de zending van dien man aan het hoofd van een talrijk leger. Zij ook hadden liever een Nederlandsch Heer in dit veldheersambt gezien dan een Spanjaard, en zoo het dan toch een vreemdeling had moeten zijn, waarom niet een Medina-Celi of don Ruy Gomez; mannen van wie de sprake ging dat zij zachtmoedig en handelbaar waren, en zich lichter zouden schikken naar den Nederlandschen aard.

Zeker, indien de Hertog zich op dit punt illusies had gemaakt, trof hem reeds terstond bittere teleurstelling. — WELKOM, in den waren zin van het woord, was hij niemand, zelfs niet eens de hooge geestelijkheid, al wachtte zij het ook van hem dat hij kerkschennis kwam wreken; zij voelde het dat er triomfen zijn die te duur kunnen betaald worden. Slechts die fractie onder haar die geen vaderland kende dan Rome, dweepzieke priesters, monniken in domheid en traagheid verroest, en dat gedeelte van het volk, dat zich blindelings aan dier leiding had overgegeven, zij, die het heil der Kerk wachtten van eene inkwisitie — ware het ook de Spaansche! — zij jubelden, maar niet eens uit volle borst, want de Hertog was bekend als een trotsch, koel man, die zoo hoog gevoelen had van zich zelven, dat hij zich zeer weinig bekommerde om de opinie van anderen, en die bovenal eene groote mate van geringschatting toonde voor datgene wat men populariteit noemt. Dat ondervonden de afgevaardigden uit de steden, de leden van corporatiën en gilden, die hem met beklemde borst eene ootmoedige »groete van blijde inkomste” kwamen brengen; geen glimlach van welwillendheid of voorkomendheid verzachtte de uitdrukking dier strenge en strakke wezenstrekken, die als van nature bestemd waren om te gebieden en te ontzetten, en die in hun kille hardheid als versteend zouden geweest zijn, zoo niet de scherpe, doordringende blik van zijne levendige donkere oogen ze had bezield. Maar dat oog schoot eerder vonken uit van toorn en vlammen van stoute geestdrift, dan den milden gloed van liefelijk medegevoel; en zoo al de trotsche mond zich plooide tot iets dat naar een glimlach geleek, dan was het als de Hertog eene van die aardigheden zeide, die zijne toehoorders eene rilling over de leden brachten. Ook was het welhaast een volksgezegde in Nederland:

»Als Alba lacht sneeuwt het rozen”; maar het mirakel deed zich zelden voor.

Het is klaar als de dag, dat zulk eene persoonlijkheid niet geschikt was de antipathie te overwinnen die zijn naam alleen reeds had opgewekt. En hij wist het wel, maar dat bekommerde hem niet. Hij wist dat hij niet gekomen was om zich bemind te maken, en zijn scherpe blik doorzag snel het gehalte der welkomstgroeten.

Bij zekere gelegenheid dat hij dergelijke betuigingen, wier oprechtheid hem verdacht moest zijn, met koele minachting had aangehoord, sprak hij met zijn ijzigen lach tot zijne vertrouwelingen:

»Of ik hier welkom ben of niet, dat doet er niets toe; ik ben er: dat is de hoofdzaak — en ik denk te blijven tot ik mijn werk zal volbracht hebben.”

En welk werk was dat?

Karel van Barlaymont. Gouverneur van Namen, en Philips de Noircarmes, Groot-Baljuw van Henegouwen, die hem vanwege de Regentes aan de grenzen van Vlaanderen officiëel kwamen begroeten, vroegen hem uit haar naam:»wie hem naar de Nederlanden zond, en wat hij daar kwam doen?” — Naïve vraag, tenzij die enkel voor den vorm werd gedaan, gelijk dat ook door den Hertog werd opgevat, die alleen antwoordde met hun het bevelschrift des Konings te laten zien, dat hem naar de Nederlanden riep. — Maar het gansche Nederlandsche volk had zijn lastbrief reeds bij voorbaat ontcijferd en uitgelegd. eer hij zelf , dien aan iemand had getoond. Hij kwam om in naam van Filips met diens weerbarstige onderdanen af te rekenen, Hij kwam een voorbeeldeloos strafgericht, uitgesproken over gansch een volk, met voorbeeldelooze strengheid tenuitvoerleggen. Doch niet als de scherprechter zou hij het zwaard der gerechtigheid voeren, zonder toorn en zonder hartstocht, al was hij als deze zonder mededoogen. Integendeel, op de slachtoffers die hij vonnissen moest, zag hij neer met zulk een diepgaanden haat, met zooveel, bitterheid en afgrijzen — dat het zwaard der justitie alleen hem te zwak een wapen scheen om hun misdrijf te straffen.

In zijn hand werd het een knods ter verplettering. Hij werd vindingrijk in het uitdenken van wreede pijnigingen, van langzame martelingen, om als het ware in de wijze der strafoefening zijn afschuw van het vergrijp uit te drukken. Dit achtte hij zij plicht, zijne taak, die hij niet slechts aanvaardde uit gehoorzaamheid aan zijn Koning, maar die hij verlangd had op zich te nemen, en die hij volbracht op zulke wijze, dat men hem aan staart als een wezen dat buiten de menschheid staat, dat men niet meer vat en toch verklaard wil zien, al kan men het niet naderen zonder eene huivering van ontzetting. 1)

Er is een tijd geweest waarin de naam van Spanjaard door geen rechtgeaard Nederlander werd uitgesproken zonder afschuwen verbittering, waarin het woord »Spagnool” synoniem was geworden met alles wat wreed en onmenschelijk was, waarin hij die in Spaansch bloed zijne handen wiesch, niet achtte die te bezoedelen, maar te zuiveren. — Die tijd is sinds lang voorbij — er zijn verbonden gesloten tusschen de beide natiën; zij hebben wederzijds elkanders rechten erkend en gehandhaafd; zij hebben met en voor elkander oorlog gevoerd; zij zijn verzoend en bevriend; de nationale haat tusschen beide volkeren is uitgewischt, — zelfs ter gunste van Filips II, den gevreesd en despoot, verheffen zich nu en dan stemmen zelfs in Nederland. — Maar ééén enkele Spanjaard is van die algemeene verzoening uitgesloten, en al de haat, al de afkeer, die eenmaal tegen geheel eene natie werd gevoed, heeft zich nu als samengetast op ééén persoon, wiens naam nooit meer anders dan met eene rilling van afgrijzen werd genoemd; die naam luidde: Ferdinand Alvarez de Toledo, Hertog van Alba, of, om met het volk te spreken, kortweg DUC d’ALF.

Op diens ijzeren schouders is de vracht van dien algemeenen schuldenlast blijven rusten, door alle wisselende tijden, alle om wentelingen der volkeren heen, tot nu toe, op zulke wijze, dat het verbranden van een stroopop, die zijne beeltenis heette voor te stellen, hier en daar tot de uitingen van des volks feestvreugde heeft behoord bij ’t gedenken van den triomf der Watergeuzen nog op 1 April 1872!!

In onze hoog beschaafde 19de eeuw. De onzinnigen! Zulke represailles — voor zijne brandstapels — drie honderd jaren na. zijn dood! Als men iets afkeurt, behoort men althans niet hetzelfde te doen. Bedenk toch

»Que la vengeallce est une triste chaine
Où l’anneau qu’on attache appelle un autre anneau.”

Maar toch, wat zoo diep in ’t bloed zit, moet vaster grond, hebben dan een volksvooroordeel. En waarheid is het, dat de roemruchte Spaansche veldheer als Landvoogd van de Nederlanden den haat van ’t Nederlandsche volk ten volle heeft verdiend, at ware het maar alleen daardoor dat hij dit volk niet anders heeft willen of kunnen zien dan van zijn eigen standpunt: dat van een ijveraar voor de volstrekte oppermacht zijns Konings en in de vaste overtuiging van diens goddelijk recht op de personen, de goederen, de consciëntiën zijner onderdanen; van een veldheer, die orde en tucht bovenaan stelde in de reeks der volksdeugden. Hier ligt de groote fout. van zijn bestuur, waaruit alle zijne verkeerde maatregelen, zijne onzinnige gruwelen volgden. Hij kon niet anders. »De Koning gaat vóór ’t eigen bloed!” was zijne leus als Grande van Spanje en hij heeft het met eigen bloedige tranen bewezen dat het devies hem ernst was. Hoeveel te minder moest het bloed van duizenden schuldige Nederlanders bij hem beteekenen, waar het den dienst, den wil, de eere van den Koning gold. Zullen wij nu in dezelfde fout vervallen en hem niet willen aanzien dan met de oogen van de Nederlanders der 16de eeuw, of van de ruwe menigte der onze in hare woeste geestdrift?

»Vergeten en vergeven!” is de vermaning die wel eens uitgesproken wordt in toepassing op dat verledene in de laatst verloop en maanden. Vergeten, neen! vergeten, nooit! Niet het lijden onzer vaderen, niet het bloed onzer martelaren, niet de daden onzer dapperen, allerminst de uitreddingen Gods. Maar vergeven? Men kan het niet, tenzij men zich stelt op het eigen standpunt van den gehate, om van daaraf de drijfveeren te bezien die hem deden handelen. Hoe begreep hij zelf zijne zending? Hij heeft het duidelijk genoeg uitgedrukt: Hij kwam niet om te middelen, niet om misnoegden te bevredigen, dan had men een ander moeten kiezen; hij kwam om te straffen. Welks volksvergrijp? Juist dat, wat in zijne oogen het schendigst gruwelstuk moest zijn. Het is onze taak niet het tijdperk der martelaarsweeën, noch die van het vast maar lijdelijk verzet te schetsen, die het jaar zijner komst voorafgingen; maar voorzeker, ’t geen er sinds 1566 in de provinciën was gebeurd kon niet met een anderen naam genoemd worden dan openlijk verzet, rebellie, hier en daar door eene radelooze en redelooze menigte met zulke heiligschennis en gewelddadigheden verzwaard, dat des volks nobelste en trouwste voorstanders zich met smart en ergernis afwendden. Wat was de groote drijfveer van deze beroeringen? De drang der consciëntiën, die vrijheid eischten om God naar eigen overtuiging te mogen dienen, die afschudding wilden van het ondragelijk juk eener bedorven geestelijkheid — ketterij in de oogen van Filips van Alba. Rebellie en ketterij — hoofdzonden, die niet mochten vergeven worden — die alleen konden uitgewischt worden in bloed. — Rebellie — opstand tegen den Vorst, ketterij, opstand tegen de Kerk, beide te zamen, beide als vruchten van hetzelfde zaad: opstand tegen God.

Rebellen, ketters, godslasteraars, waren voor hem één, en zoo hij die allen met een enkelen knodsslag had kunnen verpletteren, hij zou het gedaan hebben, al ware hij zelf ook ademloos neergevallen bij de inspanning, en hij zou trotsch geweest zijn op dit verdienstelijk werk. Hij heeft het niet kunnen doen, al heeft hij zich zelf ook ingebeeld dat hij het werkelijk had verricht. 2) Waarom niet? Omdat hij te hoog van oogen was om het kleine te zien, en te laatdunkend om op het geringe te letten. — De kostelijke zalmen te vangen en dier koppen te verslaan om daar.mee de menigte schrik in te boezemen — dat was zijne groote tactiek; maar hij achtte niet op de honderde kikvorschen, die dat zwijgend, maar knersetandend aanzagen, — hij achtte niet op den geest, waarvan zij bezield waren, of het ook een geest was, dien hij niet kon, niet mocht tegenstaan, dien hij allerminst moest verachten; — de geminachte kikvorschen waren het, die met de oude Israëlers mochten roemen tegen de Spanjaards: »Zij zijn reuzen en wij zijn sprinkhanen, en toch zullen wij hun vleesch eten.” En zij hebben hun vleesch gegeten, zij hebben hen verslagen. »In Godes naam geprezen!” die hun een Oranje gaf om hun verzet tegen een Alba te leiden.

Eene eerste teleurstelling trof den Hertog reeds, staande zijn; oponthoud te DIledenhove: niet in zoo grooten getale als hij het zich had voorgesteld kwamen de edelen en aanzienlijken hem hunne ootmoedige hulde brengen, en bovenal bleven zij uit die hij de allerschuldigsten achtte, en van wie hij het hoopte dat zij nog ter elfder ure door de diepste verootmoediging trachten zouden pays te maken met den Koning en diens vertegenwoordiger, Hij wist wel dat het hun niet zoude baten, daar de strenge besluiten omtrent hen reeds onherroepelijk vaststonden, maar het was hem veel liever dat zij uit zich zelven in het net liepen, dan dat hij ze later door geweld zou moeten dwingen. Onder deze voorname schuldigen rekende hij bovenal den Prins van Oranje en den Graaf van Culemborg; maar indien hij werkelijk op de begroeting van den eersten gerekend had, bewijst dit, dat hij den man niet meer kende die als jongeling naast hem gestaan had aan Keizer Karel’s zijde. De slimme Zwijger kende Alba genoeg om zich door niets te laten verblinden, door niets te laten terughouden en voorzichtiglijk naar Duitschland uit te wijken, zich zelven niet roekeloos in gevaar begevend, en de krachten sparend voor eene betere occasie. Culemborg ook, en meerderen van zijne kwaliteit, bleven wijselijk waar zij veilig waren tegen den drager van ’s Konings wraakzwaard. — Eene vergoeding, en die hij eene rijke achtte, gewerd hem door de roekelooze onvoorzichtigheid van Egmond, die hem te Tirlemont aan ’t hoofd van een aanzienlijken stoet edellieden kwam verwelkomen, en die, zijn zwak kennende voor eene uitgezochte stoeterij, hem eenige kostbare paarden wilde aanbieden als geschenk van »blijde inkomste”.

De kortzichtige! die niet naar den raad van Oranje had willen luisteren, en die, verblind omtrent zijn eigen verleden, gevleid door het statelijk onthaal dat hem zelf in Spanje was te beurt gevallen, als bedwelmd door de liefkoozingen van den Koning — al had hij de ondervinding hoe bedriegelijk zij waren — in ’t vaste vertrouwen op de onschendbaarheid van een persoonaadje als hij zich achtte, in de Nederlanden mets van den Generalissimus meende te duchten te hebben, dan alleen hetgeen hij zich voorstelde te ontveinzen, al vervulde het hem met wrok en verbittering, dat deze de plaats kwam innemen, die hij na de luisterrijke ontvangst in Spanje zich zelven had toegedacht! Maar hij zou die teleurstelling lijdzaam dragen en zijn trots buigen voor den wil des Konings, die nu eenmaal goedgevonden had zijn Spaanschen gunsteling drie voeten hooger te zetten dan den ganschen Nederlandschen adel. Hij zou dezen een goed gelaat toonen en de armen voor hem uitbreiden, al ware het ook dat daar binnen in ’t harte de wortel van bitterheid niet even vlijtig werd uitgeroeid. Het was een blijk van trouwe en loyauteit dat hij meende te moeten geven, en waarmee hij waande al de lichte grieven te niet gedaan te hebben, die de Spaansche monarch nog tegen hem hebben kon.

Droeve verblinding! Hoe kon hij vergeten dat de held van Mühlberg persoonlijk eene onverzoenlijke grief had gevat tegen den overwinnaar bij St. Quentin, en hoe geneigd deze moest zijn, schuld in hem te zoeken, hoe licht het dezen zou vallen, bij hem te vinden wat hij zocht.

Een gloed van toorn lichtte uit Alba’s oog, toen hij den roekelooze zag naderen, die in den ijdelen waan verkeerde, dat hij zich nog in de uiterste ure door een vertoon van eerbied zou kunnen veiligen tegen het onweer dat zich boven zijn hoofd had saamgepakt. Meer geëgerd dan gevleid door het verwaten zelfvertrouwen van zijne tegenpartij, kon hij zich niet onthouden iets van die verbittering lucht te geven. Zich naar zijn gevolg keerende, en met de uitgestrekte hand naar den stouten ruiter wijzende, die den schitterenden stoet welke hem vergezelde, als aanvoerder voorging, sprak hij met luide stem, met vonkelenden blik, terwijl zijne koude strakke trekken eene onbeschrijfelijke uitdrukking van haat en minachting aannamen: »Ziedaar den voornaamsten ketter!”

Alba wist wel dat Egmond even goed katholiek was als hij zelf, maar hij wist ook in welken zin deze benaming door zijne Spaansche volgelingen zou worden verstaan; ketter of rebel, het was al een, en hij wilde de zijnen gewaarschuwd hebben met welke oogen zij den kloeken vorstelijken edelman moesten zien, die licht door zijn doorluchten naam, zijn roem van dapperheid en krijgsbeleid, edelmoedigheid en innemende manieren, hunne genegenheid zou kunnen winnen, zoo men er niet op voorzag. Als eene huivering van ontzetting overviel menig Spaansch edelman bij die aanduiding van den meester. Zij wisten maar al te goed wat die te beteekenen had, en terwijl sommigen werkelijk den afschuw voelden dien de Hertog hun had willen inboezemen, rees er bij anderen een gevoel van innig medelijden op met den ridderlijken edelman, die in zoo goed vertrouwen en met zooveel zorgeloosheid zijn doodsvijand tegemoetging. Er zijn geschiedschrijvers die beweren dat Egmond deze aanduiding heeft kunnen verstaan. Zoo dit juist is, moet zij hem zonderling onaangenaam in de ooren hebben geklonken, tenzij de overweging dat de aanval te ruw en te onhandig was om ernst te zijn, hem heeft gerustgesteld. Alba zelf voelde dat hij eene onvoorzichtigheid had begaan en dat hij zich bedwingen moest, zou hij den argelooze niet ten ontijde verdenking doen vatten. Hij beheerschte zich nu beter; de officiëele begroetingen werden gewisseld, de kostbare geschenken met welgevallen aangenomen; als getroffen door zooveel hartelijkheid, sloeg hij den arm om den hals van den Graaf en stelde hem voor, gezamenlijk den tocht te vervolgen. Dus bleven zij een tijdlang naast elkander voortrijden, als tweelingbroeders die de vreugde van het weerzien door de teederste liefkoozingen wenschen uit te drukken.

Wat Alba’s gevolg moet gedacht hebben bij deze handelwijze van hun meester, trachten wij niet te onderzoeken; het gezelschap dat Egmond vergezelde was er door verblijd en gerustgesteld, niet minder dan Egmond zelf, die zich overtuigd hield dat hij zijn doel bereikt had, en dat de onrustwekkende voorspellingen waarmee men hem vervolgd had bij de komst des Hertogs, niet waren dan inbeeldingen van verhitte gemoederen en beangste consciëntiën. De zijne was gerust: de Koning moest overtuigd zijn van zijne onwankelbare trouwe, de Hertog zou zijn vriend worden. Had deze hem niet als met broederlijke innigheid omhelsd, ten overstaan van beider volgelingen?

»Ja! dat had Alba gedaan, maar deze wint niet in onze achting dat hij dit op zich zelven verkreeg. Want dat het eene overwinning was op den haat die er in zijn binnenste gloeide, bewijst reeds een gezegde dat hem in den loop van dat samenzijn ontsnapte.

»Mij zóó te ge moet te rijden op uw vergevorderden leeftijd!” voegde hij hem toe op den toon van minzaam verwijt; maar bij de wreede intentiën van den Hertog, lag er eene bedoeling in dat gezegde, die veel had van het spelen eener kat met de gevangen muis. De Graaf zal het zeker met bevreemding hebben aangehoord. Alba was in zijn zestigste jaar, hij zelf pas zes en veertig! Kon hij vermoeden dat deze hem aanzag met het voornemen hem geen volgende Augustusmaand te laten beleven?

De verdere tocht naar Brussel tot aan de Leuvensche poort werd zonder eenige hindernis voortgezet, hetgeen niet te verwonderen is, daar de Hertog, als een voorzichtig veldheer, niet al te veel vertrouwende op den schrik van zijn naam en de verslagenheid der Vlamingers, doeltreffende maatregelen had genomen om de veiligheid van zijne doorreize te verzekeren. Antwerpen had hij terstond laten bezetten door vierduizend Duitschers onder bevel van Graaf Alberic de Lodron, die zich te Diedenhove bij hem gevoegd had. In geene plaats had hij halt gehouden die hij niet vooruit door zijn eigen vertrouwd krijgsvolk had laten bezetten. In Brussel zelfs was hij meester eer hij er binnentrok, daar hij don Francisco d’Ybarra derwaarts had gezonden met zijn eerbiedige groeten aan de Regentes, maar tegelijk met het bevel om zich van de poorten, voorsteden en publieke gebouwen te verzekeren en die met vertrouwd krijgsvolk te bezetten. Margaretha van Parma was hevig vergramd over deze aanmatiging, die des Konings veldoverste zich veroorloofde in hare eigene residentie nog vóór hij zijn bestuur had aanvaard. Maar Ybarra had in last zich niet aan haar verzet te storen en al hare tegenwerpingen te beantwoorden met de verzekering, dat de Koning gereed stond eerstdaags naar Vlaanderen te komen, en dat de eer Zijner Majesteit er aan gelegen was dat hij de sterkste was in zijne hoofdstad.

Dit legde zelfs der Gouvernante het zwijgen op, die met den dienaar van haars broeders dienaar niet over het twijfelachtige van des Konings beloften kon gaan twisten! Maar zij nam zich wel voor het den aanmatigenden Hertog betaald te zetten. Zij had niet eens dat soldatesk begin noodig om heftig tegen hem verbolgen te zijn.

Onder allen die over de zending van Alba naar de Nederlanden ontrust en misnoegd waren, stond de Regentes bovenaan; zij had er zich kras en openlijk tegen verzet in hare brieven aan den Koning. Hoevele en hoe schelle noodkreten zij ook geslaakt had over den slechten geest van het volk, den wederstand van den adel en over de driestheid waarmee de ketterij het hoofd opstak, de onnoemelijke lasten en bezwaren van het regent, schap in een land waar zooveel verdeeldheden heerschten, waar men ’t alleen eens was als het er op aankwam de Gouvernante, den voet dwars te zetten — niet zoo haast was het besluit des Konings haar ter oore gekomen om haar in dat alles bij te staan door den Hertog van Alba naar de Nederlanden te zenden, of zij veranderde van toon en sprake. De onlusten waren gestild, meldde zij nu, de adel was handelbaar, van ketterij was nauwelijks meer gewag. Zij had die onderdrukt, zoo niet uitgeroeid, door de strenge en doeltreffende maatregelen; de Geuzenkerken waren omgeworpen, en van de balken en binten had men galgen gemaakt om er de ketters aan op te hangen; de Koning kon gerust zijn; de zaken in de Provinciën waren nu op zulk een voet gebracht, dat Zijne Majesteit met voegzaamheid derwaarts over kon komen, zooals sinds lang Zijner Majesteits voornemen was, althans zijne stellige belofte aan haar.

De vorstelijke oogen zouden nu zeker niet gekwetst worden door ’t aanschouwen van iets dat krenken of ergeren kon. Alles wat er vroeger voor strafbaars en betreurenswaardigs was voorgevallen was nu als te niet gedaan, en, bleef de komst des Konings altijd wenschelijk om den goedgezinden moed in te boezemen en de boozen af te schrikken, niets dan deze was er dan ook verder noodig om de schoone Nederlandsche gewesten volkomen tot rust te brengen en alle verdeeldheden te effenen. Des Konings overkomst zou daartoe meer doen, schreef zij elders, dan een groot leger; dit volk had zijne vorsten lief, en het aanschouwen van des Konings aangezicht zou meer helpen dan alle strafgerichten en dwangbevelen, om den band tusschen Vorst en onderdanen te vernieuwen en te versterken. (Of Filips nu juist de rechte persoonlijkheid was om zulk een wonder te werken, betwijfelen wij — de Hertogin scheen het te gelooven). Maar! zij voegde er toch bij, dat, zoo de zaken in Spanje nog altijd ’s Konings tegenwoordigheid eischten, en de reis moest uitgesteld worden, dat het dan volstrekt onnoodig was, ja, niet dan hoogst schadelijk kon zijn, zoo de Herlog van Alba werd gekozen om zijn persoon te vertegenwoordigen; dat niets nadeeliger zou zijn voor de openbare rust; dat reeds bij het gerucht dier mogelijkheid allerlei teekenen van misnoegen zich begonnen te vertoonen; dat de naam des Hertogs in Braband en Vlaanderen hatelijk was boven alle beschrijving, en dat zijn persoon de meest ongeschikte was om een goeden indruk te maken op een volk, sinds zooveel jaren aan de zachtere leiding van eene vrouwelijke hand gewend; dat zijne soldateske manieren, zijn trots, zijne laatdunkendheld en bovenal zijne bekende onverbiddelijke strengheid adel en volk beiden ondragelijk zouden zijn; dat niets gevaarlijker kon wezen dan dezen over te zenden, en dan nog wel met een groot leger. Waartoe een leger? waartoe anders dan om het volk in beroering te brengen, dat een afkeer had van vreemde soldaten, en de Vliesridders te krenken, die in hunne verschillende Gouvernementen het opperbevel voerden over het krijgsvolk.

Toen het, ondanks die dringende raadgevingen, die beden en dreigingen, aan Margaretha van Parma bleek, dat de Koning niet naar haar luisterde, en dat Alba zich voor den tocht gereedmaakte, ja afgereisd was, meende zij nog tot haar doel te komen door dezen zelven, en op haar eigen gezag te bewegen van zijn voornemen af te zien! Zij zond hem renboden om hem tot den terugtocht te vermanen; zij schreef hem brieven om hem het doorzetten van de reis, het aanvaarden van het commando af te raden. Zij waarschuwde hem ernstig zijn verworven krijgsroem en zijn vermaarden naam niet op het spel te zetten in eene onderneming waarvan geen goede uitkomst was te wachten; zij uitte de sterkste bedreigingen van haar misnoegen, zoo hij, dies ondanks, in zijn opzet volhardde en hare raadgevingen in den wind sloeg. Het spreekt wel vanzelve, dat deze beden en bedreigingen bij Alba niets uitwerkten dan hem den maatstaf aan te geven van de verhouding waarin hij tot de Regentes zoude staan. Maar het wekt onze verbazing dat eene vrouw als Margaretha van Parma, die Alba zóó goed kende, en die, al ware zij zelve niet in de staatskunst volleerd, toch de scherpzinnigste raadslieden nevens zich had, zich kon inbeelden dat een man als de oude Toledo zich door haar dringen en dwingen zou laten bewegen om afstand te doen van een ambt dat zijn meester hem had opgedragen, en waarnaar hij zelf had gestaan, in de vaste overtuiging dat hij de rechte man op de rechte plaats zou zijn.

Het is waar, zij kende zijne gehechtheid aan de nagedachtenis van Keizer Karel haar vader, zijn diepen eerbied voor diens bloed; — maar Filips II was diens wettige zoon en zijn Koning, hoe kon hij aarzelen tusschen zijn souverein en eene vorstin, die alleen maar door de inschikkelijkheid harer verwanten den rang voerde van een lid der Koninklijke familie! Het blijkt dus wel dat zij in dezen haar geslepen oordeel niet gebruikt heeft, en zich meer door vrouwelijke drift en hare antipathie heeft laten leiden, dan door haar slimmen geheimschrijver Machiavelli, die haar zeker omzichtiger handelwijze zou hebben aangeraden, en meer behoedzaamheid in het dragen van eene grieve, die door luid misbaar toch niet zou worden geheeld.

Alba van zijne zijde, al kon hij nu met gewisheid berekenen met welke gevoelens hij door de Gouvernante zou worden ingewacht, achtte het zijn eersten plicht om haar niets te onthouden van ’t geen hij haar schuldig was, en wat hij haar geven kon zonder zijn meester ongehoorzaam te worden. Als Kastiliaansche grande wilde hij de zuster van zijn Koning de hulde brengen die haar toekwam; als Gouvernante der Nederlanden was zij de eerste die recht had op zijn bezoek. Ook was hij niet zoo haast de Leuvensche poort binnengetrokken, of hij haastte zich naar haar paleis, zich geen tijd gunnend om af te stijgen, of een weinig van den vermoeienden tocht uit te rusten, alvorens hij aan; dezen eisch der wellevendheid had voldaan.

Had men hem zelf bij zijn intocht in de hoofdstad noch krijgseer bewezen, noch met eenige plechtige begroeting ontvangen, erger dan dat zou hem treffen bij zijne aankomst op het voor, plein van het paleis. De boogschutters van Margaretha ’s lijfwacht wilden de hellebaardiers, die de garde van den Hertog uitmaakten, niet toelaten hun meester te vergezellen. Er ontstond twist en verwarring, men drong tegen elkander in, en de schermutseling liep niet af zonder bloedstorting. Op den trotschen Grande, den vriend van orde en krijgstucht, moest dit begin een pijnlijken indruk maken. Maar in dezen oogenblik gedoogde zijne waardigheid niet, dat hij er zich door liet ophouden, al zou hij het later straffen.

Zeer zeker was Margaretha niet rechtstreeks te beschuldigen van deze slechte ontvangst, maar zijdelings had zij er toch deel aan. Zij had hare gekrenktheid over de komst van den Hertog zoo weinig willen of kunnen verbergen, dat het hare gansche hofhouding bekend was in welke stemming zij den komende zou verwelkomen. Men wist dat zij drie dagen te voren haar Staatsraad had belegd, om te overwegen of zij den Hertog al of niet zou ontvangen.

De meerderheid had haar zelfs geraden hem niet toe te laten. vóór hij zijn lastbrief had ingezonden. Maar Alba, die iets van die aarzelingen had geraden, had de Gouvernante, door zijn vertrouweling Francisco d’Ybarra, in de vleiendste bewoordingen de verzekering laten geven, dat hij niet kwam dan om zijne krijgsmacht, zijne garde en zijn persoon aan hare voeten te werpen, bloot eene uitdrukking van Kastiliaansche étiquette, eene ijdele betuiging, die te holler was naarmate zij luider klonk, en in de beteekenis waarvan zij zich ook niet vergiste. Toch nam zij den schijn aan daarmee genoegen te nemen; zij wist het maar al te goed: Alba kwam niet op zijn eigen gezag, achter hem stond Filips zelf, en zij zou dezen doodelijk beleedigen, zoo zij zijn vertegenwoordiger openlijk voor het hoofd durfde stooten. En hoe misnoegd zij ook was op haar broeder, hoeveel bittere klachten en scherpe verwijten zij zich ook tegen hem veroorloven durfde in hare brieven, voor het oog van het volk zijn wil te wederstreven, durfde zij niet. Zij wist te goed waartoe Filips in staat was, als hij in zijn vorstentrots was gekrenkt. Dat de Hertog dus ontvangen zou worden door de Gouvernante met of zonder gevolg, zooals hij zelf zou goedvinden, was het groote nieuws dat in den hofkring rondliep. Maar met welk een innerlijken tegenzin van de zijde der vorstin, dát bleef ook niet geheim: — hare lijfwacht zal zeker niet de laatste zijn geweest om die gezindheid te deelen. En in dezen stand der gemoederen was de lichtste aanleiding genoeg, om het prikkelbaar krijgsvolk, dat elkaar toch al niet met goede oogen aanzag, tegen elkaar in ’t harnas te jagen; en zoo was de Gouvernante zelve wel niet onschuldig aan deze ruwe uitingen van den afkeer, al kon zij de verantwoordelijkheid daarvan met fierheid van zich afwerpen.

Toch had zij daarom niet afgezien van eene wraakoefening op hare eigene hand tegen den man, dien zij gedwongen was openlijk in zijn rang te erkennen. Maar het zou eene wraakneming zijn op echt vrouwelijke wijze, waartegen geen stalen harnas kon beschutten, en die het slachtoffer lijdzaam zou moeten ondergaan, zonder de vrijheid te hebben van te klagen. Zij hoopte wel le défaut de sa currasse te vinden, en daarop was zij bedacht toen de Hertog omstreeks drie uren in den namiddag tot haar werd toegelaten.Zij wachtte hem op in hare slaapkamer, waar zij gewoon was gehoor te verleenen, een vertrek ruim genoeg om eene audiëntie-zaal te kunnen zijn, dat zich alleen onderscheidde van de laatste door een kolossaal ledikant, dat met zijn gedraaide kolommen zijne statige! damasten gordijnen, de courtepointe van fluweel en kant en het bidgestoelte er nevens met het kruisbeeld, bijkans eene kapel geleek. Daar hier echter de vorstelijke troonhemel ontbrak, hield: de Regentes zich staande in het midden der kamer, alleen even, met de hand tegen een armstoel geleund, toen de Hertog binnentrad, van twee of drie zijner voornaamste edellieden vergezeld, die zich echter bescheidenlijk op den achtergrond hielden, tot het hun vergund zoude zijn de Gouvernante te begroeten. — De Hertog van Aerschot, de Graaf van Mansfeld, de Graaf van Barlaymont, en Lamoraal van Egmond (die zich gehaast had zijn rijkleeding met een schitterend hofgewaad te verwisselen) stonden der Gouvernante ter zijde, als volleerde hovelingen beslote hunne houding tegenover den Hertog te regelen naar die der vorstin.

Margaretha van Parma had nooit aanspraak kunnen maken op vrouwelijke schoonheid. en zij was nu in haar zes en. veertigste jaar — een hachehjke leeftijd, waarop de rozen en leliën meest zijn uitgebloeid. Maar wat zij nooit had bezeten, was ook niet bij haar verloren gegaan, en had zij weinig van de bevalligheid haren moeder, de bekoorlijke Vlaamsche jonkvrouw van Ghenst, zij droeg in hare trekken den stempel harer afkomst uit Karel del Vijfden, en het fijne kneveltje aan de bovenlip misstond niet bij de fiere en schrandere uitdrukking van dat sterk sprekende gelaat, dat, donker getint, met den leeftijd eer winnen kon dan verliezen. Er schitterde geest en stoutmoedigheid uit hare levendige bruine oogen. Zij had eene vorstelijke opvoeding genoten aan het hof harer tante Maria van Hongarije, was vroeg aal sterke lichaamsbeweging gewend en eene hartstochtelijke liefhebster van paardrijden en het — nobele — jachtvermaak. 3) Vandaar dat in haar toon en manieren zekere forschheid lag, die in den gewonen huiselijken kring iets onvrouwelijks zoude gehad hebben, maar dat de gebiedende Vrouwe, de Gouvernante der Nederlanden, niet misstond. In die kwaliteit was zij toch niet eigenlijk bemind. Leerlinge van Loyola, had zij te veel geestdrift voor de Kerk, om sympathie te voelen voor een volk, dat zich tegen de kerkelijke traditiën begon te verzetten, en wat zij niet gaf, werd haar ook niet geschonken. Door haar eerste huwelijk met een Medicis 4) en haar tweede met een Farnese, Hertog van Parma en Piacenza, was zij te veel eene Italiaansche Prinses, om het goedronde Vlaamsche volk vertrouwen in te boezemen; terwijl zij de verdeeldheid onder den adel te haren bate onderhield, door de kunstgrepen eener geslepen staatskunst, die het: »verdeel om te heerschen” voorschreef. Maar zoo zij fouten beging, zij leefde ook in een moeielijk tijdperk, waarin alles samenliep om haar bestuur te bemoeilijken en in discrediet te brengen. Filips had het opzet om de Nederlanden van uit Spanje te regeeren door de hand zijner zuster, en deze had veel te goed ingezien, hoezeer dat ondoenlijk was om dat niet te ontraden. Toch moest zij niet zelden edicten maken of tenuitvoerleggen, die zij zelve afkeurde en die toch voor hare rekening kwamen. Was zij volgzaam aan de voorschriften uit Spanje, dan had zij te worstelen met het misnoegen en het verzet van den adel, met den morrenden weerstand van het volk. Wist zij haar pays te maken met die allen, door de teugels wat te laten schieten en zich naar de eischen en usantiën van het land te voegen, dan kwamen er klachten en noodkreten uit Spanje, als offerde zij de belangen des Konings op aan hare rust. Zoo geraakte zij veeltijds in eene valsche positie, en was hare taak als Regentes evenmin eervol als gemakkelijk. Haar opvolger echter heeft het zijne gedaan om de schaduw, die over hare gestalte was geworpen, tot een gloriekrans om te scheppen. Bij vergelijking van Alba’s schrikbewind was het tijdperk van Margaretha’s bestuur de gouden eeuw te noemen.

Maar waarin Margaretha van Parma ook verschilde met het Nederlandsche volk, op één punt waren ze het volkomen eens: in afkeer tegen den Hertog van Alba, in opzien tegen zijne komst. Doch de beweegredenen verschilden evenzeer, als het Nederlandsche volk ver afstond van de Italiaansche prinses. Dit eerste vreesde zijn willekeur, zijn geweldigen heerschersstaf — zij haatte den opvolger, die haar, ondanks haar weerstreven, werd opgedrongen. Al had zij menigmaal in oprechtheid of geveinsdelijk bij wijze van dreiging om ontslag uit haar ambt gevraagd, nu zij inzag dat het haar zou worden toegestaan, nu zij niet eigenlijk; afgelost zou worden van haar post, maar daaruit verdrongen, en; door zulken plaatsvervanger, voelde zij zich op het pijnlijkst gekrenkt en vernederd. Men komt tot de vraag, waarom Filips zijne zuster deze grieve niet heeft gespaard; waarom hij haar niet heeft teruggeroepen op haar herhaald verzoek, zoo haast Alba zijn tocht naar de Nederlanden had aanvaard. Vermoedelijk vreesde hij te zeer eene tusschen-regeering. Hij vertrouwde noch haar Staatsraad, noch de Vliesridders, noch de Gouverneurs der Provinciën. Egmond, Oranje, Hoogstraten, hoe licht hadden zij, zooals een wantrouwende despoot van hen kon denken, die korte spanne tijds kunnen waarnemen om zich te zamen of afzonderlijk meester te maken van het bestuur, het krijgsvolk waarover zij te beschikken hadden tegen den nieuwbenoemden Landvoogd aan te voeren; het licht verleide volk, dat dezen haatte en vreesde ware gemakkelijk mee te sleepen geweest in dit verraad tegen den wettigen Vorst, en de ketterij zou haar schoonsten triomf hebben gevierd in den grooten afval der Nederlanden van het rechtzinnig Spanje! Daarom wellicht moest Margaretha van Parma de teugels van het bestuur niet loslaten voor zij ze in de forsche hand van Alba kon overgeven, al zou dit voor haar de smartelijkste krenking, de diepste vernedering zijn. Wat verscheelde dit den Heerscher: »de Koning gaat voor ’t bloed” was ook zijn devies, en zijns vaders dochter mocht toezien.

Zoo kwam het dat Margaretha van Parma en de Hertog van Alba die genoodzaakt zouden zijn nog een tijdlang samen te werken, tegenover elkander zouden staan in eene valsche verhouding; waarbij beiden eigenlijk een gek figuur moesten maken.

Voor Alba was het nog het minste; hij had de troeven in handen en wist dat zijne tegenpartij haar spel moest verliezen; hij kon licht wat lijdzaamheid oefenen.

Maar wij hebben hem wel wat lang aan den ingang van Margaretha’s gehoorzaal laten staan; niet langer echter dan zij zelve hem had laten wachten eer zij door blik of gebaar hem tot naderen uitnoodigde. Die noodiging volgde zelfs in ’t geheel niet. Strak en zwijgend, in haar statig gewaad, niet ongelijk aan ’t geen Katharina de Medicis uit Florence aan het fransche hof in de mode had gebracht, stond zij daar uiterlijk kalm en waardig, innerlijk ziedende van spijt en ergernis, bewegingloos als een marmeren beeld den binnentredende te wachten, zonder hem door wenk of woord eenig bewijs te geven dat hij welkom was, zonder hem een voetstap te gemoet te treden. Onder dit gespannen zwijgen, onder den druk van dit ijzig voir venir, dat Margaretha tegen hem in praktijk bracht, moest de trotsche man de grootste helft van het ruim vertrek afleggen, eer hij dicht genoeg bij haar genaderd was om naar ’t Spaansche hofgebruik de knie te buigen en haar met de hulde van den handkus te begroeten. In fiere, maar eerbiedige houding deed hij dien zwaren gang ten aanschouwe van Margaretha’s hovelingen, die zich (hij kon het zich voorstellen) aan dit gezicht vermeiden; in de hitte van de mêlée bij Mülhberg was het hem zeker verdragelijker geweest; maar zoo hij daaraan dacht schraagde het zijn zedelijken moed, zelfs toen de Hertogin door geene enkele beweging het Kastiliaansche huldeblijk aanmoedigde.

Men was dan ook in Braband, aan ’t Brusselsche hof, en niet in het Escuriaal! Alba begreep het, en moest hij zich oprichten zonder tot zijn doel te zijn gekomen, hij deed het kalm en waardig als had hem gansch geene teleurstelling getroffen; en een paar schreden achterwaarts tredende sinds zij geen enkele voorwaarts had gedaan, sprak hij in eerbiedige bewoordingen van de haast die hij gemaakt had om haar te begroeten, verontschuldigde zich daarmee over zijn reisgewaad, en wilde er nog iets bijvoegen, toen zij hem koud en uit de hoogte in de rede viel met de opmerking dat hij verzuimde gebruik te maken van zijn voorrecht als Grande van Spanje, om Vorstelijke personen met gedekte hoofde te begroeten. Dies ondanks bleef Alba blootshoofds voor haar staan, den hoed, die alleen een korte liggende veer tot sieraad had, in de hand houdende, en begon te zeggen dat, waar hij stond op dit voorrecht in tegenwoordigheid van Koningen en Keizers, hij het met vreugde verzaakte tegenover eene Prinsesse van hare kwaliteit.

Maar zij liet hem niet uitspreken. »Ik zeg u, wees gedekt, Hertog!” viel zij weer in, en liet de woorden met ijzigen trots van de lippen vallen; »ik weet immers dat zoo mijn Broeder een onderdaan tot mij zendt, hij geen mindere zou kiezen dan een van zij voornaamste Granden,”

»Die met al wat het zijne is, zich komt stellen tot den dien van Uwe Hoogheid, en hier is om hare bevelen te vragen,” hernam Alba op een toon van ootmoed, waaruit fiere zelfbewustheid sprak.

»Mijne bevelen!” herhaalde zij luid en met bitterheid. »Zoo Uwe Excellentie goed gevonden had daarop te achten, zouden wij vah het voorrecht verstoken zijn U hier te ontvangen!”

»De bevelen van Uwe Hoogheid te gehoorzamen, zal altijd mijn lust wezen, Mevrouwe, tenzij ze strijden mochten met mijn plicht jegens den Koning.”

»Strijdt het naar uw gevoelen met dien plicht mij te zeggen wat Gij hier eigenlijk doen komt?” vroeg zij op scherpen toon, terwijl hare lippen trilden van ingehouden drift.

»Maar… Uwe Hoogheid!” hernam hij, een oogenblik getroffen door eene vraag, die zoo naïef klonk en toch zoozeer van booze bedoeling getuigde; »ik vlei mij, dat Uwe Hoogheid niet onkundig zal zijn van het doel mijner komst…”

»Voorzeker neen! Mijnheer, wij vergissen ons daarin geenszins, wij weten heel goed wat gij U in dezen hebt voorgesteld; maar wij zijn verplicht U te waaarschuwen, dat Gij U zonderling zult bedriegen; en dat het voor U gemakkelijker is geweest hier te komen dan hier te blijven…”

»Wat het laatste betreft, Mevrouwe! veroorloof mij Uwe Doorluchtigheid te verzekeren, dat ik daartoe even afdoende maatregelen hoop te nemen als die ik genomen heb voor mijn tocht herwaarts heen; en schoon het mij grieft Uwe Hoogheid te moeen tegenspreken, ben ik toch aan mij zelven en aan mijn eer als veldoverste verschuldigd Uwe Hoogheid indachtig te maken, dat het voor mij in ’t geheel NIET gemakkelijk is geweest hier te komen,” hernam de Hertog, met een blik, glanzend van fiere zelfvoldoening. En hij had daar reden toe, want zijn tocht door Opper-Italië over den Mont-Cenis, langs het zuiden van Frankrijk, met eene heirmacht als de zijne, onder ’t oog van een Fransch observatie-leger, dat iedere overtreding van ’t krijgsvolk als een daad van vijandschap kon opnemen, langs de Zwitsersche Alpen, ten aanschouwe van kwalijk gestemde, wantrouwende bergbewoners, en door Hoog-Bourgondiën door Lotharingen tot in Luxemburg, zonder dat er eenige botsing ontstond tusschen zijn volk en het Fransche, of met een der andere volken wier land hij doortrok, zonder dat één schaap uit dier kudden werd ontvreemd, een tros uit dier wijngaard geplukt — dat alles, bij ’t geen de soldaat was te dier tijde, bij ’t geen dit krijgsvolk was bovenal, uit al de verschillende volkeren samengesteld die tot de Europeesche bezittingen van Spanje’s monarch behoorden, was een meesterstuk geweest van veldheersbeleid en van weergalooze krijgstucht, waarop Europa in ademlooze bewondering het oog had gevestigd en dat alleen reeds den Hertog van Alba zijn rang zou gegeven hebben van een der volmaaktste legeraanvoerders zijner eeuw, en hem onsterfelijke eer had moeten aanbrengen, meer dan menige overwinning op het slagveld, zoo niet zijn verblijf zelf in dat landt met zooveel volharding en beleid bereikt, dien lauwer had bevlekt. Maar nu die nog frisch en rein was, kon hij zonder ijdele zelfverheffing spreken, zooals hij voortging:

»Zoo ik niet vreesde het geduld Uwer Hoogheid te vermoeien met eene optelling van de bezwaren, die ik heb moeten overwinnen eer ik — na mij te Carthagena te hebben ingescheept — de Luxemburgsche grenzen veilig had bereikt met mijne heirmacht, zou ik haar vermoedelijk tot de bekentenis brengen, dat het geen lichte taak is geweest, die Ferdinand de Toledo ondernomen heeft in den dienst van zijn Koning, en met Gods hulpe en den zegen van den Heiligen Vader tot een goed eind heeft gebracht.”

»Wij twijfelen er niet aan of de Hertog van Alba, wiens bescheidenheid bekend is, met zelfvoldoening zal terugzien op zijne schreden; alleen wij zien niet in, waartoe het noodig was met zulk eene heirmacht herwaarts heen te komen. Te goeder trouwe en als eene die met de gelegenheid dezer landen volkomen bekend was, heb ik den Koning, mijn broeder, ontraden vreemd krijgsvolk naar deze Provinciën te zenden, dat ganschelijk overbodig is, daar wij hier met niemand in oorlog zijn.”

»’t Is ook niet tegen een buitenlandschen vijand, Mevrouw, dat deze krijgsmacht zal optrekken; ’t is tegen een binnenlandschen, die erger is dan oorlog en pestilentie samen; ’t is om de vijanden neer te leggen die de rust van uwe regeering verstoren; ’t is om orde en wet te handhaven tegen wanorde en bandeloosheid; ’t is om het recht en het gezag des Konings te doen zegevieren…

»Zoo komt Uwe Excellentie hier voor een werk dat al afgedaan is,” viel Margaretha in, met trots en bitterheid. »Wij hebben den, Koning naar waarheid geschreven, dat de troebelen, die een tijdlang de Provinciën beroerden, nu gestild zijn; dat ik, met de grootste vlijt, zorge en inspanning van alle mijne krachten, de heerschende plage heb tenondergebracht, dat de rust is hersteld, dat des Konings gezag, zijn recht en de eere van Gods Kerk volkomen zijn gehandhaafd en nu triomfeeren over alles wat ze heeft aangevochten. Dit heb ik gedaan, ik, Mijnheer de Hertog, met Gods gunst en hulpe, ik zal het dankelijk erkennen! en nli komt Gij om de vruchten te genieten van dezen mijn arbeid.” 5) »Uwe Doorluchtigheid verschoone mij; indien er werkelijk zoo. danige vruchten te oogsten zijn, kom ik ze alleen bevestigen en verzekeren, opdat U we Hoogheid ze in vrede kunne genieten. — Alleen — schoon ik aan de verzekering van Mevrouwe een onbepaald geloof geve — komt het mij toch twijfelachtig voor, dat alles hier in de werkelijkheid zoo is, als dat U toeschijnt. Uiterlijke stilte is nog geen rust, stilstand van openlijk verzet nog geen terugkeer tot de wettelijke orde. Daar heerscht hier, naar ’t mij voorkomt, zekere drukkende kalmte, die meestal zware orkanen voorafgaat.”

»Gij hebt gelijk: dat hier orkanen zullen losbarsten is wel te voorzien. De eerste onlusten in Vlaanderen zijn aangekomen om ’t Spaansche krijgsvolk, dat men hier niet wilde dulden, op zulke wijze, dat de Koning aan den drang der noodzakelijkheid heeft moeten toegeven, en ze heeft teruggeroepen, zooals U we Excellentie bekend zal zijn; dat is nog geen volle zeven jaar geleden en — daar hebben wij ze nu weer!”

»Het is maar al te waar, dat de Koning aan die noodwendigheid heeft moeten toegeven, tot verkleining van zijn gezag; maar dat is juist geschied omdat er te weinig troepen waren. Nu is er gezorgd voor een toereikende legermacht opdat ’s Konings gezag van die grieve gewroken worde — en hierna nimmermeer schade lijde! Voorts verzeker ik u, Mevrouwe, dat er alle maatregelen zullen genomen worden, die strekken kunnen om de gevreesde stormen, zoo zij opsteken, te doen bedaren en des Konings landen voor schipbreuk te behoeden.”

»Uitnemend, Mijnheer de Hertog, en, naar ik onderstel, zult Gij het zijn, die hier al zulke maatregelen zult verordenen! Maart daar Uwe Excellentie verzuimd heeft mij uwe geloofsbrieven en den lastbrief des Konings over te leggen, aleer zij tot mij kwam, ben ik volstrekt onbekend met de mate van gezag, die het den Koning behaagd heeft, U toe te vertrouwen, en bijgevolg, niet overtuigd van Uwe bevoegdheid om diergelijke orders uit te vaardigen.”

»Uwe Hoogheid zal wel begrijpen, dat ik zoodanige kostbare documenten niet bij mij drage op de reize; in mijne haast om Uwe Doorluchtigheid te begroeten ben ik niet afgestapt dan voor haar paleis… maar ik zal niet verzuimen mijne commissie en het schrijven van Zijne Majesteit aan Uwe Hoogheid ter inzage over te leggen, zoo haast ik die zal hebben uitgepakt.”

»Gij kunt mij toch voorloopig wel den inhoud van die kostbare documenten mededeelen: de Staatsraad heeft er mij reeds een verwijt van gemaakt dat ik er in toestemde U te ontvangen, zonder dien te kennen.”

,»Dien inhoud kenne ik, Mevrouwe, dat is waar, doch alleen in ’t algemeene en volstrekt niet woordelijk; en daar ’t hier juist op de letter aankomt, zou ik niet gaarne door eene vergissing in de termen oorzaak willen zijn, dat de uitdrukking van des Konings wil onjuist of met onbestemdheid werd opgevat. Uwe Hoogheid veroorlove mij dus, hierover absoluut te zwijgen, terwijl ik beloof mij zooveel doenlijk te haasten met het vertoonen van deze bescheiden. Nu vraag ik verlof om mijn afscheid te mogen nemen. Zelfs de tocht naar Brussel was geen zoo gemakkelijke rit, of ik voele mij eenigszins vermoeid en verlangend naar wat ruste en verfrissching.”

Daar het onderhoud staande had plaats gevonden en de Hertogin den Hertog zoomin den eerewijn ter verwelkoming had aangeboden als eene zitplaats of een vriendelijk woord, was het niet te verwonderen, dat deze het zoo kort maakte als eenigszins. doenlijk was, en de vermoeidheid, die hij als reden opgaf, behoefde geen voorwendsel te zijn. Toch scheen het Margaretha te krenken, dat hij het eerst van scheiden sprak bij dit samenzijn, waar men zoo strak en gedwongen tegen elkander over stond.

»’t Is wél, Mijnheer de Hertog,” voegde zij hem toe op spijtigen toon. »Gij zijt ontslagen, wij zouden het niet gaarne op ons geweten laden dat een zoo vermaard veldheer, wien het in zoomenigen veldslag nooit aan kracht heeft ontbroken, onpasselijk; werd van uitputting in een onderhoud met ons. Ga uwe rust nemen in Uw logies; maar zoo gij wenscht ons nogmaals een bezoek te brengen, moet ik U waarschuwen, dat het niet zal kunnen zijn voordat Gij ons die volmachten hebt overgelegd, die gerechtigen herwaarts heen te komen en onze hofstad met u krijgsvolk te bezetten.”

En met dit afscheid kon de Hertog zich verwijderen. Hij deed het, zonder op eenige wijze zijn misnoegen te toonen over die onthaal.

Alba was bekend voor zijne behendige wijze van terugtrekken bij zijne krijgstochten; hij, die niet wist wat vrees was, had meermalen voor een zwakkeren vijand den terugtocht geblazen, op zulke wijze, dat zijne eigene soldaten hem met twijfel en onwil aanstaarden en zijne kwaadgunners lasterden dat het hem som wijlen aan moed ontbrak: maar hij placht dan te doen of hij die verbaasde blikken, die morrende soldatengezichten niet eens zag, en haalde met zijn eigenaardigen glimlach de schouders op over de lasteraars, die hij eerst later beschaamde door te bewijzen dat hij het terugwijken om beter zijn sprong te nemen, heel goed verstond. Ook hier wist hij, dat hem de mooiste rol niet was toe, bedeeld voor het oogenblik, maar hij wist ook welke schitterende revanche hij zich zelven kon geven; en zoo er onder Margaretha’s hovelingen waren, die hem met een spottenden glimlach nazagen toen hij daar wegtrok, als onder den slag eener pijnlijke ongenade, mochten zij wel zorgen, dat de Hertog deze lachjes niet opmerkte, daar ze dan gewis met bloedige tranen zouden geboet worden.


Reeds des anderen daags had de Hertog van Alba voldaan aan het verlangen der Gouvernante, en de volmachten die hij uit Spanje medebracht ter inzage overgeleverd. Niet zoo ras waren zij in haar Staatsraad gelezen en onderzocht, of er ontstond algemeen misnoegen en diepe verslagenheid.

Behalve zijn recht om als Kapitein-Generaal onbeperkt gezag te voeren over het krijgsvolk, werd hem ook de macht toegekend om de Gouverneurs der Provinciën af- en aan te stellen om kasteelen en sterkten te bouwen waar hij het goed zou achten, om de magistraten te veranderen; in één woord, hem werd eene macht gegeven zooals de Regentes met haar Raad van bestuur te zamen nooit had bezeten, en die Filips zelf, zoo hij in persoon het bewind over de Nederlanden was komen voeren, niet had mogen oefenen. Filips gaf in dezen meer dan hij gerechtigd was te geven, en bij deze opdracht van een dictatoriaal gezag aan zijn Generalissimus deed de Koning een voorbeeldeloozen greep in de voorrechten en vrijheden van zijn volk en in de bestaande overeenkomsten, die hij zelf had bezworen te eerbiedigen en te handhaven. In een vorig tijdperk waren de heftigste onlusten ontstaan over veel lichtere inbreuken op verkregen rechten, en dit nu, daar het gansche land in spanning verkeerde, omdat nevens de nooit sluimerende zucht tot het herwinnen van ’t geen langzamerhand was ontnomen, ook nog nieuwe denkbeelden heerschende werden omtrent de rechten en plichten van Vorsten en volken onderling. Wat hieruit volgen moest? De leden van den Staatsraad durfden het niet voor zich zelven indenken, veel min tegen elkander uitspreken. De staatsgreep van Filips had dit met menige andere na den zijnen gemeen, dat hij als met verlamming trof alleerst diegenen, die geroepen waren er tegen op te komen.

Wat de Gouvernante betrof, haar spijt en gramschap steeg tot wilde woede reeds op het eerste inzien der volmacht! — Dit alles aan een Alba! den man waartegen zij had gewaarschuwd, onder al ’s Konings raadslieden juist die, welke het meest impopulair was in de Nederlanden bij adel en volk beiden!

Maar dit was niet eigenlijk het bedrijf des Konings — Alba zelf had het dus gewild; hij had het hem ingeblazen, hij had het doorgedreven in ’s Konings raad; zijn eeren heerschzucht was niet te verzaden geweest dan met het hoogste, en de Koning had zich in zijne besluiteloosheid laten trekken door wie het meeste geweld had gebruikt. Ja, hé kon niet anders zijn, en toch moest zij den aanmatigenden indringer ontvangen. Hij had opnieuw een gehoor aangevraagd, en zij — moest het inwilligen. Ze zouden te zamen over de zaken hebben te raadplegen, want zij was nog altijd Landvoogdes; het had Filips niet behaagd haar te ontslaan; aan haar zou het beleid der burgerlijke zaken (de ongeharnaste regeering, zooals Hooft zegt) blijven toevertrouwd. Nu ja! zij zou hem dan ook ontvangen, allermeest om den vuurgloed van haar toorn over zijn schuldig hoofd uit te storten!

Het kon voor Alba niet twijfelachtig zijn, in welke stemming hij de Landvoogdes zoude vinden, maar hij moest door dezen zuren appel bijten, en hij was de man niet om terug te gaan, voor vrouwelijke verbolgenheid, al was hij tevens de man om met de meest mogelijke lankmoedigheid het kwaad humeur eenen Vorstin te ontzien, te verdragen. Hij had vooruit berekend welken rol hij te vervullen had bij ’s Konings zuster. Het hoen te plukken zonder dat het schreeuwde, was in dezen wel niet mogelijk, daar Margaretha te kloek en te prikkelbaar was om zich zonder luidruchtig verzet hare fraaiste veeren te laten uittrekken; maar toch moest het geschieden met die reverentie, die haar dwingen zou te erkennen »qu’elle était contente de ses procédés”al was zij het volstrekt niet over zijne daden.

In hofgewaad gekleed, omhangen met de Vliesorde, vergezeld door een grooter getal edellieden dan de eerste maal, omstuwd door eene lijfwacht, die de strengste orders had om zich niet door de trawanten der Regentes tot den strijd te laten verlokken, maar zich bij tegenstand striktelijk tot eigen verweer te bepalen; trad de Hertog het voorplein op, waar men hem ditmaal de krijgseer niet durfde onthouden, noch zich er tegen verzetten, daar zijne Hellebaardiers zich en haie schaarden tot bij den ingang der voorzaal. Binnengetreden, werd hem echter bericht vanwege de Gouvernante, dat Hare Hoogheid onpasselijk was en verhinderd werd Zijne Excellentie te ontvangen in dezen oogenblik. Daar Margaretha zelve het uur voor dit tweede bezoek had bepaald, begreep hij dat het haar voornemen was hem anti-chambre te laten houden, hetzij om hem daardoor hare meerderheid te toonen, of wel zijn geduld te tergen, tot hij in gekrenkten trots eenig vergrijp legen de vormen zou begaan, dat zij als gekwetste Hoogheid zou opnemen, of althans in dien zin zou voorstellen aan haar broeder.

Maar in dien strik was de geslepen Toledo niet te vangen, die bijna even goed hoveling was als krijgsbevelhebber, al moet men er tot zijne eer bijvoegen, dat hij zijne meesters den diepsten eerbied wist te betoon en zonder ooit tot lage vleierij te vervallen, op zulke wijze, dat Filips hem achting toedroeg en vertrouwen schonk boven alle anderen, maar zonder dat hij hem tot gunsteling koos. Alba kon niet als een Ruy Gomez speculeeren op de geheime ondeugden van zijn vorst; in diens belang durfde hij hem tegenspreken, al was het in de eerbiedigste termen. Ook nu wist hij waardig en lijdzaam te zijn, overtuigd dat deze vrouwegril welhaast zoude optrekken. Hij begreep dat deze onpasselijkheid niets was dan een voorwendsel, en de revanche die zij nam voor de vrijheid, die hij zelf had gebruikt, vermoeienis voor te wenden om het kwaad half uurtje van het eerste samenzijn te bekorten. Maar reeds wachtte hij niet meer alleen en als verlaten. Gisteren hadden de edellieden, die de Gouvernante omringden, op haar voorbeeld lettend, geen stap voorwaarts gedaan om hem te begroeten; heden, nu het bekend was welke macht hem was toebedeeld, voelden sommigen zich geroepen om de opkomende zon te aanbidden en — al was het ook met innerlijken tegenzin — de onhoffelijkheid van den vorigen dag goed te maken; hovelingen van Margaretha kwamen den Hertog begroeten in hare voorzaal, en, zeker niet daartoe gerechtigd. de verontschuldigingen brengen van de Hertogin, die nog altoos niet te voorschijn kwam. Op deze betuigingen antwoordde Alba, met zijn gewoon lakonisme, dat de courtoisie gebood wat geduld te nemen met de dames, en dat niets hem minder zwaar viel dan den gelegenen tijd af te wachten van zulk eene vermaarde Prinsesse als de Hertogin van Parma.

Men ziet het, Alba was besloten des Konings zuster alles te geven wat haar toekwam, behalve de voldoening van hem boos gemaakt te hebben. Ten laatste moest zij zich toch vertoon en en hem tot zich toelaten. De ontvangst was nu minder koud en afgemeten, maar des te meer hartstochtelijk. De Hertogin deed geene moeite om hare gramschap te ontveinzen, maar gaf die lucht met eene heftigheid als men niet van eene leerlinge van Loyola zou verwacht hebben, allerminst van eene vorstin die mannen als Machiavelli en Armenteros tot raadslieden had.

De Hertog liet die onweersbui over zijn hoofd heengaan zonder iets te doen om haar af te leiden; eerst toen hij de lucht genoegzaam gezuiverd achtte, deed hij haar op kalmen toon opmerken, dat hij zonder eenig gevolg bij haar was binnengetreden, dat hij zijne edellieden allen in de voorzaal had achtergelaten, omdat hij haar mededeelingen had te doen vanwege den Koning, die geheel alleen voor Mevrouw de Gouvernante waren bestemd. Zij begreep den wenk en volgde dien op, door de omringende hovelingen weg te zenden. Toen zij onder vier oogen waren, zette zij zich, en de Hertog reikte haar een eigenhandigen brief over va Filips II, waarin deze zijne welbeminde zuster te verstaan gaf, dat de Hertog behalve de volmacht, die hij ter inzage had overgelegd, nog een nieuwen en geheimen lastbrief had medegekregen, waarbij hem werd opgedragen zekere maatregelen te nemen zonder hare voorkennis, iets, waarvan zij vooruit verwittigd werd, opdat zij geene ergernis zoude nemen aan zijne wijze van handelen.

»Maar wat beteekent dat? Wat zijn dit voor zaken, waarvan ik, de Gouvernante, de zuster des Konings, geen kennis mag n men en die aan uw goedachten worden overgelaten?” vroeg zij m schijnbare kalmte, maar het geschrift tusschen de vingeren verfrommelende in zenuwachtige drift.

»Indien het noodig ware dat Uwe Hoogheid daarmede beken werd, zou de Koning ze gewis hebben medegedeeld,” hernam Alba rustig en vast; »maar het is juist veel beter, dat Uwe Hoogheid daarvan gansch onkundig blijft, opdat niemand dan ik alleen worde blootgesteld aan den haat, die er het noodwendig gevolg van zal zijn.”

Alba zelf wist niet hoezeer hij profetie sprak in dien oogenblik. Hij kon zich zeker niet voorstellen hoe algemeen, hoe ingekankerd die volkshaat zoude zijn, die hij besloten was geheel alleen te dragen, door met niemand de verantwoordelijkheid te deelen, juist van zulke maatregelen, die het meeste afkeuring zouden wekken.

»Ah! nu versta ik het,” hernam Margaretha, met verbeten ergernis, »het zal zijn om mij te sparen, dat de Koning alles zoo goedgunstiglijk heeft beschikt, dat mij niets gelaten wordt an — de titel van Gouvernante, terwijl Gij mij als absolute Landvoogd vervangt met der daad!”

»Hoe kan Uwe Hoogheid zich zoo iets inbeelden! Wel verre dat ik iets op Uwe autoriteit zou willen bekorten, zal het integendeel mijn streven zijn, om uw gezag, dat door de aanmatigingen van de Vliesridders al meer en meer beknibbeld is, weer in volle beteekenis te herstellen en te bevestigen, op zulke wijze dat, zoo ’t God blieft Uw leven te sparen, Uwe Hoogheid Vlaanderen, nog lange jaren met glorie zal regeeren!”

Dat was te veel. Margaretha van Parma rees op in haar zetel, en met eene stem, trillend van ingehouden toorn, voegde zij hem toe:

»Uitnemend, Mijnheer! uitnemend gevonden, Hertog! dat moet ik zeggen. Zoo meent gij dan waarlijk, dat het glorieus zal zijn voor mij hier te regeeren met Uw welbehagen, naar Uwe voorschriften? En Gij verbeeldt U dat ik, ik, Keizer Karel’s dochter” mij deze voogdij zal laten welgevallen, en de Koning verwacht van mij dat ik mij zulke vernedering zal getroosten! Daarin hebt Gij u beiden zonderling vergist. Ik ben de vrouw niet die men met een ijdelen titel kan verblinden. Of meent gij dat ik niet zie, hoe de dictatorstaf, die in Uwe handen is gelegd, mijn vorstinne-scepter zal verbrijzelen bij de eerste botsing? Het zij zoo, Mijnheer! ik ben niet zóó verzot op gezag of ik zal weten af te treden met waardigheid, veel liever dan met U te strijden over ’t geen ik hier zijn zal al of niet. Maar het had mijn broeder beter gepast zijne zuster bijtijds terug te roepen, dan haar dus te laten verdringen. door een onderdaan! Toch verheugt het mij, het verheugt mij werkelijk, dat de Koning een onderdaan heeft gevonden, die getrouwer en ijveriger is voor zijne zaak dan ik ben, en aan wien hij zijne geheimen, en het behoud van Vlaanderen beter vertrouwen kan dan aan zijne zuster. Ik wensch Zijne Majesteit daarmee geluk, en verblijd mij, dat zich zulk een groot man opgedaan heeft, van wiens bekwaamheid hij zoozeer verzekerd is, dat hij dien kan verheffen boven zijn eigen bloed.”

Dat deze stortvloed van klachten en verwijten, van satyrieke gelukwenschingen en betuigingen van blijdschap, niet door den Hertog met koele onverschilligheid werden aangehoord, spreekt wel vanzelf; maar al kookte het binnen in hem, hij achtte zich niet gerechtigd haar bitterheid voor bitterheid terug te geven, en hare scherpe ironie te beantwoorden. De laatste pijl, die zij af schoot, trof bovenal doel bij den man, die zoo diep doordrongen was van de rechten eener vorstelijke afkomst.

In de eerbiedigste bewoordingen en haar de eeretitels gevend van »groote Vorstin”, »keizerlijke Prinses” en meer andere, zelfs boven ’t geen haar toekwam, zoodat hij later van zich zelf kon getuigen: »dat hij de Koningin van Spanje zelve niet met me eerbied en onderdanigheid had kunnen bejegenen”, trachtte hij haar te bevredigen en te bewijzen, dat er geene kwestie kon zijn van haar te vernederen en te verdringen: dat niets verder af lag van des Konings intentiën, en dat hij, Alba, de laatste zou zijn om zich tot zulk een doel te laten gebruiken. Maar zij wilde niet naar hem luisteren, zij was te schrander om niet in te zien dat ledige titels en eerbiedsbetuigingen geen bewijzen waren, en dat, al zou Alba zich getroosten voor haar regentenzetel geknield te blijven, hij toch inderdaad den staf zoude zwaaien, die haar uit de hand was genomen.

»Wat moet ik wachten na dit begin,” viel zij in, »niets kan mij meer voorstellen dan schande en versmading, zoo ik hier bleef. — Gij, gij zoudt mij den schijn willen laten, ik geloof het. Gij zoudt Keizer Karels dochter geen kleinachting toonen door uwe houding tegenover haar, maar uwe daden zelf zouden uwe woorden tegenspreken, en liegen tegen dat huldebetoon, en de anderen — ik ken de menschen — de anderen zouden niet twijfelen wie hier meester was, en de opkomende zon aanbidden voor mijne oogen.”

»De opkomende zon! Maar Mevrouwe! de Koning komt zelf herwaarts heen. Zijne Majesteit gedenkt in Zeeland aan wal te stappen. Ziedaar de zon, bij welker stralen elk ander licht moet verbleeken en waar elk getrouw oog op zien moet.”

»Gij zult mij toch niet wijs maken, dat Gij, gij zelf aan de komst des Konings gelooft?”

»Zoo vast als aan mijn eigen goeden wil om de zaken hier op zulken voet te brengen dat de Koning komen kan. Slechts moet vooruit alles geëffend zijn, voor zijne schreden elke steen der ergernis zijn weggenomen, opdat zijn voet zich niet stoote, zijne vorstelijke oogen zich niet behoeven af te wenden, om de schuld en de schande van deze landen niet te zien. Alle hoogte die zich tegen hem heeft durven verheffen, moet neergeworpen, alle schennis tegen Zijne Majesteit gepleegd uitgewischt zijn in het bloed der schenders, alle gezag wezen in de hand waar het behoort, en die het getrouwelijk zal overgeven in de zijne. Dan eerst kan de Koning komen, maar dan ook zeker zal hij komen om de goeden en getrouwen te beloonen, om vergiffenis te schenken aan berouwvollen, die zulke gunst waardig blijken, en om allereerst Uwe Doorluchtige Hoogheid voor de gansche wereld de eere en de achting te betoonen waarop zij aanspraak heeft, om te bewijzen hoezeer hij Uwe diensten op prijs stelt…”

»Treffelijk gevonden! zoo zal ik hier moeten wachten op de dankbetuiging des Konings tot die gouden eeuw aanlicht — ik zou even goed kunnen wachten op de komst van het duizendjarig rijk. En inmiddels, opdat wij die schoone dagen zullen zien, zal de Hertog van Alba hier zijn wil en werk doen en mij het mijne uit de handen nemen…”

»Mevrouwe!”

»Of kan men het anders noemen… Men maakt U Souverein over het krijgsvolk, Souverein over de Provinciën, Souverein over de steden, wat rest er dan nog voor mij? Ik moet waarlijk zeggen dat ik veel verplichting heb aan mijn broeder! hij laat mij toch iets — ja in trouwe! hij laat mij de kerken en de velden — de kerken waarschijnlijk om te bidden, en de velden om in te wandelen. Welnu Mijnheer, het zij zoo. Ik ben dies getroost, gij kunt hier voortaan doen wat U is opgedragen, de Gouvernante zal U niet meer in den weg zijn. Margaretha van Parma zal het regentschap neerleggen, dat zij negen jaren lang onder de hachelijkste omstandigheden heeft gevoerd, terwijl zij met ontelbare lasten en bezwaren heeft te kampen gehad, geene rust heeft gesmaakt, hare krachten en gezondheid in niets heeft gespaard; ja zelfs haar leven in gevaar heeft gezien, om hier order op de zaken te stellen; en nu dat alles tot een goed einde is gebracht, nu is dit mijn loon dat ik terzijgezet worde voor een onderdaan, en dat aan dezen meer gezags wordt toegekend, dan ooit Vorst of Vorstinne heeft bezeten. Maar dit zegge ik U Mijnheer, ik wil niet langer blijven wachten op de onzekere resolutiën des Konings. Als Zijne Majesteit mij mijn ontslag niet geeft, zal ik het op mijn eigen gezag nemen. Ik zal, zooals van mij verlangd wordt, de Provinciën aanmanen om U we autoriteit te erkennen, maar daarna zal ik mij ook niet meer met de zaken bemoeien; dat zij U overgelaten. — Draag zorg Mijnheer, draag zorg voor Vlaanderen, beveel hier de justitie en de politie, stel de Gouverneurs af- en aan, verander de wet en de magistraten, schend alle usantiën en privilegiën, breng alles hier in rep en roer, door den schrik van Uw naam, door ’t geweld Uwer wapenen — alles is U voortaan geoorloofd; maar houd deze mijne voorspelling voor oogen, gij kunt doen wat Gij wilt, dit volk van Vlaanderen en Braband waarmee ik negen jaar heb geworsteld, zonder het naar den wil des Konings te kunnen fatsoeneeren — dit volk dat Gij niet kent waarvan Gij niets weet noch begrijpt, dat U nu reeds haat, nog meer dan het U vreest, dit volk zult Gij nimmermeer naar Uw wil kunnen plooien…

»Verschoon mij, Mevrouw, dat ik ongeloovig blijve bij Uwe profetie,” viel de Hertog in, wat laatdunkend de schouders ophalend. »Ontrust U niet vooruit over het mislukken van mijn werk en laat dat vrij aan mijne zorge over. Ik heb voormaals volken van ijzer getemd,” ging hij voort met een glimlach van fiere zelfvoldoening, »zou ik dit volk van boter dan niet naar mijn zin kunnen kneden?”

Neen Alba, neen! juist dat kunt gij niet. Gij hebt het ijzer kunnen smeden met ijzer, gij hebt het kunnen buigen en te pletter slaan onder uwe mokerslagen, maar het smijdige zuivel wil niet met een stalen gantelet gekneed zijn. Hoe vaster gij het knelt des te eerder zal het aan uwe vingeren ontglippen: Gij kunt het wringen in uw bloedige wijnpers, maar formeeren naar uw wil, naar het voorschrift van uw Koning kunt gij het niet.

Hertog van Alba! gij hebt eene taak aanvaard die gij eene lichte acht voor Keizer Karels grooten veldoverste, en die u toch te zwaar zal vallen. Gij zijt een volleerd krijgskundige, die weet hoe men vestingen bouwt en sterkten opwerpt die den gloed van het vuur en den tand des tijds kunnen trotseeren: maar nu gaat gij een toren bouwen waarvan gij de kosten niet hebt berekend. Gij meent den vijand te kennen waartegen gij strijden moet gij veracht zijne zwakheid, die mogelijk zijne sterkte is. Gij meent kunnen slechten en fatsoeneeren naar uw believen, en gij kunt slechts in den blinde rondtasten, om wilde en bloedige grepen te doen en verwarring te stichten, daar waar gij orde herstellen wilt. Gij kunt niets voortbrengen dan verwoesting. Gij wilt rebellie straffen, en gij gaat eene omkeering van zaken daarstellen. Gij hebt uw Koning lief, meer dan uw eigen bloed, Ferdinand de Toledo! en toch zult gij, zijn trouwste dienaar, hem slechter dienst bewijzen dan de snoodste verrader het had kunnen doen. Gij zult ijveren voor de eer der Kerk, en gij zult haar verliezen bereiden, in geen drie eeuwen door haar terug te winnen. Gij acht u den grooten voorvechter van het Pausdom, en gij zult Rome en den man op den Stoel van Petrus gehaat maken meer dan Turk en Heiden. Dit alles zult gij doen, Alba, en uwe tegenstanders zullen de vruchten plukken van de fouten die gij begaat. Noch uw weergaloos krijgsbeleid, noch uwe rustelooze waakzaamheid, noch de uitstekende mannen die gij met u gebracht hebt om u in uwe onderneming bij te staan, zullen u baten, om haar tot een goed eind te brengen. Gij kunt Wiltem van Oranje afmatten in den krijg, zijne legers verstrooien zonder veldslag, maar hem zijne staatskunst afzien en navolgen, dat kunt gij niet.

Gij zijt op moerassigen bodem beland, Ferdinand de Toledo! Gij zult er geen grond vinden voor uw geharnasten voet. Gij zult moeten waden door slijk en bloed, en uwe eer, uw vermaarde naam zal bezoedeld worden in dien roemloozen tocht. Zes jaren lang zult gij dit land van zuivel kunnen beuken met uwe mokerslagen tot het zieltogend en verpletterd neerligt onder uw voet, maar toch, gij hebt het niet kunnen kneden naar uw vorm. En al hadt gij het ganschelijk kunnen uitmoorden, zooals gij u voornaamt, al hadt gij alle steden kunnen platbranden, die niet door uwe Spanjaarden te bezetten waren — nòg zoudt gij het niet hebben geboetseerd naar uw zin. »Hoe heeft dat kunnen zijn?” moet Alba zich zelven wel eens onder tandknarsen van spijt hebben afgevraagd; »Hoe heeft dit kunnen zijn?” vraagt de geschiedschrijver, als hij het ijzingwekkend tafereel van Alba’s schrikbewind heeft geschetst en bevindt dat het volk van zuivel toch nog geen slavenvolk is geworden, gevormd naar Spaansch model.

De oplossing laat zich vinden. Er was in dit volk van zuivel een geest gevaren dien tirannenwoede wel kon bedroeven, maar niet uitblusschen, een geest des wederstands, geheiligd door den geest dier liefde en ijver, die hechter samenbindt dan het krachtigste cement. En de Heer der Heirscharen ontfermde zich ver dat volk, dat daar nederlag, gebogen, maar niet verslagen, dat onder zielsangst eendrachtiglijk saamverbonden, de knieë neerboog en tot Hem riep om uitkomst, en de Heer gaf hun een MAN, een MAN, zooals Hij nog aan geen volk gegeven had, dan aan zijn uitverkoren volk van Israël, een man, die als een tweede Mozes hen zou leiden met raad en daad, die als een tweede Mozes een verbond zou maken met den Potentaat aller Potentaten in den naam van zijn volk — en tegen dat bondgenootschap kon Alba niet op met zijn bloedraad en zijne inkwisitie, tegen dat bondgenootschap kon Filips niet op met al de schatten van zijne Indiën, met heel de strijdmacht van zijne monarch al kon hij roemen, dat de zon nooit onderging in zijn rijksgebied.

Och! de zon van Spanje’s glorie zou toch dalen; het verzen tegen dat bondgenootschap kwam te duur te staan.

„Al zwoeren al de duivlen zaam,”

geen satanische machten konden dat bondgenootschap verwinnen, zelfs niet toen de man, van God gegeven, neerzonk onder het moordend lood van een dweepzieken verrader, als Mozes, ook het beloofde land der vrijheid van verre ziende, maar zonder het nog gansch veroverd te hebben. Zelfs toen niet; want zijn laatste woord was eene bede om ontferming voor zijn volk gericht tot dien Bondgenoot, die trouwe houdt tot in eeuwigheid!

Toch is dat bondgenootschap opgelost, dat zoo vast had moeten zijn. Volk van Nederland, volk van zuivel, dáár is uwe schuld, dáár is uwe zwakheid. Sidder, want gij staat nu alleen, en al zijn er geen Alba’s meer om uw dierbaren grond te vertreden, het ras der overweldigers is nog niet uitgestorven. Nòg ziet men ruw geweld voor recht gelden, nòg woelen er booze invloeden rond, nòg werken er schadelijke krachten, nòg dreigen er gevaren van allerlei aard zoomin te weren als te overzien. Volk van Nederland! al schijnt gij nu te staan in de vrijheid, in het licht, daar zijn wolken en donkerheid rondom u, en gij hebt tegen dat alles geene macht, tenzij gij de hand vat des Almachtigen!

Hooghartigen weerstaat Hij,
En nu en t’ allell stond.
Zijn hateren verslaat Hij
Met d’adem van Zijn Mond!
’t Geheim van allen zegen
(Oranje en Neerland hoor ’t)
Is in Gods vrees gelegen,
Zijn dienst, Zijn gunst, Zijn Woord!

1872.


Ingezonden op: 19 July 2001