HISTORISCHE NOVELLEN.


VOORBERICHT VOOR DEN EERSTEN DRUK.

Bij de aanbieding dezer Historische Novellen, voel ik mij ver plicht mijnen lezers mede te deelen, dat ik zelve deze uitgave zeer heb gewenscht, en ditmaal niet alleen met het gewone verlangen van de auteur, die haar werk, dat in verschillende jaarboekjes verspreid was en met deze dreigde vergeten te worden, wil bijeenverzameld zien en als teruggeroepen tot een nieuw, meer zelfstandig en, zoo zij hoopt, duurzamer leven dan te wachten is van almanakken, die, hoe prachtig ook, bestemd zijn om slechts één jaarkring te schitteren en daarna als verouderd te worden weggelegd. Zeker was dit verlangen daar niet buiten, want de meeste der Schetsen of Novellen, die in dezen bundel worden aangeboden, hadden mij te veel studie gekost, om ze zonder leedwezen aan zulke vergetelheid te zien prijsgeven; de Van Beverens, Van Cuyck, Des Konings vriend waren geschreven met het plan om bijeengevoegd te worden, en hunne verschijning in drie onzer prachtalmanakken van hetzelfde jaar was mij niet genoeg waarborg, dat zij als tot elkander behoorende en elkander verklarende of voltooiende zouden beschouwd worden, veel min door dezelfde lezers als zoodanig zouden worden gelezen. En toch, daartoe waren ze bestemd, en ongaarne miste ik dat doel; al kon het zijn dat zij in het oog van sommigen die vernieuwde aandacht nitt hebben verdiend.

Men geloove niet dat ik met schijnbare zedigheid deze twijfeling neerschrijve, met verwachting dat zij beleefdelijk zal worden weersproken. Dat zou mogelijk wezen, zoo het hier de vraag ware van mijne kleine novellen in ’t algemeen, in den regel zoo gunstig ontvangen; met voorbijzien van gebreken, met waardeering van goede eigenschappen, dat ik veeleer zou hebben te danken dan te schromen bij eene nieuwe uitgave. Maar ik heb hier bepaald het oog op die, waarmede deze bundel aanvangt; waar de Van Beverens en hunne werkzaamheid in de tijden der geloofsvervolging als inleiding strekt, waarvan de Doopsgezinde martelaar Van Cuyck de hoofdfiguur is, en Des Konings vriend, die de Nemesis omdraagt in eigen boezem, het besluit. Over dezen is de goedkeuring niet onverdeeld geweest. Integendeel zij vonden afkeuring. Het spreekt vanzelve dat. ik niet al noeme enkele aanmerkingen op de samenstelling of de uitvoering die tot het gebied der critiek behooren (ik bespreek ze in aanteekeningen). Maar de afkeuring gold den geest waarin, de strekking waartoe, en vooral den tijd waarop ze geacht werden geschreven te zijn. En die afkeuring trof mij niet alleen van eene zijde waar ik haar had kunnen wachten, en ook wel voorbereid was die te vinden, maar juist van eene andere, waar ik op instemming had gerekend. Niet van alle kanten trof mij die teleurstelling het zou ondankbaar zijn mij niet erkentelijk te toonen voor menig woord van sympathie en aanmoediging, dat mij is toegesproken zoowel in ’t openbaar als in de intimiteit; maar toch, stemmen van onwil, vragen, twijfelingen zelfs hadden daarnevens weerklonken: en al ware ’t ook dat men daarop mijn antwoord niet heeft gevraagd, toch acht ik mij tot eenige verantwoording gehouden. Het was daarom vooral dat ik verlangend uitzag naar het tijdstip, waarop ik deze vernieuwde uitgave zou kunnen bezorgen; niet zoozeer om van het uitgesproken oordeel beroep te doen op een ander publiek dan dat van den kring, dien onze jaarboekjes gewoonlijk doorloopen — als wel om bij deze gelegenheid mij over een en ander uit te spreken, dat zich zonder zulke aanleiding niet zoo gemakkelijk zeggen laat.

De veroordeeling dan, trof van de ééne zijde de stof die ik gekozen had, ter andere den geest waarin zij bewerkt was, en de strekking waartoe zij werd aangewend. En dit moest mijne verwondering wekken, daar men het nooit in de schrijfster van Lauernesse had afgekeurd, dat zij de worsteling van het zuiver Christelijk beginsel tegen Rome’s misbruiken en bijvoegselen had aanschouwelijk gemaakt in een uitvoerigen roman. Ik begreep niet waarom ik hetzelfde niet zou mogen doen in een kleiner tafereel; ik wist niet dat Woutersz van Cuyck scherper aanvaller was dan Jan de Bakker, en ik zie niet waarom de brandstapel van den eersten, te Dordrecht, zooveel meer ergernis behoefde te wekken, dan die van den laatsten, te ’s Hage? Met waarheid mag ik betuigen, dat mijne bedoelingen met beide voorstellingen dezelfde zijn geweest — en al is het ook dat mijne eigene geloofsovertuiging zich met meerdere helderheid en vastheid heeft ontwikkeld in het tijdperk, dat er ligt tusschen de een en de andere, dan weet ik toch dat, hetgeen vroeger in mij geprezen is, het verzoenend element tegenover Rome, nog niet is weggeweken uit mijn hart, en dat ik het altijd wensch te behouden, zoo vaak het de vraag is van leeken der Roomsche Kerk, die haar aankleven in gemoedelijken eenvoud, en zelfs van dezulken, die voor haar strijden met eerlijke wapenen en met warmen geloofsijver. Ik weet, dat ik er de bewijzen van gegeven heb in mijn werk, zelfs daar waar mijne afkeuring van consciëntiedwang, priesterlist en kerkelijke aanmatiging zich op het scherpste uitspreekt; en ik ben mij bewust dat geen mijner schriften, hetzij kleine novellen of uitvoeriger romans, op dit punt van een anderen geest is uitgegaan. En hetzelfde gevoel van historische en menschelijke rechtvaardigheid, dat mij aandreef den gematigden Vicaris te stellen naast den geestdrijvenden Aernoud, gaf mij ook in om van Drenkwaart geen Mierbecanus ter zijde te geven, voordat hij den eerlijken en waardigen pastoor Antonisz heeft van zich gestooten.

Dan, ik moet mijne tegenpartij recht doen. Met het oog op mijne antecedenten wilde zij mij niet te hard vallen over de keuze der stof, al kon zij die niet toejuichen, en al was de behandeling niet van haar smaak. Maar — het Huis Lauernesse was uitgekomen in 1840, en Van Cuyck verscheen — veertien jaren later in 1854! Lauernesse zag het licht terwijl een nevel van lauwheid, onverschilligheid en kleurloosheid over de hoofden en harten onzer landgenooten lag uitgespreid, en Van Cuyck deed zijne optrede onder hen in een tijdstip van zooveel leven, beweging en geestdrift op kerkelijk gebied, dat er wel geene opwekking noodig scheen, maar veeleer bekoeling. De afkeuring trof dus eigenlijk den tijd, waarop mijne voorstellingen van geloofsvervolging werden te aanschouwen gegeven, of liever dien waarin men onderstelde dat ze waren geconcipieerd; men meende er in te zien eene afschaduwing der gebeurtenissen, die het voorjaar van 1853 belangrijk hadden gemaakt, met andere woorden, men verdacht mij van de emotiën der beklagenswaardige Aprilbeweging te hebben medegevoeld — men geloofde mijn onderwerp gekozen onder den invloed dier emotiën — men achtte mijne schets er door getint! En ziedaar de ware oorzaak dier tegeningenomenheid, die men openhartig genoeg was te belijden, hoewel zich zonder die openheid toch vrij duidelijk liet doorzien.

Het zou mij licht vallen die beschuldiging af te wijzen door te zeggen, hetgeen de zuivere waarheid is, dat ik belangstelling voor Van Cuyck en de Van Beverens had opgevat, en aanving er over na te denken reeds in het midden van den winter van 1852, en dat bijgevolg het onderwerp niet kon zijn gekozen onder den indruk der emotie, die in het voorjaar van 1853 alle partijen in Nederland zonder uitsluiting bevangen had; dat ik mij niet kon neerzetten tot het bewerken der stoffe, dan in den voorzomer van datzelfde jaar, toen de hevigste agitatie bij de meesten reeds bekoeld was. Maar het is mijn oogmerk niet de beschuldiging af te leiden; ik neem haar aan, al is zij niet letterlijk waar, in den ruimeren zin is zij het wel — want het was juist omdat ik mij sinds lang innerlijk bewogen voelde door aanmatigingen en de ingrepen eener partij, die ik kende uit geschiedenis in al de gevaarlijkheid harer machinatiën, combinatiën, en meneën, en juist omdat ik wel wat strakke onbewegelijkheid meende te zien en wat lauwe onverschilligheid omtrent verschijnsels, die naar mijn gevoelen ernstige bekommering hadden moeten wekken in de harten van Nederlandsche Protestanten, rees het voornemen bij mij op om van zulke feiten der geschiedenis gebruik te maken, als geschikt waren om meerdere onrust te wekken in onbewogene harten, en warmer geestdrift in lauwe gemoederen, en waar mijne Leycester-studië mij als vanzelve dwongen het oog te slaan op geheel de 16de eeuw, was het niet vreemd, dat de stof tot zulk gebruik der geschiedenis mij als vanzelve tegenkwam, en dat ik haar aangreep toen ik haar vond. Van Cuyck vooral scheen mij toe te zijn van de dingen die men moest voortzeggen in die dagen, omdat er veelvuldige pogingen werden gedaan, om ons langs den weg der kunst, der poëzie, der letteren heen te voeren naar Rome — en omdat een kunstenaar-martelaar mij eene geschikte figuur scheen, om tegen deze wijze van katholieseeren te protesteeren. De gelijkheid van het wapen zal men moeten erkennen, al bestaat er ongelijkheid in krachten en in behendigheid, die niet in mijn voordeel is; maar ik heb door Van Cuyck geleerd, dat men tegen overmacht kan strijden en toch onoverwonnen blijven.

Ééne groote overwinning heeft hij behaald, eene overwinning van diepe en rijke beteekenis — hij wist te sterven voor zijne convictie, en hij stierf juichend! Dat is eene overwinning die hem niet kan ontnomen worden, en die mij bezielde met moed om van hem te getuigen, en van dien Heer, die hem zoo sterk had gemaakt in zijne zwakheid.

Maar terwijl ik mij hiertoe bereidde, was er in ons vaderland veel voorgevallen, wat ook de lauwste gemoederen in gloed had gezet en de kalmste harten onrustig deed kloppen. Zelfs zij, die »vrede, vrede!” hadden geroepen, en met minachtend ongeloof hadden toegehoord bij profetieën van strijd en gevaar; zelfs zij die feiten noodig hadden, eer zij aan het ingrijpend geweld van zekere stelsels konden gelooven, waren verrast, verschrikt en te heftiger geschokt, daar zij zich niet gewend hadden om te zien noch vooruit te zien. (*)

Het gevaar van het oogenblik was dezen nieuw en eenig — schoon het reeds jaren vooruit was aangekondigd door den staatsman, wiens vaste en verziende blik gewoon is diepten te peilen, waarvan anderen het oog onvoorzichtiglijk afwenden — doch wiens stem is geweest en nog wel lange zal blijven voor velen eene stemme des roependen in de woestijn. (*) Waar men nu eenmaal niet goed vond naar deze waarschuwingen te luisteren, had men ten minste behooren acht te geven op de wenken der historie, in verband tot de teekenen dezes tijds. Maar ook niet; men liet zich aftrekken door de duizende dingen, die weinig de aandacht waardig zijn, en verzuimde acht te slaan op ’t geen meest belangrijk mocht heeten. Doch ook wie and hadden gedaan — waren geschokt en bedroefd — de zekerheid, van ’t geen men onbestemd heeft gevreesd, geeft geene ruste, al matigt zij de verwondering — en hoe verschillend de aandoeningen ook waren in aard en in uitdrukking, de emotie was algemeen en oprecht. De welgezinde protestantsche bevolking van Nederland vergat alle verschil van gevoelen en bewees te dier stonde dat zij hare protestantsche voorrechten liefhad, en dat zij ze wenschte te beschermen waar zij ze bedreigd achtte. De uitingen van die voorliefde en van die vree ze stelden daar, wat men de Aprilbeweging heeft genoemd, en werden gebruikt tot politieke oogmerken — waarover het mij onnoodig is te spreken. Zooals alles, wat van de menschen uitgaat, was ook hier het goede metaal met slechter alliage vermengd. Reeds onder de eerste Christenen stuit men op Ananias en Saffira, die de aardsche goederen verzorgden, terwijl zij de hemelsche schenen te zoeken. Maar wat er zich ook bij en onder mengde — de Aprilbeweging was, zooals reeds veelmalen is gezegd, geen ziekteverschijnsel, maar een levensteeken van het Nederlandsche Protestantsche volk, en in dat levensteeken heb ik mij verblijd — ik wil het volgaarne bekennen, al behoort daar eenige moed toe in dezen tijd, waarin hare tegenstanders er in geslaagd zijn haar verdacht en belachelijk te maken, waarin zelfs zij, die verbonden waren met hare eischen en behoeften te rekenen, zich gehaast hebben met hare tegenpartij verdrag te maken, en zich niet geschaamd hebben allerlei verdoovende middelen te gebruiken, om het levensverschijnsel zoo niet te dooden, dan toch in eene doodgelijkende rust te wiegen. Ik heb mij verblijd in die rassche en eensgezinde beweging van ons volk, die mij waarborg scheen, dat het nog altijd iets in de aderen had van dat bloed, dat de vaderen zoo moedig en zoo trouw hebben uitgestort voor de heilige zaak des geloofs; en wie haar nu ook bespotten en smaden, omdat hare vruchten zwak en kleurloos waren, of eigenlijk omdat men ze heeft weggegoocheld voordat zij gelegenheid hadden te rijpen — ik zie nog met dankbaarheid op de poging terug, en eere het beginsel waaruit zij ontstond.

Toch begreep ik wel dat levensteekenen van deze soort nog gansch geene zekerheid geven voor een krachtig en duurzaam levensbestaan — en daarom achtte ik het ook toen niet overbodig, door de voorstellingen van het verleden, mijne mede-Protestanten op te wekken tot krachtiger geloofsliefde en behartiging hunner hoogere belangen — ware het ten koste van de mindere, waar velen — als de eenige noodige op zien. Niet om nieuwe fakkelen aan te brengen dáár, waar alles van lichter laaien ijvergloed scheen te branden, noch om elders de vonken van uitgebrand stroovuur op te rakelen; maar om te ontgloeien tot reiner geestdrift en hooger gloed te helpen ontvlammen — in de harten van hen, die mogelijk weer gingen insluimeren in doodsche onverschilligheid, nadat ze pas tot een nieuw leven waren ontwaakt. Ziedaar voor wie het gevaar, toen zij het zagen, was geweest als een wonderboom, opgeschoten in eene nachtwake of door verraderlijke tooverhand neergesteld in Hollands Tuin, terwijl het niet was dan de volgroeide plant van het zaad, dat al jarenlang had liggen rijpen en kiemen, in een zorgelijk bereiden, vlijtig beploegden, kostelijk bemesten akker; eene stevige, krachtige plant, die hare wortelen en vezelen wel diep en vast had uitgeschoten in onzen grond; aan wier kweeking en koestering velen onbewust hadden medegewerkt, die zich nu zoo versteld toonden over haar bestaan; eene taaie, vaste plant, die voorzeker niet door een enkelen Aprilstorm kon worden uitgerukt. De verschrikten dachten van wel, het gevaar scheen hun dringend, maar — afweerbaar, — en toen zij het afgewend achtten — of liever toen zij bekomen waren van den eersten schrik en men zich gehaast had hen gerust te stellen, en men er in geslaagd was hen te doen glimlachen over hunne vrees — vielen zij terug tot hunne kille gelijkmoedigheid — of lieten zich aftrekken door de vele zorgvuldigheden des levens, En het is deze karaktertrek van velen onzer geloofsgenooten, die de sterkte uitmaakt van hunne tegenpartij. Dezulken hadden beelden, exempelen, aanschouwen noodig, om wakker te blijven en zoowel aan zich zelven als aan ’t gevaar te gelooven. En ziehier wat ik getracht heb te doen, in mijn Van Cuyck en in de andere tafereelen, die ik te dier tijde in ’t licht gaf. Het eenige wat mij hierin berouwt dat ik te weinig heb kunnen doen en met te zwakke hand.

Anderen intusschen hebben gemeend — dat zelfs dit weinige te veel was; maar ik vraag, waarom men recht had van mij alleen volkomene onbewogenheid te eischen op een tijdstip van algemeene opgewektheid en geestdrift — op een tijdstip, waarin alle gemoederen in agitatie waren, en niet het minst zij, die zich tegen de Aprilbeweging voelden gestemd — een tijdstip van zoodanige heftige emotiën, dat een onzer volksvertegenwoordigers (toenmaals zoo ik meene, minister) nog in den warmen zomer van het jaar 1856 een koude rilling door de leden voelde gaan alleen bij de herinnering! Aan welken graad van onaandoenlijkheid achtte men mij dan gebonden, dat ik alleen van dit alles niets zou mogen medevoelen? Achtte men mij dan zóó afgetrokken en zóó in mijne fictiën verdiept, dat ik, levende met mijne helden in de groote worsteling van de 16de eeuw, gansch geene oogen zoude hebben voor de onrustwekkende verschijnselen van de 19de, waarin ik zelve leefde? Van zulke onverschilligheid voor het tegenwoordige, voor zulk isolement buiten de werkelijkheid, heb ik, zoover mij bewust is, nimmer bewijs gegeven. Ik meende juist verschillende gelegenheden getoond te hebben, dat de gebeurtenissen van het heden mij wel ter harte gingen — en dat ik er mijne opinie over had, al was het niet die van iedereen. Ik heb in 1848 volstrekt niet kunnen instemmen in den grooten juichtoon van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap — hoewel door een glorierijk dichter mede aangeheven —; ik heb niet zonder innerlijke deernis eene vreemde vorstenfamilie als balling zien wegtrekken uit een land, dat zij achttien jaren voorspoed had geschonken, zonder dat een enkele der vele pennen, die zij geëerd en beloond had, zich ophief tot een toon van medegevoel. — Ik heb… Maar ’t is hier niet de vraag aan mijn vroeger werk te herinneren — ’t is alleen om te bewijzen, dat ik altijd heb medegeleefd in de groote voorvallen van den dag, en dat ik er altijd op mijne wijze mijn woord over gesproken heb, en dat dit recht mij voormaals door niemand was betwist. En dat het dus wel vreemd zoude wezen, zoo ik onder gebeurtenissen in mijn eigen vaderland, die mij als Protestante aan het harte raakten, gansch zonder deelneming ware gebleven, en die roerloosheid hadde aangenomen, die men van mij schijnt te hebben gewenscht. Zij is mij onmogelijk geweest — en ik durf niet beloven, dat ik trachten zal haar te bemachtigen. Ik meen integendeel voort te gaan zooals ik reeds voor jaren ben aangevangen, beter en krachtiger zoo het wezen mocht, niet door mij rusteloos en heftig te mengen in iederen strijd; maar door op mijne eigene manier en op mijn eigenaardig terrein — deelneming te toonen in ’t geen mijne belangstelling heeft gaande gemaakt, of door te spreken voor zulke waarheden, die mij als Nederlandsche Protestante dierbaar zijn geworden en die ik niet zou kunnen zien verwaarloosd, bedreigd of bespot zonder mij aangedreven te voelen er mijne sympathie voor te toonen. Mocht dit de antipathieën van sommigen op mij vestigen, het zou mij zekerlijk grieven — wie is niet liever bemind dan gehaat — maar ik zou toch niet anders kunnen doen. Ik zou moeten zeggen met Van Cuyck: »De consciëtie is mij. te machtig.”

Ik zou hier nog veel kunnen bijvoegen, maar voor ’t oogenblik is het zóó wel genoeg — mogelijk wordt het reeds te veel geacht, en in die vrees maak ik Lessings woorden tot de mijne:

Wenn du van allen dem, was diese Blatter füllt,
Mein Leser, nichts des dankenswerth gefunden,
So sei mir wenigstens für das verbunden
Was ich zurückbehielt

Want dat voorwaar kostte mij ditmaal het meeste.

’S HAGE,

12 Maart 1857.


Ingezonden op: 19 July 2001