LASTHENIA.

Iets zeer langs, zeer vervelends —
maar… o! zeer Grieksch?


I.

De trots der voedster.

— Myrrha! Myrrha!

— Spreek toch haastig, Hermon! Wat voert u dus schichtig en ongeroepen over den dorpel van ’t vrouwenvertrek? Zoo uwe haren niet wit waren als de sneeuw op de toppen der bergen, zoudt ge gevaar brengen over uw hoofd!

— Ei neen, voedster, want wat ik u zeggen wil, zal u zoo verrassen, dat gij vergeten zoudt mij te verklagen; en de oude hofmeester dus sprekende, drong het eerste portaal van ’t Gyneceum binnen.

— Bij Vesta! Wat mag het zijn? vroeg de voedster, reeds tot nieuwsgierigheid opgewekt.

— Denk eens na, Myrrha, waarom hebt gij met de slavinnen juist voor heden het bad toebereid van de zeldzaamste en de fijnste reukwateren, die het Oosten hier heen bracht, en die Griekenland. aan het Westen leerde kennen?

Myrrha zag hem aan met verwondering, en haalde de schouders op.

— Is het niet zoo, Myrrha, dat de meesteres heden haar fijnste Egyptische lijnwaad om de elpen schouders zal plooien en ook haar purper zijden gordel zal dragen met de fonkelende goudsteenen uit Tarsis versierd? en dat ze den gouden haarband zal dragen, waarmee de Archonten haar hebben vereerd?

— En dat ze dien dragen zal, omvlochten met een krans versche rozen, dien de zoon van Thespis haar mag aanbieden. Wie zou het eerder weten dan ik, die zelve op al deze zaken heb toe te zien, en sedert vele dagen mij met niets heb beziggehouden dan met de voorbereiding voor dezen dag, die wel in den kalender van Athene met gulden letteren mag zijn aangeschreven… en gij vraagt mij waarom; hoe kan men vragen, waar de reden een gerucht is geworden, dat de gevleugelde faam gansch Griekenland door heeft uitgebazuind? Onze meesteres zal de gewijde rijen der priesteressen van Ceres aanvoeren, niet anders dan of zij de echtgenoot ware van den tweeden Archont, maar daarbij zal zij doen wat geen magistratenrang geven kan aan mannen of aan vrouwen, en wat haar gegeven is door Appollo; zij zal de goden bezingen in hooge hymnen, die zij zelve zal dichten naar de ingeving van ’t oogenblik, en is zulk eene ure niet waardig, dat men er het feestgewaad voor uit de plooien schudt, eene ure, waarin het luisterend Athene aan hare lippen zal hangen, nauw wetende wie het eerst te aanbidden — de godin of de bezielde dichteres, die van hare grootheid getuigt!

— Zeker is een zulke dag dat waard en overwaard, hernam de oude hofmeester met een fijnen glimlach, maar als daarbij nog een reden komt van geen kleiner belang voor de persoon der dichteres zelve dan… Myrrha, om het met eens uit te spreken… als het de dag der verloving ware van onze meesteres!

— Lasthenia! Lasthenia, zich verloven! Lasthenia huwen!

— Geloof mij bij mijne trouw, zij denkt er niet aan!

— Dat zou haar niet tot groote eere zijn, of moet gij het niet bekennen en toestemmen, dat het, hoe zal ik het woord zachtkens uiten? — dat het onze schoone gebiedster weinig siert, dat zij zich zoo lange zonder gemaal durft houden?

De voedster scheen op die vraag geen »neen” te kunnen zeggen, en het toestemmend »ja” wilde haar evenm in van de tong; zij zweeg.

— Zoo geloof mij, bij de trouw van mijn woord, dat zij dit zelve heeft ingezien en nu…

— En wie zou dan die gelukkige moeten wezen? vroeg Myrrha, met schijnbaar ongeduld.

— Thespis zoon, de edele Nicias! hervatte Hermon, met eene soort van vroolijke zegepraal!

— En dat zou waarheid zijn, en daarvan zoude ik niets weten, ik hare voedster! riep deze met verontwaardiging.

— Gij weet, goede oude, dat gij sinds eenigen tijd niet meer in hare gunst de meeste zijt… de vreemde slavin…

— De Aziatische! nu ja! zij is jonger dan ik, en is schooner, en daarom bevalt zij meer, dat spreekt vanzelf! antwoordde Myrrha met wangen, die van spijt gloeiden bij die erkentenis; maar ’t vertrouwen! als het op vertrouwen aankomt, zal toch wel de borst die haar gezoogd heeft, de eenige zijn, waar zij een zulk geheim kan nederleggen.

— En gij weet, goede vrouw, zij was nooit heel gul met dat vertrouwen, ook niet tegen mij, die haars vaders huis en het hare heb bestierd, zoolang haar geheugen strekken kan.

— Ja, hoe ook weet gij het dan toch?

— De edele Nicias zelf heeft het mij medegedeeld in de overmaat van zijn geluk, toen hij mij dit kistje gaf, om neêr te zetten bij hare sieraden — een kistje met armbanden van lijn goud, met echte Romeinsche cameeën ingezet, en die zij hem vergund heeft haar aan te bieden.

Dan is zeker zijne kans geen zwakke, want hoewel vele anderen schatten en geschenken aan hare voeten komen leggen, zij verwerpt die altijd en van allen, ondanks mijn wijs vermaan tot het tegendeel; want, spreek zelf, grijze Hermon, is zij niet gerechtigd iedere hulde aan te nemen, zonder daarvoor vergelding schuldig te zijn, zij, die de verjongde spruit is der aloude Pythonissen — zij, die niet is eene dichteres in Athene — maar de dichteres van Athene, en waar gansch Griekenland in den eerwaarden voortijd slecht ééne Saffo had, daar mag Athene juichen; want in dezen droeven tijd heeft Athene alleen eene vrouw, die tegen twee Saffo’s mag opwegen!

— Bij Hermes! Myrrha; hoe gij de oude waarheid nieuw leven geeft, dat de voedster het hoofd hooger draagt dan de meesteres! De onze zou de vergelijking reeds afwijzen als te groote eere, en gij — gij stelt haar boven de gevierde Lesbische; doch twisten wij hierover niet; deze Saffo zal voor ’t minst den sprong niet behoeven te doen; zij maakt wel wanhopenden, maar kent zelve de wanhoop niet. — Zij heeft geen Phaon uit het slijk opgenomen en naast zich gesteld, opdat hij een ondankbare zou worden; — maar toen er een Phaon zijn oog naar haar heeft durven opslaan, heeft ze hem met voorzichtigheid den dorpel gewezen, en nu neemt zij als een welberaden jonkvrouw, den steun van een schoon, rijk en edel echtgenoot, om zich tegen zijne wanhoop te waarborgen.

— Dat ’s toch onnutte voorzorg. Thesperion doet geene wanhopige pogingen; sinds hij vrij en rijk is, heeft hij zich nooit weêr aan deze woning vertoond, voor ’t minst niet om de wille der meesteres, want nu wij toch van hem spreken, Hermon, ik heb ontdekt dat hij in verstandhouding is met Antiopé! Gisteren spraken ze samen luid en druk, toen zij, onder voorwendsel van naar de markt te gaan, zeker bij afspraak met hem samen was. — En wie zegt u dat het niet is ter wille der meesteres? sprak Hermon, de wenkbrauwen samentrekkende; wij moeten een oog houden op die listige indringster uit Azië!

— Ja, licht is zij zoo behendig in ’t koppelen als in ’t vleien en verkrijgt op het laatst nog voor hem, wat bij zelf niet heeft kunnen verkrijgen, en ik acht de verbintenis met den edelen Nicias van te groot een belang voor mijne meesteres, om dat niet te weren.

— En ik ook, ik verkies geen meester van de hand der Aziatische; laat aan mij over, haar na te gaan, en, bestierder der huishouding als gij zijt, Hermon, houdt gij immers altijd de gelegenheid, om hare draden te breken…

— Bij alle goden! dat zal ik, — sprak Hermon, en hij zou er meer bijgevoegd hebben, doch eene kleine slavin kwam aanloopen, en verwittigde beiden, dat de meesteres ontwaakt was en naar Mijrrha had gevraagd.

Voor ons is het misschien jammer, dat wij hun gesprek hier moeten afbreken, daar het ons goed in de zaken hunner meesteres zou hebben ingewijd en tegelijk in hunne eigene plannen; maar aan de andere zijde was het vervelend genoeg, en zijn zulke figuren te onbeduidend om er ons lang mede bezig te houden; het is ons daarom toch mogelijk wat meer te weten van de jonge vrouw, die hunne meesteres is, en die zij Lasthenia hebben genoemd.

Het is niet noodig te zeggen, dat er overdrijving was in Myrrha’s snoevend gewagen van de overtreflijke verdiensten der jeugdige schoone; de vergelijking met Saffo heeft zij zeker niet kunnen doorstaan, anders ware haar naam en haar leven het eigendom der geschiedenis geworden, en zij is niets dan de heldin van onze novelle, maar waarheid is, dat zij nog de eenige vrouw was, die de poëzie openlijk oefende en die, bij de bevalligheid van Aspasia, haar vernuft en haar geest vereenigde met (en wij hebben haast het er bij te voegen) — met de zedigheid eener priesteres van Ceres, dat zij wel niet was; maar wier tempel als hare school was geweest, en die nu het tooneel van haren roem zoude worden! Met het ongeloof aan de orakels was ook het geslacht der Pythonnissen verloren gegaan, en het was nu, als herleefde het in deze jonkvrouw. Maar Athene, in deze dagen van haar uitgebloeiden luister, van verdorven smaak, van overgang tot den Romeinschen, Athene had veel minder zin voor de godspraken en voor orakeltaal, dan voor de onvergelijkelijke schoonheid, die zij in hare tegenwoordige dichteres had gevonden, en die het wellicht toegevend maakte voor hare zangen of, voor het minst, hunne waarde in een goed licht zette, en op een beter voetstuk dan de drievoet der Pythia’s het zijn kon; want in die periode van verwarring en halfduister, die het eerste doorbreken van een heerlijk werk voorafging, geloofde men niet meer aan de goden, terwijl men nog voortging te offeren op hunne altaren; en waar men nog veel aandacht leende aan de liederen, ter eere der oude godheden aangeheven, was het meest om de zangen zelven en nog slechts bij enkelen, en die enkelen slechts uit het lagere volk; voor niemand was het de daad van een vroom geloof, die zij oefenden. Lasthenia alleen scheen nog het geloof behouden te hebben aan de goden, door hare voorvaderen vereerd; voor het minst het was in hun naam, dat zij hare zangen aanhief, het scheen hun geest die ze bezielde. Nog een ander gevoel, dat ook in het verbasterd Athene was uitgestorven, leefde weêr op onder de aanblazing van Lasthenia’s gloeiende geestdrift — de liefde voor het vaderland. Maar welk een vaderland had zij om lief te hebben? Eene republiek, vervallen van burgerdeugd en van republikeinschen eenvoud, eene republiek, die de bondgenootschap van het Romeinsche Keizerrijk had moeten aannemen, dat zooveel was, als zich wingewest te verklaren van den overmachtigen bondgenoot, en waarvan de republikeinen, uit modezucht, uit gebrek aan karakter, uit verslapping van zedelijke kracht en uit lichtzinnigheid, de kleeding, de gebruiken, de zeden en tot aan de denkbeelden der keizersslaven begonnen aan te nemen. En wat deed het volk, dat voorheen barbaren noemde wie niet het voorrer:ht had Griek te zijn, dat waren de Atheners, die zelfs niet alle zonen van Griekenland, niet alle burgers uit alle steden van Hellas met zich gelijkstelden in beschaving, en voor dit volk, voor de burgers van Athene, in de dagen van Keizer Claudius, bezong Lasthenia de eeuw van Pericles! bezong Lasthenia de wijsheid van Solon en de daden van Themistocles! Neen zeker, wij zeiden niet te veel, toen wij vreesden dat zij hare schoonheid noodig had om zich hare zangen te doen vergeven! Want maar zelden klonken die liederen zacht en zoet, als de tonen van fijne luitsnaren door teedere vrouwenvingeren bewogen; veelmalen klonken ze snerpend en schril, schetterend en snijdend, als de tonen van trompet of bazuin door krachtigen mannenadem bewogen; neen, anders, iets bitters weêrklonk daarin en iets schampers, iets dat getuigde van eene ziel in oorlog met het uitwendige en in strijd met zich zelve. En toch was Lasthenia geene miskende onder hare medeburgers, geen misdeelde onder hare zusters. Wij hebben het reeds uit het spreken harer bedienden opgemerkt.

Eere en liefde werd haar geboden zooveel en meer wellicht dan zij er van wenschte, en waar zij, met de spitse scherpte van haar vernuft of de pijnlijke ironie harer ziele. hier of daar beschaming had gebracht op de voorhoofden der lichtzinnigen en zinnelijken om haar, het werd haar vergeven en men verwonderde zich slechts. dat van zulke frissche rozenlippen niet de zoete zangen der minne het eerst werden gehoord en men betreurde het, dat de sneeuwwitheid harer schouderen tegelijk zinnebeeld was van de ijskoude harer borst. Maar de fiere erfdochter, onafhankelijk door hare fortuin, die vrij en hoog stond door haar talent en door haar geest te midden van alle hare zusters, had laten treuren en zich verwonderen wie wilde, stortte hare zangen uit zooals ze in haar opkwamen, vergunde haar aanbidders het bewonderen in de verte, verbande wie nader kwamen, en handelde met hare vleiers zooals zij zelve goedvond, zonder naar der anderen goedachten te vragen. Nu scheen ze den dag, waarvan wij den morgen aanvingen, voorbestemd te hebben tot eene groote verrassing voor hare burgers niet enkel, maar zelfs voor de lieden van haar eigen huis, en hen, die getuigen zouden zijn van haar hoogsten triomf als dichteres, wilde zij tegelijk tot de toeschouwers maken van het geluk — der vrouw. In het geheim had zij haar voogden vrijheid gegeven, om met de verwanten van Nicias te onderhandelen over huwelijksgoed en bruidsgift: die eerste en noodigste vormen van eene Grieksche huwelijksverbintenis waren volbracht. Zij had dezen zoon van den tweeden Archont de vrijheid gegeven haar een bruidsgeschenk aan te bieden; hij had haar woord dat zij het nemen zou, en hij had de nog zoetere belofte, dat zij, bij hare zegepraal in den tempel, hem voorstellen zou aan Athene als haar verloofde. Haar zelve zullen wij u voorstellen in:


Ingezonden op: 19 July 2001