LASTHENIA.


II.

De twee Optochten.

De zonnewijzer had het uur van den tempeldienst aangeduid; een dichte drom van volk verdrong zich alreede rondom de prachtige woning van Lasthenia; rijen jongelingen en maagden in witte feestkleederen, de haren met bloemkransen gesierd, stonden geschaard onder den luchtigen zuilengang, die de woning omgaf. Athene’s edelsten en aanzienlijken hadden er zich eene eere van gemaakt, in het gevolg van de gevierde dichteres heen te trekken naar den tempel, en al hare vrienden, al hare aanbidders, al hare vleiers, al hare parasieten waren daar. Dat alles wachtte, en de fiere schoone liet ze wachten, hetzij uit een vermetel minachten der vormen, hetzij uit jonkvrouwelijke schuchterheid en huiverend opzien tegen het gewoel der menigte op zulk een oogenblik, hetzij door het kleiner belang van eenig onheil aan haar toilet, de deur van het atrium opende zich niet om die ongeroepen gasten te ontvangen, en evenmin vertoonde zich de gastvrouw zelve. Eindelijk kwam Nicias; twee beeldschoone slaven verzelden hem, en droegen voor hem uit Toskaansche vazen, met Arabisch reukwerk gevuld; hij zelf droeg den beloofden krans, en door Hermon zonder oponthoud binnengeleid, scheen hem daar het voorrecht geworden te zijn, haar dien zelf op de lokken te plaatsen; voor ’t minst eene wijle daarna keerde hij terug, de schoone dichteres bij de hand voortleidende, die de blonde haren had gesierd met den kostbaren Griekschen haarband, de prachtige gif te der oudsten van hare stad, en met den bloemkrans, door de liefde gevlochten.

Dit laatste verwonderde reeds niemand meer van die daar binnen waren. Wat Hermon wist, wist ook de hofmeester van Nicias; wat dezen wisten, bleef geen geheim voor hunne medebedienden, en van daar was het snel gegaan naar de vertrekken der meesters, en zoo daar nog twijfel bleef, de vrijheid, die Nicias heden zoo openlijk werd toegestaan, nam dien geheel weg.

— Het zal Nicias zijn! het zal Nicias zijn! werd er gefluisterd in de galerij van groep tot groep; en toen de optocht zich in beweging zette, en buiten op de straat tusschen de volksdrommen door, zich heendrong, toen weêrklonk ook onder dezen, bij het eerbiedig ter zijde wijken voor de rijen, het woord: Nicias! Nicias wordt de gelukkige bruidegom van Lasthenia! want ook tot het volk was een gerucht doorgedrongen, dat de geliefde dichteres eindelijk een einde zou maken aan een toestand, die velen tot ergernis was geweest. In het toenmalig Griekenland was het eener vrouw nauwelijks vergund uit keuze, ongehuwd te blijven, en als reeds gezegd is, eere bracht het haar niet, en het volk van Athene had het betreurd, dat niet alle eere te zamen het hoofd der dichteres zou kronen; een jonkman dus van den rang en de schoonheid van Nicias, haar ten aanzien van allen heenvoerende naar den tempel, was ook voor het volk een gewenscht teeken, dat geene verdere uitlegging noodig had.

— Heil zij Nicias! Heil zij Lasthenia met Nicias! riepen sommigen in den roes der opgewondenheid, en al schikte Lasthenia op die kreten den langen witten sluier wat dichter voor de oogen, de jonge man wendde zich om en verdeelde onder de jubelroepers al de gouden en zilveren munten, die de beurs aan zijn gordel bevatte.

En terwijl dit jubelgeroep aanhield, scheidde een drietal jongelieden zich uit van den drom.

Een van hen had een bleek en lijdend uitzicht, maar de sterk opeengedrukte lippen en de gitzwarte oogen, die zonderling schitterden, gaven hem eene uitdrukking van vastheid en scherpheid, die in vreemde tegenstelling was met dat bleek en lijdend voorkomen en met dien tragen, pijnlijken gang, waarmede hij zich voortsleepte aan den arm van een zijner vrienden.

Op dit oogenblik werd weêr de naam van Nicias genoemd in vereeniging met dien van Lasthenia, en een vuurgloed brandde hem eene wijle op de bleeke wang.

— Kom, Thesperion, gaan wij een anderen weg, sprak de jonge man, die hem steunde, gij zondigt tegen alle regelen van Hippocrates; een zieke behoeft rust en mag zich niet wagen aan het gejoel van zulk eene volksmenigte.

Maar Lasthenia te zien, kan een zieke genezing brengen, Proclus! antwoordde een ander der jongelieden.

— Of nieuwe wonden, glimlachte Proclus…

— Wij behoeven die niet meer te vreezen, hernam dezelfde, onze harten zijn reeds zoo doorvlijmd, dat Cupido zelf er geene plaats zou vinden voor nieuwe pijlen, en onze eenige hoop is nog, dat wij de oorzaak van onze troosteloosheid nog eene laatste male kunnen zien en bewonderen, zonderdat zij het weren kan.

— Mijn beste troost is in de keuze, die zij nu heeft gedaan, als de volksstem hier de stem der waarheid is; waarlijk aan een meer edelen medeminnaar dan de voortreffelijke Nicias, kon niemand worden opgeofferd. Hij is zeker de schoonste jongeling van Athene, en Phidias zelf zou begeerd hebben hem voor model te nemen. Welk eene fijnheid van vormen, bij zulk eene kracht van bouw! Welk eene bevalligheid van bewegingen, bij zooveel deftigheid in de houding! Welk eene losheid en welk een adel te zamen, en dan die goudgele lokken, daar Zephir meêstoeit om dien hals… is het niet, nu hij daar met Lasthenia dien heuvel bestijgt, of Apollo zelf de beminnelijkste zijner muzen den Parnassus opleidde?

— Bij Venus! als ik ze dus samen zie, voel ik mijne liefde zoo verdeeld tusschen het paar, dat ik wel getroost ben ter wille van zulk een halfgod ter zijde te gaan, en waarmede troost gij u, o! mijn arme Thesperion?

— Ik heb geen troost noodig, hernam de andere bitter, doch spreek, Proclus, waarom wilt gij mij afvoeren van den weg naar den tempel? Meent gij dat ik heiligschennis zal begaan onder de feestzangen, uit verbittering tegen die vrouw?

— Neen, maar gij begaat schennis tegen u zelven, want gij hadt mij gezegd, dat gij genezen waart, en het is zichtbaar, dat het aanschouwen van dit tooneel u in gevaar brengt van instorting.

— Dat doet er niets toe, ik wil naar den tempel, ik wil haar nog eenmaal zien en — hooren. voegde Thesperion er hartstochtelijk bij, ik wil het, hoort gij!

— Nu, bij de vriendschap, die ik u gezworen heb, beminde Thesperion, moet ik uw wil volgen, doch wij hadden afgesproken…

— O! laf, ik ben laf, riep Thesperion, en tranen glinsterden in zijn gloeiend oog.

— Niet uw wil is dit, ’t is het noodlot; ’t is Eros, die u vervolgt; gij moet toegeven; men worstelt niet met de goden sedert Titan!

— Neen, ik zal sterk zijn, ik wil haar triomf niet vermeerderen door dien te aanschouwen. Naar eene andere plaats, Proclus, naar eene plaats, waar afleiding is te vinden, waar ik vergeten kan!

— Naar de markt, fluisterde Dionys Proclus in.

— En te eerder, hernam deze, daar de markt, ondanks de groote menigte, die heden Ceres tempel gaat bezoeken, al is ’t niet om der wille der Godin, toch niet verlaten zal zijn. Daar zal ook een spreker zijn, die zijn publiek heeft gevonden; wijsgeeren, geletterden en allerlei lieden van kennis en van vernuft komen er samen om te redetwisten met een vreemden redenaar, een Jood of een Romein, dat weet ik zelf niet recht, die ons van den dienst der Goden wil afbrengen (alsof wij nog aan de Goden geloofden), en die ik weet niet welke zedenleer verkondigt. Men heeft hem voor den Areopagus gedaagd, en dat hoop ik bij te wonen als hij daar verschijnt; daar valt tegenwoordig niet te veel merkwaardigs voor; vooral niet op het gebied van godsdienst, wetenschap en wijsbegeerte.

— Neen, ik ga niet met u naar de markt, hernam Thesperion, een weinig blozende. Ik ben wars van redetwisten; niemand komt daar verder meêr. Ieder blijft bij zijn gevoelen, en men scheidt zooals men gekomen is, zoo niet erger, wijl misverstand zoo licht tweedracht geeft, en voor ergerlijke tooneelen ben ik minder dan ooit gestemd. Gaat gij belden uw weg en laat mij; en toen de beide andere jongelieden hem drongen tot een tegenovergesteld besluit, sprak hij op dien toon, die niet wil tegengesproken zijn: — het is eene luim, ik wil alleen blijven; bij uwe vriendschap! o Proclus, bezweer ik u, eerbiedig die luim. En toen zij verdwenen, liep hij waggelend voort, met gebukten hoofde, zonder om of op te zien, niet eens naar Lasthenia, en hij sprak in zich zelven: die vrouw is een mengsel van weekheid en van trots als daar nimmermeer werd gezien! Toen ik haar slaaf was, behandelde ze mij als haar meerdere, nu het lot mij tot haars gelijke heeft gemaakt, duldt zij mij niet eenmaal aan hare voeten! O! hoe ik haar haat — maar ook hoe ik u liefheb, Lasthenia! nog! En toen hij, na het half luid uitspreken van dien naam, zijne oogen tot haar wilde opheffen, zag hij, dat hij gedwongen werd tusschen twee volksdrommen door te dringen, die ieder naar verschillende zijden heentrokken.

De eene was de stoet, die Lasthenia volgde, de andere was de stoet, die zich voortspoedde op de schreden van den vreemden wijze, die spreken ging op de marktplaats. De fiere dichteres had eene wijle haar ongeduld getoond over het oponthoud, dat deze ontmoeting bracht aan haar tocht; een glimlach vol trots en vol ironie plooide zich om haar mond, toen de vreemde haar voorbijging zonder eenmaal op haar te letten. Eene sekonde bleef zij staan en zag naar hem om, daarop wisselde zij fluisterend een paar woorden met Nicias, en trad weêr voort met nog fierder tred. Thesperion intusschen was niet meer in de mogelijkheid om voort te gaan, ten minste niet in eene richting van eigene keuze. Hij moest zich door een der twee volksstroomen laten voortdragen, hij was niet sterk genoeg om zich dwars daardoor heen een weg te banen; eene wijle stond hij besluiteloos, eindelijk riep hij heftig: voor ’t minst is Nicias niet daar!


Ingezonden op: 19 July 2001