LASTHENIA.


III.

De dichteres na den triomf.

Neen, hooger en meer verfijnd kunstgenot was den Atheners sinds lang niet gereikt, dan hun nu werd geboden, toen Lasthenia op den verlaten driestal der Pythonissen had plaats genomen, en haar bezielden geest zou uitstorten in gloeiende verzen, begeleid door het koor der fluitspeelsters, maar eene begeleiding zoo zacht, zoo bescheiden, zoo zonder aanspraak, dat die altijd meer een echo scheen van de laatste liefelijke klanken, dan de uitwerking van eene kunst, die op zich zelve stond. Ditmaal werkelijk klonken de zangen der dichteres zoet en liefelijk, ditmaal waren hare verzen zangerig, en zoo verre was het er af, dat er bitterheid in leefde of scherpheid, dat er veeleer iets weeks en iets smachtends in lag, als nog nooit in Lasthenia’s zangen was gehoord; en zoo er iets in was, dat aan hare gewone manier herinnerde, het was iets pijnlijks, dat nu niet sprak in kwetsende klaagtonen over den val des vaderlands, maar van een onrustig verlangen, van eene aarzeling tusschen hoop en vreeze, van eene verwachting vol bangheid, en weêr van eene bangheid vol hope. Dat besliste haar triomf onder het volk, dat het schelle en krasse harer tonen altijd te hard had geklonken: tonen, die tot ernst riepen en tot nadenken, terwijl deze slechts wegsleepten tot een zachten wellustigen weemoed, dat eene verfijnde en overprikkelde menigte niets te doen gaf, dan zich te laten voortdragen op dien stroom van wonderzoete gewaarwordingen. Het lied, dat zij na den lofzang der Godin aan het volk richtte, was deemoedig, als vroeg het vergeving voor vroegere stoutheid; het was een echt vrouwelijk lied, het lied van eene zachte priesteres, of van eene biddende boetelinge; het was meer eene bede dan eene vermaning, meer een onbestemde zucht dan een dringende eisch; het was wat Athene altijd van haar had verlangd en nooit van haar had verkregen, het lied van eene vrouw, daar men zich vroeger altijd meer had verwonderd dan verheugd over de krachttaal van de heldin. Ook hield de eerbied voor de tempelwanden het gejuich niet terug en de lof der dichteres klonk tegelijk uit duizend monden, waar die van de Godin alleen door een enkelen was aangeheven geworden. Waar men voorheen slechts bewonderd had, beminde men nu; waar men ontzet was geweest, was men verrukt; waar men beleedigd was geworden, voelde men zich nu gevleid; waar men zich vroeger vernederd had gevoeld, voelde men zich nu verheven. Voor het eerst had men behagen in een talent, dat men altijd had gevreesd, en vergat men daarbij niet, ook nu weêr die schoonheid op te merken; vroeger had zij die noodig gehad om zich te doen vergeven; nu was die nog slechts de bondgenoot van het verhoogd welgevallen. En in waarheid voor een volk, dat zooveel hechtte aan uiterlijk schoon, bij mannen en vrouwen beiden, moest juist het eigenaardige van de hare dien onweerstaanbaren indruk maken, die nooit zijne uitwerking miste, zoo vaak Lasthenia zich aan de Atheners vertoonde. Hare trekken hadden niet die strenge regelmatigheid, die onberispelijke zuiverheid in het model van een grieksch beeldhouwer geëischt; maar het was een levendig, een sprekend, een zinnelijk schoon, dat beurtelings aantrok door weekheid en door gloed. De oogen waren van een twijfelachtig bruin; maar ze dreven in een rein kristalvocht en ze tintelden van een licht, dat harten smelten deed als was, en waarmede zij anderen leven of dood in de ziel bracht, naar dat zij het wilde. Nu schitterden ze nog daarbij van den gloed der poëzie, en waarlijk wel was er de donkere wimper en de fijn gepenseelde wenkbrauwboog bij noodig, om zooveel gloed een weinig te temperen. De fijne haren van een zacht zijdeachtig bruin, door een Phrygischen knoop opgenomen, lieten den vollen weelderigen hals geheel onbedekt, en de zuiver witte Grieksche tunica — want ze had ditmaal de nieuwere mode van het Romeinsche kostuum versmaad — omplooide hare gestalte met de edele deftigheid van een standbeeld, en viel neder tot op de fijne voeten, wier rijk schoeisel slechts even lichtbaar werd; maar daarentegen liet dit kleed de armen ontbloot tot op den schouder, waar het enkel door een gouden gesp werd teruggehouden, en dus die armen, zoo vol en zoo rond, de geheele vrijheid liet van beweging; en met hoeveel aanminnige gratie wist Lasthenia van die vrijheid gebruik te maken! Vloeiden de woorden als bij ingeving uit haar mond, die zelfde ingeving bezielde op ’t zelfde oogenblik hare gebaren; spaarzaam waren ze zeker, maar eene spaarzaamheid, die nooit armoede werd, en nooit matheid. Het vuur der bezieling en der inspanning brandde haar op de wangen, en zoo vaak de koralen lippen zich openden onder het versneld ademhalen, lieten zij geparelde tanden zien, die de vergelijking met echte paarlen durfden uittarten.

Was het wonder dat Athene aan hare voeten lag, nog eer het had gehoord, maar zoo haast het had gezien?

Toen haar laatste woord was gezegd, toen de behoefte der toejuiching zich voldaan had tot vermoeiing toe, toen kransen en kronen, neêrgeworpen aan hare voeten, op haar wenk waren neêrgelegd op het altaar van Ceres, nam de echtgenoot van den tweeden Archont, die het recht had bij dit feest de gewijde rijen aan te voeren, haar bij de hand, en deed haar uitgeleide tot aan den dorpel van den tempel, gevolgd door alle priesteressen; daar ontving haar Nicias uit die waardige handen, gelijk het tot daar was, dat hij haar straks had verzeld. Dit nu was het beslissende oogenblik; het was zoo goed als eene verloving, waarbij het geheele volk tot getuige werd geroepen. Ook kleurden zich de wangen van den edelen Griekschen jonkman met een levendigen blos, en schitterden zijne donkerblauwe oogen van hartstochtelijke vreugd, en genietende een dubbelen triomf de zijne en de hare, daalde hij met eene vlugheid, als droegen hem wieken in plaats van voeten, den tempelheuvel af, midden door de schaterende volksmassa’s heen.

In het atrium, waar hij haar eerst den krans had gebracht, moest hij Lasthenia vaarwel zeggen; nog had de bruidegom geen recht het vrouwenvertrek binnen te gaan, waar slechts de echtgenoot den voet zoude zetten. Lasthenia vond er intusschen de matronen van Athene, de vrouwelijke verwanten van Nicias en sommige harer speelnooten, die daar waren om haar geluk te wenschen, en over de feesten, die volgen zouden, te raadplegen. Lasthenia was onder dat alles zoo geheel lijdelijke toehoorster, als zij in de laatste uren handelende was geweest; ééne enkele brandende begeerte had zij, die slechts tegen het einde van den dag werd voldaan — maar zij had voor heden die vrouwen een feestmaal beloofd; het was toebereid; het moest genuttigd worden; zij stond het door; ten laatste was de schemering daar; de matronen spoedden zich voort, verzeld van hare slavinnen, de jonge meisjes waren reeds lang afgehaald, en nu stortte zich het slachtoffer van haar roem en van hare betrekkingen, met een hijgend verlangen in het binnenste heiligdom van haar huis, in haar eigen slaapvertrek.

Alles was daar reeds tot hare ontvangst in gereedheid gebracht; de reukwerken dampten geuren uit de fijnste vazen; de standaardlampen, met welriekende olie gevuld, brandden als fakkels; het jonkvrouwelijke rustbed lag in weelderige zachtheid gespreid… De hulp der slavinnen versmadende, haar gesnap, hare vragen, hare blikken schuwende, wierp de jonge Griekin de zwierige bovenkleeding van zich, knoopte zich de haren los en liet die in vrije golving over hals en schouder nedervallen (eene vrijheid, waarvan ze gebruik maakten om zelfs den ronden arm te omkronkelen) en wierp zich toen op het rustbed neder, niet om daar reeds de rust van den slaap te zoeken, maar om er de rust tot nadenken te vinden.

Geen oogenblik intusschen scheen dat nadenken een vroolijk nadenken, een zulk, als bij eene gelukkige bruid, eene bekroonde kunstenares moest gevonden worden. Het was eene matte, doffe zwaarmoedigheid, en die oogen, die nog zoo straks hadden geschitterd, leenden nu slechts hun glans van de tranen. die ze vulden. Na eene wijle van strak en somber staren, sprak zij:

— Hoe ze mij toegejuicht hebben! Onsterfelijke Goden! hoe ze mij hebben toegejuicht die goede burgers van Athene. Wat waren zij tevreden die Atheners, dat zij mij in ’t eind de gelijke zagen van alle hunne dochteren! Het was niet mijn triomf, dien ze hebben toegejuicht, maar de hunne; niet de verzen waren hun aangenaam, maar de bruid! En hoe de trots dier mannen gevleid was, dat in het eind een hunner mijn meester zoude zijn! Zij hebben nu genoegdoening voor mijne ruinachting voor hunne personen, voor mijn lang volgehouden weerstreven tegen hunne instellingen. Ik zal van beiden het juk dragen, als eene andere dochter van Athene! En ik zal de rampzaligste zijn van alle uwe dochteren, o Athene!

— En waarom dan de rampzaligste? hervatte zij, terwijl zij zich een weinig ophief uit de zijden kussens van ’t rustbed. Wat is er dan toch wat mij ontbreekt tot hetgeen de stervelingen geluk noemen? Welke wensch is mij ontzegd, welke eisch aan het lot, of aan de fortuin, dien het lot niet vooruit had gegeven, en de fortuin niet terstond heeft ingewilligd? Heeft mijne moeder schoonheid afgebeden voor haar kind, toen zij, stervend, de zuigeling overgaf in de handen der voedster — ik heb meer van die noodlottige gave dan noodig is om aller mannen oogenlust te zijn, en aller vrouwen afgunst te wekken. Heeft mijn vader, waar hij zijn handel dreef en zijne schepen bevrachtte, niets bedoeld met zijn werken en streven dan den rijkdom van zijn eenig kind, zelfs al was dat kind slechts eene dochter? Toen hij stierf, had hij de voldoening dat kind alle zijne opeengestapelde schatten te kunnen verzekeren, zonder vreeze dat oneerlijk bestuur de weeze berooven zoude; want hij liet haar over in de hand van een broeder, die het goud gering achtte als een Spartaan uit de dagen van Lycurgus, en die voor menschengeluk slechts eene voorwaarde kende — vrijheid. — En toen die zijn roemrijk leven liet op het laatste slagveld, waar Athene met eere had gestreden, toen wist die trouwe hoeder van de teêre jonkvrouw haar van die vrijheid, van dat kostbare goed, zooveel over te doen als erfgave, dat nooit minderjarige erfdochter een zulk onafhankelijk lot, eene zoo vrije beschikking over zichzelve en het hare heeft genoten, als hij mij door zijn uitersten wil had verworven, om niet te spreken van die gave Apollo’s, die groote en zeldzame, die mij het leven helpt dragen, die van het leven het leven uitmaakt, en die den roem geeft — den roem! waar de menschen een zoo begeerd goed van maken. En ben ik dan in ’t eind niet de verloofde — de bruid van een edel, een goed jongeling! in bevalligheid den Antinoüs gelijk, in liefde voor mij als de minnegod zelf voor Psyche! Zoo heb ik dan alles, alles — zoo ligt alles aan mijne voeten wat begeerlijk kan worden geacht: rijkdom, schoonheid, roem, eer, liefde, alles! Wat ontbreekt mij, dat ik mij dus verslagen voel na een triomf als eene andere na een diepen val? Wat maakt mij zoo angstig voor de toekomst? Wat maakt mij het heden zoo drukkend, wat maakt mij zoo koud voor de vreugd, wat maakt mij zoo bitter tegen de menschen, wat doet mij hun streven zoo ijdel vinden en zoo belachenswaard en mij zelve zoo gering? en de roem, dien zij geven kunnen, zoo nietig, en het geluk, dat zij prijzen, zoo zonder bekoring voor mij?”

— Wat u ontbreekt, Lasthenia? niets; gij hebt alles, of liever , gij hebt te veel. Want boven dat alles zijn u twee gaven gegeven, die u dat alles doen zien wat het is — ijdelheid, ijdelheid. Gij hebt een hoofd om de onbeduidendheid van die schatten te peilen, en eene ziel om de ongenoegzaamheid van dat alles te vatten, en een hart, dat te fijn voelt en dat te groot is om door dat alles voldaan te kunnen zijn. Gij zijt ongelukkig, Lasthenia, en gij zult ongelukkig zijn in het volop van al die vreugden, zelfs bij de zekerheid, dat ze u niet zullen ontvallen, want gij mist de vatbaarheid om ze te genieten, zooals ze genoten moeten worden om slechts een weinig te voldoen; gij mist de oppervlakkigheid, die bijziende is en de loszinnigheid, die op rozen voorthuppelt en die niet narekent of daar ook vaste grond is onder het bloemrijke pad, en in plaats van de vereelde vingertoppen der ongevoeligheid, die alles kunnen aanraken zonder zich te kwetsen, hebt gij die overprikkelde fijnheid der vingertoppen, die op het fluweelen blad nog de onzichtbare dorentjes weet te tellen.

— Gij zijt dichteres, in de eerste halve eeuw na Christus geboorte, Lasthenia. Gij zijt vrouw, in eene stad als het Athene van toenmaals, en gij vraagt hoe het komt, dat gij u rampzalig voelt in het midden van een dubbelen triomf?

Eene zulke vraag doet men zich niet, zelfs al is men geene Lasthenia, of men heeft de brandende begeerte naar een antwoord, maar daar niemand het haar kon geven, ging zij voort dat in zich zelve te zoeken.

— Wat maakt de Atheners heden zoo toegevend voor mijne zangen, waar ik voelde dat ze slechter waren dan ooit? O! het komt, dat zij ze niet verstaan hebben, dat ze de diepte, waaruit ze opkwamen, niet hebben gepeild! Was daar dan geen enkel oor onder die toeluisterenden, dat de klanken onderscheiden kon van den toon, waarop ze werden uitgesproken. Mij dunkt toch — ze moeten het gevoeld hebben als ik zelve, van welken gloed heden mijne bezieling sprak, wat den stroom mijner verzen vloeien deed: een diepe bron van onzichtbare smarten, het groote tooverwoord van mijne zacht gestemde tonen was moedeloosheid, verslagenheid, teleurstelling! En die onnoozelen fluisterden het elkander in, of riepen het luide uit, dat zelfs ik het moest hooren: »zie, het is het geluk der liefde, dat haar aldus bezielt, zie, het is de verwachting van ’t huwelijk die haar alreede tot vrouw maakt!” En had zelfs niet hij, hij, Nicias, de eenige, waarvan ik noodig had begrepen te worden, had hij er niet een zelfde woord der goedkeuring voor mij uit gevonden! Hij, wien ik van nu voortaan mijn innigste leven zal moeten mededeelen, het leven mijner ziele, alles wat mij door het harte gaat, hij, de edele en beminnelijke, en die toch gevoel en vernuft bezit, heeft dat niet beter onderscheiden! Hij ook zag reeds met vreugd de onderwerping zijner aanstaande dienares in den deemoed der dichteres voor het volk! een deemoed, die niets was dan de verslagenheid der overwonnene; want immers ik ben overwonnen, mijn hart is mij zwakker gebleken dan mijn hoofd, en die onafhankelijkheid, met zooveel kracht vastgehouden, die vrijheid, zoo lang met inspanning verdedigd tegen allen ga ik verliezen, ga ik nu afstaan uit vrijen wil, ter wille van van dat gevoel, dat een sterker blijkt dan ik het meende. Ik ga hun juk dragen, hun slavenjuk, als de andere ongelukkigen, die ik zoo vaak heb beklaagd en — bijna veracht; het juk van een vreemde! het juk van hunne instellingen!”

Om den trotschen tegenzin der jonkvrouw te verschoonen en haar strijd te verklaren, denke men aan den toestand der Grieksche vrouwen, die werkelijk geene meer vrije was, geene meer geachte, dan die eener eerste slavin! wier plichten van trouwen gehoorzaamheid zoo vele waren (ik zeg niet dat zij ze altijd hielden) en wier rechten daarentegen zoo weinige; die, verkocht door den vader, door den broeder, door den oom zelfs, tot een bepaalden prijs aan den bruidegom, door den man als eene koopwaar beschouwd en behandeld, en zelfs, zoo luim en lot het meebrachten, door hem aan anderen mochten worden overgedaan bij wijze van handel; wier werkzaamheid zich beperkte tot eentonige, onbeduidende bezigheden, zonderdat een enkele hoogere gedachte ze tot meer maakte dan ze schenen; wier leven heenvlood in de enge beperking van een vrouwenvertrek, in het midden van slavinnen en kinderen, en niet afgewisseld door de genoegens der gezelligheid, zooals wij die kennen! en waar ze andere vrijheden namen of andere gewoonte pleegden, was het altijd ten koste van hetgeen wij de convenances zouden noemen. Minderjarigen tot in hare grijsheid, minderjarigen zelfs voor hare zonen, zonder recht tegen de uitsporigheden harer mannen, zonder rechtmatigen invloed op de huwelijken harer dochters, was haar door die wreede afsluiting der maatschappij, door die vernederende berooving der wetten, als stilzwijgend een hoofd, een hart en eene zielontkend. Eene enkele klasse van vrouwen had het gebruik grootere voorrechten en grootere vrijheden toegestaan, maar zij moesten die duur koopen, zoo duur, dat eene jonkvrouw als Lasthenia er den prijs niet eenmaal van kennen wilde. Maar intusschen begrijpt en vergeeft men haar nu ten minste een weinig, waar zij aarzelt en huivert om de onafhankelijkheid der erfdochter te verruilen voor een zulk lot der vrouw — zelfs al is het ter wille van een geliefden gemaal.

En de andere… hernam Lasthenia, hare mijmering vervolgende; — de andere, die durfde eischen waar Nicias slechts gesmeekt heeft, en dat op grond van eene enkele goedheid… de ongelukkige, dien ik wel de vrijheid kon wedergeven, maar niet de vrijheid van hart — hij wellicht zou den klaagtoon in mijn zang verstaan hebben en hij zou hebben gezegepraald, zoo hij daar ware geweest! Gelukkig was hij daar niet; mijn oog zou hem onder honderden hebben herkend, enkel aan dewanhoop van zijn spottenden glimlach! Maar hij was niet daar geloofd zij Ceres! hij heeft mijn strijd niet kunnen gadeslaan! Licht is hij meegetrokken, hij ook met dien drom, die den vreemden wijsgeer ging hooren, om in diens stelsel een balsem te vinden voor de smarten, die hij lijdt. O zoekt dat bij wijsgeeren! Ik heb ook zelve in hunne scholen verkeerd, ik heb ook zelve hunne stelsels doorwoeld, ook zelve hunne zedenleer beoefend en deugden, die zij prezen, getracht aan te leeren. Wat heb ik gewonnen, wat gaf het mij? Ik weet dat dit alles niet vermag het ledige te vullen, dat daar blijft in mijn hart; zelfs niet dat, wat zij een groot voorrecht prijzen — anderen gelukkig te maken; men maakt het zich zelven niet; want mijn Nicias is gelukkig — Nicias is het door mij, en ik zou geen ander Athener dat geluk hebben willen schenken. Maar wie is dan Nicias om gelukkig te zijn? Wat is hij, dat hij gelukkig kan zijn? Hoe vreemd is zijne ziel aan de mijne, dat hij het is, waar ik het zoo weinig ben, waar het mij toeschijnt dat de onbestemde verlangens, de zielezucht, die wenscht naar onbekende oorden, veeleer teleurstelling vond dan bevrediging, waar ik lijde. Zij poosde eene wijle en vervolgde toen: ja! wel zeker lijde ik… Zij liet zich eene wijle moedeloos terugvallen in hare weeke kussens; een der rozen van haar krans, door die lichte drukking aan den steel geknakt, viel neder aan den voet der rustbank; met een pijnlijken glimlach oogde zij hem na, en bracht de hand aan het hoofd. O! het is waar — ik droeg nog dien rozenkrans der vreugde, glimlachte zij bitter. Men moet dien ontzien, zoo snel is hij verwelkt… en met eene zekere drift dien afnemende van de lokken, hield zij hem eene wijle in de hand en bezag de bloemen met aandacht. Zulk een bloemkrans kost veel, hernam zij weemoedig, zulk een krans is zwaar, en met eene zekere moedeloosheid liet zij dien nedervallen uit de afhangende hand. Was dan de gouden lauwerkrans der kunstenares zoo licht om te dragen, dat zij dien niet eenmaal voelde op de lokken? O! de gewoonte en de trots hadden dien zoo licht gemaakt; maar in werkelijkheid woog hij zwaarder en Lasthenia zelve had het meer dan eens gevoeld. Zonderling was het dat een kleine adder, een diertje als er somwijlen in de woningen binnendringen, door den geur der bloemen aangetrokken, die zachtkens naderde, met begeerigen blik er alreede het spitse gespleten tongetje naar uitstrekte.

Daar schrikte Lasthenia op en zag met strakken, angstvollen blik op het beest.

Zulk een voorteeken! Het werd haar te bang; die eenzaamheid drukte haar, zij riep om eene harer vrouwen… Myrrha kwam binnen met vele woorden van bezorgde teêrheid op de lippen, die het haar niet toegestaan werd uit te spreken.

— Ik had naar Antiopé gevraagd, was het korte antwoord der meesteres.

— De Aziatische verdiende straf, zij is opgesloten, hernam Myrrha snel en hoog kleurende.

— Op wiens last? vroeg de jonge vrouw, terwijl zij Myrrha doordringend aanzag.

— De hofmeester Hermon! hernam deze, den blik afwendende.

— Gij weet wel, dat ik zulke strengheden nooit goedkeur, en dat nog wel zonder mijne voorkennis.

— U in zulke oogenblikken te storen, mijne goede meesteres! ik zou het Hermon nooit toegestaan hebben.

— En welke reden geeft Hermon voor deze vervolging?

— De Aziatische is listig en wederspannig. Ik weet voorzeker, dat zij nog in verstandhouding is met Thesperion, van wien gij verboden hebt berichten of boodschappen over te brengen. Lasthenia verbleekte een weinig.

— En ik heb li niet geboden hare gangen te bespieden.

— Zoo acht mijne vrouwe het dus eene onverschillige zaak, dat zij ook heden, onder schijn van naar de markt te gaan, in de vroegte het huis heeft verlaten, en eerst na zonnenondergang is teruggekeerd.

— Dat is geene onverschillige zaak, hernam Lasthenia, en ik zelve wil haar daarover onderhouden.

— Hermon oordeelde het een strafbare daad, en te eerder; daar hij haar verdenkt van in een huis te gaan waarover dezer dagen eene zonderlinge sprake gaat… Ik onderstel eene bijeenkomst van vriendinnen, die elkander lessen geven in de kunst om te behagen… en

— Zwijg nu Myrrha, en ga! viel de jonkvrouw haar wat driftig in de rede; ik wil van uwe booze verdenkingen niets meer… bericht aan Hermon al mijne ontevredenheid over zijne willekeurige handelwijs, en laat Antiopé schielijk ontslagen worden en hierheen komen.


Ingezonden op: 19 July 2001