LASTHENIA.


IV.

Meesteres en slavin.

Antiopé de jeugdige slavin, door Myrrha met eene zekere minachting de Aziatische genaamd, was eigenlijk uit Klein-Azië en hare geboortestad Amysus, de hoofdstad van het vermaarde Koninkrijk van Poneus, was sinds lang eene Romeinsche provincie. Zij was dus uit eene landstreek, waar het menschenras de fijnheid en de schranderheid van het Westersche vermengt met het vuur en de tinten van de Oosterlinge, zonder dien al te somberen tint, waartegen het Europeesche oog zijne vooroordeelen heeft. Maar het vuur der Oostersche was bij deze dochter van het Zuiden getemperd door iets zachts, iets teeders, iets rustigs, dat toch niets lijdends, niets zwaarmoedigs insloot. Tegenover Lasthenia verloor ze zeker den prijs der schoonheid, maar onmogelijk was het, haar niet den palm der zacht-vrouwelijke bevalligheid toe te kennen. Hadden de haat en de wangunst haar heden onverdiend mishandeld, ze verraadde het niet met de houding, waarin zij voor hare meesteres verscheen, en eene bescheidene vrijmoedigheid alleen sprak uit den blik vol belangstelling, dien zij wierp op Lasthenia, toen deze haar zwijgend wenkte, zich neder te zetten op den voetschabel bij haar rustbed. Die twee vrouwen zóó samen ziende, moest men het natuurlijk vinden, dat eene fijnvoelende, helderziende vrouw, als Lasthenia, met kunstenaarszin voor het schoone bezield, deze slavin tot gunstelinge had uitverkoren, in de plaats van de lage gemeene gestalten, die haar verder omringden, en wier ziel in eene treurige verhouding stond tot haar voorkomen.

— Zoo heeft mijne gunst u reeds leed berokkend — begon Lasthenia, terwijl zij met de fijne hand zachtkens heenstreek over de gitzwarte lokken van hare dienares.

— Ach! gij weet dus… hernam deze met eenige bevreemding — het ware beter geweest, dat men het u niet had verklaagd; ik geloof niet dat het opzettelijk was; de oude Hermon heeft gedaan wat hij zijn plicht achtte, en het leed was gering…

— Neen, mijn kind, ik heb wel erkend, dat men u dit heeft gedaan uit booze wangunst, en hoe gering die kwelling is, zij had eene grootere kunnen worden, zoo ik in de verstrooiing van de dagen die komen, eens niet aan u had kunnen denken. zoo ik, reeds heden door zwaarmoedigheid overvallen, geene behoefte had gehad aan uw bijzijn.

— In uw oog las ik dat, toen ik binnenkwam, mijne meesteres, en toch had ik u de vraag niet durven doen: ik wist u gelauwerde kunstenares, ik achtte u gelukkige bruid en…

— En daarmede, meendet gij, was ik rijk aan levensvreugde voor altoos…

— Neen, mijne vrouwe! daarvoor ken ik het leven te veelt maar ik dacht dat gij ter dezer dagen de armoede van alle levensvreugd niet zoudt kunnen opmerken.

— Dat gij zoo spreekt, rampspoedige Antiopé die, ballinge uit uw vaderland, en niet eenmaal in vrijheid — niets van het leven kent dan de duistere zijde, dit bevreemdt mij niet, maar dat ik, ik, in het midden van het hoogste geluk datzelfde voele, dat ontrust en pijnigt mij op het hoogst, en gij, beminnelijkste, vindt gij het niet vreemd?

— In ’t allerminst niet, bevallige vrouw; want zekerlijk gij zijt niet enkel eene groote dichteres, maar ook eene fijnvoelende, nadenkende vrouw, die tracht naar de beoefening der deugd en wier verlangen uitgaat naar vele dingen, die de wereld niet kent, en die de wereld niet geven kan.

— Uw schrander oog ziet mij in het binnenste; juist zoo is het mij; de menschen en hunne instellingen zijn klein, bekrompen, arm, en mijn hart is groot, en mijne ziel ruim en rijk. Ik geef aan alles meer dan ik terug ontvang, ik zoek in alles meer dan het geeft, dat is het geloof ik. Ik zou niet voldaan zijn, al kon ik heerschende vorstin zijn van Athene… daarom is het beter de voldoening te zoeken in hetgeen is dan het meerdere te willen, dat toch niet weêr voldoet. Zoo ook heb ik gedaan; ik heb de zonen en broederen van Romeinsche grooten afgeslagen, die den keizerstroon van Rome zoo nabij stonden, dat één ommekeer van ’t lot er hen op konde brengen, en ik heb Nicias gekozen, den zoon van mijn vaderland! Zonder er eens aan te denken, dat ook hij een hoogen rang houdt in onze stad… En nu, schrandere Antiopé ontvang geheel.mijn vertrouwen, opdat ik ten minste die verlichting vinde, dat eene mij verstaat: Nicias is gelukkig in die keuze, en nu zij gedaan is, ben ik het niet! Weet gij troost voor zulk eene teleurstelling der ziele?

Het klinkt als eene paradoxe en action, dat zulk eene meesteres zulk een vraag deed aan hare arme slavin, die nog geen uur geleden weerlooze prooi was der mishandeling van medeslaven, en wie het niet was verzekerd, dat ze een uur daarna niet een zelfde lot te ondergaan zou hebben. En toch kwam er een gloed van reine vreugd op de trekken der arme slavin, toen zij antwoordde:

— O! zeer zeker is daar een troost voor, geliefde vrouwe, dien ik u kan mededeelen, schoon ik ook zelve dien heb te ontvangen, zoo gij mij slechts gunt u rekenschap te geven van de blijdschap, die in mij is.

— De blijdschap die in u is! Groote Goden! Kind, en dat in uw toestand! Nog zoo gij in slavernij geboren waart, zou ik het verstomping achten, maar nu een hard noodlot, u vrije, door onheil en rampen in zulke banden klemt, nu klinkt het mij als eene zinsverbijstering u dus te hooren spreken!

— Neen, het is geene zinsverbijstering, zoo ik spreke van den hemelschen vrede, die in mij is en mij in hore reeds zalig maakt! Maar o! Lasthenia, deze slavenbanden knellen mij niet, al waren zij scherper dan gij ze mij aanlegt; ik geniet eene vrijheid, die gij nog niet kent, en een rijkdom, dien niemand mij rooven kan.

— Het schijnt mij wonder wat gij mij zegt, en toch, aan het schitteren uwer oogen, aan de helderheid op uw voorhoofd, aan de geestdrift op uw gelaat, zie ik het dat de Goden u een goed hebben doen kennen, dat mij is verholen gebleven; slechts wat zou het mij baten als ik het had!

— Vergun mij, dierbaarste vrouwe, u eene vraag te doen. Acht gij uw toestand een meer beklaagbare dan die van den armen Thesperion?

Lasthenia dacht eene wijle na. — Wanhopige liefde, of gelukkige liefde die wanhoopt… het eerste ook moet snerpend zijn. Ik wenschte dat ik in mijne macht had zijn lijden te verlichten.

— Die wensch is verhoord, mijne vrouwe, hij is op den weg ruste te vinden en de blijdschap te deelen, waarvan ik roemde! — En zonder dat tijdsverloop de wonde heeft geheeld! dat is zekerlijk vreemd, hernam Lasthenia, daarop hervatte zij met glimlach: Ik begrijp u, gij zijt zijne troosteres geweest, men heeft u reeds bij mij verklaagd van verstandhouding met hem…

— Die waarheid was, hernam Antiopé zonder blozen, slechts niet op de wijze, die zulke aanklagers mogelijk achten. Ziende hoe groot eene zielesmart zijn deel was geworden, oordeelde ik het de goede tijd om van die vreugd te spreken, waar de gelukkigen der aarde in hunne bedwelming niet naar vragen; maar zijn hartstocht was sterker dan mijne zwakke stem, of liever het was voorbestemd, dat de krachtiger taal van een hooger bezielde eerst licht zoude brengen in de duisternis zijner ziel, en dat ze daarna eerst ontvankelijk zoude zijn voor den balsem, dien de liefde hem wilde reiken.

Lasthenia zag wat verwonderd naar haar op.

— De zusterlijke liefde, hernam Antiopé eenmaal, mijn vrouwe, zult ook gij die verstaan. Nadat hij den Apostel had gehoord, is hij met mij gegaan in het huis, waar des Heeren gezant gastvrijheid had gevonden, en wij zijn daar samen gebleven tot in de laatste ure van den dag, Nu is er geen wanhoop meer voor hem, desgelijks ook niet meer voor u, zoo gij mij hooren wilt en mijn raad volgen, al is het die eener geringe slavin.

— Ach! melieve! riep Lasthenia, teleurgesteld neêrzinkende in hare zijden kussens, is het dat, de troost van dien wijze, die wel eenig nieuw stelsel uitlegt, dat voor eene wijle de nieuwsgierigheid prikkelt, voor eene wijle zelfs het verstand bevredigt… en daarna weêr even koud laat en ledig als men het met vuur en vol hoop had aangegrepen. Is het anders niet, mijne arme Antiopé dan de leer van een wijsgeer, dien gij Apostel noemt, dan beklaag ik u en mij zelve. Dezen morgen ontmoette ik dien wijze; ik had reeds van hem gehoord, en ik glimlachte om eene aanmatiging, die de oude goden van de altaren werpt, om er toch weer anderen, misschien wel zich zelven, op te plaatsen.

— Neen, niet zich zelven; voor geen anderen vraagt hij aanbidding dan voor God den Heer!

— God de Heer? Welke der Goden is dat?

— Geen der uwen, het is de Eenige Waarachtige!

— Die, dien wij Atheners ook eere geven, den onbekende?

— Den geopenbaarde.

— Een zulke is er niet; geen God heeft zich geopenbaard, wij weten niets van de goden: de dichters en de wijsgeeren hebben ons veel van hen gezegd, maar de verbeelding der eersten is te mistrouwen, en de droomen der anderen zijn hersenschimmen, die ineenvallen met hunne stelsels. En de wijste onzer wijzen heeft ook hierop gedoeld, toen hij zeide: wij weten alleen dat wij niets weten. De orakelen, ja! hebben gesproken in den voortijd, maar ze waren duister, die godspraken; hun zin wordt niet meer verstaan, zij worden betwijfeld; onder het geringe volk alleen gelooft men ze nog, en ik, helaas! ingewijde in de geheimen der tempels, midden onder ’t bezingen der goden, grijpt mij de vree ze aan, dat ik mijne bezieling dank aan zelfbedrog en valsche opwinding!

— Zoo doet ge, mevrouwe, zoo doet ge, zoo waar de eenige waarachtige God een levende is, en Jezus Christus Zijn Zoon, die gezonden is om van Hem te getuigen: — dat is de geopenbaarde God, waarvan ik spreken wilde — die mensch is geworden en onder ons heeft gewoond.

— Onder ons gewoond! een godenzoon hier te Athene, of in uw vaderland?

— In het zijne, in Judea, daar heeft Hij geleefd; geleerd en geleden…

— In het verre Judea! viel Lasthenia in, de wenkbrauwen samentrekkende, en daarop: nu ja! van het leven hunner meesters maken de leerlingen wat zij willen; van Zijne geschiedenis zal ik later hooren. Spreek mij nu slechts van Zijn stelsel, van Zijne leer.

— Die laatste is juist zoo innig saamgevlochten met het eerste, dat zij hare beste kracht, haar grootsten troost verliezen zou, zoo de waarheid daarvan werd gekrenkt of verbloemd; want Hij heeft haar bezegeld met zijn bloed; Hij heeft den slavendood der Romeinen ondergaan, de vreeselijke kruisstraf. Machtiger dan alle koningen der aarde, want Hij had macht over dood en leven, is Hij niet gekomen om, als gij meent, een nieuw stelsel in de wereld te brengen, maar om zich te stellen als zoenoffer tusschen de schuldige menschheid en een Heilig God. — Gij ziet mij verwonderd aan, mevrouwe, en schudt ongeloovig het hoofd; mijne redenen ook zijn zwak en onverstandig, de Apostel zou u dat alles beter aanschouwelijk maken, meer helder verklaren, als gij hem hooren wildet.

— Zoo! uw Apostel verklaart dat alles! hernam Lasthenia koel.

— Waarheid is, dat er in leven en leer van den Heere Christus veel is, dat geloofd dient te worden, en dat niet wordt verklaard, voor ’t minst niet hier op aarde, waar wij nog slechts ten deele zien, zeide Antiopé eenigszins verlegen…

— Ziedaar eene oprechtheid en eene bescheidenheid, die de anderen voor het minst niet hebben. Meestal beloven ze met fiere woorden, dat ze alles verklaren zullen met hun stelsel, en eigenlijk doen ze nooit iets dan rondvoeren in een wijden cirkel, waar gij zoo min uit kunt komen als uit het doolhof van Creta; doorgaans hebben ze zelf den draad verloren om u er uit te helpen! Het geloof eischen, mits op eenigen goeden grond, — komt mij eerlijker en wijzer voor. Zie, ik wil uwen Apostel kennen.

— O! hernam Antiopé met een blijden glimlach, dan is mijn innigste wensch en bede verhoord — dan zult gij Hem kennen in Zijne volle grootheid, in geheel Zijne beminnelijkheid, onzen Heer en Zaligmaker, die de liefde zelve is, die allen tot zich roept en voor alle leed balsem heeft en troost voor alle smarte; alle vermoeiden en belasten biedt Hij rust, gevangenen verkondigt Hij loslating; geene ziel is zoo groot, datzij eischen kan doen, waarbij Zijn rijkdom te kort schiet; geen geest zoo arm of zoo klein, of Hij weet dien rijk te maken en groot door de uitzichten, die Hij opent.

— Dit leven, sprak Lasthenia, is te kort of te lang; te lang, zoo het niets is dan hetgeen het schijnt; te kort, want het vervult geen onzer onbestemde wenschen. Ik heb somwijlen een onweerstaanbaar verlangen naar voortduring… Kan Hij dat bevredigen?

— Hij verkondigt de onsterfelijkheid der ziel! Hij heeft dooden opgewekt, Hij zelf is uit den doode opgestaan!

Lasthenia verbleekte; het scheen dat eene huivering haar doorrilde, en toch sprak zij met schitterende oogen: — O! kon mij dat zekerheid worden!

— Dat zal het, dat zal het! riep Antiopé uwe ziel trekt henen tot Hem, Hij zal u de kracht geven tot aannemen en tot gelooven. Uwe onbevredigde wenschen — Hij zal ze voldoen, uw twisten met de wereld en met de menschen zal Hij verkeeren in vrede; want gij zult over alles ruste vinden in Hem.

— Ik minacht mijn vaderland, terwijl ik het liefheb, hernam Lasthenia, kan Hij het opheffen uit deze gezonkenheid.

— Hij zou het kunnen, maar Hij heeft dat niet noodig, want Hij wijst op een beter vaderland — het Hemelsche, waar alle deugden worden geoefend en alle krachten ontwikkeld.

— En wat zal daar de bestemming der vrouwen zijn? gelijkstelling met die der mannen…

— De Heer heeft in Zijne omwandeling op aarde de vrouwen toegestaan Hem te dienen en te volgen; Hij heeft haar liefgehad; Hij heeft met haar omgegaan; Hij heeft ze tot discipelinnen genomen; Hij heeft haar Zijne leer verkondigd zoowel als den mannen, en dezelfde voorwaarden gesteld tot zaligheid; Hij heeft harer gedacht op Zijn langen lijdensweg, en Hij heeft eene vrouw begenadigd met Zijne verschijning het eerst na Zijne opstanding. O! vrouwen voorzeker, mogen zich wel met dubbele koorden der liefde en dankbaarheid naar Hem voelen heengetrokken, want Hij voor het eerst geeft haar gelijke rechten, gelijke hoop; Hij belooft haar gelijke kracht, Hij erkent in haar eene gelijke ziele.

— En hier kent men haar die nauwelijks toe, hernam Lasthenia pijnlijk, of waar men tot die erkenning gedrongen is, daar weet men haar in zulke banden te sluiten, die haar toch de vleugelen het uitslaan beletten! Nicias zelf ziet in mij het allerliefst de vrouw; hij acht mij een standbeeld meer in zijn huis, dat gierig wantrouwen tusschen vier muren verbergt, of wel de vrouw, die hij het liefst ziet wevende in het Genyceum, zonder vrees of ook de toppen der vingers vereeld mochten worden, en ongeschikt tot het tokkelen der luite. Athene’s dichteres is hem niets te goed om slechts zijne dienares te wezen.

— O! sprak Antiopé wel groot moet uwe fierheid zijn, vrouwe Lasthenia, of — wel zwak uwe liefde voor den edelen Nicias, dat gij op deze dingen ziet op dezen dag. Ik zelve heb bemind, en ben bruid geweest, maar ik zou wel getroost zijn geweest mijn geliefde te volgen, te dienen en niets te zijn, dan wat hij mij wenschte; want ook met deze plichten, der vrouwe opgelegd, en aan geene van ons te ontnemen, verzoent het Evangelie, dat de Heer zelf heeft gebracht. Gij zult het zelve ondervinden, edele vrouwe! Als gij eens den staf des geloofs in de hand hebt genomen, steunt hij in alles, tot hij eens ten laatste verandert in den palm der overwinning.

— Wat geeft mij zekerheid, dat ook dit geene ijdele bespiegelingen zijn, die weggevaren zullen wezen, als men ze in werkelijkheid noodig heeft?

— Wilt gij een bewijs, uit mijne eigene ondervinding genomen? sprak Antiopé een weinig verbleekend, maar toch met vastheid.

— Ik luister! zeide Lasthenia.

— Om van geen andere mijner lotgevallen te spreken — de jonge man, de geliefde, van wien ik spreek, was het, die mij Christus leerde kennen. Ik kende den Heer, maar mijne liefde en mijn geloof waren nog nooit beproefd geworden. Ik kende dus den troost niet, dien Hij geeft in het lijden. Dezelfde hand, die mij tot de vergadering van Christenen bracht, bood mij ook de zoetste vooruitzichten; hij was een vrije, een aanzienlijke, een rijke; hij stond op het punt mij al die voorrechten mede te deelen; hij was goed en beminnelijke boven allen en ik had hem lief… Ik vreesde wel eens meer dan ik mocht… Daar vingen sommige inwoners van Arnysus aan, samen te spannen tegen het gezag der Romeinen; daar brachten ze hunne plannen van opstand en geweld ten uitvoer… Mijn Telamon vermaande tot onderwerping aan de bestaande macht, hij werd niet gehoord, maar hij werd beschuldigd met de Romeinen te heulen; de weinige Christenen die er waren, door zijn voorbeeld opgewekt, hielden zijne zijde, maar werden ook begrepen in de beschuldiging; men schold ze verraders des vaderlands; de opstand tegen Rome ontaardde in eene vervolging tegen des Heeren kleine kudde; door de Romeinen zelven, onkundig van dit verschil, voor de schuldigsten gehouden, werden ze gevangen, beroofd of verdreven, en Telamon, als aanzienlijkste en meest bekende onder allen…

— Telamon aan de woede zijner vijanden overgegeven;… viel Lasthenia in, met hartstochtelijk medegevoel.

— Niet alzoo! Niet alzoo! hernam Antiopé zacht doch kalm, de Heere had Telamon de eere voorbehouden, om door een lijdzamen en standvastigen marteldood, van Hem getuigenis te geven voor de broederen. Toen heb ik den troost gevoeld van des Heeren nabijheid en de kracht des geloofs, hoe die werkt. Toen zag die meesteres, die in dien morgen zoo fier op geheel eene bevolking nederblikte, op deze slavin met eene mengeling van eerbied en van benijding. Een lange poos zweeg zij, en scheen ernstig na te denken; daarop brak zij dit zwijgen af met de vraag:

— Is er reeds veel tijd heengegaan over dien slag? Gij zijt nog slechts zoo kort hier!

— Toen ik hierheen kwam met mijne vorige meesteres, was die beproeving pas doorgestaan… De hope der vrijheid was ook mij verijdeld geworden; maar ik was eene vrijgemaakte door Christus, en dat was genoeg.

— Dat de oude Romeinsche dame, bij haar sterven, u liever aan mij afstond, dan u de vrijheid te schenken, heeft mij altijd bevreemd…

— Die schrandere vrouw wist, dat de vrijheid mij niet zoo noodig was, als eene veilige schuilplaats en immers die heb ik bij u gevonden — maar daarenboven had ze mij begunstigd met den losprijs…

— En gij hebt dien niet gebruikt?

— Gij waart zulk eene goede meesteres en mijne arme broederen in Klein-Azië hadden ondersteuning noodig; ik heb hun dat geld gezonden; o! ik voelde het toen reeds, dat de Heer mij hier mijne plaats had aangewezen, en ik had eene geheime hoop, dat ik u eenmaal naar de bron der vertroosting zou mogen heenleiden.

— En gij hebt wel gelijk, want zelfs de gave Apollo’s verkwikt niet allen dorst. Gij zult mij heenleiden tot den waardigen mant ,dien leeraar van uwen Christus. Ik wil van deze belangrijke zaken meer hooren!…


Ingezonden op: 19 July 2001