1. Daar is eenige onjuistheid in deze voorstelling, wij erkennen het; niet uit alle huizen waait de vlag, niet alle inwoners vieren eenstemmig het feest mede. „Als misverstand bederft het oordeel” — zooals een oud Alkmaarsche dichter zong — dan ziet men gebeuren wat niet zijn moest, dan ziet men verschil ontstaan waar eendracht behoorde te heerschen. Anti-Nedernandsche stemmen hadden ook in mijne geliefde geboortestad weerklonken, en een deel der katholieke burgers meenden zich van de feestviering te moeten onthouden. Wij willen niet dieper graven in deze smartelijke oneenigheid, zelf., niet al kon men de hand uitvinden die ’t eerst onvoorzichtiglijk den twistappel had opgeworpen; — wij hopen alleen, en vertrouwen vastelijk, dat heter inzicht verzoening heeft bewerkt en dat althans in 1873 het gedenkfeest zóó eenstemmig zal gevierd worden dat mijne voorstelling de getrouwe afspiegeling zal zijn van de waarheid.
  2. De verzen van Dr. de Gelder, de muziek gecomponeerd door den heer Cosster Junior.
  3. Behalve hij, die door de uitgave van „Les Archives de la maison d’Orange” Motley tot zijn werk heeft bekwaam gemaakt.
  4. Wat ik destijds hoopte is sinds in vervulling gekomen: de Alkmaarders hebben in 1873 eendrachtelijk feest gevierd. De Koning heeft hunne feestvreugde toen door zijn bezoek verhoogd — mocht een Oranje ontbreken waar zulk een triomf werd herdacht? — 1880.
  5. Van dit feit werd de gedachtenis bewaard, naar de gewoonte van den tijd, in een der geschilderde met inscriptie verrijkte glasruiten van hetzelfde: gebouw: denkelijk zal bij het vernieuwen van den ouden doelen in 1605, ook deze proeve van de oude glasschilderkunst verloren zijn gegaan.
  6. Het was in deze hachelijke oogenblikken dat Sonoy, op wien als stadhouder van Noord-Holland de verplichting rustte om op de verzekering van het gewest toe te zien, een schrijven vol diepe bekommering aan den Prins richtte, met de vraag: of Zijne Doorluchtigheid niet eenig vast verbond had gemaakt met zekere buitenlandsche vorsten of mogendheden? waarop dat merkwaardig antwoord volgde, dat zoozeer van ’s Vorsten vast geloof op de hulpe Gods getuigde en waarvan Wagenaar in zijne oppervlakkigheid zegt, dat de Prins antwoordde „met argumenten meer uit den Godsdienst dan uit de staatkunde genomen.” Alsof er betere staatkunde, hoogere staatswijsheid kan zijn, dan zijn vertrouwen te stellen op den Almachtige en Onveranderlijke!
  7. Hofdijk in zijn drama: Alkmaers beleg.

Ingezonden op: 19 July 2001