DE GOEDE RAAD VAN DOKTER GERRIT.


I.

Omstreeks veertien dagen na Vrouwendag van het jaar 1628 werd de felle vorst, die eene wijle had geheerscht, plotseling vervangen door een kouden, vochtigen dooi, die de straten en grachten zóó morsig maakte en zóó ledig van voetgangers, als dat in het Amsterdam van de 17de eeuw mogelijk was. En sinds wij weten, hoe die straten zijn kunnen nu nog in onzen tijd, na twee eeuwen van vooruitgang… in… alles? kan men zich een denkbeeld maken hoe ze toen wezen moesten, vooral nu de donzige sneeuwhoopen, door vele dagen sneeuwjacht op ééngetast, — en die intusschen ietwat van hlmne reine witheid verloren hadden — zachtkens oversausd werden door de lauwere droppelen, en onder ’t wegsmelten zich al meer en meer verspreidden en heenvloeiden, waar ze best konden. Het zal dus niemand bevreemden, dat wij den publieken weg als eenzaam en ontvolkt schetsen, zelfs op den vroegen voormiddag, en vooral op die grachten en pleinen, waaraan niet de bedrijvigheid van den handel levendigheid gaf. In den winter en bij gesloten water was het dan ook niet daarvoor het gunstigst oogenblik, hoewel wij het Hollandsch Venetië aantreffen in een tijdperk van zijn weelderigsten bloei, dagen van glans en van kracht, die wij besloten hebben elders te herinneren; dat eischt ruimere plaats dan die ons hier toekomt; maar om niet af te dolen, voeren wij u weêr terug in de ijzige modderplassen, en zoo ik uwe verbeelding genoeg heb geholpen, vergeeft gij het te gelijk, dat ieder t’huis bleef, die niet door volstrekte noodzakelijkheid tot uitgaan gedwongen was; maar onder die gelukkigen behooren te geenen tijde de geneesheeren, schoon ze toen reeds het privilegie hadden van zekere voertuigen, die men koetskens noemde, — zeker om ze te onder scheiden van de prachtige carossen der staatslieden — koetskens, die men niet veel onrecht doet als men ze zich voorstelt onder de gedaante van de rol- en sleepkoetsen, waarvan nog altijd exemplaren in werking blijven te Amsterdam. Een zoo danig voertuig kloste daar nu moeizaam voort door de ongebaande sneeuwmoerassen, beladen met een dier martelaren van de wetenschap en der philantrophie, die zich echter met wijsgeerige rust liet voortkruien, en slechts van tijd tot tijd de losse lederen gordijn, die het portierglas verving, even oplichtte om te zien, wanneer het oogenblik weêr daar zou wezen, dat hij te voet eene wijle die diepten zou moeten doorwaden; want, behalve dat het hem niet gelukken kon zonder dat tot de huizen zijner lijders te naderen, waren er ook stegen zoo eng, dat ze zelfs dit eenvoudig voertuig geen doortocht vergunden, en toch dáár, vooral dáár had men veelal de zorg van den dokter noodig, en deze was niet van hen, die aarzelen zou de zijne te verleenen. Na eenige van die hoofdzetels der armoede en ellende te hebben doorkruist, zag zich onze dokter eindelijk in eene der hoofdstraten gevoerd en was reeds voor een aanzienlijk huis uitgestapt, toen hij een paar huizen verder twee heeren op een stoep zag staan, die hem groetten en tot zich wenkten; zwijgend verzoek dat hij gehoor gaf.

»Eilieve, dokter! hoe gaat het uw patiënt hier in de buurt?” vroeg de één, die de bewoner bleek van het huis waarvoor zij stonden, en waar een vergulde trompet uithing; de andere was een vertrouwd vriend, dien hij zelf uitliet; »het moet er slecht meê staan, sinds we uw koetsken iederen dag hier zien stilhouden?”

»Gij neemt al zoo uwe informatiën niet zelf, heer Verdoes,” vroeg de dokter verwonderd, »ware ’t slechts welstaanshalve?”

»Neen, we houden vriendschap noch buurschap samen; hij en ik lijken den ander niet; wij weten het van elkaar en valsche grimassen strijden met mijn begrip van cordate rondheid. Zeg hoe is ’t, zullen wij hem haast beluiden?”

»Met Gods hulp, neen!” antwoordde de dokter, zijn breedge randen puntigen hoed even oplichtende, ten bewijze dat hij dien heiligen naam uitsprak met eerbied en niet lichtvaardiglijk. »Door zachtkens te gaan komt men er ook, en ik verkies in dit kapitale geval liever dubbele wacht te houden, dan te weinig zorge te nemen. In de laatste dagen ga ik er meest om mij van zijn vorderenden welstand te verzekeren, en de zwakheid te hulp te komen, door omzichtig gebruik van middelen… deze ziekte heeft hem zeer uitgeput en hij is op zijn leeftijd.”

»Wij dachten hem op zijn sterfbed,” sprak Verdoes, »en weet gij, dat gij met die genezing de zaken van stad en religie niet zoo bijster een dienst doet? ”

»Eerstelijk vraagt daarnaar de arts niet bij zijn lijder; maar ik zou daarop niet zoo volmondig »Ja,” durven zeggen, schoon gij weet dat ik in zijne gevoelens omtrent de belangen van beide gansch niet deele!”

»De paskwilmakers hebben welgedaan u onder de wankelmutsen te rangschikken. Ik houde van rechtuit te zeggen: dus versta ik ’t en acht het tegendeel schade. Ik heb het niet op dat Jezuietsche voorbehoud, dat men ook wel Arminiaansch zou kunnen noemen, sinds die beiden toch onder ééne hulk schuilen.”

»Fij! fij! wat eene praat! gij weet toch wel, dat de Burgemeester niet Arminiaansch is.”

»Och, neen! die gaat ook a: meê door voor een gereformeerde, zooals menig ander… alleen weet ge, dokter, dat gij Reinier Paauw vrij onzacht verrassen zult met die wondere genezing, hij hield Geurt ilrksz al vast voor een lijk.”

»Hij zou het ook geweest zijn, zonder behulp der kunst en den zegen daarop uit den Hoogen.”

»Zoo mag hij nog wel den inval krijgen, om ons morgenochtend op den raadhuize met zijne verschijning te komen verrassen!”

De dokter schudde lachend het hoofd.

» Wat zich de vurige staatszorge toch al overdrevene angsten vormt! Zoo wij in ’t beste van den zomer waren, zou ik hem nauw een eersten uitgang vergunnen, en nu! nu! in dit gure seizoen, schadelijker dan winterkoude? Ik zou dol en dwaas zijn, zoo ik dat toestond. Neen, heer en vriend, die komt niet weêr op zijn kussen in het torentje, voor we den Maart achter den rug hebben.”

»Zoo zal ’t ook wel het beste zijn in alle opzichten. Gij weet, er zal morgen een wichtig vraagstuk ter Kamer gebracht worden… ’t zal er duchtig spannen, want wij hebben gansch geene zekerheid, dat wij de sterksten zullen zijn; dus dienen alle vrienden van de ware Kerk en van de goede zaak zich schrap te zetten om die voor te staan met kracht van woord en daad en zonder wankelen!”

Dat laatste sprak Simon Verdoes met bijzonderen klem en den arts wat scherp en beduidend aanziende.

»Ik ook zal morgen op het stadhuis zijn! en hoop u te toonen, heer Verdoes, dat ik mijne plichten kenne omtrent Kerk en stad — en mij daarvan kwijte niet slechter dan van die, welke tot mijn beroep hooren; maar ik heb nimmer gezien, dat heethoofdige overdrijving van ijver zooveel beter eene zaak vordert, dan voorzichtige abelheid,” sprak de dokter vast, maar toch wat gekrenkt door den zweem van mistrouwen, dien men liet doorschemeren.

»Nu wachten de laatsten mij het meest,” vervolgde hij, en met een statigen groet verwijderde hij zich en ging het huis binnen, waar men de deur reeds voor hem geopend hield. Eene gewoonte van de voorgaande dagen volgende, wilde hij rechtstreeks zijn weg nemen naar de bekende ziekenkamer, maar de dienstmaagd, die hem had binnengelaten, zeide:

»In de zijkamer, als ’t u gelieft, heer dokter!” en te gelijk kwam hem uit dat vertrek eene jonge dame te gemoet, die hem inleidde, terwijl zij met opgeruimdheid zeide:

»Mijnheer, oom bevond zich dezen ochtend zóó wel, dat hij niet langer de ziekenkamer houden wilde!”

»Dat is ver gevorderd, mits het niet te haastig gevorderd zij,” sprak de dokter, binnentredende en terstond een bekommerden blik werpende op zijn lijder, die er in waarheid nog gansch niet als een gezonde uitzag.

Dicht gewikkeld in een engen kamerpels van fijn zwart laken, met smal vossenbont omzoomd, kwam de vermagering zijner gestalte sterk uit, niet minder dan de afmatting der trekken van zijn bleek en vervallen gelaat, bij het zwart sagrijnen calotje, dat hem het hoofd dekte en dat, uit ziekelijke gevoeligheid voor koude, dieper in de oogen getrokken was, dan een gezonde dat zou verkozen hebben. De oogen intusschen stonden wel zwak, maar gansch niet dof, en zelfs kleurde een zacht rood van overspanning hem de wangen, toen hij zijn arts zag, en, als te zijner verwelkoming, zich ophief uit den armstoel, waarin hij gezeten was, dicht bij het vuur, terwijl hij zich echter vasthouden bleef aan de houten leuning, hetzij uit behoefte om zich te steunen, of wel uit gewoonte, bij zijn gevoel van zwakte aan genomen.

»Fij! Burgemeester! dit beginnen is wat te roekeloos, vreeze ik,” ving de dokter aan.

»Gansch en al niet, heer en vriend! alleen de been en zijn nog wat slapjes, anders… maar op mijne beurt verwondert het mij van u, dat gij uw wezen zoo strak zet bij ’t begroeten van uw verrezen kranke!” De dokter antwoordde niet, maar bleef ernstig en onderzoekend op hem zien, met een licht hoofdschudden.

»Ik weet wel,” hernam de patiënt, »dat een herstelde kranke geene vreemdigheid kan zijn voor een geleerd en vermaard arts als de heer Tulp — maar toch…”

»Niet iedere patiënt is van zulk gewicht als de heer van Beuningen!” viel deze in, met eene buiging, »en juist daarom is de uiterste behoedzaamheid aan te raden, heer Burgemeester!”

In waarheid, het was de beroemde geneesheer Niklaes Tulp, dien wij tot hiertoe gevolgd zijn; wij hadden hem maar behoeven te beschrijven, en hij zou door u allen zijn genoemd, zonderdat van Beuningen hem noemde. Zijn deftige zwarte mantel, zijn hooge hoed, zijn breede, platte halsboord, zijne zwart zijden beenkleeding, en voornamelijk de trekken van zijn schrander en goêlijk, maar wat melancholisch gelaat, zijn u te bekend dan dat gij hem niet herkend zoudt hebben, want hoewel hij, als vriend en beschermer der kunsten, niet minder goeden rang heeft onder de uitstekendste mannen van zijn tijd, dan als be roemd arts en ontleedkundige, zoo is hij toch het meest, en zelfs door sommigen niet anders gekend dan door eene schilderij: de schilderij van Rembrandt, die hem zoover heeft gebracht als de roem van den kunstenaar zelf, die hem heeft voorgesteld bij eene anatomie-les. En nu, overtuigd dat ieder een hem voor zich ziet zooals hij is, stoor ik niet langer zijn gesprek met den waardigen Burgemeester Geurt Dirksz. van Beuningen.

Dokter Tulp naderde zijn patiënt, voelde hem eenige minuten lang den pols, in diepe aandacht, en scheen toen geruster en meer opgeruimd, terwijl hij zich neêrzette.

»Tot dusver geene koorts,” sprak hij, »ik had er zorg voor; die opgewektheid was mij verdacht.”

»Ei neen! dokter,” sprak van Beuningen vroolijk, »het is ver van koorts, het was maar eene proefneming, waartoe ik reeds gisteravond besloten was.”

»Die proefneming, zonder mijne voorkennis, was toch altijd eene onvoorzichtigheid.”

»Ter contrarie, zij was van goede en wijze voorzorg, als welke gij zelf zoudt aangeraden hebben; het is een zachte overgang van de ziekekamer tot de buitenlucht…”

»De buitenlucht, hoe moet ik dat verstaan?”

»Wel, zooals gij ’t hoort! Ik spreek zelden met woorden die tweeërlei zin hebben. Ik moet morgen uit!’

Dokter Tulp begon te lachen. »Wondere inbeeldingen neemt men toch waar bij zieken!”

»Gij meent, dat herstelden met nieuwen en wonderen ijver vervuld kunnen zijn tot lang verzuimde ambtsplichten.”

»Ah! het betreft ambtsplichten!” hernam Tulp, een weinig kleurende, altijd met dien zekeren glimlach, waarmede men een zieke of een kind eene wijle in een idée fixe voorthelpt, om het later te krachtiger te kunnen fnuiken.

»Voorwaar, gij acht mij toch niet in staat simpelijk tot mijn vermaak iets te doen, dat mogelijk periculeus kan wezen?”

»Gij oordeelt dien inval dus zelf zoo?”

»Een weinig altijd — daarom wilde ik van u de zekerheid van het tegendeel vernemen.”

»Ik kan u maar ééne zekerheid geven, die eener instorting, zoo gij het waagt u aan de buitenlucht bloot te stellen!”

Een luide kreet bij die uitspraak van den dokter ontsnapte aan eene der beide jonge dames, die samen aan eene kleine tafel zaten bij het venster.

»Dat spijt mij!” hernam van Beuningen, »na mijn wel bevinden van de laatste dagen, had ik een ander antwoord gehoopt. Maar het zij zoo! wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen,”

»Zoo houde ik het ook, achtbare heer en ware vriend!” sprak Tulp levendig.

»En daarom ga ik morgen naar ’t stadhuis; volge daarna wat wil, dat ’s Gode bevolen!

»Ik dacht wel, dat het dit zijn zou;” hernam Tulp, »maar nu, heer Burgemeester van Beuningen, mag ik ook niet twijfelen als tot hiertoe, of uwe meening van gaan volle ernst is…”

»Volle, vaste ernst, dat begrijpt gij, dokter; de maatregel, die morgen overwogen moet worden en beslist, is van zulk gewicht, dat ik niet laten kan daarin mede te spreken,”

»Nu! zoo verklaar ik u, als uw arts, ook in vollen, vasten ernst, dat gij het niet doen moogt en niet doen zult, wezende onder mijne behandeling. Waren wij in ’t midden van den zomer, ik zou u een uitgang durven toestaan, maar altijd niet den gang naar het raadhuis, zonderling niet het bijwonen eener raadsvergadering…”

»Zomer of winter; het getijde doet er niet toe, ik dien derwaarts te gaan.”

»Juist dient u dat niet. Eerstelijk het opstaan, vroeger dan gij het in den laatsten tijd gewoon waart, daarop het kleeden, dat geeft vermoeienis, daarbij voegt zich welhaast de overspanning van het loopen en de inademing der vochtige lucht, en eindelijk, wat ik bij uw levendig en prikkelbaar gestel nog het schadelijkste acht van alles de gemoedsaandoeningen, die u wachten; want de beraadslaging kan niet anders dan heftig zijn, en ’t zij de cause, die gij voorstaat, triomfeert of onderligt, altijd zou ’t u geweldig aangrijpen, zonderling bij de ver hoogde gevoeligheid na uwe zware krankte. Ieder mensch van gezond verstand, zelfs geen arts wezende, kan dit inzien, en gij, heer van Beuningen, zijt te veel man van oordeel en wijs beraad, om het niet eerder toe te stemmen dan een ander, zelfs waar het uwe inzichten tegenwerkt!”

»Ik erken, dat ik u geloove… alleen ik zal, ondanks dat, doen wat ik moet. Het is zoo! gemoedsbeweging wacht mij, en sterke zelfs; wij hebben nog niet geleerd met onbewogen geest te beraadslagen, als het hooge belangen geldt, zonderling die der religie; ik weet dus, dat mij het bloed op morgen driftig door de aderen zal bruisen, wellicht tot koortshitte toe, maar, meent gij dan, geleerde heer Tulp, dat ik op morgen hier in mijne kamer blijvende, mijn bed houdende zelfs, als gij ’t verkiest, dáár de ruste zou vinden, die gij voor mij noodig acht, bij ’t weten en overwegen, hoe daarginds in onze raadkamer niemands plaats ledig is, dan de mijne, hoe daar beslist wordt over dat groote vraagstuk, zoo lang reeds hangende gebleven, uit zorge van eene schadelijke uitwijzing, en hoe ik, in stede van daarin mijne stem te brengen aan de zijde, waar ik voor ’t meeste heil der stad het overwicht wensche, en waar dat overwicht hangen kan aan ééne stem, neêrligge en zwijge, het al tot meeste nut van niets beters, niets hoogers, dan mijns eigen lichaams welstand? ik vrage u, wel-geleerde heer, bij uwe menschenkennis, zou die lichaamsruste zooveel baat geven, bij zulke onrust der ziel, als mij onderwijl zou kwellen? Ik wil niet eens spreken van dien gewetenslast, dien ik teffens daarmeê op mij laden zal voor ’t vervolg… meent gij dat, dokter! en durft gij dat volhouden?”

»In trouwe, neen!” hernam Tulp, opnieuw lijn pols vattende, »want reeds de gedachte daaraan beweegt u dus sterk, dat ik vreeze… voelt gij u nog zoo wel als straks vóór mijne komst, toen gij in kalmte daar neêr zat?”

»Veel beter, waarde vriend! veel beter toen was ik in matte onrust neêrgezonken, nauw gezind tot antwoorden op de vragen mijner nichten naar mijn welstand, en nu, nu spreke ik zonder vermoeienis, zonder er aan te denken dat ik iets doe, wat mij straks moeite toescheen.”

En men kon hem aanzien, dat hij waarheid zeide: zijne oogen schitterden; ze schenen grooter dan gewoonlijk, door de sterke vermagering van zijn gelaat, en zijne bleekheid was door een meer levendig rood afgewisseld.

»Zoo moet het u schijnen, dat begrijpe ik,” hervatte Tulp, nu eindelijk zijne hand loslatende, »maar, beste en achtbare vriend, vergis u niet; die overspanning komt u van de koorts. en op haar volgt ontwijfelbaar die verslagenheid, die afmatting, die u wel vanzelve beletten zal datgene uit te voeren, wat gij nu in dezen toestand besluit.”

»Dat besluit staat daarom niet minder vast. Ik zal morgen naar ’t raadhuis gaan, al moest ik er om oprijzen van mijn sterfbed!”

»Het uitvoeren van dat besluit brengt u op het sterfbed, dit zegge ik u als arts, maar daar ik wel zie, dat het gezag van den geneesheer hier niets beteren zal, zoo moet ik u als Christen. als vriend en als ambtgenoot nog ééne vraag doen, die gij mij ten goede moogt houden, en waarop ik u bidde na te denken, al gelieft het u niet er mij op te antwoorden. Gij hebt daarin gelijk, dat eene goede zaak verdedigd en gevorderd mag worden, zelfs met gevaar van dit aardsche leven, alleen men dient zekerheid te hebben, dat die zaak eene goede en Gode welbehagelijke is, die Zijn dienst en eere vorderlijk kan wezen, althans die niet verkorten,… zonder dat, is zulk wagen een roekeloos en ijdel verspillen van ’t kostbaarste goed, dat God heeft verleend, en dat Hij niet verbruikt of verachteloosd wil hebben door Zijne schepselen. En dan vrage ik u, zijt gij in uw gemoed vast overtuigd, vooreerst, dat uwe tegenwoordigheid op het stadhuis volstrekt onmisbaar is, om de kans te doen overslaan naar die zijde, die gij noodigst acht, of dat, zonder uwe tusschenkomst, niet evenwel zijn zou?”

»Ik zou noch het een, noch het ander kunnen zeggen met volkomene zekerheid: alleen dit weet ik, dat een stofken soms den fijnen evenaar doet overslaan, en dat de zwakken en wankelenden onder mijne vrienden en genannen, van mijne kracht meer dan eens hunne sterkte hebben ontleend, en dat het meer hunne flauwmoedigheid is, die ik vreeze, dan het getal onzer tegenstanders.”

»Zoo geve ik u toe, dat uwe aanwezigheid daar eene beslissende daad kan zijn; maar te eer dan moogt gij, naar mij dunkt, daarop achten uwe consciëntie niet te bezwaren met zoo groote verantwoordelijkheid, en daarmede beladen, de kans wagen van een nieuw ziekbed, dat na de krankte, nu zoo pas doorgestaan, een doodbed worden kan. En hebt gij dan, dit overwegende, volle vastheid om te zeggen dat die maatregel, dien gij voorstaat de beste is ter dienste der stad, en daardoor het meest gevorderd zal worden, hare welvaart en de vastigheid der religie meest en zekerst bevestigd door hetgeen de partij, die de nieuwe vrijheden begeert in geloofszaken, op morgen zou willen doordrijven…

»Hierop kan ik met vaste en volle verzekerdheid ja antwoorden!” viel van Beuningen in. »Want voorwaar, ik kan niet aannemen, noch zal het ooit toestemmen, dat belemmering in de vrije oefening der religie de welvaart eener vrije koopstad vordert, of haar groote eere doet; zekerlijk wete ik, dat niets meer strijdig is tegen de beginselen onzer jonge republiek, die, na zelve nu al meer dan zestig jaren den kamp om vrijheid des gewetens te hebben volgehouden, niet allereerst mag aanvangen met de vrijheden te bekorten van anderen, die toch, al schijnt het ons met dolinge, Christus voor Heer erkennen, en de Evangelische wetten beleven; terwijl ten laatste allen, die zich rechtgeloovigen achten, moesten leeren anderen te geven wat zij zelven voor zich begeeren…”

»dat is al goed, maar met die vrijheid, die gijlieden in zulke ruimte aanbiedt, stelt gij niet enkel de poort open voor allerlei onchristelijke vonden en opraapsels, die maar schijn hebben van religie, gelijk ook onze vaderen dat begrepen hebben, die meer gestreden hebben om de zuivering van den waren gods dienst van papistische superstitiën, dan om algeheele vrijheid, die de onbandigheid dicht nabij komt.”

»Het kan wezen, maar zulke banden te stellen strijdt tegen bezworen tractaten, daarvan de handhaving aan den burgerlijken magistraat het allereerst is aanbevolen. Recht en billijkheid vor eren, dat men niet handele tegen het 13de artikel van de Unie van Utrecht, daarbij geloofsvrijheid in de ruimste mate wordt gewaarborgd.”

»Alleen zou ik meenen, dat dit artikel zelfs reeds alteratie en afwijking was, zoo niet van de letter, dan toch van den geest der pacificatie van Gent.”

»Niet vreemd! men heeft in het toepassen al zeer schielijk de belemmering van al te strenge grondslagen ingezien, en wij althans, wij leven in gansch andere tijden, dan die, waarin de verbonden werden geconcipiëerd. en andere tijden brengen andere inzichten aan: alles wat daarbij tot bewaring der zuivere gevoelens in de kerk is bepaald, kwam toenmaals voort uit vreeze en wantrouwen tegen de Roomsche religie, en kan wel niet toepasselijk zijn op de tegenwoordige Remonstranten, zijnde dat treurig verschil in onze kerk toenmaals nog niet gerezen. En daartoe geeft Rotterdam ons exempel om zich van die beklemmende banden vrij te maken, en doet wèl! Eene koopstad wint in bloei bij de grootere ruimte die zij geeft aan opiniën, volgende daaruit, dat de personen, die behoefte hebben aan vrije oefeninge van geloof, of belijdenis van gevoelens, derwaarts heengetrokken worden, met hun handel, bedrijf en fortuin… Rotterdam smaakt reeds de vruchten van haar wijselijk onthouden van ’t afkondigen der plakkaten tegen de Remonstranten, en afgezien van den naijver, dien dat wekken moet bij ons, en van onze verplichting te zorgen, dat wij ons niet laten rooven die kostelijke welvaart, die wij boven andere steden in Holland mogen houden, zoo is het nog daartoe, dat de aard eener handelsstad medebrengt, zoowel omtrent religiebegrippen, als omtrent zeden, gewoonten en tale van anderen toegefelijk te zijn: acht slechts op het voorbeeld van die groote en doorluchte handelsstad Venetië die, hoewel Roomsch-Katholiek en aldus voor zich zelve onderworpen aan den Roomschen Stoel, toch de eerste is geweest in het Zuiden, die tolerancie heeft gebruikt omtrent onze Protestantsche republiek, en met deze alliantie heeft gemaakt en goede vriendschap gehouden, ondanks de vreeze voor de vijandschap van Spanje; bij zulke grondstellingen vaart dat gemeenebest wel, en waarom zou het onze stad slechter gaan bij gelijke vrijzinnige handelwijze?”…

»Waarom? waarom? omdat het onzen poorteren eigen is, niet lauw te zijn voor de eere Gods en des Heeren dienst, en de gezetheid op de ware gereformeerde kerk en zuivere religie is hier te diep geworteld en heeft in de gemoederen door den heeten strijd te groot een ijver opgewekt, dan dat ze datgene met onverschilligheid zien zullen, wat zij achten daarmede strijdig te wezen. Het laatste oproer bij den Montalbaanschen toren. uit oorzaak van onderstelde Arminiaansche oefeningen, moge er ons voor waarschuwen.”

»Noem dat geen religieijver van ware en vrome poorters; ’t was het bedrijf van ’t botte grauw, dat bij oproer niets kan verliezen, en bij opschudding altijd ietwat hoopt te winnen.”

»Te eerder dient men ze aanleiding en voorwendsel te ontnemen, want tolerancie, die zulke tegenwerking heeft, vordert, naar ’t mij dunkt, noch Christelijke liefde en eendracht der burgeren, noch ’t handelsbelang, en een Christelijke Magistraat behoort zulke ongeregeldheden te voorkomen, althans nietwes te doen dat ze uitlokt.”

»Een Christelijke Magistraat is recht en billijkheid schuldig aan alle hare poorteren, en moet die handhaven naar haar beste weten zonder te vragen wat kwaadwilligen daarvan zeggen of rebellen daartegen uitvoeren zullen. Zwakheid ware het, uit vreeze van dien een enkele ietwat minder te doen dan billijkheid vordert!”

»Van een Christelijken Magistraat is toch de eerste en noodigste plicht op de vastigheid en orde der kerke toe te zien, en dolende en scheurzieke luiden gelijke rechten toe te kennen met ware geloovigen, kan haar toch nooit tot eenheid brengen.”

»En zoudt gij achten, dat die eenheid, door dwang daargesteld, en door ordonnantiën gehandhaafd, de echte Evangelische eenheid zou zijn, die de Apostelen prediken? en dat zulke rust, gesteld zij ware mogelijk, beter is dan strijd, die de warmte van den ijver in de gemoederen brandende houdt?”

»Maar strijd kwetst de liefde.”

»De hitte en de bitterheid van den strijd zal verminderen, waar dwang en tegenwerking de gemoederen niet verhit, noch verbittert; het genot dier milde vrijheid zal ze linderen — en al ware dit niet — meent ge, dat uiterlijke vrede, door geweld opgedrongen, niet tot diepen en dompigen haat voert ofschoon door vredige oppervlakte gedekt, terwijl vrije uiting der meeningen voor ’t minst den haat niet laat inkankeren, en dus altijd meer kans laat tot samenbrenging der gevoelens?”

»De wijze, waarop Hanekop die vereeniging heeft willen aanvangen, is toch bijster slecht uitgevallen, en de uiterste lauwheid wekt die openhartige ijveraars, als Smout, die tot op den predikstoel gewagen van ’t inhalen van het Troyaansche alias Arminiaansche paard! ”

»Smout! zoo hij van uwe vrienden is, zegt ’t hem, hij mag zich wachten, dat wij niet te eenigen tijde wijzer handelen dan de Troyers — en het Troyaansche paard, dat alreede binnen is, buiten zetten.”

»Om dus in willekeurige daden vrijzinnige gevoelens uit te spreken?” vroeg Tulp vrij scherp.

»Neen, maar om onruststokers te leeren, dat de kansel geene vrijplaats is, zoo men die gebruikt als leerstoel van rebellie,” antwoordde van Beuningen, niet veel zachter.

»Dus om vromen overijver te straffen als rebellie, en de pestilentie der scheurzucht te verbreiden door hare circulatie te vorderen, zoudt gij het gevaar willen tarten, dat ik u heb voorgehouden! In ernst, bedenk toch wat ge doet, eer ge met die ééne daad ziel en lichaam waagt.”

»Magistraat zijnde, acht ik het mijn post magistraatsrechten te handhaven, en stille, rustige burgers zulke oefening te laten van hun godsdienst als ze naar hun geweten behoefte achten, en wat mij daardoor overkome, zij Gode bevolen, mijn conscië tie zal zuiver zijn.”

»Gelukkig prijze ik u om die vastheid, die ik voor mij zelven nog niet gevonden heb, en toch wenschte ik wel dat gij met die sterkte aan de andere zijde waart, want…”

Dr. Tulp zweeg en liep in de uiterste ontsteltenis op van Beuningen toe, wiens toestand als lijder hij, in ’t vuur van ’t gesprek, geheel scheen vergeten te hebben, zoowel als zijne eigene verhouding tot hem als arts; want zekerlijk, een genees heer van Tulp’s kunde en voorzichtigheid zou den man wien hij zelf tegen gemoedsaandoening had gewaarschuwd, niet tot die zelfde overspanning en opwinding hebben opgevoerd, die hij hem als zoo gevaarlijk had afgeschetst, zoo hij zich niet onwillekeurig had laten wegslepen door zijne eigene belangstelling in de zaak, toen die eens het onvermijdelijk onderwerp van hun gesprek was geworden: maar op vreeselijke wijze werd hij aan zijne verplichtingen herinnerd, wat van Beuningen, die meer dan eens van kleur had gewisseld, maar toch, nog altijd zittende, met eene zekere bedaardheid had gesproken en toegeluisterd, was onder het wisselen der laatste bittere gezegden opgestaan — wellicht zonder ’t zelf te weten en zonderdat zijn dokter het opmerkte — had al meer en meer met opgewondenheid gesproken, altijd het vertrek met driftige, maar wankelende schreden doorkruisende, werd nu eindelijk, terwijl Tulp sprak, als door duizeling bevangen, trachtte met moeite zijn armstoel weêr te naderen, doch voórdat hij dien bereikt had, verloor hij zijn evenwicht en zijne bewustheid, en zou zijn neêrgevallen, zoo de dokter niet schielijk was toegetreden, en hem in zijn krachtvollen arm had opgevangen. Van dat oogenblik af was hij weêr geheel de arts, hielp den lijder tot zich zelf brengen, schreef de noodige middelen voor, maar kon zich toch niet onthouden bij het heengaan in eene soort van zegepraal te zeggen: »Ik zal nu wel niet meer noodig hebben mijne vermaning omtrent het t’huis blijven aan den heer van Beuningen te herhalen; deze bezwijming was als eene waarschuwing en voorspelling tevens van wat morgen zou kunnen plaats hebben, zoo mijn raad werd veronachtzaamd.”

De patiënt zuchtte en antwoordde niet, maar toen de dokter vertrokken was hief hij zich een weinig op uit de kussens, waarmede men hem nu had omschanst, en sprak toen met eene matte stem:

»Zou ik het moeten opgeven, kinderen! zou ik?” Dat was gericht tot de beide jonge vrouwen, die bij het bezoek van dokter Tulp waren tegenwoordig gebleven en die met hooge belangstelling en innige deelneming den loop van den redetwist hadden gadegeslagen, zelfs van tijd tot tijd, als wij reeds aan gaven, door een uitroep, een woord of een zucht de gewaar wordingen, die daaronder bij haar werd opgewekt, uitdrukkende. Het waren de beide nichten des heeren van Beuningen; de oudste, gehuwd met Mr. Daniël Mostert, Secretaris van Amsterdam, stond in gevoelens geheel aan de zijde van gemaal en oom; de jongere, Francina, was nog eene jonkvrouw in teêre jeugd, en… maar van haar zullen wij terstond meer hooren.

De kleeding dezer dames was, zooals het vrouwen van haar rang en leeftijd voegde — alleen ditmaal stemmig en zonder eenigen opschik, daar zij in huis waren ter verzorging van haar bloedverwant.

Toen deze haar toesprak, stonden zij ieder aan eene zijde van zijn armstoel, met teêre bekommering op hem ziende.

»Zoo zoudt gij het gewonnen hebben, Francijntje, mijne lieve!” ging hij voort, zacht en weemoedig op deze ziende, »want immers, zoo ik wel heb gezien, was het uw geheime zielewensch, dat ik morgen niet naar het raadhuis zou gaan?”

Het meisje bloosde sterk en kreeg tranen in de oogen.

»Och oom! oom! gij weet zelf, wat er voor mij aan hangt, doch dit weet God! dat ik u liever morgen in volle kracht en gezondheid naar ’t stadhuis zag gaan, dan u dus te zien zitten als een verwezen mensch.”

»Ik dank u voor dat woord uit uw goed hart! mijne liefde; en de Heer zullen ’t u loonen; maar ik acht mij nog gansch niet verwezen, omdat de dokter den wenkbrauw wat fronst en een bang gezicht zet.”

»Mocht dit maar niet eene instorting zijn!” sprak vrouwe Mostert.

»En dat juist nu wij hem behouden achtten,” voegde hare zuster er bij.

»Ei neen! Ei neen! het kan wel een kwaad verloop zijn van ’t oogenblik en niets meer; ik voel al dat ik weêr bekom.”

»Het kan ook wel wezen, dat dokter Tulp vandaag wat door te donkeren bril ziet,” sprak de oudste nicht nadenkend, »en dat, als gij van nacht wel geslapen hebt…”

»Gij vat mijne meening, Elizabeth! als ik wel geslapen heb, zal ik morgenochtend licht nog vaardig zijn om te gaan waar ik wil, en waar hij mij liever niet zag!”

»Beware ons!” riep Elizabeth! »neen oom! hoe groote vreugd het Daniël ook geven zou u te zien, door uwe stem de beklemde vrijheid stijvende… toch zoude hij noch ik, om al de wereld, toestaan, dat gij iets schadelijks tegen uwe gezondheid gingt ondernemen. Ik meen alleen, dat de dokter voor heden uw staat wel te zwaar kon voorstellen! hij heeft er zijne redenen voor!”

»Ja, de dokter overdrijft!”

»Dat geloof ik ook,” riep Francina, meer opgeruimd; »maar toch niet gaan, lieve oom! dat bidde ik u, niet gaan!”

»Arm kind! hoe ge naar de zijde der harde rechtzinnigen gedragen wordt op de zachte vleugelen van Amor!” glimlachte van Beuningen.

»Neen oom! wil dit van mij gelooven, ik zeg het niet uit eigenbaat, schoon ’t waar is, dat Mr, Remier Paauw het met een zwaar woord verzegd heeft mijne hand te vragen van u voor zijn zoon, zoo gij hem tegen waart m deze zaak; dag hij Adriaan, die zoo’n overbekwame jonkman is, liever als supercarga naar de Oost zou zenden!” en het meisje weerhield hare tranen niet langer, door het uitspreken van die bedreiging ontlokt.

Arm kind,” sprak van Beuningen meêwarig, »en de oude Reinier is wel de man om te doen of liever te laten wat hij heeftgezegd, maar toch zult gij ’t mij vergeven ” niet waar zoo ik het belang van stad en staat boven het uwe kies, en toch morgen ging?”…

Francina had te veel de overtuiging, dat hij dit niet zou kunnen doen, om door een onoprecht antwoord meer moed en meer vaderlandsliefde te huichelen, dan zij werkelijk in zich voelde; zij zweeg dus -- waar hare zuster sprak: .

»Luister, oom! zoo wij u een uurtje of wat alleen lieten, zoudt ge licht den sluimer vatten, dat u goed zou doen.”

»Ik zal toch niet rusten vóór ik zekerheid heb over mijn, toestand,” Maar de jonge dames vonden het raadzaam hem de mogelijkheid te laten eener proeve, en zij verlieten hem.

Toch vond van Beuningen geene ruste.

»Tulp overdrijft! Tulp overdrijft!” riep hij gedurig, »ik zeg niet dat het met opzet is, maar hij ziet, wat hij wil zien, hij acht voor mij schadelijk, wat hij schadelijk acht voor zijne partij; ik gevoel mij beter dan hij zegt mij te bevinden, en zelfs nu ik bekomen ben van die flauwte, schijnt mij de koorts geweken, die hij had voorspeld! Ik moet een onpartijdige raadplegen… ik moet het! maar wien… wien kan ik vertrouwen? wie zal zich laten vinden belangeloos en moedig genoeg om de ronde waarheid te zeggen?” Daarop bleef hij eene wijle nadenkende en riep eindelijk: »ja, die! die zal het zijn!”

Daarop schelde hij,

Zijne oudste nicht trad binnen.

»Elizabeth, laat er om dokter Gerrit gezonden worden!’


Ingezonden op: 19 July 2001