DE GOEDE RAAD VAN DOKTER GERRIT.


III.

Wij zijn weêr in de zijkamer bij Burgemeester van Beuningen. Men begrijpt, dat daar in die twee of drie uren niets veranderd is; slechts branden er kaarsen op de kroonluchter en op de zilveren kandelaars op de tafel, en heeft de zieke zijne kussens laten wegnemen; hetgeen maakt, dat hij wel wat dieper neêrgedoken zit in zijn wijden armstoel.

Dokter Gerrit wordt aangediend en treedt binnen. Het is reeds gezegd, zijne verhouding tot een van Amsterdam’s eerste regeeringspersonen was eene andere dan die van zijn collega Tulp, die als lid van den raad in van Beuningen een gelijke groette, als vriend gemeenzaam met hem omging, en als arts zelfs den toon van een meerdere aannam.

Dokter Gerrit was nog in het onzekere, hoe hij hier binnenkwam: als geneesheer of als gedaagde, en hem paste dus geene andere houding, dan die van ernstigen eerbied, hoewel zich toch daaronder mengde dat fiere zelfgevoel, dat eer terughouding werkt dan aanmatiging, en die zekere schuwheid die ontstaat uit disharmonie van stand en toestand. Dokter Gerrit boog zich dus dieper bij zijn groet, en boog zich, als gebruikelijk was, meer dan eens; maar toen hij zijn hoofd ophief, lag er niet op zijn gelaat de vleiende glimlach van een hoveling, die zich gunst wil winnen, maar integendeel iets stroefs en zwaarmoedigs, dat niet voor hem moest spreken. Toch was zijn voorkomen ver van onbevalig te zijn. Zijne gestalte was rijzig en slank, de trekken van zijn gelaat fijn en edel, groote donkerblauwe oogen vonkelden van vernuft en diep gevoel; slechts waren ze wat diep ingezonken voor zoo jeugdigen leeftijd; ook was het voorhoofd meer gegroefd en de wangen matter en bleeker, dan men het bij een gelukkige gewacht zou hebben. Hij droeg dus ondanks zijne voorzorg het stigma van zijn martelaarschap; maar aan de fijne sterk blonde haren, die in menigte van vroolijke lokken over den platten halskraag nedervallen, zoudt gij het niet zeggen, hoe menige sombere gedachte de kruin heeft doorwoeld, die ze dekken. De kleeding was onberispelijk, zooals men dat wachten kan van iemand, die het recht niet heeft op dat punt onverschillig te wezen, wel zonder opschik, maar keurig, van de fijne witte handlubben af tot op het zwart fluweelen wambuis, en de koralen kwastjes van den halskraag toe.

»Verheugd u te zien, heer dokter,” sprak van Beuningen, hem minzaam groetende.

Dokter Gerrit boog zich opnieuw. Hij begreep dat het niet aan hem was om de eerste vraag te doen. Van Beuningen vergiste zich in dit zwijgen en in de oorzaak van het stroeve uiterlijk, want hij zeide:

»Gij hebt recht u ietwat verrast en licht wat gestoord te toonen over dit onvoorbereide opontbod… doch als ik u de reden zal gezegd hebben, zult gij die, meen ik, wichtig genoeg achten.”

»Ik geloof die te weten, achtbare heer!… ik vrees maar al te zeer, dat ik dit opontbod danken moet aan dominus Soeterbeck.”

»Gij hebt recht! aan dien dank ik het, dat ik op u heb kunnen denken. Van uwe conditie en religie was ik sinds lang onderricht; dokter Tulp heeft mij meer dan eens uwe bekwaamheden geroemd.”

Dokter Gerrit boog zich, sterk kleurende. Van Beuningen vervolgde: »maar van uwe tolerancie heeft Soeterbeck mij onderricht.”

Dokter Gerrit herhaalde wat verlegen: »mijne tolerancie? Vergeef mij, Burgemeester! ik moet dit voor ironie nemen, want ik begrijp niet…”

»Hoe die man haar prijzen kon, niet waar? dat was ook zijn oogmerk niet, Integendeel, gister of eergister is hij hier geweest — met vele redenen breed uithalende van eene slechte receptie, die gij hem zoudt hebben aangedaan; maar ziende, dat ik al zoomin gezind was Lutberscbe proselietmakerij te handhaven, als onnoozele Remonstranten te vervolgen zonder oorzaak, begost hij zijne aanklacht zachtjes aan in te palmen, en sprak van uwe vrijzinnigheid, van uwe opgeklaarde denkbeelden, en hoe gij, eene Lutbersche vrouw getrouwd hebbende, met deze wist te leven in gansche eenigheid en liefde, zonder daarom eigene geloofsbegrippen op te geven, daaraan vasthoudende zelfs tot verwaarloozing en groot nadeel van uwe tijdelijke belangen.”

Dokter Gerrit kleurde sterk en fronste de wenkbrauwen. Hij kon niet ontkennen, hij wilde niet toestemmen.

»Ik begrijp niet hoe men religiebelangen dus schendiglijk kan vermengen en samenknoopen met wereldsche,” hernam hij strak.

»Magistraat zijnde, is men gehouden die zaken anders te zien, maar dit woord van u, mijn jonge vriend, is een wijs, een nobel woord, en versterkt mij in het goed gevoelen, dat ik na diens mans spreken van u had opgevat, en dat er mij toe bracht van u een dienst te vragen.”

»Schoon ik niet gissen kan, waartoe ik U wel-edele van nut kan zijn, groot achtbare heer, spreekt het vanzelve dat ik mijn persoon te uwer beschikking stel. ”

»k heb alleen uw goeden raad noodig, mijn waarde dokter. ”

»Als geneesheer?”

»Als geneesheer.”

»Maar… verontschuldig de aanmerking… ik vermeende dat dokter Tulp de eer had U wel-edele in die qualiteit te dienen… en u nog onlangs bij eene zware ziekte heeft behandeld.”

»Zoo is het ook en juist daarom acht ik noodig u te raadplegen.”

»Maar mij dunkt het kan niet anders, of de heer Tulp heeft u met trouwe en bekwaamheid bijgestaan… in ’t eind, naar ’t mij toeschijnt, zijt gij herstellende, en ik moet u dus bidden wel te overwegen, hoe een man van die vermaardheid het nemen zal, als hij zich, na dit alles, vervangen ziet door iemand, jeugdiger in de praktijk dan hij en die, zij ’t niet als. leerling, dan toch uit zucht naar kennis, meermaen zijne chirurgicale lessen heeft bijgewoond. ”

»Hij zal alleen kunnen zeggen, dat ik mij altoos bij zijne voorschriften houde, sinds hij mij u wellicht uit die oorzaak als een zijner kundigste collega ’s heeft geroemd.”

»Voor mij eene reden meer, om niet tot verkleining van zijne eer met die aanprijzing winst te doen.”

»Ik vrage u, verkleint dat zijne eer? Zoo ik mijn vertrouwen schenk aan wien hij aanprees?“

»Het belieft uwe Achtbaarheid te schertsen; ik moet het in ernst nemen, en zeggen, dat eerlijkheid en trouw mij verbieden zouden, ieder ander collega op zulke wijze in den weg te gaan, maar dat ik het nog daar te boven eene schromelijke onvoorzichtigheid zou achten, en geen geringer blijk van mijn eigenwaan, zoo ik zulks ondernam tegenover een man van dok ter Tulps uitstekende geleerdheid en ondervinding.”

»Gij zijt wel uiterst nauwgezet, mijnheer,” antwoordde van Beuningen, zijn goedig gelaat tot strengheid plooiende, »en minder inschikkelijk voor een regeeringspersoon uit uwe stad, dan voor een blinden Leidschen wever, van wien wij weten, dat gij hem voor oogarts gediend hebt zoowel als voor geneesheer, en misschien nog wel als armverzorger daar te boven, al hetwelk moeielijk is toe te schrijven aan religieijver, sinds die man hier bekend stond voor een harden Gereformeerde. Hierna is het nog meer vreemd, dat ik niet eens uw dienst als arts verkrijgen kan.”

»Met uw verlof, heer Burgemeester, dat was gansch een ander geval: dien man vond ik zonder hulpe en zonder middelen, om zich anderen raad te verschaffen dan den mijnen, dien ik hem Godswil verleende — daarbij, wie zou zich bekommerd hebben om de winst of ’t verlies van zulk een patiënt? terwijl U edelachtbare zelf kan oordeelen, hoe uwe plotselinge verwisseling van arts groot opzien moet geven.”

»Nu dan, om u gerust te stellen, aan zulke verwisseling denk ik op ’t oogenblik ook niet. Wat ik van u verlang is alleen een enkele goede raad, en schoon ik weet dat het niet der doctoren gewoonte is dien zoo te geven, wilde ik u bewijzen dat ik bereid was Tulp op te offeren, zoo gij tot uwe satisfactie die verwijdering noodig hadt geacht. Overigens heeft deze heimelijke raadpleging achter mijn gewonen medicus om. wichtige oorzaken, die ik u straks zal uiteenzetten, en geloof dit eene, dat ik mij in dezen niet aan u zou wenden, zoo ik in u niet den eerlijksten, kordaatsten en onpartijdigsten van uwe collega’s had vermoed en gevonden. Aarzelt gij nog na deze verklaring?” En van Beuningen stak dokter Gerrit de hand toe en toen deze haar vatte met het woord:

»Ik ben te uwer dispositie,” drukte hij die met hartelijkheid; zij waren wederzijds van elkanders hoogachting verzekerd.

Dr. Gerrit zette zich, en vroeg omtrent welk punt men zijne beslissing wenschte.

»Eenvoudig hierin, of gij het geraden acht dat ik mij morgen naar het raadhuis begeef?”

»Wat oordeelde de heer Tulp daarin? hij is beter dan ik bekend met uw gestel, den aard en ’t beloop uwer ziekte; ik dien zijne uitspraak te kennen en te wegen, schoon ik niet ge houden ben daarnaar de mijne te regelen.”

»Hij dreigt met instorting en al de gevolgen van dien, zoo ik het wage mij aan de lucht bloot te stellen, maar ik heb alle reden om te gelooven, dat hij dit vonnis heeft gesproken meer met den mond van den staatsman dan van den geneesheer ik misken zijne bekwaamheid niet, ik heb geen recht zijne goede trouw te verdenken, maar… hij is hier niet onpartijdig en zich zelf misleidende, kan hij mijn toestand zien meer uit dat oogpunt, waarbij hij het meeste belang heeft en zooals hij dien het meest wenschte te zien, luister ,” en van Beuningen deelde hem de redenen mede van die verdenking, en te gelijk het groote gewicht, dat hij zelf hechtte aan zijne tegenwoordigheid op het stadhuis, en den waarschijnlijken val of zegepraal der vrijzinnige regeeringspartij, die daarvan afhing. Nadat hij die ophelderingen had aangehoord, begon dokter Gerrit zijn onder zoek als geneesheer, en toen hij ook dat met angstvallige nauwgezetheid had volbracht, bleef hij eene lange poos zitten, in diep nadenken verzonken.

Men moet bekennen dat zijn toestand moeielijk was. Niet om dat zijne uitspraak wellicht den evenaar zou doen overslaan naar eene van de beide Protestantsche partijen, over wier rechten en eischen hij nog niet had nagedacht, want hij had alleen te beslissen of de stap, dien van Beuningen wilde doen, een gewaagde was, al of niet; maar juist dit moest hem omzichtiger maken. Tulp besliste schielijk, omdat er in hem, voorbewust of niet, eene bijgedachte heerschte, die het hem als dubbelen plicht voorschreef, den vriend en den regent beide eene verkeerde handeling te besparen — maar dokter Gerrit had geen prikkel, die hem zoo snel tot een vast besluit kon brengen, maar wel vele redenen van aarzeling. In ’t eind: deze raadpleging kon niet geheim blijven, vooral niet zoo hij ried in tegenspraak met Tulp, en zoo die raad eene slechte uit komst had, dat altijd mogelijk was. Tulp was eerlijk man, kundig arts, sinds jaren vertrouwd met het gestel van van Beuningen, en had zeker met fijnen blik en scherpziende belangstelling diens laatste ziekte gadegeslagen; deze man nu had geoordeeld, dat het gaan en het zijn in de raadsvergadering hem ter dood toe gevaarlijk kon worden, en hij, de vreemde, de jongere, niet door zooveel ervaring geleerd, kon verkeerd zien, waar hij dacht het meest scherpzichtig te wezen; de uitkomst kon eene noodlottige zijn en wee dan het geroep, dat over hem uit zou gaan van beide partijen, om niet te zeggen, hoe hij zelf het leven en den welstand van den waardigen, edelen en schranderen regent op hoogen prijs stelde en zijn verlies of tijdelijke teruggang in gezondheid als een zware last op zijn geweten zou gevallen zijn. Het is zoo, bij een goeden uitslag zou zijn triumf groot wezen, maar zeker niet in evenredigheid van zijne beschaming, bij het tegendeel. De voorzichtigste raad scheen dus de wijste, en bij instemming met een geneesheer als Tulp kon hij ruste hebben, en gelijk juist het gemis van die onafhankelijkheid, die zoo vrij maakt en zoo krachtig, hem kiescher en schroomvalliger had gemaakt, om eene taak te aanvaarden, die den schijn van intrige op hem laadde; gelijk hij lang had geaarzeld, waar een Tulp of Duarte geen oogenblik zich zouden bedacht hebben wat te doen, evenzeer kon de goede dokter Gerrit nu niet uitspreken, wat hij dacht en meende — niet snel genoeg woorden vinden, die uitdrukten wat er bij hem omging.

Al peinzende had hij alles rondom zich vergeten, zelfs de tegenwoordigheid van het voorwerp zijner overwegingen. Hij was opgestaan, en liep in gedachten het ruime zijvertrek des Burgemeesters op en neêr, als ware hij in zijne eigene studeerkamer. Hij mompelde binnensmonds, en op eens meende van Beuningen, die met angstig ongeduld zat te wachten, doch door een bewijs van ongeduld zijne overweging niet durfde storen de afgebrokene woorden te onderscbeiden:

»Hij kan gaan — het is vreemd — hoe een man als Tulp het gaan heeft kunnen afraden. En dan een geneesmiddel te geven, dat eer onderdrukt dan opwekt! maar het gaan zelf… kan goed doen… ik houd mij verzekerd dat…”

Op eens stormde van Beuningen op hem toe, en riep uit:

»Ik heb het verstaan, ik weet het, voorzeker, gij acht het mogelijk dat ik gaan kan zonder ongeval!”

»Heb ik dat gezegd? ik wil, ik kan niet — met zooveel vastheid verzekeren…”

»Gij kunt niet herroepen, gij moogt het niet — ik heb het gehoord en ik geloof u!”

»Nu ja dan! ik heb het gelegd en ik wederroep het niet schoon ik daarbij eene groote verantwoordelijkheid op mij neme; mogelijkheid van instorting blijft altijd voor een zieke waar zelfs een gezonde ziek kan worden door geringe oorzaak: daarom zou ik in een gewoon geval liefst en eerst tot de grootste omzichtigheid raden, maar het belang der openbare zaak, gewogen tegen eene kans van schade, die ik althans niet uit een voor afgaand verschijnsel zou durven voorspellen, mag ik zeggen: ga. Het meest scheen de heer Tulp voor u te vreezen te sterke gemoedsbeweging in eene stormachtige raadsvergadering… maar zouden in het korte tijdsbestek, dat zulke beraadslaging duren kan, er u meerdere en meer strijdige kunnen bejegenen, dan die u dezen ganschen dag door geslingerd hebben? en toch erkent gij u nu beter te bevinden dan dezen ochtend hetgeen mij bevestigt in mijne opinie, dat gestellen als het uwe niet te streng in te doffe traagheid kunnen neêrgedrukt liggen, zonder grooter nadeel voor de gezondheid der ziele, dan de voorbijgaande vermoeienis des lichaams aanbrengen kan. Blijft de vreeze voor den invloed van de vochtige en gure buietnlucht die door geen maatregel volstrekt kan afgeweerd worden.‘

»Maar in trouwe dokter! meent gij dan dat ik niet een een kleinen last zou willen lijden, noch mij blootstellen aan eenige schade — ter wille van zoo hooge plichten. Ik wilde alleen weten of het vervullen er van mij zekerlijk ter dood toe schadelijk zou zijn, want hoewel ik mijn lijf als mijn leven veil heb voor het gemeen belang van onze goede en. groote stad, zoo ben ik toch tot de overweging gekomen, dat ik geen recht heb roekeloos te zijn met beide, maar tusschen dit of de geringe overlast van wat koude…”

»Vergeef mij, heer van Beuningen, ik mag niet vragen wat gij lijden wilt; ik kan alleen vragen wat u zou kunnen overkomen en dit overwegende durf ik nogmaals zeggen: ga!”

»Dat is een goed, dat is een treffelijk woord, dokter! dat gij daar zoo volmondig spreekt, en in naam van velen dank ik u er voor; om van mij zelven niet te spreken, hoe ik u dien dank zal bewijzen.”

»Vooreerst door mij aan te hoor en en zonder tegenspraak mijn voorschrift te volgen!” viel dokter Gerrit in, die niets zoo zeer vreesde dan door ontijdige aanbieding gekwetst te worden. »Den raad gaf ik als arts! in de uitvoering er van zou ik, om mijne verhouding als collega tegenover Tulp, eenige circonspectie willen gebruikt hebben. Gebruik vrij de middelen van dokter Tulp; zij zullen u voor heden geen goed doen, maar zij zijn geschikt voor datgeen wat gevraagd wordt; zij doen niets, en uwe herstelling is op eene hoogte, waarop de natuur liefst en best alleen werkt. Dus niets tegen den wil van uw gewonen dokter gedaan hebbende, kunt gij zijn bezoek morgen gerust afwachten.”

»Daar zal ik mij wel voor hoeden. Hij zou morgen, vóór hij naar ’t stadhuis ging, nog even bij mij aanrijden, zeker om te zien of ik mij aan zijn raad gehouden had, en dien nog voor ’t laatst aanbevelen, hij moet mij dus niet meer vinden…”

»Hij moet u wel vinden. Alleen… gekleed, en gereed als iemand, die op het punt staat uit te gaan; gij zegt hem, dat gij u wel bevindt en… zoo hij u dan het gaan in de winter lucht opnieuwafraadt, dat hij zeker zal doen, zegt gij eenvoudig, dat gij met hem op zult stappen in zijn koetsken. Zoo ik den heer Tulp wel ken, zal hij glimlachen, zich overwonnen geven, en alle vrees voor onlust tusschen u beiden, en van verdenking of misverstand mijner intentiën tusschen hem en mij, is daarmede voorkomen, en dit halfuur tusschen ons is een simpele vriendenraad geworden, krenkt niemands eer en rechten, en blijft tusschen den heer van Beuuingen en dokter Gerrit.”

»Top! daar blijft het bij? Nooit sprak een man wijzer en zoeter taal voor mijn oor!” riep van Beuningen vroolijk, dokter Gerrit de hand reikende. Tulp zal verslagen wezen, en toch geen recht hebben tot klagen…”

»Mocht verders, dat God verhoede, mijn raad eene slechtere uitkomst hebben, dan mijne kunst heeft kunnen voorzien, zoo ben ik dáár, om rekenschap te geven aan dokter Tulp en aan allen, van de gronden waarop ik dien gaf, en hierop mag ik mijn afscheid nemen, is het zoo niet?…” vroeg hij met eene zekere beduiding, die van Beuningen zeer goed begreep, want hij liet hem gaan, terwijl hij, hem naziende, binnensmonds sprak: »Toch zult gij mij niet ontsnappen, nobele man! toch zien wij elkander weder.”


Ingezonden op: 19 July 2001