HOE MARIA DE MEDICIS NAAR BLOIS VERTROK

HISTORISCHE SCHETS.


»Bid God om mijn lang leven, mevrouw! want die ondeugende jongen zal u slecht behandelen als ik er niet meer zijn zal,” had Hendrik IV eens tot zijne gemalin gezegd, toen zij zich teweerstelde tegen de duchtige kastijding, die de Koninklijke vader noodig oordeelde zijn oudsten zoon met eigene hand toe te dienen, gedachtig aan de vermaning van Salomo: »Wie zijne roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.” En de oorzaak waarom de Bearnees herhaalde malen de roede had opgenomen, was voorwaar eene zulke, die geen verstandig vader; hoe goedertieren ook, behoort te overzien of ongestraft te laten. De jonge Dauphin had blijken gegeven van een boozen, wraakzuchtigen aard en van lust tot verfijnde wreedheid, die zeer onheilspellende symptomen waren in een toekomstigen koning. Maria de Medicis had in deze verschijnselen niets willen zien dan kinderspel, en had zich met tranen en heftige woorden gesteld tusschen den vader, waar hij wilde straffen, en den kleinen deugniet, die de kastijding verdiende, minder uit liefde tot den oudsten zoon, die haar troetelkind niet was, dan wel uit dwaze moederlijke weekhartigheid en die zekere zucht om haar gemaal tegen te stribbelen, waaraan zoo menige vrouw, die God niet vreest, zich naar hartelust overgeeft. En hoewel Maria de Medicis in menig opzicht bewezen heeft eene bigotte vrouw te zijn, eene godvreezende vrouw was zij niet, niet in dien zin althans, dat die vreeze Gods bij haar het beginsel was van alle wijsheid en dien invloed oefende op haar hart en wandel, die het onmisbaar gevolg behoort te zijn van ware godsvrucht.

De zwakke moeder zou eenmaal den vollen last dragen van hare dwaasheid en schuld. Zoo zij werkelijk met volkomen oprechtheid om het lange leven van haar gemaal heeft gebeden, hetgeen men betwijfelen kan, is dat gebed althans niet verhoord geworden; getroffen door den dolk van Ravaillac, stierf Hendrik IV een overhaasten en onnatuurlijken dood, en zijne gemalin zag zijne dreigende voorspelling in vollen omvang aan zich zelve bewaarheid. Mogelijk had zij toch nog veel kunnen doen en veel kunnen nalaten, om de vervulling dier profetie af te wenden. Voogdesse van hare kinderen, regentesse van het rijk in naam van den minderjarigen Koning had zij het, menschelijkerwijze, in hare macht gehad zich eene goede toekomst te verzekeren, door zich een recht te verwerven op de dankbaarheid, op de hoogachting, op de liefde van den jeugdigen vorst, en aanspraak tevens op de dankbaarheid. op de liefde, op de hoogachting van geheel zijn volk. Zij had daartoe niets meer, maar ook niets minder moeten doen dan getrouw te zijn aan haar plicht als moeder, als vorstin. die van haar eischte met verstandige, onverpoosde waakzaamheid toe te zien op de verdere voltooiing der opvoeding van den jeugdigen Koning, strengheid te oefenen, waar de bedorven natuur moest gebreideld worden, of door den milden invloed der liefde te laten gelden, waar zijn hart zich ontvankelijk toonde voor zachter leiding. Door met de rijke hulpmiddelen, die der koninklijke macht ten dienste stonden, te werken aan de beschaving, de versiering van zijn geest, door hem te omgeven met alles wat hem liefde en lust tot het goede, het schoone kon inboezemen, zijn stug gemoed kon verzachten, zijne natuurlijke gebreken kon wijzigen en afstompen, met één woord, door niet te verzuimen om zijn hart en karakter te vormen, zooals die voor het ware belang van Frankrijk meest dienstig waren gevormd en ontwikkeld te zijn. Zoo Maria de Medicis dit ondernomen had, kon zij zich bedrogen hebben in de middelen, kon zij gestruikeld hebben of gefaald bij de toepassing, maar reeds de poging zoude haar tot eere hebben gestrekt, zoude haar zeer zeker ten goede zijn gekomen in de waardeering van haar zoon, als hij man was geworden, en in de schatting van zijn volk, als zij het regentschap zou neerleggen, zoo deze zich des ondanks onnatuurlijke zoon had betoond, maar niets van dat alles werd door haar beproefd; de toekomst van millioenen was voor een menschenleven in hare hand gelegd, zoowel als haar eigen lot, en zij verzuimde op dit alles acht te slaan, zij, de vrouw, die toch scherpzinnigheid genoeg bezat om de geheime wegen der staatkunde te volgen en te doorzien, en schranderheid genoeg, om de kunstgrepen der diplomatie te verstaan en te oefenen, zij scheen niet verder te zien dan hetgene voor oogen was, dan den oogenblik die voor haar lag, waar het zóó groote belangen, zoo hooge plichten gold.

Neen, het was niet uit kortzichtigheid, het was niet uit onnadenkende zorgeloosheid, dat zij die plichten verachteloosde, die belangen scheen voorbij te zien, het was erger dan dit alles, het was opzet, het was omdat zij zich verlokken liet door de berekeningen eener booze, zelfzuchtige staatkunde. Onvrouwelijke passiën bezielden haar. Dorst naar ijdele glorie, misplaatste eerzucht en een brandend verlangen om te heerschen en zich met de staatszaken te bemoeien, hadden haar reeds bij het leven van haar gemaal verleid tot stappen, die Hendrik IV in de verplichting brachten »tot haar te zeggen: »Meslez vous de faire bonne chere, vous aurez tous les plaisirs et délices que sçauroit demander Royne de France, mais des affaires d’estat, je vous prie et vous commande de ne vous en mesler pas!” (*) Op deze wijze door de vaste, mannelijke hand des Konings ter zijde gezet, waar zij eene rol wilde spelen buiten haar kring, zag zij in het Regentschap, dat haar zoo onverwacht toeviel, niets anders dan de schoone gelegenheid om zich van die terugzetting te wreken, en zij was gehaast zich over te geven aan de genietingen der heerschappij, waarvan zij zich zoo noode had zien spenen. En wat zij met zooveel blijde drift had aanvaard, was zij ook niet voornemens gereedelijk af te staan. De wet van het Rijk ontsloeg den negenjarigen Koning van hare voogdij op zijn veertiende jaar, zij wist het en kon er zich niet openlijk tegen verzetten, maar zijne onmondigheid te rekken tot òver de uiterste grens, door hem in onkunde te laten opgroeien, en niets te doen tot zijne vorming en voorbereiding voor de hooge bestemming waartoe hij geroepen was, hem voortdurend ongeschikt te houden om de teugels van het bestuur op te vatten, om die zelve te vaster in handen te kunnen houden, dit was de afschuwelijke bedoeling waarnaar zij handelde, bij die heillooze verwaarloozing van de opvoeding haars zoons. Lodewijk XIII, onbekwaam voor het regeeringswerk, ongeschikt zelfs om eene waardige koninklijke houding aan te nemen in zijn eigen hofkring, zou van knaap jongeling, van jongeling man kunnen worden, zonderdat de lust of de moed tot zelfregeering in hem ontwaakte, en waar zijne moeder hem eerlang den titel van regeerend Koning van Frankrijk zoude moeten toestaan, daar zou de regeerende Koning toch feitelijk onder hare afhankelijkheid blijven, ware het niet door de teedere gehechtheid des zoons, dan toch, en meer zeker, door de volkomene onbeduidendheid en onhandigheid van den vorst. Maar de fijne berekeningen van het egoïsme blijken niet zelden bij de uitkomst zóó grove misrekening, dat men zich eer geneigd voelt te gelooven aan de blindheid en de dwaasheid dergenen die ze hebben gemaakt, dan aan hunne slimheid en juisten blik.

De Koningin Maria de Medicis, geheel overgegeven aan den tuimel harer begeerlijkheden, nam niet eens de voorzorg en de moeite het karakter goed te leeren kennen van hem, op wien zij hare eerzuchtige ontwerpen had gebouwd. Hij verscheen zelden in hare tegenwoordigheid, nauwelijks anders dan bij officieele aanleiding, en als zij omringd was van hare gunstelingen, die de jonge vorst als bij instinct haatte, zonderdat hij den moed had dien haat uit te drukken op andere wijze, dan door hun bijzijn zooveel mogelijk te vermijden, of een schuw stilzwijgen te bewaren, waar de dwang hem opgelegd was met hen samen te zijn. In zulke oogenblikken zag de Koningin hem dan voor zich, schroomvallig, bedeesd, gedrukt, links en stroef, ternauwernood eenige verplichte uitingen van gehechtheid en gehoorzaamheid voortbrengende, zoo het scheen geheel overheerd door het ontzag dat zij hem inboezemde, en even verheugd wanneer het hem vergund werd zich te verwijderen, als zij het zelve was ontslagen te worden van een aanblik, die haar trof als een verwijt.

Doch onder die schuwe bedeesdheid lag nog wat anders dan schroom, lag de diepe verbittering van het kinderhart, dat zich teruggestooten en verwaarloosd weet dáár, waar het zijne aanspraken op liefde en zorge heeft onderkend, en onder de linksche houding werd de smart ontveinsd over krenkingen, dieper gevoeld en minder lijdzaam gedragen, dan de koele gelaatstrekken en de neergeslagen oogen lieten vermoeden. De jonge Lodewijk XIII was niet zoo onbeduidend als hij had moeten zijn om volkomen te beantwoorden aan de bedoelingen zijner moeder. Hij was een van die twijfelachtige wezens, die men wel zeer nauwkeurig moet hebben gadegeslagen, eer men zich een juist begrip kan vormen van hunne persoonlijkheid. Het was geene zachte deemoedige gestalte, wie de verdrukking niet pijnde, omdat hij zich volgaarne boog. Het was eene fiere, zelfzuchtige, heftige natuur, die te vroeg de noodlottige kunst had geleerd van veinzen en zich te bedekken, maar die noode bukte, en die loerend uitzag naar de gelegenheden om zich te laten gelden en bot te vieren aan eene neiging tot woeste gewelddadigheid en verfijnde wreedheid, die door niets verzacht noch afgeleid, als een verterend vuur smeulde, om eenmaal te feller uit te barsten. Het dienend personeel dat den jongen Koning omgaf, wist er van te spreken, hoe die inwendige gloed zich soms in wilde uitbarstingen lucht gaf, en welke mishandelingen menschen en beesten werden toebedeeld door de Koninklijke kinderhand. Maar die er van spreken konden, zwegen liever, en de Koningin bleef onbewust van verschijnselen, waaraan zij toch niet de rechte beteekenis zou hebben gegeven Lodewijk was zeer onwetend, maar toch schrander genoeg om te raden dat hem veel ontbrak, en zelfs om te gissen waarom het hem ontbrak, dit kweekte in hem mistrouwen van zich zelven en wantrouwen jegens anderen. Dit maakte dat hij de behoefte erkende aan steun van krachtiger of meer ervarenen, dan hij zelf wist te zijn, zonderdat zijn gemoed, tot dubbelheid gevormd, het vermogen had zich met volkomen vertrouwen over te geven aan hen, wier hulp of raad hij begeerde. Tot het pijnlijk bewustzijn gekomen dat zijne natuurlijke beschermster zijne ergste vijandin was geworden, was er opstand in zijne ziel tegen het moederlijk gezag, terwijl hij zich hulpeloos wist tot uiterlijken weerstand. Het hart van den zoon in zijne teerste en reinste genegenheden gekwetst, kromp samen en sloot zich wrokkend tegen zachtere aandoeningen. Bedektheid alleen van ’t geen daar binnen in hem omging, scheen hem veiligheid te waarborgen, vermomming was zijn schild, zwijgen zijn wapen, een wapen dat niet roestte, maar zich scherpte in de rust. Rampzalig gemoedsbestaan van dat ongelukkig slachtoffer eener moederlijke heerschzucht! Een zwakke, die al de lusten en aanvechtingen had van een vroegrijp geweldenaar, maar ze wegschool onder schuwen deemoed.

Had Maria de Medicis kunnen weten hoeveel wrok en toorne zich daar in stilte optaste in dat gemoed, en met welk eene vermetelheid het durfde willen wat de gelegenheid nog niet toeliet te doen, zij zoude gesidderd hebben voor haar eigen lot, zij zou mogelijk zelfs gehuiverd hebben voor de toekomst van het koninkrijk, dat zij zulk een Koning had toebereid. Gods voorzienige zorge weerde een deel der jammeren af, die Frankrijk dreigden en ook werkelijk troffen onder Lodewijk XIII, door Richelieu aan de zijde van zijn troon te stellen, om hem onschadelijk te maken. Vreeselijk correctief in waarheid, de geweldige Richelieu! die den Koninklijken schepter ontrukte aan de weifelende hand van Lodewijk, om dien als ijzeren knods te zwaaien over zijn volk. Maar het is een volk dat van tijd tot tijd de ijzeren roede schijnt noodig te hebben, zooals nog ten huidigen dage blijkt, en tenzij men in een land wanorde verkiest boven orde, of een beginselloos despotisme door even beginsellooze zwakheid afgewisseld, beter acht dan een krachtig consequent bestuur, dat van een vast beginsel uitgaat, tot een vastgesteld doel, dat te geener uur wordt uit het oog verloren, zal men moeten toestemmen dat de knods door Richelieu gevoerd, verkieslijk is geweest voor het welzijn en de grootheid van Frankrijk boven den gulden koningsstaf door Lodewijk her- en derwaarts geslingerd naar de willekeur zijner gunstelingen. Richelieu had geene gunstelingen die zijne macht beknibbelden, hij had slechts dienaren die zijne bevelen volbrachten. Richelieu gebruikte zijn knods (om bij het geweldige beeld te blijven, dat den aard van zijne regeeringswijze vrij wel veraanschouwelijkt), om samenzweerders en rebellen te verpletteren, om duellisten en verraders schrik in te boezemen, om den arend van Oostenrijk de vleugelen te knotten, om den overmoedigen Spanjool, die zoo gaarne zich mengde in de Fransche partijschappen, buiten de grenzen te houden, om het verarmde Frankrijk bloeiend en rijk te maken, om het verdeelde Frankrijk tot orde en eendracht te leiden van binnen, en van buiten groot te maken en geëerd.

De Kardinaal Richelieu, die den woeligen Hugenooten hun laatste bolwerk uit de handen wrong in ’t belang der rust van den Staat, betwistte hun als gezindheid geenszins het recht van bestaan in Frankrijk, maar gunde hun voorrechten en vrijheden, die eerst een Lodewijk XIV zoude te niet doen. Buiten Frankrijk was hij door zijne wijze en verlichte staatkunde de steun van het Protestantisme, en maakte hij bij voorkeur alliantie met de Protestantsche Staten die hem dienen konden om het trotsche huis van Oostenrijk te vernederen. Deze prins der Kerk was aan de zijde der Engelsche Presbyterianen, hielp de nederlaag van Karel I voltooien, en heeft (zij het niet met dit opzet, dan toch met die uitkomst) voor de zaak der Hervorming meer gedaan dan eenig ander regent of staatsman, die niet tot hare partij behoorde, en misschien meer dan menigeen die geacht werd haar toegedaan te zijn, en die hare belangen òf flauwelijk voorstond òf onhandig behartigde.

Maar genoeg, Maria de Medicis, geheel zich verliezende in de beslommeringen en in de genietingen van het tegenwoordige, voorzag niet welk mensch er rijpte in haar zoon: zeer voldaan dat hij scheen wat zij wenschte, liet zij hem over aan de uitspanningen die hij voor zich zelf uitkoos, en aan ’t gezelschap dat daarvan de noodzakelijke voorwaarde was.

Valken africhten en honden dresseeren was zijne eenige bezigheid en zijn grootste vermaak tevens. De volière in de Koninklijke tuinen zijne geliefde speelplaats, waar hij dagelijkschen omgang had met valkeniers en hondenoppassers. De eenige schoone kunst waarvoor hij zin had, was de muziek, en de eenige oefening waaraan hij zich somtijds wijdde, was de werktuigkunde. Geen van die beide, hoe aangenaam of nuttig ook op zich zelve, kon hem van groote nuttigheid zijn voor zijne vorming als regent van een groot koninkrijk, en de personen, die hem bij dergelijke oefeningen bijstand verleenden, waren volkomen ongeschikt om zijne aandacht te richten op die laatst­genoemde bestemming. Zóó verlaten, zóó droef, zóó eentonig was het leven dat men den knaap liet leiden, in wiens naam en plaats Maria de Medicis en hare gunstgenooten de Koninklijke macht uitoefenden, toen Albert Luynes aan zijne zijde werd geplaatst, op de aanbeveling van den maarschalk Bassompierre, die een vriend wilde verplichten, door dien jongen man aan het hof te brengen. De behoefte van den jongen Koning aan een makker en gezelschapshouder van betere opvoeding dan jachtbedienden, werd hier niet eens op den voorgrond gezet, maar wel de verzekering die aan Maria de Medicis werd gegeven, dat een vriend, een gunsteling, die zijne vermaken deelde en er nieuwe voor hem wist uit te vinden, haar zoon te beter zoude afhouden van alle gedachten aan ernstige bezigheden en van de zucht om kennis te nemen van de zaken der regeering, waartoe de verveling en de behoefte aan afleiding hem zonderdat wel eens zou kunnen verlokken.

Hoe Albert Luynes beantwoordde aan deze verwachtingen, door zijne beschermers op hem gevestigd, zal men zien.

Karel Albert Luynes was geen zoon uit een dier aloude adellijke geslachten van Frankrijk, wier rang hun aanspraak gaf om den persoon van den Koning te omgeven. Onder deze gunstelingenregeering werden dezulken juist op een afstand gehouden, uit vrees dat zij, gesteund door hunne machtige familien, een invloed zouden oefenen strijdig met de ontwerpen en belangen der Koningin en die harer camarilla. Dat was niet te vreezen van Albert Luynes. Hij en zijne broeders gaven voor edellieden te zijn, toen zij ten hove verschenen, maar hun adel was niet recht bewezen, en indien al dan behoorden zij toch tot de petite noblesse, die noch aanzien noch goederen had. De eenige rijkdom van Albert was zijn goed voorkomen, zijn dartele, levendige aard, zijne behendigheid in allerlei lichaams­oefeningen en bovenal in de kunst om zich aangenaam te maken waar hij het nuttig achtte voor zich zelven.

De Koningin zag in hem een jongen wildzang, dien zij gerust tot makker konde geven aan haar zoon, en deze was zeer in zijn schik met de aanwinst van een speelkameraad, die, hoewel eenige jaren zijn oudere, zich plooide naar al zijne luimen, en die welhaast zijn gunsteling, zijn vertrouwde werd, in zoover dat karakter zich tot vertrouwelijkheid kon leenen.

Zijne grootste verdienste, in het oog van den jeugdigen Koning, was zijne behendigheid in het africhten van bonte eksters, waarmee zij te zamen jacht maakten op klein gevogelte, in de bosschen van Fontainebleau, of in de tuinen van het Luxembourg. Albert Luynes toonde later dat hij ook wel tot wat anders bekwaam was, en dat er onder den vroolijken vogelaar, een geslepen hoveling stak, die even goed intriges wist te spinnen als vogels af te richten, en die nog andere netten wist te spannen dan dezulken, waarin meezen en vinken zich lieten verstrikken.

Ook deze bekwaamheid ontsnapte niet aan de opmerkzaamheid van Lodewijk, die haar tevens zoo goed wist te waardeeren, dat zijn oppervlakkig welbehagen tot werkelijke genegenheid rijpte, en dat hij Albert schonk al wat hij te schenken had: zijne vriendschap! Vriendschap die haar grond had, zoowel in overeenstemming van neigingen als in zulke tegenstelling van karakter, waardoor zij elkaar als voltooiden, daar de eigenschappen van den een de gebreken en zwakheden van den ander aanvulden.

Lodewijk was van nature stil en zwaarmoedig. Albert had levendigheid en opgeruimdheid genoeg, om de somberste luimen van zijn jongen meester te vervroolijken. Lodewijk was stroef en fier, ingetogen en terughoudend. Albert was innemend, buigzaam, had eene natuurlijke losheid, die het ijs van de Koninklijke terughouding wist te breken, zonder hare fierheid te kwetsen. Lodewijk bezat zekere mate van ingeboren moed, en die zucht tot bedrijvigheid, door het werkeloos leven dat hij leidde eerder geprikkeld dan gesmoord. maar, beide onderdrukt door eene zwakheid en wankelbaarheid van karakter, die hem deed aarzelen en terug treden, zoo ras het de vraag werd van besluiten en bovenal van handelen. Albert daarentegen was stoutmoedig en ondernemend tot vermetelheid toe, en hinderpalen waren voor hem, wat de sporen zijn voor een vurig paard, zij prikkelden hem tot voorthollen.

Men voorziet het, dat de jonge Koning, eens het juk moede dat hij nog droeg met innerlijk ongeduld, doch met schijnbare lijdelijkheid, in een vriend als dezen, een krachtige bondgenoot zou vinden om het af te werpen, en dat dezelfde persoon, die men bij hem geplaatst had om zijne minderjarigheid te verlengen, hem juist de beste hulp zou verleenen als hij zich ontslaan wilde van de moederlijke voogdij; maar die oogenblik was nog niet daar, hoe vurig Albert het ook wenschte, die een minder belangelooze vriend was dan hij scheen.

Het behoorde tot de staatkunde der Koninginmoeder, om haar oudsten zoon vroeg uit te huwelijken, eer nog zijn hart had gesproken, om te meer zeker te zijn van zijne volgzaamheid bij de keuze die zij voor hem zoude doen. Evenals zij in ’t bestuur van het Koninkrijk een geheel anderen weg volgde dan dien de wijze en voorzichtige Hendrik IV had genomen, koos zij in hare buitenlandsche politiek ook eene richting, die de tegenovergestelde was van de zijne. Hare geneigdheid en hare belangen trokken haar naar eene nauwe vereeniging met het huis van Oostenrijk; zij wenschte en verkreeg voor haar zoon eene bruid uit den tak van dat huis, die in Spanje regeerde. Anna van Oostenrijk werd naar Frankrijk gebracht, om er de gemalin te worden van Lodewijk XIII. Ten einde zich van de hooggeroemde schoonheid zijner jeugdige bruid te vergewissen, was de Koning haar incognito te gemoet gereisd, slechts vergezeld van zijn vriend Albert Luynes, die hem behendiglijk in de gelegenheid stelde haar te zien, zonder gezien te worden, waarop de formaliteit des huwelijks plaats vond in de hoofdkerk te Bordeaux, op den 25sten November van het jaar 1615, terwijl uit aanzien der teere jeugd van het vorstelijk echtpaar (zij telden te zamen nauwelijks achtentwintig jaar), de nadere voltrekking werd uitgesteld tot de Koning zijn zestiende jaar zou hebben bereikt.

De Koninginmoeder nam de dertienjarige schoondochter onder hare hoede, met het oogmerk om ook deze dienstbaar te maken aan hare heerschzuchtige ontwerpen, en hield haar zoon in dezelfde afhankelijkheid, in dezelfde onwaardige verlatenheid als voorheen, terwijl zij het scheen te vergeten, dat zij na het jaar 1615, niet meer het recht had zich als regentesse des Rijks aan te stellen. Maar Lodewijk zelf vergat dat niet; de reis naar Bordeaux, in ’t gezelschap van Albert Luynes, had hem zeer ontwikkeld, en had bij hem veel, wat hij vroeger slechts onbestemd had gevoeld, tot helderheid gebracht.

Van de verdeeldheid en de verwarring die er heerschte in het Koninkrijk, van den overmoed der prinsen van den bloede, die met verachting der plichten van onderdanen en verwanten, de oproervaan plantten als in ’t aangezicht van den Koning; van de miskenning zijner waardigheid, van de geschonden majesteit der Kroon, was zijne moeder door haar slecht bestuur oorzaak, en hare gunstelingen, die zij gesteld had boven de ingeboren prinsen aan het Koninklijk huis verwant, het voorwendsel, en bij dat alles scheen zij het voornemen te hebben dezen toestand tot een blijvende te maken, door hem zelven als een naamkoning in hare afhankelijkheid te houden. Hetgeen door den Koning met verkropte bitterheid was opgemerkt, werd door Albert Luynes onder woorden gebracht, de aanschouwelijkheid van zijne beelden versterkte nog den indruk dien Lodewijks wantrouwende ziel had ontvangen, en de Koninginmoeder in hare roekelooze onverschilligheid omtrent zijn wel of wee, deed niets om dien indruk tegen te gaan, en maar zeer weinig om zijn kennelijk misnoegen af te leiden, toen hij het jaar 1616 zag voorbijgaan en het volgende werd ingetreden, zonderdat er in zijn toestand die beduidende verandering plaats had, waarop hij wist rechtmatige aanspraak te hebben. Ja, hij heette nu de gemaal van Anna van Oostenrijk, die de kleine Koningin werd genoemd, maar hij was nog geen echtgenoot, hij was nog geen Koning; ja! men had hem zoo iets als eene hofhouding gegeven, maar al zijne hofbeambten waren gekozen door zijne moeder, en allen ook, Luynes uitgezonderd, in hare gehoorzaamheid of hetgeen nog erger was, in de afhankelijkheid harer gehate lievelingen, de markies en de markiezin d’Ancre, die over alle eerambten en gunsten beschikten, zich de schatten des Rijks toeëigenden, ten bate hunner omkoopingen en kuiperijen, terwijl hij zelf in zijne uitgaven op het meest beperkt. in zijne handelingen bespied, zonder eenige macht in den Staat, ter nauwernood werd geraadpleegd, en alleen als machine werd gebruikt om zijn naam te zetten op de officieele decreten, die nu eenmaal geen kracht hadden zonder deze formaliteit.

Van allen die hem omringden, was Albert Luynes de eenige, die alleen in schijn aan de regeerende partij onderdanigheid bewees, maar niet minder dan de Koning zelf geërgerd was, dat hij deze rol moest spelen, want het verdriet te den jongen eerzuchtige niet weinig, de gunsteling te zijn van een Koning, die niets had te zeggen, die gunsten noch eerambten had uit te deelen en die niet kon beschikken over de Koninklijke schatkist.

Ook als Lodewijk verzuchtte: »Zoo kan ’t niet langer blijven,” en moedeloos den blik ter aarde wendde, of in machtelooze gedruktheid het hoofd leunde tegen de borst van zijn vriend, dan was de echo die deze liet hooren, eene instemming, maar geene volkomene nabootsing. »Zoo moet het niet langer blijven, Sire!” En terwijl de een zuchtte en zich de lippen verbeet onder de ingehouden ergernis, en de ander met schitterende oogen bewees dat er niet gezucht, maar gehandeld moest worden, rijpte er tusschen die twee jongelieden het ontwerp tot een coup d’état (men heeft waarlijk voor zulke zaken geen goed Hollandsch woord), die den schrik en de verbazing wekte van gansch Europa, en door Lodewijk XIII werd ontworpen en doorgezet op eene wijze, die, volgens de uitspraak van een historieschrijver, aan de koelbloedigheid van Lodewijk XI herinnerde, gepaard met de geveinsdheid van Karel IX, maar de eerste kon tot verontschuldiging van zulke gewelddaden, de belangen zijner politiek laten gelden, en de andere kon zich beroepen op de raadgevingen eener moeder, die hij had gevolgd, terwijl Lodewijk XIII zelf de geheele verantwoordelijkheid draagt van eene daad, die hij allermeest te zijner eigene bate liet plegen.

Luynes alleen voelde zich niet sterk genoeg om uit te voeren, wat de Koning en hij te zamen hadden uitgedacht. Hij was niet te schroomvallig, maar veel te behendig om zich dus op den voorgrond te plaatsen, waar mislukking de allernoodlottigste gevolgen kon hebben voor de ondernemers. Er moest een arm zijn die zich openlijk verhief ter volvoering van ’s Koning wil, en die werd ook gevonden. De kapitein van de lijfwacht, Vitry, door Luynes voorzichtiglijk voorbereid, door Lodewijk bedektelijk aangemoedigd, besloot het waagstuk te ondernemen en zich een dienaar te toonen, die bereid was ten believe van zijn meester zelfs voor geen misdaad terug te gaan. Het was dan ook eene misdaad die er gepleegd werd, en geen mindere dan een moord, verraderlijk toegelegd, gewelddadiglijk volbracht: de moord op den persoon van den maarschalk d’ Ancre, den gunsteling der Koninginmoeder, den machtigsten en hoogmoedigsten man van het gansche Koninkrijk, die naast den troon staande, met despoten-willekeur heerschte, die gewoon was zich te beroemen dat de oorlog of de vrede van Frankrijk in zijne hand lag, en wien zoo ruime middelen ten dienste stonden, dat hij den Koning nog kort te voren de aanbieding had durven doen, van een leger vier maanden lang op eigene kosten te onderhouden, om de oproerige prinsen van den bloede en hunne bondgenooten te vernederen en tot rust te dwingen, terwijl Lodewijk zelf over geen honderd gewapenden konde beschikken. Het jeugdige driemanschap speelde dus een zeer gewaagd en hoogst vermetel spel, want de trotsche d’ Ancre, die zijne heer­macht dienstbaar had willen stellen aan de belangen van den Koning, waar die vereenigbaar waren met de zijne, zou zich geen oogenblik bedenken om ze tegen Lodewijk te keeren, zoo de aanslag mislukt ware, of ontdekt vóór de uitvoering, maar zooals wij weten, werd die beraamd met eene geheimzinnigheid, die alle achterdocht wist te mijden, en volvoerd met eene raschheid en vastberadenheid, die den goeden uitslag volkomen waarborgde, hoewel er niet verzuimd was te rekenen op de mogelijkheid van mislukking. Er waren maatregelen genomen voor de ontvluchting des Konings en zijne vertrouwelingen, zoo de slag faalde — maar die trof zeker.

De maarschalk werd naar de Louvre gelokt, waar hij zijne opwachting zoude maken aan den Koning, eene ceremonie, in wier beteekenis niemand zich vergiste, maar die desniettemin gezet werd nageleefd.

Nauwelijks echter was hij de poort binnengetreden, of zij werd achter hem gesloten, tot groote verbazing van zijn luisterrijk gevolg, waaraan op die wijze het binnentreden werd belet. Meer verwonderd en geërgerd dan verschrikt, vroeg de maarschalk trotsch en toornig, op wiens bevel dit geschiedde, waarop hem geantwoord werd dat het de Koning was die het bevolen had, en toen d’ Ancre met een fieren, ongeloovigen glimlach vooruittrad, om in alle drift van Lodewijk zelf de verklaring te vragen van dezen maatregel, trad Vitry, de kapitein van de lijfwacht, op hem toe, vroeg zijn degen en wilde hem gevangennemen in naam des Konings. Maar d’Ancre was niet de man om zich over te geven op het bevel van een Koning, wien hij zelf in voogdij meende te houden.

»Hoe! mij?” vroeg hij fier en zette zich in postuur tot verweer, en hierop had men gerekend, want met de enkele arrestatie van den maarschalk was men niets gevorderd en zou zich slechts in de grootste moeielijkheden hebben gewikkeld. De lijfwacht was niet slechts van hare gewone wapenen voorzien. maar ook van pistolen, die onverwijld op hem werden gelost, bij den wenk door de Vitry gegeven, en die zoo goed troffen, dat de maarschalk dood ter aarde zeeg, zonder een woord te uiten. Een der hellebaardiers stak hem daarop den hellebaard in de borst, om zeker te zijn dat er geene list stak achter deze houding; maar de wreedheid bleek nutteloos, zij trof slechts een lijk. De Vitry had geen halven maatregel genomen, de aanslag was volkomen gelukt. Het gevolg van den markies had niet eens noodig verdreven te worden, zijn val was het sein tot eene algemeene vlucht. Het was niet verholen gebleven dat men den Koning diende met die daad, ieder wilde er deel aan hebben nu zij gelukt was, ieder wilde zijn ijver toonen, en zijn haat koelen op het machteloos lijk de wreedheid en laagheid der bedorvene menschelijke natuur toonde zich in al hare afzichtelijkheid, en dit alles onder het aanheffen van jubelgeschrei, en het roepen van »Leve de Koning”, die zijn welbehagen toonde in de volbrachte daad, door zich naar den binnenhof te begeven en zich aan de lijfwacht te vertoonen, terwijl Luynes hun toeriep: »Mijne Heeren, de Koning dankt u!”

Het is mogelijk dat Lodewijk niet ronduit bevolen had den maarschalk d’ Ancre te vermoorden; maar het is zeker dat hij er zijne blijdschap over toonde, toen die moord was gepleegd. Hij omhelsde Vitry als een vriend, als een redder, toen deze hem bericht kwam doen van den welgelukten aanslag, en hij beloonde hem met den maarschalksstaf, dien de verslagene zoo pas had laten vallen.

Het is bekend dat hij zelf een mededoogenlooze toeschouwer is geweest van het gruwelijk feit, staande aan een venster van de Louvre, met Luynes bij zich, zonderdat hij door woord of wenk iets deed ter redding van het slachtoffer, en het is dus hoogstwaarschijnlijk dat de toespraak van de Vitry: »Sire! Uwe Majesteit had mij bevolen den maarschalk d’Ancre levend of dood gevangen te nemen, ik heb hem niet levend in handen kunnen krijgen,” slechts eene formule is geweest, door den hoveling uitgedacht om de hatelijkheid van dit Koninklijk moordbevel te bewimpelen.

Men zegt dat Lodewijk daarop den wensch uitte, dat niemand verder in den val van den maarschalk mocht worden betrokken. Maar hij wist wel dat dit verlangen niet kon worden voldaan. Hij zelf had zich te veel geëmancipeerd met dezen stap, om terug te kunnen gaan of dat te willen, en Maria de Medicis was te veel vereenzelvigd met haar gunsteling, om niet betrokken te worden in zijn val. Zoo zij staande bleef, was haar, om het zoo eens uit te drukken, de nood opgelegd hem te wreken, en Lodewijk, zoo hij niet als een rebellische knaap in penitentie wilde gezet worden door zijne voogdes, moest zich met dezen zelfden slag opheffen uit zijn staat van onmondigheid, en zelf de regeering aanvaarden, eene daad waaruit noodzakelijk de terzijdestelling zijner moeder moest volgen. Had hij het anders gewild, zijne vrienden Luynes en de Vitry, die zijne bondgenooten en zijne medeplichtigen waren, en welras ook zijne leidsmannen bleken, zouden het hem niet hebben toegestaan. De gebeurtenissen zelf lieten hen niet meer vrij anders te handelen dan naar hunne ingeving; de stroom waarin hij zich geworpen had, sleepte hem mede. De val van den maarschalk d’ Ancre had tot onmiddellijk gevolg het verderf en de verwoesting van alles wat het zijne was of wat hem had aangehangen. Het volk van Parijs reeds lang de onderdrukking moede van den vreemdeling, die het tergde door willekeur en verarmde uit schraapzucht, vierde op eene gruwelijke wijze feest bij de weinig roemrijke zegepraal, door den jongen Koning behaald.

Onder het uitgieren van vreugdekreten en vivats, ter eere van den Koning, mishandelde het op kanibaalsche wijze het verminkte lijk van zijn slachtoffer, dat men niet eens de rust van het graf wilde gunnen. Zijn prachtig hotel werd geplunderd en in brand gestoken, zijne gemalin, die zich met de vlucht wilde redden, alleen voor de uiterste mishandeling van het gepeupel beveiligd, door eene inhechtenisneming op bevel der overheid, dat haar naar de gevangenis voerde, waarop haar een proces werd aangedaan, dat reeds vooruit als verloren kon worden beschouwd, en waarin de Koningin Maria de Medicis onvermijdelijk moest worden betrokken.

De markiezin d ’ Ancre, Eleonora Galigaï (of Dori) van zich zelve, was de hoofdoorzaak van de gunst die haar gemaal bij Maria de Medicis genoot, en van den hoogen rang, waartoe hij gestegen was Florentijnsche van geboorte, was zij de bruid van Hendrik IV naar Frankrijk gevolgd, en was er gebleven tegen het gebruik der etiquette, dat de terugzending van het geheele gevolg eener jonggehuwde vorstin voorschreef; had er haar rang gekregen aan het Hof, als dame d’atour, ondanks den tegenzin des Konings en van alle voorname dames, wie het ergerde dat eene vreemde vrouw van zoo lage geboorte, zulk eene betrekking zoude bekleeden bij eene Koningin van Frankrijk. Maar zij was de zoogzuster der jonge Prinses, zij was hare boezemvriendin geworden, de twee Florentijnsche dames waren listig en intrigant genoeg, om den wil van Hendrik IV te harer gunste te buigen, en over de antipathiën der Fransche edeldames te zegepralen, en zoo was Eleonora nog bij het leven van Hendrik tot opperhofmeesteres verheven, en oefende eene mate van invloed, die het noodig maakte haar te ontzien en met haar te rekenen. Dat had Concino Concini begrepen, een Italiaansche avonturier, die in Frankrijk aanlandde, en zoo arm, dat hij er niet eens een bediende op na kon houden (iets wat te dier tijde veel meer beteekende dan nu), en die aan het Hof kwam om er zijne fortuin te maken. Zijn weg daartoe was Eleonora Galigaï in wier oogen hij genade vond om zijn schoon uiterlijk, levendig vernuft en kennelijke stoutmoedigheid. Ondanks eene groote ongelijkheid van jaren, stond hij naar hare hand, die zij hem schonk, niet zonder grooten tegenstand van Koning Hendrik en even groote ergernis van de aanzienlijke dames, dat eene vrouw, die der Koningin zoo nabij was te ieder ure, zulk een gering personaadje tot zich ophief. Maar Eleonora Galigaï wist alle zwarigheden te overwinnen en haar Concini stond haar wakker bij in alles wat zij beraamde en ondernam, met het gevolg dat het huwelijk tot stand kwam, en de looze Italiaan zijn rang kreeg onder de edellieden op de Louvre. Niet zoo haast had hij den voet in den stijgbeugel of hij bewees welk een stout en behendig ruiter hij was op de baan der fortuin. De Koningin Maria de Medicis had een kennellik welgevallen aan den jeugdigen gemaal van hare vriendin, en de eerste verstond de kunst, om het hart der Koningin te winnen en over haar geest te heerschen, zonder den naijver zijner gemalin te wekken, of haar te krenken in haar teerste gevoel. Het geheim van deze onverstoorbare eendracht scheen der hofwereld een wonder; maar wat er ook gefluisterd werd en gespot, de Concini’s bleven vereend van zin, en het echtpaar oefende op die wijze een onbepaalden invloed uit op de Koningin, die hun alle gunsten en voorrechten schonk, welke het aan haar stond te verleenen.

Regentes geworden, was het met hen dat zij het regentschap deelde; zij zag slechts door hunne oogen, hoorde slechts door hunne ooren, liet alles door hunne handen gaan, en scheen niet eens op te merken, of er zich althans niet om te bekommeren, dat deze zeer onwaardige en onverstandige voorliefde opzien baarde en afkeuring wekte, zelfs bij dezulken, wier karakter hen verhief boven de lage afgunst, door de gewone soort van hovelingen gevoed. Het scheen eene betoovering, werd er hoofdschuddend gefluisterd in de hofzalen. »Het is eene bekoring des Satans, die zij over haar geworpen hebben,” werd er luide gemord onder het volk. De Concini’s lieten hoofdschudden en morren, zij triomfeerden, dat was hen genoeg. Tot markies d’Ancre verheven, met den maarschalksstaf van Frankrijk begiftigd, met alle eereambten en waardigheden bekleed die vereenigbaar waren met zijn nieuwen rang, kende de heerschzucht en de hoogmoed van den Italiaan geene grenzen. Hij had al de vermetelheid en al de opgeblazenheid van een parvenu, die zonder degelijke verdienste, door lage middelen tot eene ongedachte hoogte gestegen, van nu aan geene hindernissen meer kent, aan niets meer twijfelt, en die, zijn geluk voor talent aanziende, altijd naar meer zich uitstrekkende, door een honger en dorst naar gezag en schatten wordt bevangen, die onverzadelijk is, en om welke te lesschen, hij ieder middel goed en geoorloofd acht. Zijne waardige gemalin versterkte hem in zijne hoogmoedige berekeningen en nam deel aan zijne misdadige bedrijven. Te zamen tergden zij den adel, vertrapten het volk, vernederden de prinsen van den bloede, verdeelden het land door partijschappen, stelden het open voor vreemden invloed, kozen eene staatkunde, lijnrecht strijdig met die van Hendrik IV en even strijdig met de ware belangen van Frankrijk; plunderden de schatkist, kochten en verkochten ambten en waardigheden, wierven zooals men reeds verstaan heeft, eene legermacht op eigene hand, dreigden ter stilling van de beroerten en het misnoegen, door hunne regeerwijze ontstaan, vreemde krijgsbenden in het land te halen, waartoe Prins Maurits en de Staten-Generaal door vroegere tractaten verbonden, gesommeerd werden hun aandeel te leveren, en bedreven in één woord zoovele ongeregeldheden en zoovele dwaasheden, dat het voornemen dat hun werd toegedicht, om ook de hand aan de Kroon te slaan, en die over te brengen op het hoofd, dat zich het diepst onder hun staf zoude bukken: het hoofd van den tweeden en meest geliefden zoon der Koningin Maria, nauwelijks meer als opgeraapte lastering kon worden aangemerkt, al zijn er ook geene historische bewijzen, dat ze inderdaad met zulk een roekeloos ontwerp hebben omgegaan. Maar de verdenking er van rustte op hen, en in de achterdochtige ziel van Lodewijk XIII vond zij ruime plaats, zoowel als in den geest van het volk, dat, zooals men weet, altijd zeer gereed is om, waar het op goede gronden haat, dien haat te versterken en te verklaren door denkbeeldige grieven en hersenschimmige gruwelen uit te vinden, als of het aan de werkelijk bestaande niet reeds te over had.

En de Concini’s waren gehaat, gehaat! zooals maar zelden machtige gunstelingen gehaat werden, die in de gelegenheid zijn geweest zich bemind te maken door weldaden, zoowel als gevreesd door strengheid. Die haat had hun val zelfs niet noodig om zich op het duidelijkst te toonen. De prinsen van den bloede, verscheidene hertogen en pairs des Rijks, de hooghartige aanvoerders der Hugenooten, hoe ook onderling verdeeld en naijverig, hadden hunne twisten en veeten in deze verzaakt, om zich samen te vereenigen tegen den algemeen en vijand. Zij werden beschuldigd de wapenen te hebben opgevat tegen den Koning, maar inderdaad was hun opstand gericht tegen de Regentes en de vreemdelingen, die den Koning in onmondigheid hielden en verdrukten zoowel als het land.

Na de ontdekking en mislukking van een dier gewapende samenspanningen, werd de Prins de Condé gevangen, de hertog de Bouillon ontsnapte ternauwernood, terwijl de hertogen du Maine en de Nevers, nevens anderen van het Hof verbannen werden of zich in vrijwillige verwijdering hielden.

Het volk toonde dien afkeer in somber zwijgen, het durfde niet meer morren, nadat het de neerlaag en de vernedering der groote heeren had aanschouwd, en de hand der vreemde verdrukking loodzwaar op zich voelde rusten. Maar na den val van den gunsteling kwam die sprekend uit; Parijs vierde feest op den dag van den moord en juichte ’s Konings daad met luide vivats toe; de. burgers verlichtten met gewillige eenparigheid hunne huizen, men brandde vreugdevuren en ging met blijde optochten, onder fakkellicht, ten reie, alsof het vaderland eene schitterende zegepraal had behaald, of dat er eene groote verlossing ware gegeven. Met bliksemsnelheid verspreidde zich de tijding van het gebeurde door het geheele land; uit de provincie, uit de Protestantsche wijkplaatsen kwamen stedelingen, kasteelbewoners en het landvolk naar Parijs toestroomen, om zich met de Parijzenaars over den grooten triomf te verblijden.

Men begrijpt, dat de drie jongelieden, toen zij hun complot smeedden tegen den gunsteling der Koninginmoeder, rekenden op die duizende medestanders die hun zoude toevallen, zoo haast hun aanslag was gelukt, en dit verklaart hunne stoutheid in het ondernemen daarvan, terwijl het zeer waarschijnlijk is, dat zij zelfs bij mislukking van hun toeleg veelzijdige ondersteuning zouden gevonden hebben, en dat Frankrijk in rep en roer ware gekomen om den jongen Koning bijstand te bieden tegen de overmoedige Italianen en de heerschzuchtige Regentes.

Dat Lodewijk XIII er dus op bedacht was een eind te maken aan een en onhoudbaren toestand, voor hem zelven en aan een staat van zaken, even schadelijk voor de belangen van het Koninkrijk als krenkend voor den persoon des Konings, is niet te misprijzen.

En dat hij op zijn zestiende jaar, na eene opvoeding als de zijne, en bijgestaan door een Luynes, noodig achtte dat te doen door list met geweld gepaard, is nauwelijks te verwonderen; maar, zoo hij eenig juist begrip had gehad van de verplichtingen die de Koninklijke waardigheid oplegt, had hij het op andere wijze moeten doen dan door een moord. Hij had dan den aanvang zijner regeering kunnen dagteekenen door eene daad van schitterende rechtvaardigheid, enden maarschalk d’ Ancre tegen moordenaarshanden moeten veiligen, om hem rechters te geven, eerlijke, schrandere rechters, zooals het beroemde Fransche parlement er velen opleverde. Hoe sterk ook de macht ware die de overmoedige vreemdeling zich beroemde in Frankrijk te houden, hoe groot ook de smart en de verbittering der Koningin-moeder zoude geweest zijn, alles wat in Frankrijk waarlijk Franschgezind was, en aan ’t stamhuis van den goeden Bearnees hechtte, de eerwaardigsten en edelsten in den lande, zouden zich als één man rondom den jongen Koning hebben geschaard, om hem te steunen tegen geweld en intrige, en hij zou hebben gezegevierd op Koninklijke wijze, en zich waardiglijk uit zijne onmondigheid hebben opgericht. Maar Lodewijk was niet gevormd om behoefte te gevoelen aan zulke oprichting. Mits hij zijn doel bereikte, mits hij eindelijk meester (indien al meester!) werd in den Staat, mits hij zich wreekte van de langdurige vernedering en onderdrukking, door de Concini’s op hem gepleegd, was het middel hem onverschillig, vond hij zelfs voorliefde voor het wreedaardigste, dat hem snelle en bloedige wrake bood, en daarom, schoon hij eerst had te kennen gegeven dat de vervolging zich bij den gevallene moest bepalen, trad hij niet terug, toen men hem voorstelde dat de zegepraal voltooid moest worden, en dat zij het niet zoude zijn zoo de gemalin en medeplichtige van den maarschalk niet op even zekere, en nog meer schandelijke wijze werd onschadelijk gemaakt. Gevangenschap was te onbeduidend eene straf voor de gehate echtgenoot van Concini, een gewelddadige dood zelfs was niet voldoende om den veeljarigen wrok te koelen, dien men tegen Eleonora Galigaï had gevoed en waarin Lodewijk met geheel zijn hart deelde. De markies d’ Ancre was slechts vermoord; de markiezin moest terechtstaan voor eene crimineele rechtbank, die eindigen zou met haar tot een smadelijken en smartelijken dood te veroordeelen. Daar waren menigte van beschuldigingen tegen haar in te brengen. Het volk, de adel, de prinsen, hadden verschillende grieven tegen haar, die als aanklachten konden worden opgevat. Men verweet haar als om strijd, daden van willekeur, van geweld van baatzucht, van overmoed, overtreding der wetten, schennis van het recht, hoon den adel aangedaan, verdrukking op het volk gepleegd, majesteitsschennis tegen den Koning, en de meesten van hen, die deze aantijgingen hoorden, waren overtuigd dat zij grond hadden; maar de bewijzen er voor moesten geleverd worden, en dat was even moeielijk als gevaarlijk, omdat menige beschuldiger, die nu het luidst tegen haar wrake riep, zich als deelgenoot of uitvoerder harer daden had moeten in ’t licht stellen, omdat er eigenlijk in dien ganschen bedorven hofkring, niemand was die niet op eenige wijze, zoover zijn macht of invloed had gereikt, zich aan geweldenarijen en afpersingen had schuldig gemaakt, waarvoor men haar wilde straffen die ze in ’t groot had gepleegd, omdat haar ruimer middelen en meer handlangers ten dienste stonden. Er moest iets anders, iets minder gewoons tegen haar worden gevonden, waarvan ieder geloovig Christen zich met eene goede consciëntie, vrij konde noemen, iets dat in haar alleen kon gestraft worden, een kwaad dat zij met niemand gemeen had, en waarvan de rechters geene bewijzen zouden vragen, of althans dezulken, die uit de beschuldigde zelf zouden gegrepen worden. Eene misdaad, waarvan de aanklacht alleen voldoende was om haar aan de pijnlijkste en smadelijkste bejegening te onderwerpen, eene misdaad waarvan zij zich niet zou kunnen zuiveren, en waarvan de beschuldiging met eene veroordeeling gelijkstond, de misdaad van tooverij en sterrenwichelarij! Zulke beschuldiging zou in onze eeuw met een glimlach of een hoofdschudden worden aangehoord, en zoo er gevolg aan werd gegeven, zou het zijn om de dwaasheid van den aanklager, en de onschuld der beschuldigde in een helder licht te stellen. Maar in de XVIIde eeuw was zij nog eene der verschrikkelijkste die er kon worden uitgedacht, en die niet werd aangehoord zonder eene huivering; die onverwijld den geheelen aard van den rechtshandel veranderde, en de zaak in handen bracht van rechters, die met het scherp verhoor op de pijnbank aanvingen en met de houtmijt eindigden.

En toch het was een proces als dit, dat Lodewijk XIII liet aanvangen tegen de vrouw, die met zijne moeder aan dezelfde borst had gezoogd in hare kindsheid, en die hare vertrouwde, hare boezemvriendin was geworden op lateren leeftijd. Hetgeen men vroeger had gefluisterd of luider had uitgesproken, van geheime kunstenarijen en bovennatuurlijke macht, waardoor Eleonora Galigaï op den geest der Koningin zou hebben gewerkt, om dier wil tot haar dienst te hebben in alles, werd nu openlijk en luid herhaald.

Het scheen gansch geene aanklacht uit de lucht gegrepen, het volksgerucht, het volksbijgeloof gaf er eene zekere vastigheid aan, en de hofpartij nauwelijks meer verlicht en nog meer kwaadwillig, kon uit het leven der gunstelinge menig kenteeken bijbrengen, dat scheen te bewijzen hoe zij met booze machten in betrekking stond en zich van bovennatuurlijke middelen had bediend, zoowel om hare schoonheid tot in den verstgevorderden leeftijd te bewaren, als om wie zij vijandig was ten verderve te brengen, en wie zij wilde te overheeren. Het was bekend dat de Florentijnsche naar het gebruik aan het Hof der Medici niet onbekend was met de astrologie en ander goochelspel, waarbij de geheimen van de toekomst heetten geopenbaard te worden, of zelfs tegenwoordige onheilen afgeleid. En het was ook van atgemeene bekendheid dat de Koningin-moeder gewoon was onder de leiding van hare vriendin die geheimzinnige kunst der necromantie te oefenen. Het sprak dus vanzelf dat de naam en de persoon der Koningin Maria moesten betrokken worden in het schandelijk proces, dat men hare gunstelinge aandeed.

Had de jeugdige Koning hierop gedacht, of was er op gerekend, en was het een van de redenen waarom zijne raadslieden dézen weg kozen om zich van de markiezin d’Ancre te ontdoen, terwijl hun menige andere openstond? Vermoedelijk was het zoo. Wel was Maria de Medicis door de eigenmachtige daad van Lodewijk XIII, waarbij hij den moord van d’Ancre beval, feitelijk van haar regentschap ontzet, omdat haar zoon zich der voogdij ontwassen had betoond en het gansche volk met de pairs en rijkswaardigheidsdragers aan het hoofd, zijne daad hadden toegejuicht, en waar zij den steun van den maarschalk miste, wiens machtige partij als door een stormwind was uiteengedreven bij zijn val, zou zij zich moeielijk langer op het vroeger standpunt kunnen handhaven. Maar… de Koning had niets tegen de persoon zijner moeder willen doen en men kende Maria de Medicis als listig en behendig genoeg om de bitterheid der bloedige krenking, die haar was aangedaan, te ontveinzen, die als te vergeten, zich in schijn aan de heerschappij van haar zoon te onderwerpen, het al, om zich met hem te verzoenen, waardoor het haar mogelijk zou worden om langzamerhand weer haar vroegeren invloed te hernemen op zijn geest en daarmede de macht om zich over de onvergefelijke en onvergetelijke grieve te wreken op hen, die zij wist er de uitvoerders van te zijn, zoo niet de ontwerpers… Men kende de zwakheid en wankelbaarheid van den jongen Koning maar al te goed. Als hij zich in hare armen wierp, zou hij al de schuld van zich af en op zijne raadgevers werpen, die overlatende aan hare wrake! En, wat er nu ook tusschen hen lag, hij was toch haar zoon, voormaals had het slechts aan haar gestaan om hem door liefde te winnen. Zij had dat verzuimd, omdat zij toen andere lievelingen had, zij had hem door strengheid vrees ingeboezemd, maar nu, hoe licht moest het haar vallen, door schijnbare onderwerping, door moederlijke teederheid en liefkoozingen dat hart te herwinnen, dat zij door stugheid en onverschilligheid had laten verloren gaan. Albert Luynes was niet tevergeefs getuige geweest van een tooneel tusschen Lodewijk en zijne moeder voorgevallen, toen hij den eersten vergezelde bij een dier verplichte bezoeken aan de Regentes, waartegen de jonge Koning altijd zoo opzag, omdat hij het voelde, hoe hij er kwam, niet zooals hij het gewild had, niet als zoon bij eene moeder. Bij zulk een bezoek dan, werd de jonge Koning aangeblaft en ten laatste aangevallen en gebeten door een harer geliefde schoothondjes. Knorrig over dit sarrend gebas, en vervoerd door de pijn, weerde Lodewijk bet lastige beest van zich af door het een paar schoppen te geven, die vermoedelijk raak waren, althans de viervoetige gunsteling zocht kermende zijne toevlucht bij zijne meesteres, die het opnam en met liefkoozingen troostte, het onder zoete woordekens troetelde op haar schoot, zonder een blik van deernis te slaan op haar zoon, of eene minzame vraag te doen naar de wond door de scherpe tanden van den stouten aanvaller hem toegebracht. Dit ziende, groette de Koning haar met eene diepe, zwijgende buiging en ging heen; maar Luynes herinnerde zich nog met welk een blik van gekrenkte liefde in het oog en met welk een traan van spijt en bitterheid, die niet langer te weerhouden was, hij zich toen tot zijn eenigen vriend had gekeerd om te zeggen: »Ziet gij het wel Albert, zij heeft haar hond liever dan mij!” — Als nu eens de Koningin-moeder, beter beraden, de schoothondjes ter zijde zette, om den zoon in de armen te drukken, als zij door harde ervaring geleerd, de slimheid had een beroep te doen op zijn hart, wie weet welk eene omkeering dit kon te weeg brengen in dat somber gemoed, ijverzuchtig op liefde en teederheid? Dat moest niet worden afgewacht, was de overlegging zijner leidslieden, de klove moest zóó groot worden gemaakt, dat zelfs eene Maria de Medicis er niet meer over heen kon stappen. In Eleonora Galigaï trof men de Koningia­regentes zelve, en al zou men de moeder des Konings niet voor dezelfde geduchte rechtbank dagen, die nu was samengesteld om hare boezemvriendin te richten, de schande en het gevaar dreigden deze nu zóó van nabij, dat zij niet langer in de hoflucht zou kunnen ademen, dat zij de Louvre, dat zij Parijs zou moeten verlaten, om in verwijdering en afzondering weg te schuilen tegen den smaad en den hoon, die haar boven het hoofd zweefden en waartegen de regentenstaf haar ontvallen, haar niet meer konde veiligen. Zij liet den Koning weten, dat zij verlangde zich terug te trekken op het kasteel van Blois, en men raadde Lodewijk, haar die begeerte toe te staan. Als zij maar eens te Blois gekomen was, zoude Luynes, die van nu aan alle meesterschap oefende, wel zorgen dat zij niet zoo licht van daar zou kunnen terugkeeren. Het moest eene wijkplaats heeten, maar het werd inderdaad eene gevangenschap.

Op den 24sten April was de markies d’Ancre vermoord geworden. Al zijne dienaren en volgeren hadden op dienzelfden dag bevel gekregen Parijs te verlaten binnen vier en twintig uur onder bedreiging der vreeselijkste straffen bij ongehoorzaamheid. Zijne vrouw was op de Louvre in strenge gevangenschap; er restte niets meer van zijn aanhang om de Koningin Maria te steunen; hare eigene lijfwacht was op den morgen van het schrikkelijk treurspel ontwapend en in verzekerde bewaring gebracht, om niet de vrijheid te herkrijgen, dan na een eed van getrouwheid aan den nieuwen staat van zaken, en reeds in ’t begin van Mei was het proces van Eleonora Galigaï dat met schavot en brandstapel zou eindigen, zoo ver gevorderd, dat de schrikkelijke afloop daarvan door de minst ervaren en was te voorzien. De Koningin besloot de wijk te nemen naar Blois, eer dat einde dáár zoude zijn,… en het was onder deze omstandigheden dat het afscheidstooneel plaats vond, dat wij u willen voorstellen, zooals het eenmaal werd medegedeeld door een ooggetuige aan Maurits, Prins van Oranje, die de mededeeling belangrijk genoeg achtte om haar op zijne beurt over te leveren aan graaf Willem van Nassau, stadhouder van Friesland en Groningen.

Sinds den moord van den maarschalk d’Ancre hadden moeder en zoon elkaar niet weer gezien, hoewel de eerste daarop herhaalde malen dringend had aangehouden. Lodewijk had noch den moed, noch den lust gehad om haar onder de oogen te treden, terstond na het gebeurde, zooals zij had verlangd. en zijne vrienden hadden hunne goede redenen om dien tegenzin in hem te onderhouden; zij lieten in zijn naam de Koningin antwoorden dat »de Koning het te volhandig had met regeeringszaken om haar nu te kunnen spreken,” en zij stelden er goede orde op, om te verhinderen dat er niet door list of verrassing eene samentreffing plaats vond.

Noch de jonge Koningin Anna, noch de broeder des Konings, noch de prinsessen, zijne zusters, werden toegelaten tot de vertrekken der Koningin-moeder, die men op deze wijze in strenge afzondering hield en elk middel ontnam, waardoor zij met haar zoon gemeenschap kon oefenen of op hem werken. Geen wonder dat zij deze voorzorgen namen; de Vitry die zijn maarschalksstaf pas had gevat, en Luynes, die voor zijne treffelijke diensten met den hoogen rang van connétable van Frankrijk wilde beloond worden, waren veel te voorzichtig om aan een omzwaai van ’s Konings gunst door de tranen en beden zijner moeder, hunne nieuwe fortuin te wagen. — In den eersten schrik en verrassing bij het vernemen van de gruweldaad op haar gunsteling gepleegd, had Maria de Medicis zich aan uitbarstingen van smart en toorn overgegeven, die men niet verzuimd had den jongen Koning over te brengen, te gelijk met ernstige waarschuwingen om van nu aan op zijne hoede te wezen tegen de wraakneming der vorstin, die hij zoo bloedige krenking had toegebracht. Van zijne zijde had Lodewijk, anders zoo bloode en stilzwijgend, zich nu meester ziende, niet meer geschroomd al de bitterheid en onwil uit te storten, die al jarenlang tegen zijne moeder was opgetast in zijne ziel. Uitstortingen die, door hare vijanden, met boos opzet, en niet verzacht aan Maria de Medicis werden overgebracht, hetgeen niet strekken kon om haar verzoenlijk tegen hem te stemmen. Zij was daarbij geenszins de vrouw om zoo geheel lijdelijk van de hoogte te dalen, waarop zij zich zoo lang had staande gehouden. Zij had nog hare vrienden en getrouwen, onafhankelijk van de partij der d’ Ancres, en juist door diens val haar te nauwer verbonden: de hertog d’Epernon, de maarschalk Bassompierre zagen hare algeheele terugzetting met diep leedwezen en waren niet zonder vreeze voor den overmoed der nieuwe gunstelingen. Op deze hulp rekenende, was de Koningin-moeder zoo niet op tegenweer bedacht geweest, dan toch ijverig werkzaam om intrigen te smeden en lagen te leggen, die strekken konden haar uit hare hopelooze stelling te redden, het eene als het andere had de bestaande grieven ter weerszijden verscherpt en het wantrouwen doen toenemen, en tusschen moeder en zoon eene verhouding daargesteld, die zeer weinig van openlijke vijandschap verschilde, Lodewijk had zijne moeder niet uit de Louvre willen verdrijven, maar zijne vrienden hadden gezorgd dat zij zich als uit eigen beweging verwijderen moest, en nu zij die partij had gekozen, nu zij door deze openlijke erkenning harer nederlaag bewees den weerstand te willen opgeven, nu kon er schorsing van vijande­ijkheden zijn, nu diende er eene soort van pays te worden getroffen en iets als verzoening te worden bemiddeld, om althans in vrede te scheiden. De gemoedelijkheid, of juister, de religieuse vooroordeelen van den zwakken Lodewijk, vorderden dat men zijne moeder niet van hem verwijderen zoude zonder afscheid; de convenance, die onverbiddelijke heerscheres der machtigen en grooten, schreef daarenboven zulk een afscheid voor, en hoe groote bezwaren het ook met zich bracht, er werd besloten dat het zou de plaats hebben. De Koning zoude met zijne moeder samentreffen, om elkander vaarwel te zeggen. Maar, dat het een afscheid zoude zijn, en niet eene hereeniging, daarvoor zouden de gunstelingen en raadgevers van Lodewijk weten te zorgen. Men had vooruit bepaald, dat er bij het onderhoud geene vroegere grieven mochten worden opgehaald, de bemiddelaars er van hadden te zamen overlegd wat er zoude gesproken worden, en zich verbonden te zorgen, dat de gestelde bepalingen niet werden overschreden.

De dag was dan gekomen, waarop de Koningin-moeder de Louvre, Parijs zou de verlaten; het bestemde uur voor hare afreize was dáár, de koetsen voor de vorstin en haar gevolg stonden gereed op het binnenplein. Mijnheer de la Curé, die belast was om de Koningin tot Blois te vergezellen met honderd Chevaux-Légers, bevond zich aan het hoofd zijner ruiteren, die geschaard stonden rondom de vorstelijke rijtuigen.

Dit laatste oogenblik had men bestemd voor het afscheidstooneel, alsof zij, die het bemiddeld hadden, deze voorzorg noodig achtten om het vooral kort en bondig te laten afloopen. Zoodra men den Koning de aankomst der reiskoetsen had gemeld, begaf hij zich uit zijn bijzonder vertrek naar beneden, naar de voorzaal, gevolgd door de personen, die zich bij hem bevonden, met name Albert Luynes, die reeds monsieur de Luynes werd genoemd, diens beide broeders, die nu ook hunne positie ten hove hadden, en de jonge Vitry, kapitein van de lijfwacht, sinds zijn broeder, de moordenaar van Concini, tot maarschalk van Frankrijk was verheven. De edele maarschalk zelf bevond zich echter niet dáár op dezen oogenblik. Zooveel kieschheid had men ten minste om de Koningin Maria den aanblik te sparen van den man, die het moordbevel tegen haar gunsteling had volvoerd, en die met denzelfden slag haar den regentenstaf uit de hand had gerukt; maar toch liet men in hare tegenwoordigheid toe, dá lid van zijne familie, wiens persoon zeer bijzonder geschikt was de herinnering aan de daad zijns broeders te verlevendigen, gesteld dat deze bij dit weerzien van haar zoon één oogenblik uit hare gedachten kon verwijderd zijn.

De voorzaal, die gesloten was gebleven tot op de nadering van den Koning, werd nu opengesteld, en Lodewijk trad het eerst binnen. Op hetzelfde oogenblik trad de Koningin­moeder toe door eene andere deur, en beiden te gelijk voorttredende, ontmoetten zij elkander in het midden der zaal.

Het is misschien niet overbodig hier te herinneren, dat elk hunner voetstappen, iedere hunner bewegingen, vooruit waren geregeld, zoowel als hun zwijgen of de woorden die zij elkander zouden zeggen. — Dit was geschied zoo het heette om iedere uitbarsting van toorn, iedere vernieuwing van strijd en tweedracht te voorkomen, maar evenzeer om zeker te zijn dat geen van beiden zich zou laten wegslepen door eenige ingeving van het gevoel, of zulke opwelling van het hart, waardoor het ijs had kunnen gebroken worden, dat de harten van moeder en zoon voor elkander gesloten hield. Het was zooals men denken kan, niet de zestienjarige Koning, die zulke berekeningen had kunnen maken, maar zijne raadgevers, (misschien zou men moeten zeggen, zijne bestierders) hadden ze voor hem gemaakt, overwegende dat het hier de vraag was van eene andere scheiding dan die door afstand alleen, dat het te gelijk de gewelddadige scheuring moest zijn van den band, zoo niet der liefde, dan toch der gewoonte die hen aan elkander verbonden hield, dat het de geheele omkeering gold van de verhouding tot elkander. Zijne hooghartige moeder weer te zien in hare diepe vernedering, kon den prikkel van het schuldbesef scherpen in de borst van den zoon, die een moord had laten plegen, om zich van de moederlijke heerschappij te ontslaan, en het was mogelijk dat onder zulken indruk de inspraak van het bloed zich gelden liet, nog in deze uiterste ure, dat de band der natuur sterker bleek dan de wrok en het misnoegen, en dat de jonge Koning, zoo weinig zelfstandig van karakter en zoo bloode van aard, zich verteederen liet door listige vleierij of buigende voor de kracht der gewoonte, zich opnieuw overheeren liet door den forschen toon van gezag, die de Koningin Maria zoo goed wist aan te nemen; dat hij zich door beden liet vermurwen, of tot beloften verlokken, die hem weer onder hare afhankelijkheid brachten. Om dit te voorkomen, had men noodig geoordeeld hen te beperken binnen de enge grens van een streng ceremonieel. Lodewijk, fier van geest, maar stug en terughoudend van gemoed, was licht te bewegen geweest zich aan die beperking te onderwerpen. Men had hem slechts voor te houden dat hij door overschrijding er van, gevaar liep terug te vallen onder het juk zijner moeder. Men had de vrees en het wantrouwen, dat zij hem inboezemde, slechts een weinigje te prikkelen, om zeker te zijn van zijne volgzaamheid, wat de Koningin aangaat, zij… zij had geene keuze.

Zij traden dan voorwaarts, beiden te gelijk, zonder iets te zeggen, zooals bepaald was. Toen zij tegenover elkaar stonden, voerde Maria haar zoon in de vensternis van een kruisraam, waar Luynes den Koning haastig volgde, terwijl wij overigen (’t is een ooggetuige wiens verhaal wij nu aanvangen te volgen) niet verre van hen staande bleven. De Koningin begon het eerst te spreken, zeggende:

»Mijn zoon! ik verzoek u mij te verschoonen, dat ik uwe zaken in den voorgaanden tijd niet beter heb bestuurd; zoo ik in iets moge gefeild hebben, zijn het uwe ministers, die met mij in faute zijn gevallen. Ik begeef mij naar Blois, dat gij mij tot woonplaats hebt aangewezen. Ik verzoek u, altijd voor mij te willen blijven, een goed zoon en een goedertieren Koning.”

De Koning antwoordde:

»Mevrouw! Ik dank u voor de zorg, die gij genomen hebt voor mijne zaken. In alles waarin gij mij noodig zult hebben voor uw persoonlijk belang, zal ik mij altijd jegens u betoonen een goed zoon, en een goedertieren Koning.”

Daarop zweeg hij, de woorden die men had afgesproken, waren gezegd.

Toen bukte zich de Koningin over den teeren, nog niet volgroeiden jongeling heen, om hem te omhelzen. Terwijl zij hem in de armen drukte en kuste, schreide zij! De kenner der harten alleen weet hoe bittere tranen er aan dit fiere vorstelijke oog ontgleden, om neer te droppelen op de wang van den stuggen zoon. Was het mogelijk dat een kind, zelfs dit kind roerloos bleef, waar het de brandende traan uit het moederlijk oog voelde neervallen op het gelaat? Gelukkig neen! Zelfs hier was de natuur der conventie te sterk, ook Lodewijks oogen werden vochtig. Hij voelde zich wat bewogen, geraakte in verlegenheid met zijne houding, en in de verwarring van het oogenblik ging hij niet heen, zooals de afspraak was, maar bleef bedremmeld staan. Dit ziende, vatte de Koningin een glimp van hoop, die het betraande gelaat verhelderde; snel greep zij de gelegenheid aan om de gestelde grens te overschrijden, en haar zoon te smeek en dat hij haar Barbin mocht teruggeven. Barbin, haar meest vertrouwde dienaar na d’ Ancre, wiens volle vertrouwen hij genoten had, ten gevolge waarvan hij zich nu in de Bastille bevond. Deze Barbin schijnt Maria de Medicis na aan het harte te zijn gegaan, daar zij in deze beslissende stonde er het allermeest aan dacht om voor hem te spreken! Dit lag mogelijk aan zijne persoonlijke verdiensten, of wel en meest waarschijnlijk in de gewichtige geheimen waarvan hij de drager en de bewaarder was: maar de jonge Koning, wien men op dit punt zijne les niet had kunnen voorzeggen, daar het buiten aller berekening lag, wist niet te antwoorden, en bleef versaagd zwijgen. Dit moedigde de Koningin aan om hare kans waar te nemen en zij herhaalde met verdubbelden aandrang haar verzoek. Lodewijk zich dus gedrongen ziende en die tijd had gehad om te bekomen van de aandoening, waardoor hij zich had laten verrassen, maakte eene buiging, keerde zich af zonder een woord te zeggen en ging heen. Luynes haastte zich hem te volgen. De Koningin dezen bij zijn naam noemende, riep hem terug. Luynes, die zijne plaats bij den Koning aan haar had te danken, die het zich herinneren moest, hoe hij het aan haar zelve verschuldigd was, dat hij zich nu in de gelegenheid bevond haar gunsten te verleenen of te onthouden, Luynes, die van het vertrouwen dat zij in hem gesteld had zulk een gruwelijk misbruik had gemaakt, en die zulk eene ondankbare rol had gespeeld tegenover die moeder, wier zoon hij had verleid tot geweld en opstand tegen haar, Luynes had toch den moed niet hare roepstem te weerstaan, waar zij hem als voormalige beschermster, gemeenzaam bij zijn eigennaam noemde. Hij kwam naar haar toe, en die vrouw zóó machtig in uiterlijke heerschappij op zich zelve, zóó volleerd in hofkunst zag hem aan met een minzaam lachend gelaat, op denzelfden oogenblik waarin zij zoo pijnlijk moest voelen, wat hij tegen haar had gepleegd, maakte hem met zacht verwijt indachtig alle gunst en goedheid, die zij hem voormaals had bewezen, en bad hem in gedenke daarvan, den Koning goedgunstig voor haar te stemmen en zijn best te doen dat zij dezen nog eens mocht spreken. De listige jonge gunsteling van zijne overmacht op den Koning volkomen bewust, en die met geheime voldoening zijn triomf genoot over eene Koningin, die hij vernederd had en die zijn alvermogen moest erkennen, antwoordde met hoffelijke onbeduidendheden, betuigingen van zijn eerbied voor de wenschen der Koningin, wier ootmoedige dienaar hij zich noemde en zeide te willen blijven, en eindigde met de belofte, dat hij zoude trachten den Koning te bewegen, nog weer met haar te spreken. Zijne gewone behendigheid en zijne overredingskracht schijnen hem echter bij deze gelegenheid slecht gediend te hebben, of liever, wij zijn gerechtigd tot de onderstelling dat hij ze in dezen niet heeft aangewend, want de jeugdige Koning werd niet tot terugkeeren bewogen, en de Koningin-moeder moest zich ongetroost terugtrekken in haar kabinet, waar de prinsessen van den bloede en de dames van het Hof afscheid van haar kwamen nemen, tot welk einde de deuren opengesteld waren voor ieder, wier rang of positie haar recht gaven op de eere des Konings moeder vaarwel te zeggen. Men ziet hieruit hoe ernstig deze scheiding in den hofkring werd opgevat. Het was niet slechts eene verwijdering van Parijs, van de Louvre, het was eene afsnijding en eene breuke, die niet meer mocht geheeld worden. Ook zorgden de voorzichtige hovelingen wel, zoo vrouwen als mannen, dat zij zich niet in ongunst brachten door te veel gehechtheid te toonen aan het wijkend gesternte. Men bleef slechts een oogenblik bij de Koningin, alleen den tijd om eene buiging te maken. of de toegestane handkus koel en ceremonieel te volbrengen, niet om met haar woorden te wisselen van deelneming en rouwe, die verdenking konden wekken. Men ging de eene deur in; men trad ter andere weer buiten, tevreden den lastigen plicht op het snelste volbracht te hebben. Deze zelfde menschen hadden Lodewijk XIII nauwelijks aangezien in zijne verlatenheid. Welke strenge lessen voor de vorsten, welke pijnlijke indrukken voor de menschheid zijn er te ontvangen in dat ééne trouwe tafereel van dien ooggetuige, die het teruggeeft zooals hij het heeft waargenomen: eenvoudig en gemakkelijk, zonder het te sieren door beeldspraak of gezwollen phrasen, maar die toch ten volle beseft, van welk een belangwekkend drama daar eene scène werd afgespeeld. (*).

En wij ook, als wij ons herinneren wat er is voorafgegaan, en het oog richten op hetgeen later zou volgen, kunnen niet zonder de gewaarwordingen van schrik en mededoogen deze tragédie aanschouwen, die wel nooit meer een blijden afloop kon hebben, en die de aanvang was der vervulling van die geduchte profetie, waarmede wij deze historische schets hebben geopend.

De jonge Koningin (Anna van Oostenrijk) en de beide jeugdige zusters des Konings, kwamen nu ook haren afscheidsgroet brengen. De twee Koninginnen, die met recht bij de op- en ondergaande zon mochten vergeleken worden, wisselden geen woord terwijl zij samen waren. De fiere, levendige Anna van Oostenrijk, hoe jong en dartel ook, was schrander genoeg om de beteekenis van dit heengaan te vatten. Juist daarom achtte zij het zwijgen gepast. Zij, zij ook, had reeds grieven tegen de moeder van haar gemaal, die zich meer eene strenge voogdes had getoond, dan eene teerhartige schoonmoeder. Naijverig als Maria de Medicis te allen tijde was geweest van ieder, die invloed kon oefenen op haar zoon, had zij niet verzuimd de aanvallige kleine Koningin, (la petite Reine) zooals Anna werd genoemd om haar van Maria te onderscheiden, die zooveel blijken gaf van vroegrijpen geest en vatbaarheid, zooveel doenlijk in verwijdering te houden van den Koning, uit vreeze dat zij door haar vernuft en hare bekoorlijkheden een overwicht op hem mocht verkrijgen, dat het moederlijk gezag konde schaden. Zoo had zij door haar onzaligen intrigegeest gedreven, reeds de eerste kiemen geworpen van achterdocht en wantrouwen tusschen de kinderlijke echtgenooten, die later zooveel distels en giftplanten zouden voortbrengen op hun levensweg. Maar nu schenen al hare voorzorgen verijdeld. Anna zegevierde, wel in alle stilte, want de étiquette gedoogde niet in dezen oogenblik blijden triomf te toonen, maar deze was daarom niet te minder beslist, en een uiterlijk bewijs zelfs zou haar daarvan geleverd worden, nog in dienzelfden stond. Eene pijnlijke handeling viel der vernederde vorstin nog te volbrengen. De juweelen der Kroon, althans die, welke voor de regeerende Koninginnen van Frankrijk waren bestemd, berustten onder hare bewaring; zij moest ze nu aan hare schoondochter overleveren. Dit geschiedde op de volgende wijze:

De beide Koninginnen waren gezeten. Maria de Medicis nam de edelgesteenten uit het juweelkastje, en stelde ze, naar de volgorde op een inventaris aangeduid, in handen van den heere Laumenier, die ze onverwijld aan de gemalin des Konings overhandigde.

Deze ontving ze zooals ze haar gegeven werden, zwijgend, maar toch spraken de glinsterende oogen eene licht verstaanbare taal, toch zeiden zij veel, die sprekende trekken, die glimlach van voldoening met moeite bedwongen en die hooge blos op dat fiere voorhoofd, die getuigde hoe het Koninklijke bloed dat met versnelde drift door de aderen joeg, zich niet aan de convenance wist te onderschikken. Ook het zwijgen van Maria de Medicis was niet sprakeloos: die verbeten lip, die gesmoorde zucht, de sombere blik van dat oog, waarin de gloed van den spijt worstelde met den traan der smart, dat alles bewees dat de vorstelijke sieraden zoomin onverschillig werden afgestaan als ontvangen. En wie, die het vrouwelijke, het menschelijke harte kent, zal zich daarover verwonderen. Het was hier niet enkel de verlokkende aantrekkingskracht, die er schijnt te liggen in flonkerend gesteente, het gold hier kroonsieraden, de diadeem, die haar, wie hem dragen mocht, met Koninklijken glans omstraalde, halssieraden van historische bekendheid, armbanden en oorringen van zoo kunstige bewerking, door zoo beroemde hand vervaardigd, dat de waardij der flonkersteenen overtroffen werd door de kunstwaarde van het goudsmeewerk, of paarlen van zeldzame grootte en glans, waarvan iedere snoer eene fortuin vertegenwoordigde, en nu, dit alles af te staan niet slechts, maar op hetzelfde oogenblik te zien overgaan in het bezit eener jeugdige mededingster, die met dat alles eene schoonheid zal opluisteren, die nauwelijks tooi behoeft… en die het ontvangt met den stillen trots eener volkomen zegepraal… het kan niet anders of dat moet een bitter pijnlijk afstaan zijn geweest voor het ijdel werelschgezind gemoed eener Maria de Medicis, die zoo weinig wist van dien hoogeren tooi der vrouw, niet bestaande in de vlechtinge des haars, noch van sieraden te dragen en kleederen aan te doen, maar in dien stillen ootmoedigen geest, die kostelijk is voor God!

Ook was de zware overdracht niet zoo haast geschied, of de Koningin-moeder stelde zich tot vertrekken. De beide Koninginnen namen afscheid van elkander met eene omarming, een weinig schreiende, zooals dat bij de gelegenheid hoorde; aan het Hof (alleen daar?) heeft men altijd een paar tranen, en evenzooveel glimlachjes ten dienste der omstandigheden vaardig; alle overige dames van het Hof brachten op dit punt (dat der tranen) haar tol met mate. Het was niet het snikken der smarte, niet de milde stroom der droefheid, die zich moet lucht geven, het was het traantje der étiquette, dat even blinkt en dat men daarop haastig wegknipt uit het oog, en dat geen somber spoor nalaat op de trekken. Dat moest ook waarlijk niet zijn. Anna van Oostenrijk zou niet gevleid wezen door strakke gezichten op den dag van haar triomf over eene harde voogdesse, en Lodewijk XIII zou licht argwaan vatten tegen hen, die het heengaan zijner moeder meer betreurden dan hij zelf! Maria de Medicis die te veel ervaring van menschen had om zich illusie te maken over deze tranen, steeg in hare reiskoets en reed weg.

De Koning stond op een balkon bij haar afrijden toe te zien; zoodra zij vertrokken was steeg hij zelf in eene koets en reed naar het bosch van Vincennes, vergezeld van geheel zijn hofstoet, en welhaast gevolgd door de Koningin, zijne gemalin. Hij zou eenige dagen op het kasteel van Vincennes vertoeven. En het was dáár dat het meerendeel der prinsen en hooge heeren, die zich tot hiertoe van het Hof verwijderd hadden gehouden, hunne opwachting kwamen maken aan Lodewijk XIII. De hindernissen, die hunne verzoening met dien Koning in den weg stonden, waren opgeruimd. Lodewijk schonk volgaarne amnestie aan rebellen, wier opstand en complotten niet waren gericht tegen den persoon des Konings, noch, zooals ze voorgaven, tegen het Koninklijk gezag, maar wel tegen de vijanden van den troon en de onderdrukkers van den Koning. Te vreemder was het dat er onder de prinsen een ontbrak, van wien men zou gemeend hebben dat hij de eerste had moeten zijn om ten Hove te verschijnen na den val van d’ Ancre, na de afreize der Koningin-moeder. De Prins van Condé een Prins van den bloede, werd gemist onder hen, die den Koning opnieuw trouw kwamen zweren en hulde brengen.

Het was waarlijk zijne schuld niet; de Prins van Condé zat nog gevangen! Waarom bleef hij gekerkerd, nadat Frankrijk en de Koning van d’ Ancre waren verlost? hij, wiens gevangenneming op last van dien maarschalk een der oorzaken was geweest, die den beker van Lodewijks toorn hadden doen overloopen. Waarom was hij niet in vrijheid gesteld terstond nadat de coup d’état des Konings was gelukt, om diens verdere plannen met zijn degen en invloed te steunen? Waarom? Wie het vroegen, gisten het wellicht, Lodewijk zelf was de laatste die de vraag had kunnen beantwoorden, maar Luynes, de slimme vogelaar, wist het heel goed, dat men geen valk mee ter jacht moet nemen, als men de eere van de vangst aan den sperwer wil laten. Waar een Prins van Condé den Koning ter zijde stond, kon men bezwaarlijk den degen van Frankrijks Connétable in de hand geven van een Luynes, en op dezen had de verwaten gunsteling het oog gericht, om niet te zeggen dat hij daarenboven nog veel had te vatten en vast te houden wat een jeugdige eerzuchtige als Condé hem licht betwisten kon, allermeest het vertrouwen des Konings en den invloed O? dezen, dien hij onverdeeld wilde bezitten, en waarop Condé als de droit aanspraak zoude maken. Dat rechtvaardigt niet, maar dat verklaart zeer goed, waarom diens gevangenschap werd verlengd, en Luynes was vindingrijk genoeg om een voorwendsel uit te denken voor dezen maatregel, gelijk hij er reeds een had bedacht om zich de aanzienlijke goederen en rijkdommen van d’Ancre te laten toewijzen. Ze waren door afpersingen op het volk verkregen, ging de sprake, bijgevolg kwamen zij wettiglijk toe aan… Albert Luynes, den vriend des Konings, dat was eene logische uitspraak: la raison du plus fort. En Lodewijk liet hem in alles begaan; veel te zelfzuchtig om zich over een afwezende te bekommeren, van wien hij voor zijn persoon geene vermeerdering van genoegens wachtte, was het bij hem in eigenlijken zin: uit het oog, uit het hart, en liet hij het lot van zijn gekerkerden bloedverwant over aan de willekeur van zijn gunsteling, die hem al spelende beheerschte en die zich wel voorstelde eens den schepter over Frankrijk te zwaaien, zooals hij het nu reeds deed over het gansche hofgezin; maar op dit punt zou hij zelf zijn meester vinden en juist dáár, waar men dien te dier stonde wel het minst zou gezocht hebben.

De persoon, dien wij bedoelen, bevond zich bij de Koningin-moeder, en had vrijheid verkregen haar naar Blois te vergezellen; het is moeielijk te bepalen in welke hoedanigheid. Het personeel dat voormaals het huis van de Koningin-moeder had uitgemaakt, was aangewezen haar naar Blois te volgen, maar niemand anders, geene krijgslieden, edellieden of staatsdienaars, die tot hare partij hadden behoord, die haar gediend hadden toen zij Regente was, mochten haar bijblijven (gesteld dat zij lust hadden gevoeld tot dit hachelijk betoon van trouw), hetgeen niet waarschijnlijk is. Alleen voor den bisschop van Luçon werd in dezen eene uitzondering gemaakt. Nu was zeker Armand Jean Duplessis de Richelieu, bisschop van Lulion, geen persoon dien men met de gewone maat behoorde .te meten; maar toch wekt het bevreemding dat men juist te zijner gunste van een regel was afgeweken, die overigens zoo stipt werd inachtgenomen. Naar den uiterlijken schijn had hij de laatste moeten wezen, wien men de vergunning kon schenken om der rustelooze, staatzuchtige Maria de Medicis ter zijde te blijven in hare verlatenheid. Hij die zijne optrede ten Hove dankte aan de tusschenkomst van dienzelfden Barbin om wiens vrijlating de Koningin nog in de laatste oogenblikken van haar samenzijn met haar zoon tevergeefs had gesmeekt. Hij die zijne eerste schreden op de staatkundige loopbaan had gezel aan de hand en door de gunst van Leonora Galigaï aan wie hij door zijn beschermer was aanbevolen, en die hem aanvankelijk had gebruikt tot onderhandelingen van weinig belang, waarvan hij zich met zooveel tact en behendigheid had gekweten, dat zij hem wichtiger zaken durfde toevertrouwen, en welhaast, overtuigd van zijne ongemeene bekwaamheid, aan Maria de Medicis voorstelde als een jonkman, die onderscheiding verdiende, en van wien men veel partij konde trekken. Hij kon toen ongeveer vijf en twintig jaar oud zijn; voegde bij de rijke gaven van zijn geest een edel belangwekkend uiterlijk, de manieren van een hoog beschaafd edelman, en de toon van den hoveling, gescherpt op fijne vleierij en geoefend in de kunst van zich behagelijk voor te doen.

De kardinaal, die hem op zijn drie en twintigste jaar tot bisschop wijdde, had reden om van hem te voorspellen, dat er in hem de stof lag tot een groot man, maar tevens van een grooten schelm. Een staatsdienaar van dit gehalte moest eene vorstin als Maria de Medicis zeer bijzonder welkom zijn, zij, die in de politiek zelden het rechte pad koos, maar liefst de om- en bijwegen der intrige bewandelde, en die zich daarbij wel gaarne liet begeleiden door personen, die niet al te nauwgezet waren op de keuze der middelen, mits men het gewenschte doel bereikte. Ook steeg hij zoo spoedig in hare gunst en vertrouwen, dat hij reeds in 1616 tot het gewichtige ambt van staats-secretaris was opgeklommen. De chronique scandaleuse van het tijdperk geeft te vermoeden, dat haar groot welgevallen in zijn persoon, afgescheiden van zijne bekwaamheid, tot zijne snelle bevordering zal hebben medegewerkt. Wat daarvan ook zij, het was onmogelijk dat hij tot dit ambt geraakte en het bleef bekleeden, te dier dage, zonder uiterlijke samenstemming met de partij die het bestuur in handen had. De heerschzuchtige maarschalk d’Ancre en zijne scherpziende gemalin zouden hem niet in zoo belangrijke betrekking bij de Koningin geduld hebben, zoo hij hunne ontwerpen had tegengewerkt of verzuimd had hunne inzichten te dienen. Het kon dus niet anders of hij moest bij de andere partij bekend staan als hun aanhanger, gelijk men wist dat zijne fortuin hunne schepping was. Geeft het dan geen recht tot bevreemding, dat juist hij, wiens geslepenheid niet onbekend kon zijn aan Luynes en den Koning, onder allen de eenige was die de vergunning kreeg Maria de Medicis in hare afzondering te volgen? Met een raadsman als deze, die voor een ganschen staalsraad kon gelden, en die zelf te midden zijner schoone loopbaan was afgekeerd door de catastrophe van hare nederlaag, was het niet waarschijnlijk dat de Koningin-moeder lijdelijk zou blijven berusten in de onbeduidende rol, die haar van nu aan was toebedeeld. Hoe kon men dan de onvoorzichtigheid plegen haar zulken steun ter zijde te geven, terwijl men kennelijk het opzet had, haar geheel van hare partij te isoleeren en in zoodanige afhankelijkheid te houden, dat zij allen invloed en alle politieke beteeken is verloor?

Kan ’t ook zijn dat de bisschop van Luçon bestemd was voor eene gansch andere werkzaamheid, dan het uiterlijk scheen. Courtisan du malheur te zijn, was niet precies zijne vocatie, en zoo hij uit vrijen wil zijne beschermster is bijgebleven in ’t ongeluk, om de ongunst van het lot met haar te deelen, was het zeker niet zonder eenig voorbehoud, dat hem ruimte liet om later van houding te veranderen, en zijn dienst te bieden aan een andere dan de verlorene zaak. Er is dus eenig recht te onderstellen dat hij in dit hachelijk tijdperk eene dubbele rol heeft gespeeld, en zich reeds met den Koning had verstaan, terwijl hij nog aan Maria de Medicis verbonden heette; dat hij haar bijbleef in hare afzondering, niet alleen om haar te troosten en te dienen maar ook om haar te bewaken, en zelfs een weinigje te bespieden. Zijne antecedenten zoowel als zijne latere handelingen gerechtigen tot zulk vermoeden, en zoo iemand, hij was de man om die schijnbare strijdigheid te vereenigen met zooveel tact, dat zijne houding niets twijfelachtigs toonde en hij er in slaagde het vertrouwen te behouden der beide partijen. In een later tijdperk heeft hij deze stelling tusschen moeder en zoon jarenlang weten te bewaren, wel niet met groot gemak, maar toch met groote volharding ten koste van onverpoosde inspanning, totdat Maria de Medicis zelve hem dwong openlijk vijandig tegen haar op te treden… Maar het behoort niet tot ons plan om zoo ver vooruit te zien in zijne en hare toekomst. Wij spreken er alleen van om de onderstelling over zijne houding op dat tijdstip te rechtvaardigen; dit behoeft nog niet de beschuldiging van een opzet tot het zwartste verraad in te sluiten. Beide partijen eene hand reikende. was hij de geschikte persoon om die handen op een gegeven tijdstip ter verzoening ineen te leggen, of zoo dit ondoenlijk bleek, de Koningin-moeder door goeden raad en bestuur af te houden van te luisteren naar de influisteringen van onbedachte kwade raadgevers, waarnaar zij maar al te zeer geneigd was het oor te neigen. Haar tot ruste en berusting te manen, en haar als het ware te beschermen tegen zich zelve, het al ten bate dier groote belangen, die bij op het hart droeg als de teerste en naaste, en die niet waren zijn zelfbelang en zijne eigene grootheid. Wij zeggen niet, dat hij het eerste verzuimd heeft te behartigen, noch — de ander heeft nagejaagd, menige bladzijde zijner geschiedenis is dáár, om die bewering tegen te spreken, maar wij bedoelen, dat de groote begeleidende gedachte van zijn leven is geweest: de grootheid van Frankrijk, en de vestiging van orde en rust, dáár, waar wanorde en woelziekte niet dan ellende en verwarring stichtten. In Richelieu beheerschte de staatsman den mensch, en wil men den mensch geen groot onrecht doen, dan behoort men zijne daden en bedoelingen niet te wegen naar gewone wetten der zedelijkheid, maar naar de uitkomsten, waarnaar hij trachtte en die hij verkreeg. Wij bedoelen niet den man, die op zulke wijze boven het gewone peil der menschheid is geraakt, als een model ter navolging aan te bevelen, noch eene grootheid tot zulken prijs verkregen, als begeerlijk voor te stellen, of als loffelijk te roemen, wij gelooven dat de minste in het Koninkrijk der Hemelen meer is, dan wie zich langs zulk en trap tot den meeste in de koninkrijken der aarde heeft opgeheven. Wij zijn het eens met hen die oordeelen dat zij die de wegen van zoodanige staatkunde bewandelen, zeer verre wegdolen van het enge pad, dat naar de heerlijkheid des Hemels voert. Dit zijn de dingen der wereld, die niets gemeens hebben met het Koninkrijk Gods, dat niet van deze wereld is. — Maar toch moet men niet verzuimen op te merken, dat er staatslieden zijn geweest, die bij het volvoerer hunner plannen, het Godsplan uitnemend hebben gediend, en die, ’t zij dan met hun wil of diens ondanks, bevorderlijk werden aan de hoogste belangen der menschheid en onder deze staatsmannen bekleedt de kardinaal de Richelieu eene voorname plaats, doch… wij hebben ons bij den bisschop van Luçon te bepalen, die nog niet was, wat hij later zijn zoude als kardinaal-hertog de Richelieu, maar in wien toch reeds de kiem lag van alle hoedanigheden en krachten, die hij later in de gelegenheid was te ontwikkelen.

Zekere historieschrijvers van zijn land, die wel wat anecdotiek vallen, vermelden van hem een feit, dat misschien niet den toets der gestrenge critiek kan doorstaan; maar dat toch zoo juist zijn karakter kenmerkt, zooals zich dat later heeft getoond, dat men het niet zonder tegenbewijs als onwaar behoeft te verwerpen. Het komt hierop neder: De avond voor den beraamden moord op den maarschalk d’Ancre werd den bisschop van Luçon door zijn deken, bij wien hij inwoonde, een pakket overhandigd, aan zijn adres, waarvan de bestelling hem dringend was aanbevolen, als bevattende mededeelingen van hooge belangrijkheid en waar veel haast bij was. Ook meldde de geestelijke zich onverwijld aan bij Zijne Hoogwaardigheid, overhandigde het pakket en verzuimde niet de boodschap er bij te doen. Het was omstreeks elf ure des avonds en Monseigneur lag reeds te bed, wakker genoeg evenwel om schielijk het pakket te openen en de brieven door te lezen, met een onverwogen gelaat en met groote radheid van blik en van bevatting. Eene der mededeelingen was inderdaad allerbelangrijkst. Zij was eene kennisgeving van den aanslag, die er tegen den maarschalk d’Ancre was beraamd, en met zoodanige uitvoerigheid en bestemdheid, zoowel wat den tijd, de plaats en de wijze van uitvoering betrof, als van de personen, die het complot hadden gevormd, dat er geen twijfel kon blijven of het bericht kwam van eene welonderrichte zijde. Ook verviel de bisschop, na gelezen te hebben, in een diep gepeins, dat hij ten laatste afbrak met te zeggen: »Het is wel, de zaak heeft geen haast, ik zal er mij op beslapen!” En na den brief onder zijn kussen geborgen te hebben, legde hij het hoofd rustig neer en sliep in!

De deken, die niet weten kon waarvan sprake was, ging heen in den geloove, dat de man die tot zoo grooten spoed had gemaand, hem voor ’t lapje had gehouden. Des anderendaags verliet Zijne Hoogwaardigheid eerst te elf ure zijne kamer, om begroet te worden met de verrassende tijding, dat de maarschalk d’ Ancre te tien ure des morgens was vermoord geworden op de brug van de Louvre, precies zooals zijn berichtgever hem dat had aangekondigd!

Men ziet het, de bisschop had tijd gehad zich behoorlijk voor te bereiden op eene pose van de uiterste ontzetting, en om zijn gelaat te stellen in de plooi, door de omstandigheden aangewezen. Als men bedenkt dat hij aan de Concini zijne eerste fortuin te danken had, en overweegt dat Richelieu niet heeft kunnen voorbijzien de vreeselijke omkeering, die den val van den maarschalk moest teweegbrengen in het lot van de Koningin­moeder, zijne meesteres en begunstigster, dan is naar de zienswijze van ieder gewoon mensch dit laisser-aller hoogst schuldig en hoogst ondankbaar. Welk hart, welk geweten men hebben moet, om tot zoo iets in staat te zijn, durven wij niet onderzoeken; maar de staatsman kon zich voor Frankrijk rechtvaardigen. Het is zóó, hij dankte zijn ambt aan de Regentes en hare gunstelingen, maar hij had het aanvaard om den Koning te dienen, en tot heil van den Staat mede te werken, en hij had reeds gelegenheid genoeg gehad om op te merken, dat noch de Koning, noch het land in waarheid gediend werden langs den weg, dien de Koningin en hare gunstelingen hadden ingeslagen. Hen daarvan af te keeren… de poging er toe zou hem reeds als een ontrouw dienaar in verdenking hebben gebracht. Een man als hij, die later met zoo onverpoosden ijver voor het waarachtig belang van den Staat heeft gewerkt en gewaakt, moest zich in dezen aanvang van zijne politieke loopbaan wel reeds een ideaal hebben gemaakt van een krachtig, rechtvaardig en zelfstandig bestuur, zooals onder de gunstelingen-regeering der grillige en onvoorzichtige Maria de Medicis niet zou zijn te verwezenlijken. Met leede oogen zal hij hebben toegezien bij eene orde van zaken, die eigenlijk niets was dan wanorde, die hij niet kon veranderen, en die het hem opgelegd was te helpen voortduren. De grenzenlooze verwarringen in alle takken van het bestuur, die binnenslands geene rust, buitep.slands geene veiligheid waarborgden; de verspilling van de inkomsten des Rijks, de gewettigde en ongewettigde afpersingen der grooten, de feilbaarheid der hooge ambten, de onderdrukking van den nijveren stand, het leger een ongeregelde en ongeordende hoop, zwak tegen den vijand en in de hand van drieste aanvoerders meer gereed het Koninklijk gezag te bedreigen dan te steunen — het recht zonder kracht, de rebellie machtiger dan de wet. Ter eener zijde het transigeeren, het terzijdewijken of onderhandelen met hooge rebellen; ter andere, het inroepen van vreemdelingen ter hulpe van het wankelend koningschap; dit alles en nog veel meer dan wij kunnen optellen, door zijn snellen, veelzijdigen blik waargenomen, moest hem tot de overtuiging brengen, dat niet slechts het koningschap van Frankrijk, maar ook zelfs het koninkrijk ten verderve werd gevoerd door hen, die in de plaats van den jeugdigen Koning, met elkander den schepter voerden. Samenzweren tegen dat onwijs en onwaardig driemanschap, welks raadslagen hij geroepen was te deelen en te helpen uitvoeren, hij kon het niet, hij heeft het ook niet gedaan; maar nu anderen zich willen belasten met die hachelijke taak, nu de Koning zelf zich aan het hoofd stelt van zulk complot en dus het bewijs levert hoezeer hij de verdrukking en de wanorde moede is, nu er hoop is dat er uit zoo groote verandering verbetering zal rijpen, — nu zelf een plan in duigen te werpen, dat hem mogelijk de kans opent om zijne eigene grootsche plannen te volbrengen, terwijl die daad tevens een daad van hoogverraad was tegen den Koning of zwijgen en wachten wat de stoute aanslag daarstelde — ziedaar een alternatief, waarbij de keuze van een Richelieu is te voorzien en zelfs te rechtvaardigen, als men zich op zijn standpunt plaatst. ’t Is waar, het gold hier het leven van een mensch, maar wat het leven van een mensch beteekent in de oogen van staatslieden als Richelieu en zijns gelijken, als het hooge staatsbelangen geldt, heeft de geschiedenis van zijn later leven ons geleerd. Hij had verplichting aan dien mensch, dat is zoo, en zijne beschermster werd er door in ’t harte getroffen, maar de dankbaarheid, waar ze met het staatsbelang strijdt, is eene hinderlijke deugd, die ter zijde moet worden gezet, en de markies d’ Ancre had menig misdadiger laten terdoodbrengen, die minder schuldig was tegen Frankrijk dan hij zelf.

De markies d’Ancre was de kanker van den Staat, waar nu de Koning goed vond dien kanker uit te snijden, al geschiedde die operatie wat overhaast en niet naar de regelen der kunst, daar zou hij, Richelieu, die zelf wel van extraordinaire kuren hield, zich er niet tegen stellen. Welhaast zou er een bekwaam en krachtig medicijnmeester voor het zieke Frankrijk noodig zijn, en de bisschop van Luçon wist, waar men dien zou moeten zoeken en zou ook wel zorgen dat de Koning op dit punt niet in ’t onzekere verkeerde. Zijn stelsel van niet tusschenkomst kon hem dan als groote verdienste worden toegerekend…

Zij, die de rechtstreeksche voorkennis van Richelieu aan den moord van d’ Ancre niet als zeker stellen, teekenen toch aan, dat hij drie dagen voor die catastrophe een vertrouwd dienaar aan Luynes zou hebben gezonden, om hem te bidden den Koning de verzekering te geven van zijne getrouwheid, en van de onbepaalde toewijding, waarmee hij zich ter beschikking stelde Zijner Majesteit en van diens geliefden vriend!

Deze daad sluit, dunkt mij, het andere negatieve handelen met opzicht tot de samenzwering niet uit. Is het niet hoogst waarschijnlijk dat een man als Richelieu, gewoon op de teekenen des tijds te letten, en te wijs om de kleine dingen te overzien, terwijl hij naar de groote trachtte, het allereerst verandering heeft bespeurd aan den horizont van het Hof, en begrepen heeft dat het oogenblik niet meer verre was, waarop de Koning zich uit zijne onwaardige afhankelijkheid zou oprichten, dat er door hem eenige gewelddadige omkeering zal zijn voorgevoeld, zonderdat hij den omvang en de diepte er van nog met zekerheid wist te berekenen. Maar dit weet hij, dat hij bedreigd wordt te vallen met de partij, die niet meer zijne samenstemming heeft, en die hij niet eens zou willen schragen, of dat hij de kans moet waarnemen om zich te stellen aan de andere zijde even vóór den strijd, opdat hij bij de overwinning met haar moge zegevieren. Als hij dezen oogenblik niet waarneemt, verliest bij het recht om het later met eere en met vrucht te doen, en laat den tijd aan andere mogelijk schadelijke invloeden om te rijpen, die hij door snel zijne partij te kiezen, kan beheerschen of afleiden. Is het vreemd dat een staatsman van dit gehalte, alle persoonlijke verplichtingen en zwakkere banden ter zijde laat, om het oog te richten op het ééne groote doel, dat hij zich heeft voorgesteld? Is het te misprijzen dat Richelieu den val van d’Ancre voorziende uit het wenkbrauwfronsen van Lodewijk XIII, bij den stijgenden overmoed van den Italiaanschen dwingeland, den Koning van zijne trouw heeft verzekerd, en zijn dienst heeft aangeboden? Aangenomen schijnt die echter niet openlijk, en de belooning die op de aanbieding volgde was negatief, zooals de dienst dien hij had verleend of willen verleenen. Hij werd niet mede omvat in de vervolging tegen alle creaturen, afhangelingen en dienaren van den gevallen maarschalk ingesteld; maar toch werd hem een huisarrest opgelegd, waarbij vermoedelijk een onderzoek zijner papieren heeft plaats gehad. Wat men ontdekte schijnt niet tegen hem getuigd te hebben; zoo men het papier door hem onder zijn hoofdkussen geborgen, gevonden heeft, pleitte dat zeker afdoend te zijner gunste. Ook werd hem geen proces aangedaan, als Leonora Galigaï ook werd hij niet in de Bastille gezet als Barbin en vele anderen, ook werd hem geene verbanning opgelegd als aan Maria de Medicis. Maar toen hij als gunst vroeg haar in die afzondering te vergezellen, werd het hem genadig toegestaan; Luynes voelde op dat oogenblik gansch geen behoefte aan zijn raad en hulp, en de Koning, wiens sympathie hij zijn leven lang door al zijne diensten en verdiensten niet heeft kunnen veroveren, moest weten dat hij hem noodig had, eer hij besluiten kon zijn dienst aan te nemen. Terwijl het proces tegen Leonora Galigaï werd gevoerd, kon hij zelfs moeielijk te Parijs blijven, zonder in eene gevaarlijke stelling te raken. Misschien zou men hem hebben toegestaan voor Avocat du diable te spelen, waar zijne beschermster van tooverij werd beschuldigd; maar dergelijk pleidooi scheen niet van zijn smaak. Het beste dus wat hij wist te doen, was, de tweeslachtige stelling innemen, die wij boven hebben aangeduid, en zijne vroegere meesteres naar Blois volgen, die van zijne geheime onderhandelingen volkomen onbewust, zeer tevreden was haar geliefden kabinetssecretaris als gezelschapshouder bij zich te hebben. De vreugde was echter van korten duur; slechts veertig dagen bleef hij bij haar, hetzij hij de overtuiging had gekregen dat de breuke tusschen den Koning en zijne moeder te wijd was om vooreerst aan heelen of bemiddelen te denken; hetzij hij voorzag dat zij eene afzondering moede, wier einde zich nog niet liet voorzien, tot stappen zoude komen, waarvan hij de verantwoordelijkheid niet wilde deelen, hetzij hij gevoelde dat een langer verblijf bij de verdachte ballinge hem benadeelen zou bij het Hof en in de wereld, of wel dat hij in ’t geheim een wenk heeft gekregen door hoogerhand om zijne dubbelzinnige houding te laten varen, mogelijk iets van dat alles te zamen, terwijl een van die redenen reeds genoegzaam was om hem het duistere plekje te doen verlaten, waar de zon der fortuin hare stralen niet heenwierp, — genoeg, hij wendde voor, behoefte te gevoelen om, naar de eischen van den geestelijken stand, zich in de eenzaamheid terug te trekken, en zich met zijne boeken, met zijne studiën bezig te houden, ten einde, gelijk een waardig prelaat betaamde, vaardig te zijn tot den strijd tegen de ketterij! Hoe hij dezen strijd heeft verstaan, heeft zijn later leven getoond. Gelukkig voor het Protestantisme, schijnt hij vrijzinniger gevoelens te hebben opgedaan, dan men uit zoo strenge voornemens had kunnen wachten. Hij schijnt tot de overtuiging te zijn gekomen, dat zoo de ketterij een groot kwaad was, het toch in gegeven omstandigheden zijn nut kon de hebben alliantie te sluiten met de ketters, en dat het beter was, zich door dezen te laten steunen, dan zich te laten overheeren door de geloovige Katholieken uit het huis van Oostenrijk. Die studiën kwamen hem alzoo te pas, en ze kwamen ons Nederlanders ten goede. De plaats waar de vrome heremiet zijne kluis opsloeg. was eene schoone proostdij, die, hij bezat nabij Nirabeau.

Hij wist de Koningin-moeder te doen berusten in zijne verwijdering, door haar voor te stellen, dat hij in verdenking was geraakt bij het Hof om harentwil, en dat hij vreesde haar nieuwe vervolging op den hals te halen zoo hij bleef, nu men aanving zijne tegenwoordigheid te Blois met wantrouwende blikken gade te slaan.

Ten Hove intusschen liet hij dit heengaan gelden als eene daad van gewillige gehoorzaamheid aan het ondersteld verlangen des Konings!

Men ziet het, de oude Romeinsche kardinaal, die hem tot bisschop wijdde, had geen ongelijk met te zeggen: Questo giovine sara un gran furbo.

En nu de ongelukkige Maria de Medicis, alleen gelaten met raadslieden, meer oprecht, maar minder voorzichtig dan de bisschop van Luçon, wat zou zij aanvangen, hoe droeg zij hare verlatenheid, hare gevangenschap? want hare afzondering nam meer en meer dat karakter aan, en het verloop van tijd bracht geen verandering in haar toestand, zooals zij gehoopt had. De Koning, zoo wankelbaar en grillig, zou Luynes welhaast moede worden, had zij gemeend, en zou dan allereerst zijne moeder noodig hebben om hem van den gunsteling te ontslaan; maar toen zij zag dat Lodewijk, wel verre van Luynes moede te worden, hem altijd nader aan zich verbond door nieuwe gunsten, door hem meer en meer macht en invloed te laten nemen, toen het eene jaar verliep na het andere, zonderdat er aan de terugroeping der ballinge werd gedacht, toen het jaar 1619 aanbrak en hare gevangenschap zich merkbaar verengde, terwijl Luynes nog in vollen glans van hofgunst schitterde, (*) en gesterkt door zijne listige, behaagzieke jonge vrouw, de bekende dochter uit den huize Montbazon (die later als duchesse de Chevreuse zulk eene beruchte rol heeft gespeeld) zoo vast stond aan ’s Konings zijde, dat: het wel scheen of de verbintenis was voor het leven, toen achtte zij zich als uitgetergd tot een wanhopigen stap; luisterende naar alle onruststokers en aanbrengers van kwade tijdingen, die voorgaven, dat er nog harder maatregelen tegen haar werden beraamd, en dat haar leven zelf bedreigd werd door de onverzoenlijkheid van haar zoon en den haat harer vijanden, en toegevende aan de wenschen van hare getrouwe, maar onnadenkende vrienden, wier raad maar al te zeer samenstemde met de opwelling van haar eigen hoovaardig en onrustig gemoed, brak ze het aangegane verdrag met den Koning en wist met hulp van buiten uit het kasteel van Blois te ontsnappen. Hoe al aanstonds al wat Frankrijk voor oproerlustigen, ontevredenen, onbezonnenen en avontuurlievenden binnen zijne ruime grenzen bevatte, zich vereenigde rondom de gevluchte vorstin, wier lot en lijden voor hare gebreken had verblind; hoe de standaard dien zij plantte in Franschen bodem, alle rebellische en strijdlustige onderdanen des Konings, in vereeniging met vreemde partijgangers, als een gewenscht krijgsteeken in de oogen blonk; hoe zij het voorwendsel dreigde te worden van een vreeselijken burgerkrijg, waarbij moeder en zoon met twee verschillende legerbenden vijandelijk tegen elkander zouden overstaan; hoe de krijgskans zich tegen haar keerde en hoe Richelieu in het hachelijkst tijdpunt van dien schuldigen en schadelijken strijd opdaagde, en als bemiddelaar optrad, wel niet van eene oprechte verzoening (zij kon niet mogelijk zijn), maar van een uiterlijk bestand, dat aan zulke gevaren en ergernissen een eind maakte; hoe hij zelf van toen aan noodzakelijk werd voor alle partijen te zamen, schoon door alle partijen beurtelings verdacht en gehaat, maar evenzeer gevreesd en onmisbaar geacht, dat alles behoort niet tot ons tegenwoordig onderwerp. Wij hebben ons niet voorgesteld de ontsnapping uit Blois te schetsen, noch de gebeurtenissen die er op volgden, wij hebben alleen willen voorstellen, hoe en ook waarom Maria de Medicis naar Blois vertrok.

Wij wilden alleen doen zien hoe de sombere profetie van haar gemaal aanving zich aan haar te verwezenlijken, wij zouden haar gansche leven moeten beschrijven, om er de vervulling in zijn vollen omvang van te vertoonen. Wij zouden haar dan moeten naoogen, niet slechts in haar kerker te Compiègne, maar ook in hare ballingschap in den vreemde, toen de machtige hand van Richelieu haar uit Frankrijk had verdreven, en zelfs op dat somber en eenzaam sterfbed, waar zij geene hand vond om hare peluw zacht te schudden, dan die van een dankbaar kunstenaar — waar zij den geest gaf, onverzoend met haar zoon, — mocht het zijn niet onverzoend met God, — want in waarheid, zoo de zoon zijne moeder smarte heeft aangedaan, ook de moeder heeft zich zwaar bezondigd tegen hare naaste plichten, ook de moeder is niet achtergebleven haar zoon schade te berokkenen en leed toe te brengen. Het kind had zij verwaarloosd; den knaap had zij onderdrukt; den jongeling, die zich had losgeworsteld uit hare boeien, den man, die den arm tegen haar had opgeheven, zou zij nimmermeer ruste gunnen noch geluk; zij stookte het mistrouwen aan in zijn gezin, zaaide wantrouwen en verdeeldheid tusschen gade en broeder, dreigde den Koning in zijne naaste en heiligste belangen, maakte zich tot de plaag van zijn huis en de pest van zijn land, dwong hem ten laatste tot de keuze tusschen haar en een onmisbaar dienaar van den Staat, en schoon hij haar van toen aan overliet aan alle rampspoeden, die ballingschap en armoede over haar konden brengen, mag men toch de vraag opperen, wie van die beiden de eerste en grootste schuld had, en zou die vraag naar de gerechtigheid der historie te haren nadeele moeten beantwoord worden. Zonderdat, had de stem van het bloed ten laatste nog luider gesproken dan de stem van een onverzoenlijk minister. Zonderdat, ware er nevens het onverbiddelijk staatsbelang nog een kinderhart gebleven, dat zich openen zou voor de moederlijke klacht. Maar zij, zij zelve had het gesloten en reeds lange voordat de ijzeren wil van Richelieu het voor haar ontoegankelijk maakte. Zij had verzuimd moeder te zijn in den waren zin des woords. Hoe kon ze wachten een zoon te vinden in de ure der beproeving? Zelve had zij de stem der natuur gesmoord, hoe kon zij hopen dat die later door anderen zou worden verstaan!


Ingezonden op: 19 July 2001