DE ALKMAARSCHE WEES.


Met eene gewaarwording van vroolijke voldoening, toch door weemoed getemperd, zet ik dien titel boven hetgeen ik ga nederschrijven. Voldoening, omdat ik spreken mag van dien eerbiedwaardigen karaktertrek onzer vaderen: zorge en liefde voor het verlatene; trouwe en teÊrheid voor het weeskind. Weemoed, omdat de instelling, die ook in onze stad van dien karaktertrek getuigde in mijn tijd heeft opgehouden te bestaan, voor onze Protestantsche weezen; omdat ik niet zonder een blik van benijding en van bewondering, die ik gaarne wil uitspreken, mijne Katholieke stadgenooten uit eigen fondsen en ten koste van welke offers dan ook, zich dat voorrecht zie verzekeren, waarop het menschelijk hart en het vaderlandsch gevoel grooteren prijs hadden behooren te stellen dan zij getoond hebben te doen, die zulke offers te groot hebben geacht. Hunne redenen te wegen of te doorgronden is noodeloos en hier niet oorbaar; maar de klachte, die mij op ’t harte lag, moest ik lucht geven: Geen Gereformeerd weeshuis meer in dat Alkmaar, dat zich toch niet de mindere toont, als er beroep wordt gedaan op hare goeddadigheid, en dat eene der bloeiendste wordt geacht onder de zeven Westfriesche steden! Dat was het reeds in 1611, als men Schagen en anderen gelooven, mag, en… wat voor ons zijne belangrijkheid heeft, toen bestond er een weeshuis.

Het was Zondag: er is iets eigenaardig aandoenlijks in, op zulken heiligen dag des Heeren, de weezen te zien opgaan naar het huis van Hem, die het gezegd heeft, dat Hij hun Vader wil zijn; er is iets liefelijks in hen te zien komen en gaan in lange statige rij, allen ordelijk en stemmig voortgaande, twee aan twee, de kleinsten vooruit, soms nog wel aan de hand geleid, de grooteren volgende, de plaatsvervangende vader en moeder met de leermeesteressen den trein sluitende: het geeft u zoo goed een denkbeeld van de stilheid, de aandacht en orde, die de vrome golfsdienstige zin met zich brengt. Ik weet wel, dat ze niet daarom den Heer in ’t harte hebben, omdat ze door streng‚ tucht tot uiterlijke stemmigheid zijn gedwongen; maar toch, hunne opvoeding leidt hen tot vromen zin. Uit het midden vaak van een verwaarloosd gezin worden ze opgenomen en tot den Heere gebracht, of ze hun hart voor Hem openen wilden, en op menig zacht en deemoedig gezichtje, in menighelder oog leest men bij hen iets, dat van die ontvankelijkheid des harten getuigt. Mij althans heeft het zien van zulke weezen altijd gesticht en opgevoerd tot Hem, in wiens naam en ter wiens liefde hun zoo trouwe verzorging gewordt. Maar de Zondag is voor den wees niet enkel een dag aan stichting gewijd, het is ook een feestelijke, het is ook een dag van uitspanning; de regelen van ’t Huis zijn streng en stipt, de uren van iederen werkdag zijn er onverzettelijk aangewezen voor iederen plicht, voor iedere taak, en die van de uitspanning zijn niet vele, en worden niet genoten in volkomen vrijheid; maar des Zondags is dat anders: des Zondags mag de wees uitgaan, en geen bijna is er zóó verweesd, zóó alleen, of hij vindt nog hier en daar in de stad zijne verwanten, of hunne vrienden, of de verwanten zijner medeweezen, waar hij open deur vindt om er de vrije Zondags-uren door te brengen, en opene harten om ze hem te vervroolijken. Zondags zet zich de wees aan de tafels der rijken, of zelfs der armen, die dan toch een schotel extra hebben want ze hebben een wees te gast… zie, het is niet enkel medelijden en zorge, het is voorliefde die zich toont in ’t oud-Hollandsche karakter, aan wie ouderliefde missen moeten op aarde. Het was althans zeker dat die stemming heerschte in een gezin te Alkmaar, aan welks disch wij op een Zondagmiddag van ’t jaar 1611 een wees zien aanzitten, uit de andere jongelieden wel te onderscheiden door de kleeding die hij draagt, de grove lakensche stoffe met de roode bies op den schouder. Men heeft het somtijds eene hardheid genoemd, dat de weezen de stadskleuren droegen. of eenig merk of wapen, dat hun als tot livrei strekt hunner verlatenheid; maar is dat in ’t midden van een volk, dat juist voor die verlatenheid zooveel meêgevoel heeft, niet als een beroep op ieders goeden wil en voorkomendheid? Ja, zoo worden ze onderkend en onderscheiden, het is waar, maar niet te hunner vernedering, slechts tot hunne aanbeveling aan elks meêwarigbeid. Hoe menigte van spreekwoorden zijn er niet in onze taal, die getuigenis geven, wat men voor ’t weeskind voelt, hoe men er over denkt, hoe men er jegens wenscht te handelen; en dan… zou de onderscheiding hun schade brengen of schande? Ik geloof wel, dat de bedoeling onzer vrome vaderen eene andere was.

De kring, in wiens midden wij onzen wees aantreffen, is lang niet schitterend; de omgeving is niet alleen eenvoudig, maar zelfs armelijk; en ’t is niet te verwonderen: de gastheer is een lakenwever, daarom bewoont hij het kleine schamele huisje in de Ramen, waar de droogrekken voor ’t laken aan de weverijen hun gerief bieden; hij heeft veel kinderen en ’t weversloon is te dezer dage niet groot, want de Leydsche lakens beginnen boven de Alkmaarsche geprezen te worden, en er wordt veel gewerkt fluweel gedragen en zware zijden stoffaadjen, die het laken in geringschatting brengen.

Toch, al is de tafel maar van wit geschuurd hout, zij draagt een betrekkelijken overvloed. Een kan hartig bier, dat in de bekers schuimt, kaas en wittebrood, zooveel elk lust; de sneden krentenbrood geteld, doch ieder kan een deel bekomen; de weversvrouw duwt intusschen den wees, die naast haar zit, een dubbel deel toe, dat de laatste onder de tafel door aan het oudste meisje wil toesteken, die het echter niet aanneemt.

»Mits gij de helft voor u houdt, Wollebrandt,” zegt ze.

»Straks komt Frans hier, geef het hem, Antje!” antwoordt Wollebrandt smeekend.

»Ge zoudt het weten; Wollebrandt, ik mag hem niet,” zegt de vijftienjarige, die reeds hare voorkeur heeft.

»En mij wel! dat weet ik,” herneemt hij goêlijk maar zonder teederheid.

Wollebrandt is pas in zijn dertiende jaar en hij is nog een knaap; zijn uur om lief te hebben heeft nog niet geslagen, of wel hij heeft in Anna Jochems, zijne nicht, nooit iets anders gezien dan eene zuster: zij daarentegen onderscheidt hem reeds van hare broeders.

»Frans heeft zijne ouders en zusters om hem lief te hebben, ” lispelt zij: »gij, gij hebt niemand dan ons.”

»Lacy!… ja, zoo ik mijne ouders nog had, zou ik een gansch anderen weg gaan,” zuchtte Wollebrandt.

»Geen ondank, mijn jongen!” roept Pieter Jochems, de huisvader: »als Gleijms de Jonghe nog leefde, zou ’t je vrij slechter vergaan. De man heeft nooit zijn brood kunnen winnen; mijne arme zuster zaliger is van kommer bezweken, en armoê was er troef, toen uw vader kwam te vallen. In ’t Huis ben je voor honger en kou geveiligd; dank er den Heere God voor!” en de man lichtte de muts eerbiedig van ’t hoofd .

»Zoo doe ik Pieter-oom! alleen, vader had mij een beroep naar mijn wil laten kiezen, terwijl de Regenten…”

»Ei wat! ze hebben je tot driemalen toe op een ander ambacht gedaan, en nu ze ten leste ten einde raad zijn, is ’t wel niet vreemd, dat zij u in de kleêrmakers-kamer op de leer deden.”

»De snijders-tafel voor een borst van mijne statuur!” zuchtte Wollebrandt.

»Omdat ge bij vreemde bazen niet oppassen wildet, en de meester-kleêrmaker van ’t Huis u op deze manier onder de oogen heeft,” voegde Jochems hem toe, hoofdschuddend over den ondankbare, die de lankmoedigheid. jegens hem gebruikt , niet scheen te waardeeren. Wij zouden gaarne Pieter Jochems van laster beschuldigen; maar de overlevering is dáár om tegen den wees te getuigen; lezen, schrijven en rekenen had hij vrij goed geleerd; maar tot daartoe beperkte zich de mate van zijn goeden wil of van zijne goede vermogens, en tot het aanleeren van een beroep scheen hij volkomen ongeschikt. Bij wijlen wuft, dartel, zonder omdenken, scheen hij een hoofd te hebben waar zich niets liet inbrengen, en handen, tot de eenvoudigste handgrepen van werktuigelijken arbeid ongeschikt; dan weêr schenen traagheid en loomheid zijne overheerschende ondeugden. Wel verzette hij zich niet tegen de taak die men hem opleidde, maar hij deed haar niet af; dan scheen de kracht der traagheid zijne éénige kracht, maar zij matte door hare taaiheid af, wie er zich tegen verzette; zijne hardnekkigheid ging tot de verstomping der strafheid toe.

»’t Is een suffert!” spraken meesters en kameraden, als ze hem dof en schijnbaar wezenloos zagen neêrgebogen over zijn arbeid zonder te werken.

»’t Is een woesteling,” zeiden weêr anderen hoofdschuddend, als ze hem op anderen tijd, in zijne vrije uren, in boomen zagen klimmen of op daken wandelen, als waren zulke praktijken niet tegen alle regelen van orde in ’t Huis. Die ongelijkheid aan zich zelven maakte, dat niemand hem begreep, en dat niemand zich ook bijzonder veel moeite gaf om over hem te denken. Zijne wildheid gaf hem den titel van »dolle woesteling” door het gansche Huis, en zijne ongeschiktheid tot werken, daarbuiten, stempelde hem als een suffenden luiaard. Zijn voorkomen hielp mede tot de veroordeeling. Het was hem aan te zien dat hij nog zijn groei moest krijgen; breed geschouderd, log van bouw, grof van gebeente, was hij toch kort en dik, dat hem iets dwergachtigs, iets onbehouwens gaf, en iets onbehagelijks, dat vooral uitkwam omdat zijne bolheid geene gezondheid scheen, een weekelijk ziekelijk bleek overtoog zijne ronde wangen: zijne sterke wangbeenderen en breed voorhoofd duidden toch op eene krachtige bewerktuiging, die deze ziekelijkheid (zoo zij bestond) tot iets onnatuurlijks maakte, en het fonkelen van de donkere levendig blauwe oogen gaf somtijds zulk eene uitdrukking aan dit gelaat, dat men, na die opgemerkt te hebben, hun slaperig wegduiken tusschen de oogleden niet meer als stompzinnigheid opnemen kon. Zulke opmerkers intusschen hadden onzen Wollebrandt tot hiertoe niet gadegeslagen, en hij bleef gebukt onder zijn kwaden naam, dien hij dan toch in zeker opzicht verdiende. Regenten, weesvaders en meesters hadden lang geduld geoefend en toegevendheid gebruikt, eer zij tot den maatregel besloten, waarvan gesproken is, en die Wollebrandt zoo noode onderging; en Pieter Jochems zelf had gewoonte te zeggen: »ware hij mijn zoon, hiJ zou er van lusten!” dan, hij was zijn zusters zoon, en wees: en de goede man gaf hem geen kwaad woord, maar het beste deel van zijne tafel, zoo vaak hij er aanzat. Zijne vrouwen oudste dochter hadden den armen neef lief, zooals vrouwen kunnen liefhebben, waar zij mededoogen voelen met een onbekend lijden, dat zij toch als bij ingeving raden, en de jongere kinderen, meest jongens, mochten hem lijden, zooals een grooten makken huishond, waarmede zij sollen konden en stoeien zooveel hun lustte, zonder vrees van door hem gebeten te worden.

Terwijl wij over onzen wees voortgepraat hebben, zijn twee personen binnengekomen, die door het grootste deel van ’t gezin met vroolijk gejuich zijn verwelkomd, vooral door Wollebrandt, die den één, een knaap van zijn leeftijd, vroolijk de hand drukt, terwijl hij uitroept: »Wat een blij weêrzien, Frans! nu zal je me van Oost-Indië vertellen?”

»Certeyn zal ik!” herneemt Frans: »maar hier breng ik je mijn oom, die je van andere dingen kan spreken dan ik.” Die oom droeg de kleeding van een gewoon matroos: ’t was een dier wakkere rappe zeelieden, die de rechterhand zijn van den eersten stuurman en de trots van den kapitein.

Frans was een knaap van Wollebrandts jaren, zelfs de jongere, maar niemand zou het hem hebben aangezien. Lang, slank en toch forsch, vlug en door de zonnehitte verschroeid, scheen hij reeds een volwassen jongeling, waar de ander nog een knaap was; reeds een mensch waar de ander nog kind, heette; reeds een persoon die zijne plaats had in de maatschappij, waar men nog niet wist wat er van den andere zou moeten worden: en ’t was zeker die overweging, die Wollebrandt plotseling met diepen, pijnlijken weemoed deed uitroepen:

»Gij reeds naar Oost-Indië geweest, en ik, die uw oudere ben, ik zit nog op eene snijders-tafel te suffen!”

»Wel, jongen, je suft omdat je op de snijders-tafel zit!” sprak op eens oom de matroos, met het eenvoudig gezond verstand, dat onbevangen zijn oordeel uitspreekt, »je moest bij ons op het schip zijn, daar zouden je de leden wel uit malkaar raken; je zoudt een groote ferme jongen worden; dat zou een leven wezen dat je aanstaan zou!” en de goede man begon met al de vooringenomenheid, den zeeman eigen, de zoetheden van ’t zeemansleven te schetsen, waarvan de lieden op ’t land gemeenlijk niet begrijpen kunnen dat het zoetheden zijn; maar Wollebrandt begreep, Wollebrandt voelde in zich iets wakker worden en tot bewustheid komen, dat lang had gesluimerd en dat zich toch door onvoldaanheid met al het andere had getoond.

De gevaren, de krachtsinspanningen, de afwisselingen van het zeemansleven trokken hem aan; de wonderen van de vreemde landen, van de nieuwe wereld, waar de vertellingen van den ouden zeeman hem inleidden, spraken helder en bezielend tot zijne verbeelding. Zijne oogen schitterden, zijne wangen kleurden zich met hoogen gloed, zijn gelaat kreeg eene geheel andere uitdrukking dan die van een goˆlijken suffer. Anna sidderde door eene ingeving dier teêrheid, die gevaren of scheiding voorziet. Vader Jochems schudde het hoofd, Frans drukte zijn jongen vriend de hand, en de oude zeeman fluisterde hem in: »Je moest zien dat je de naaste reis met ons deedt: over drie weken zeilen wij uit!”

»O! als de Regenten het wilden,” zuchtte Wollebrandt.

Maar… de Regenten wilden het niet, hetzij ze den gedurigen wisselzin van Wollebrandt wantrouwden, of de zucht naar de zee hun slechts de wensch toescheen om vóór den tijd van hunne tucht ontslagen te zijn, of wel uit zeker vooroordeel tegen dien stand, dat heerschende was onder stille deftige lieden; zij weigerden.

Een paar maanden lang verkropte Wollebrandt zijn spijt, en verpijnde zich op zijne werktafel in machtelooze wenschen en onuitvoerbare hersenschimmen; toen sprak hij bij zich zelven:

»Ik kan zwemmen, ik kan klimmen; de gracht is niet al te breed, de muren waren mij nooit te steil… de vensters niet te hoog…” hij beproefde het waagstuk op zekeren nacht: het gelukte. Hij vluchtte, hij werd niet achterhaald.

»Ik heb het altijd gevreesd dat hij een kwaad einde zou nemen,” sprak vader Jochems weifelend tusschen smart en toorn; moeder en Anna schreiden in stilte; Frans van Befteren toen hij keerde, bemoeide zich tevergeefs met haar te troosten, en de oude zeeman zeide: »maak je niet moeielijk over dien jongen vrouwtjes! al hoor je in jaren lang niet weêr van hem. Ik zeg het je, die keert nog als Ammiraal.”

En werkelijk hij keerde als Admiraal. Zeker niet zonder eenige tusschenpoozen en overgangen; want alleen dat hij eerst na een dertigjarig tijdsverloop dus keerde, bewijst het tegendeel, maar toch de waarheid is: De Alkmaarsche weesjongen Wollebrandt Gleijms de Jonghe is tot Admiraal gestegen.

Tot hiertoe heb ik hem gegeven, zooals de overlevering en de fantasie hem mij voorstelden: hetgeen volgt is geschiedenis, hoewel door mij ingekleed. Al is zijne levensgeschiedenis niet in het gebied der Vaderlandsche Historie opgenomen, hij kon er toch zijne plaats hebben, zooals hij reeds zijne plaats heeft in de geschiedenis mijner vaderstad.


In de maand Augustus 1648 trok er een stoet de stad Alkmaar binnen, die er zeker nogal wat opziens zal hebben verwekt. ’t Was een aanzienlijk personaadje met een gevolg van bedienden en negerslaven, en met al den omslag vangoederen en pakkaadje, die rang en fortuin tot behoeften maken; en de kastelein, waar hij zijn intrek nam, was voorzeker niet weinig trotsch op zulken gast; maar deze bracht hem welhaast in groote verlegenheid, door hem te bevelen den presideerenden Regent van ’t weeshuis te laten uitnoodigen om onverwijld tot hem te komen.

De Regenten van ’t weeshuis waren notabele lieden, meestal te gelijk leden der Regeering; en hoe aanzienlijk de vreemdeling ook zijn mocht, hij was in ’t eind de Stadhouder Frederik Hendrik zelf niet, en de stad of hare regeerders hadden zeker geene bevelen van hem te ontvangen; maar de toon des bevels, waarop de eisch werd gedaan, was zoozeer die van iemand, gewoon zijne bevelen onverwijld gehoorzaamd te zien, dat de kastelein ook geene tegenspraak waagde, daarbij de Hollandsche bedienden, die de heer bij zich had, noemden hem »Ammiraal,” en voor een Admiraal zou al licht de Burgemeester zelf zich in beweging stellen. De presideerende Regent van ’t weeshuis, hoewel niet weinig verwonderd over den wensch van den
onbekenden reiziger, maakte dan ook geen bezwaar dien te
vervullen.

Bij den vreemdeling binnengelaten, zag hij een man van hooge gestalte en forschen bouw, met sterke trekken, die van vastheid en moed getuigden, en oogen, die zich wel niet wijd openden, maar die van levendigheid en schranderheid fonkelden, terwijl de donkere gelaatstint getuigde, dat hij keerkringshitte en zonnebrand had doorgestaan. Zijne kleeding was prachtig, groen zijden damast met gouden bloemen doorwerkt; hij droeg eene breede kanten bef; een gouden koord sloot het wambuis om de middel; menigte van ringen sierden zijne vingers, en aan eene zware gouden keten, dubbel over de borst neêrhangende, droeg hij eene medaille, die zeker van eenig schitterend eerbewijs getuigde. Een kort breed zwaard, dat het midden hield tusschen een Spaanschen degen en eene Oostersche kris, hing aan een bandelier, en de goudlakensche mantel, dien hij geheel van de schouders liet afglijden, en die in breede plooien nederviel, werd door twee negers opgehouden, terwijl hij daar stond nevens de tafel, waarop schrijfbehoeften geplaatst waren, en waar, naast Oostersch rooktuig, de admiraalstaf was nedergelegd ten teeken zijner waardigheid. Zijn hoofd was gedekt met een ronden, breedgeranden tilthoed, met gekleurde pluim, dien hij echter afnam toen de Regent binnenkwam, wien hij terstond aansprak bij zijn naam.

»Ik begrijp niet, hoe het zijn kan, dat ik bekend ben bij U Hoog-Edel-Gestrenge,” riep de Regent verbaasd.

»Mij verwondert het minder, dat gij mij niet herkent, waardige heer!” Daarop, na eenig stilzwijgen, waarin de andere tevergeefs zich die trekken trachtte te herinneren, vervolgde de Admiraal:

»Ik ben uw oude pupil, het kind dat het liefdebrood uwer barmhartigheid heeft gegeten, en die het versmaadde uit trek naar wondere avonturen, die hem ten leste tot eene fortuin hebben gebracht, daaraf hij en gij niet hebben gedroomd. Om in één woord het al te zeggen, al herkent ge mij niet, het geval met den weesjongen Wollebrandt Gleijms de Jonghe zal u niet gansch uit de memorie zijn gegaan, en hier staat hij voor u, na meer dan dertig jaren afzijns! dank zij Gods genadig bestier, die zich over den roekeloozen knaap ontfermde.”

Men kan zich de verbazing en verwarring van den Regent voorstellen, toevallig na zulk een tijdsverloop nog in ’t zelfde bestuur, die nu werkelijk sporen van deze gelijkenis begon op te merken.

»Wollebrandt Gleijms!” herhaalde hij eindelijk, »wat een man zijt gij geworden, beide in fortuin en in statuur!”

»Ja, niet waar? de plompe luiaard, die ’t bij u in ’t Huis te makkelijk had en niet werken wou, is onder zware vermoeienissen, hongerlijden, moeite, en het doorstaan van allerlei perikelen, tot eene ferme grootte opgewassen.”

»God lof! dat het zoo met u is afgekomen; wij dachten u verloren, naar ziel en lichaam.”

»Door den Heer bewaard en geholpen!” hernam de Admiraal, terwijl hij de hand nam van den Regent, en die hartelijk schudde. Beide mannen hadden de tranen in de oogen.

»Zoo ’t niet te onbescheiden is, verhaal mij een deel uwer avonturen,” zeide de Regent.

»Volgaarne ’t geheel later op ons gemak, als gij mij de eer zult doen aan mijne tafel te spijzen… nu heb ik zaken te bespreken, die haast hebben om afgedaan te worden.”

»Aan uwe tafel spijzen… gij meent u dus in onze stad te vestigen?” »Als gij ’t mij vergunt.”

»Mijne vergunning zal u daartoe wel vrij onnoodig zijn.”

»Zoo noodig, dat ik mij hier huis noch hof zal koopen, vóór ik eerst mijne vrijheid heb gekocht van u.”

»Van mij! wat gaat u door ’t hoofd, heer Ammiraal?”

»Van u en van de andere Regenten, of om duidelijker te spreken, vóór ik mij losgekocht heb van het weeshuis, dat ik verlaten heb als een beschonken losbol de herberg, zonder het gelag te betalen; nu ben ik een man van fortuin en van orde, en wil des geene schulden hebben, en zonderling deze met den meesten spoed afdoen.” In ’t belang van het gesticht had de Regent geen recht, tegenwerpingen te maken. Het spreekt vanzelf, dat er niet op den losprijs werd afgedongen, die terstond voldaan werd, waarop eene voorloopige akte van voldoening volgde.

»Ziezoo! ” sprak de Admiraal, »nu ben ik vrij man, en ga welhaast naar een huis omzien; ik heb vastelijk besloten mij te Alkmaar te vestigen. En nu, mijn goede heer! kunt ge mij veellicht ook eenige narichten geven omtrent sommigen mijner verwanten, en allereerst omtrent het gezin van Jochems?”

»De oude man is overleden; eenigen zijner kinderen zijn getrouwd en hebben zelfs weêr kinderen; doch ’t zijn meest arme luiden; de weduwe leeft met de oudste dochter, die ongetrouwd is en trekt uit de armenkas.”

»Dat zal ophouden van nu aan!” hernam Wollebrandt; daarop bleef hij eene wijle in weemoedig gepeins verzonken, en zeide toen halfluid:

»En Anna ongetrouwd gebleven! zij heeft mij altijd lief gehad… hoe ze zusterlijk met mij deelde, als zij iets te geven had; nu, ze heeft haar broeder weêr - wonen ze nog…?”

»In ’t oude vermolmde huisje in de Ramen, daaraf nauwelijks meer eene kamer staat.”

»Dat zal beter worden; ik ga ze opzoeken, en al de verdere familie die ik hier hebben mag.”

»Gun mij een goeden raad, Ammiraal! uit aanmerking mijner vroegere kwaliteit. Zult gij die luiden allen plotseling rijk maken?”

»Certeyn neen! zulke plotselinge overgang mocht hen naar ziel en lichaam schaden. Ik zalonderzoeken, wat ieder hunner ’t meeste dient.”

»Dat was mijne bedoeling.”

»Ik ben zelf ook niet in één sprong tot Raad van Indië geklommen.”

»Gij zijt ook Raad van Indië?” vroeg de Regent nieuwsgierig.

»Mitsgaders Kommandeur en Directeur in Perzië, waar ik goede communicatie hield met den grooten Mogol, diens conterfeitsel ik met mij brenge. Nu ben ik gekeerd als Ammiraal eener retourvloot der Compagnie van twaalf schepen, daaraf ik dezen gedenkpenning drage, waarop de vloot is afgebeeld.” Hij deed den Regent de medaille bewonderen, die nu sprak:

»En dat alles omdat gij ’t weeshuis ontvlucht zijt…”

»Neen! niet alzoo,” hernam de Admiraal: »’t is waar, op de snijders-tafel had ik dit alles niet verkregen; maar toch, zoo ik in ’t Huis niet het noodigste geleerd had, ik ware nooit van vóór de groote mast weggekomen… en dit herinnert mij een ouden kameraad mijner jeugd, mede een Alkmaarder, die al vroeg op zee heeft gezworven: hoe het Frans van Befteren mag vergaan zijn?”

»Frans van Befteren? die is een rustend zeekaptein, en woont nog hier ter stede.”

»Dat volmaakt mijne blijdschap!… Het is hem dan in ’s Lands dienst niet zoo goed gelukt als mij in die der Compagnie.”

»Ik beeld mij in, dat allen die van ’t weeshuis zijn, daar trotsch op wezen zullen, dat een hunner tot zulken rang is geklommen.”

»Ik zal zorg dragen, dat zij er nog lang blij over wezen zullen,” hernam de Admiraal: »en tot aandenken voor deze stad zal ik mij doen conterfeiten zooals gij mij hier ziet, in vol kostuum, opdat ieder na dezen het weten moge en gedenken, dat een Alkmaarsche weesjongen het gebracht heeft tot Ammiraal.” En de Admiraal heeft in dit als in het andere woord gehouden. Zijn onderzoek naar de familie Jochems en anderen, aan wie hij verwant was of bevriend, blijkt niet zoo voldoende uitgevallen te zijn, dat het den welberaden man lust gaf hen uit den stand, waarin zij leefden, op te heffen, op eene enkele uitzondering na: zoo iemand van de kinderen van vader Jochems lust mocht hebben zich tot de studie der H. Theologie te begeven, werd hem een jaargeld voor die studie toegelegd. Uit zijne latere uiterste wilsbeschikkingen blijkt het zelfs dat hij, hoewel voor allen zorgende, echter geen hunner de bezorging zijner eigene zaken heeft aanvertrouwd. Zijne vriendschap met Frans van Befteren is vernieuwd geworden, en deze laatste, goed bedacht in zijn testament, werd onder de uitvoerders daarvan door hem aangewezen.

Ik zou nog vele bijzonderheden kunnen aanvoeren uit dit testament, maar het zal genoeg zijn te zeggen, dat daaruit overal de vrome, billijke, schrandere en voorzienige man is te herkennen, die bijkans geheel vrij is van die zonderlinge fantastische invallen, die menigmaal parvenus kenmerken, vooral die welke hunne verbeelding hebben verhit door het volle genot van Oostersche weelde. Alles kenmerkt den nuchteren degelijken Hollander, die de waarde van het geld kent, die in overvloed voor wie hij liefheeft gevaar ziet, maar die hunne en hunner nakomelingen stoffelijke belangen verzekert tot in de verre toekomst, tot op 150 jaren na zijn dood.

Men begrijpt vanzelve, dat wees- en diakenhuis door hem niet werden vergeten.

Het blijkt, dat hij te Alkmaar zich niet alleen huis en hof zocht, maar zelfs verscheidene eigendommen in die stad zelve en in den omtrek heeft aangekocht.

Voor een zijner huizen aan de zuidzijde van de Langestraat schijnt hij bijzonder zwak gehad te hebben. Hij heeft er zelf gewoond, is er in gestorven, en heeft het tien jaren lang aan een zijner oude bedienden als woning verzekerd. In eene der kamer, moesten de uitvoerders van zijn testament hunne vergaderingen houden, ten overstaan van zijn portret, dat aan ’t boveneinde van de tafel werd geplaatst, als om zooveel het zijn kon, nog door den indruk van zijne tegenwoordigheid hun hunne verplichtingen te herinneren. Dit portret in vol kostuum, benevens een ander in eenvoudig burgergewaad, en eene afbeelding van de retourvloot, bevindt zich nog in de woning van oen Koster der Groote Kerk te Alkmaar, in welke kerk de nobele Admiraal begraven ligt.

Eene vrij groote zerk dekt zijn graf, dat een wapen draagt (zeker geïmproviseerd na zijne verheffing) en tot opschrift voert zijne titels en waardigheden, en verder: »en is binnen Alkmaar gerust den 28sten Januarij 1679, oud 80 jaren.”

Hij heeft dus wil gehad van zijn rang en fortuin, hoewel hij niet altijd werkeloos schijnt gebleven sinds 1648, daar er scheepsjournalen van hem bestaan van lateren datum .

De eere-medaille, die hem gewerd, wordt gevonden in het Koninklijk Penning-Kabinet te ’s Gravenhage.

Zij voert het volgende naïeve opschrift:

In ’t Vreede jaer belant
Dies Vloot door Wollebrant
Van Oost-Indies rycke Cust
In ’t Lieve Vaderlant.

1850

Ingezonden op: 19 July 2001