EEN NACHT IN EEN ARMSTOEL.


»Het kapsel van Mevrouw de hertogin is voltooid!”

»Heel goed, Saint Jean!”

»Nu schielijk de pluimen, Mejuffrouw Brigitte!” vervolgde de kapper,

»Onmogelijk,” hernam de camériste, »de pluimen moeten nog uit Parijs komen; ze kunnen eerst in den ochtend hier zijn.”

»Zoo zal ik u wijzen, waar ze moeten geplaatst worden. ’t Is eene kleine moeite, die morgen in te zetten; ” en de kapper voegde de daad bij het woord,

Toen Brigitte genoegzaam was ingelicht, sprak Saint Jean met eene buiging tot hare meesteres:

»Heeft Mevrouw de hertogin nog iets te bevelen?” »Niets, Mr, Saint Jean! ik dank u.” »Dan zal ik de vrijheid nemen mij te verwijderen, Ik moet morgenochtend zeer vroeg te Versailles zijn; daar treft toevallig zoo veel samen; en ongelukkig kan men er niets doen zonder mij,” De dame knikte toestemmend met een fijn half ironisch glimlachje, en in het volkomen bewustzijn zijner onmisbaarheid verwijderde zich de belangwekkende kunstenaar. In waarheid, als men op het voltooide kapsel zag, kon men hem dien titel niet meer weigeren; en al zun wij minder dan ooit gezind, den schoonheidszin van de 18de eeuw hulde te doen, een kapsel in het laatste tijdperk van die eeuw was een kunstwerk, zoo al niet van goeden smaak, dan toch van geduld en vindingrijkheid, dat te meer verdienste had, daar het altijd slechts bestemd was voor zeer kortstondig bestaan. Het uitvoerigste kapsel, waaraan van zes tot acht uren lang gewerkt was, tot welks opbouw soms een halve dag was besteed, schitterde slechts één of twee dagen, en er waren slechts weinig dames, die moed hadden het keurigst en kunstigst gebouw langer dan twee dagen in ongeschonden luister te bewaren, hoewel de hechtheid er van weken zou hebben verduurd.

Ik zeg den moed. Want er hoorde moed, er hoorde lichaamskracht, er hoorde vastheid van wil toe, om een last als deze langer dan eenige uren te dragen, om niet te bezwijken voor de verzoeking. dien met eene snelle en heftige beweging van ongeduld uiteen te rukken, Men zegt, de dames van de 18de eeuw leden aan vapeurs en migraines; maar ik verzeker u, en dat is door feiten te bewijzen, dat ze noch zwak, noch zenuwachtig zijn geweest, ten minste niet zij, die de gewoonte hadden zich te laten kappen; want om niet eens te spreken van de somme gedulds en sterkte van hoofd, die er noodig was, uren achtereen, het opbouwen van zulk hoofdtooisel te ondergaan, en het daarna in volle zwaarte te torsen met opgeheven hoofd, zonderdat de hals zich kromde onder de zwaarte van dien last, terwijl het puntig keurslijf de ademhaling belemmerde onder de knelling van het balein, en de hoepelrokken, hoe lastig ook, volstrekt noodig waren, om het evenwicht tusschen het hoofd en de gestalte een er vrouw eenigszins te bewaren, terwijl zij balanceeren moest op de puntige hooggehielde schoentjes — om van dat alles alleen ter herinnering te spreken, — was er nog veelmalen eene voorwaarde tot het ongeschonden houden van het kapsel die, als marteling en als afmatting van geest en lichaam beide, al het andere overtrof: een kapsel, dat zooveel uren tijds nam, kon niet te allen tij’ de worden volbracht vooral niet, omdat de kapper, die en vogue was, de éénige, dien eene dame van rang gebruiken kon, zich niet kon vertienvoudigen, en dus soms den eenen dag een kapsel moest maken, dat eerst den volgenden zou gebruikt worden; den tusschentijd dan, ware het zelfs een nacht, die er tusschen lag, moest de martelares van de kunst en van de mode zich niet enkel beperken tot hare kamer, tot onbewegelijkheid, maar kon zelfs de rust van den slaap niet genieten dan in een armstoel! Mij dunkt, zoo ooit, lieve zusters van de 19de eeuw! hebben wij reden dankbaar te zijn, dat wij onze eenvoudige vlechten, en zelfs onze sierlijke anglaises zelve kunnen maken; niet enkel in natuurlijkheid, maar ook in levensgenot hebben wij er veel bij gewonnen. Gelukkig waren de armstoelen van dien tijd voor bovengemeld gebruik gansch niet ongeschikt; wellicht waren zij er een weinig op ingericht, en had de noodwendigheid, dat ze soms het rustbed vervangen moesten, er de oreillettes en de mollige coussins à dos aan toegevoegd.

Het lot, waarvoor wij uw medelijden inroepen, stond de aanzienlijke jonge vrouw te ondergaan, in wier boudoir wij u inleiden; het was elf ure, toen de kapper van haar ging; haar kapsel moest dienen voor een déjeuner, dat zij den volgenden morgen op haar kasteel zou geven, en waarbij zij hare gasten uit Parijs en Versailles wachtte, en dus bleef haar niets over, dan den nacht door te brengen op eene wijze, die waken noch slapen kon heeten.

Die toestand scheen voor onze hertogin toch niet een gewone te zijn, want zij sprak tot Brigitte: »Ik wenschte, dat ik mijne dormeuse reeds weder op kon zetten, of een van die gemakkelijke kapsels, die gij zelve maakt.”

»Maar, Mevrouw de hertogin! het gebeurt zoo zelden, dat gij u voegt naar de eischen van uw rang.”

»Voor mijne rust en genoegen nog altijd te veel, Brigitte! maar gij weet, het is ditmaal iets anders; het is op verlangen van den hertog…”

»En daar dit wel de eerste maal is, dat Mijnheer de hertog iets van zijne gemalin wenscht,” hervatte de kamenier, wel een weinig spotachtig…

»Spreekt het vanzelf, dat ik er mij naar voeg,” viel de meesteres in, met zekere hoogheid. » Het is maar,” vervolgde zij, levendig en meer gemeenzaam, »dat ik mij dezen nacht jammerlijk vervelen zal; want — slapen kan ik in zulken toestand niet.”

»Mevrouw moet zich troosten met het denkbeeld, dat vele andere dames van tijd tot tijd uit vrije keuze zich dit lot laten welgevallen; en wellicht nog in dezen eigen nacht…”

»Zich vrijwillig die marteling opleggen. Ik begrijp niet, hoe men zoo dwaas zijn kan!”

»Maar andere dames scheppen zich verstrooiingen, die haar den tijd spoedig helpen doorbrengen.”

»Ja, ik weet het, zij laten zich voorlezen, maar ik lees zelve den halven dag.”

»’t Is niet juist dit wat ik meen,” hernam de camériste schalks.

»Ach ja, ze laten zich bewonderen en zoetheden zeggen door hare vleiers…”

»En meent Mevrouw de hertogin, dat dit den tijd niet kort?”

»Het is wel mogelijk, maar zulke tijdkortingen staan mij tegen.”

»Mevrouw de hertogin is ook volstrekt niet als eene andere… wat dunkt u van muziek? Ik heb eenig talent op de guitare.”

»Om de goede lieden op het kasteel, die den ganschen dag bezig zijn geweest, in hunne eerste sluimering te storen; daarbij, gij hebt zelve uwe rust noodig. Bedenk wat anders, Brigitte!”

»Ik ben uitgeput, Mevrouw! — Maar wat betreft mijne rust, bekommer u daarover niet; toen gij ziek waart, heb ik zoo menigen nacht bij u gewaakt, en mijne kleur is er niet bleeker om geworden.”

»Toen was het noodzakelijk, Brigitte! nu…”

»Is dan verveling niet zoo erg als eene ziekte, Mevrouw?”

»Dat is waar, Brigitte! maar toch, als ik alleen ben, kan ik de verveling ontgaan door… te denken.”

»Denken, Mevrouw? Maar dat is toch wel het somberst tijdverdrijf, dat er is uit te vinden. Zie maar de heeren, die zich philosofen noemen, en die den heelen dag niets anders doen dan denken; ze zien er zoo strak en zoo oudsch uit, dat men twijfelen moet, of ze wel ooit jong zijn geweest.”

De hertogin glimlachte: » Ja, maar, ziet gij, Brigitte! ik zou mij het hoofd niet vermoeien met de philosofie: ik zou denken aan…” Zij kleurde even… »aan mijne jeugd; aan… mijn geluk, toen ik nog vrij en vroolijk was.”

»Maar Mevrouw de hertogin heeft nog niets van dat alles verloren, Vroolijk, dat is waar, vroolijk heb ik u nooit gezien; maar gelukkig! is het mogelijk, dat niet te zijn, als men zoo schoon is, zoo rijk, zoo aanzienlijk?…”

De hertogin zuchtte.

»En vrij, — welke gehuwde vrouw is meer vrij? Sinds een jaar lang, dat gij getrouwd zijt, volstrekt meesteres van uwe daden.”

» Waartoe dient mij die vrijheid?” vroeg de dame.

»Omdat gij er geen gebruik van maakt! Maar dat belet toch niet, dat gij haar bezit! En jong — Mevrouw de hertogin maakt, dat ik glimlachen moet, — kan men zich jonger wenschen dan gij het zijt, ten ware men kind wilde wezen?… Twintig jaar. ”

»Ik word morgen een en twintig, Brigitte!”

»Dat is waar, Mevrouw! maar ik vraag u: is dat een leeftijd, om over ouderdom te klagen?” »Dat bedoel ik ook niet; voorheen voelde ik mij jonger ik had meer opgeruimdheid van gemoed.”

»Ik meende juist, dat Mevrouw de hertogin eene droeve, gedrukte kindsheid had doorleefd; de goede dame Berthaud, uwe oude gouvernante, liet zich wel eens uit, alsof…”

»Ach, de goede Berthaud! dat zij nog leefde! — met haar althans zou ik nog kunnen spreken over… over het verledene, dat mij met al zijn leed toch nog zoo dierbaar was.”

»Ach, waarom ook niet met mij, Mevrouw? ’t Is waar, ik ben jonger dan uwe Berthaud; — ik ben ook slechts uwe kamenier, en niet uwe opvoedster; maar toch — toch durf ik zeggen, dat ik u trouw ben en liefheb, zoo goed als iemand anders.”

»Ik weet dat, Brigitte! ik heb er ondervinding van; maar toch is het beter, dat ik niet spreke…”

»Ik zie wel wat het is: Mevrouw wil alleen zijn, en… denken,” sprak Brigitte, half schalks, half ernstig.

»Neen, neen, Brigitte! dat het allerminst; dat zou mij ernstig maken, en ernst is nog gevaarlijker dan dwaasheid… blijf bij mij, en ga voort met praten, dat zal mij afleiden.”

» Vindt Mevrouw de hertogin goed, dat ik intusschen het boudoir zoowat in orde breng, en alles gereed maak voor uw toilet van morgenochtend?… Het kleeden neemt veel tijd, als men het blanketten en aanleggen van de mouches mede rekent, en de gasten zullen wel vroeg hier zijn.”

»Maar de hertog heeft mij doen weten, dat hij hier zou zijn, om ze te ontvangen.”

»En Mevrouw rekent daarop?” vroeg de camériste spotachtig.

»Zonder eenigen twijfel,” hernam de dame ernstig.

»Mevrouw is wel goed…”

»Brigitte!”

»Neen, Mevrouw! met dien blik predikt gij mij geen geloof aan Monseigneur, na zooveel redenen tot ongeloof.”

»Hoe meent gij dit? ’t Is de eerste maal, dat de hertog gezegd heeft op het kasteel te zullen komen.”

»Ja, dat is ook zoo; maar een bruidegom, die niet eens komt op den dag van de huwelijksplechtigheid!”

»Dat kon niet anders. De hertog de Choiseul, de eerste Minister, belastte hem plotseling met eene zending naar Petersburg.”

»Dat was heel ver van Parijs,” sprak de kamenier, met een kluchtig hoofdschudden.

»Ook werd de plechtigheid niet uitgesteld, maar bij volmacht voltrokken.”

»Bewijs, dat de bruidsgift niet versmaad werd.”

»De familie-belangen eischten het huwelijk.”

»En aan de jonge vrouw, die men in eenzaamheid achterliet, werd niet gedacht.”

»Integendeel, haar werd het prachtigste hôtel van Versailles tot woning gegeven; maar zij verkoos de eenzaamheid op het land en van dit kasteel.”

» Waar de hertog vergat haar te bezoeken, toen hij te Parijs terugkwam.”

»Omdat hij haar rendez-vous had gegeven te Versailles.”

»Waar hij intusschen niet verscheen.”

»Omdat Mijnheer de Choiseul hem een gezantschap opdroeg naar Madrid.”

»Mijnheer de Choiseul had waarlijk eene manie, om Monseigneur van het Noorden naar het Zuiden te jagen.”

»Niet waar, het trof ongelukkig!”

»Bijzonder ongelukkig; en vooral omdat de hertog er zoo op gesteld scheen, dat hij nog drie dagen incognite te Parijs bleef eer hij vertrok.”

»Hoe weet gij dat, Brigitte?”

»Ik heb de zekerheid er van door zijn kamerdienaar, die… die voor mij geene geheimen heeft.”

» En zonder mij te Versailles te bezoeken! Dat is toch vreemd!” hernam de hertogin peinzend.

»Ik zou het wreed noemen. En nu — nu vraag ik, of men er op rekenen kan, dat de hertog zich morgen hier zal vertolonen… ten minste zoolang Mijnheer de Choiseul nog buitenlandsche gezanten noodig heeft… En dan vraag ik, of dat natuurlijk is… een jong man, die zoo weinig verlangen toont om te weten hoe zijne gemalin er uitziet?”

»Gij hebt gelijk, Brigitte! dat is niet natuurlijk; maar helaas! er is in mijn leven veel, dat niet gewoon is,” en de arme jonge hertogin liet zich meêvoeren door de gedachten, in haar opgewekt door dit woord. Zij vergat zich zelve en haar toestand zelfs zoozeer onder dit gepeins, dat zij het hoofd op de gemakkelijkste wijze liet rusten tegen haar armstoel, zonder aan haar prachtig kapsel te denken.

Brigitte achtte zich verplicht haar dit te herinneren.

»Hemel, Mevrouw! wat doet gij? Gij verplettert uw chignon en de guirlande, die er tegen rust!”

» ’t Is waar, Brigitte! en ’t is goed ook, dat gij er mij aan denken doet, ik vergat dit — ik vergat mij zelve — ik… ach, mijn kind! ik ben zeer, zeer ongelukkig!…” en de arme jonge vrouw barstte los in een stroom van tranen.

Brigitte naderde haar met deernis, en kuste hare hand met teedere belangstelling. »Mijne goede meesteres! zou het u niet verlichten, zoo gij u uitspraakt tegen mij?”

»Neen, Brigitte; neen!” riep de dame met zekeren afschrik, »dat kan, dat mag niet zijn!”

»Ik ben ernstiger dan Mevrouw de hertogin mij gelooft, en voor u — voor u zou ik alles kunnen doen, zelfs zwijgen.”

De hertogin schudde het hoofd, maar bleef zwijgen en schreien.

»En zie nu toch, daar gaat gij den ganschen nacht doorbrengen in tranen, uwe oogen dof maken, uwe oogleden rood; en dat tegen een feest, waarop gij in volle schoonheid moet schitteren. — Bedenk toch, uwe eerste samenkomst met den hertog!”

»Met mijn gemaal! Ja, gij hebt gelijk,” hernam de dame met schrik. »Deze tranen doen hem onrecht, en ik voel het, deze mijmering is mij gevaarlijk. Brigitte! weet gij dan niets te bedenken, om mij afleiding te geven!”

»Zeker, ik weet iets; daar valt mij iets in, terwijl ik deze cassette verplaats… Herinnert zich Mevrouw de hertogin. dat ik in den korten tijd, toen wij te Versailles waren, meer dan twintig billets doux en bouquets voor u ontvangen heb, om niet te spreken van al die andere kleinigheden, waardoor onze galante heeren hunne hulde aan eene vrouw trachten te brengen?…”

»Gij weet, ik heb niets daarvan aangenomen, noch gewild dat gij het deedt.”

»Men moest de adressen kennen, om ze terug te zenden, en gij hebt niet één geopend.”

»Dat is waar,” hernam de dame met een’ glimlach.

»Wel dan, zoo wij het nu deden?”

»Die dwaasheid; — ik zal toch niets daarvan gelooven.”

»Zooveel te rustiger kunt gij hooren.”

»’t Is een zotte inval, Brigitte!” riep de dame weifelend.

»Juist daarom; .… als het ernst ware… zou het u niet afleiden.”

»Gij hebt gelijk, en gij zegeviert. Open alles wat gij vindt, en lees; misschien geeft het mij verstrooiing.”

De kamenier liet zich dit bevel geen tweemaal geven. Oprechte bezorgdheid voor hare meesteres en een mengsel van nieuwsgierigheid en loszinnigheid, aan haar stand en karakter eigen, dreven haar aan. Zij opende; zij las; zij schertste; zij maakte critiek, en zij althans had opwekking en uitspanning gevonden voor eene gansche nachtwake. Maar de hertoginwas niet eene van die vrouwen, bij wie zulke middelen werkten; eene enkele maal een flauwe glimlach, meest van minachting, was alles, wat Brigitte’s hulpmiddel op haar wrocht; ten laatste luisterde zij niet eens meer, en sprak eindelijk met de matte stem der uiterste moedeloosheid, en als tusschen eene weêrhouden poging tot gapen of zuchten: »Houd toch op, Brigitte! Ik walg van die zotheden. Hebben de mannen van onzen tijd dan noch vernuft, noch hart, dat ze eene vrouw niets weten te zeggen, dan ongerijmdheden en overdrevene uitroepingen?”

»En deze dan, Mevrouw! die spreekt van feiten; ’t is de Vicomte de Martillac, naar de onderteekening luidt. Hij biedt u aan, met al de danseressen van de Opera. te breken in ruiling van een glimlach van u.”

»Dat is niet zeer edelmoedig van Mijnheer de Martillac tegenover de dames van de Opera, hernam de hertogin, even de lippen bewegende. »Maar genoeg, Brigitte: ik wil van dit alles niets meer hooren.” En toen zij zag, dat de camériste, ondanks dit bevel, toch nog een der geparfumeerde biljetten wilde openbreken, sprak zij vast en met zekere beduidenis: »Brigitte! ik meen het ernstig.”

»Nog dit enkele, Mevrouw!” hernam de vermetele plaagster. »In tegenstelling van de andere, riekt het niet naar poudre de jasmin . wie weet of het van binnen ook niet anders is,” en zij hield het hare meesteres voor, opdat deze zich zelve van de eerste bewering zou overtuigen.

»Nu, goed, goed, plaagster!” hernam de hertogin, terwijl zij er met een verstrooiden blik naar heen zag. »Maar zie, ’t is van mijn notaris! Dat kan merkwaardig wezen,” en zij moest toch glimlachen bij deze onderstelling.

»Nu, Mevrouw! ’t zou wel kunnen zijn, tegenwoordig met de verlichting en de gelijkheid van alle menschen, als de philosofen zeggen, dat bijgeval uw notaris ook een gevoelig hart had. En waarlijk, hij begint niet als een zaakmensch; want op de tweede enveloppe staat enkel: » Voor Antoinette.” Zou ’t wel wezenlijk voor Mevrouw de hertogin zijn?”

»Misschien niet. Het is waar, ik heet Antoinette; maar wie zou mij zoo noemen, en dan nog als opschrift van een brief?”

»Als ik wel zie, zijn die woorden van eene andere hand dan het couvert. Zie slechts, kent gij de hand, Mevrouw?”

»Neen,” hernam deze heel koel, er op neêrziende; »lees gerust, Brigitte! want ik ben nu toch ook nieuwsgierig…”

Brigitte las. Die brief was geheel de uitdrukking van den teedersten en eerbiedigsten hartstocht; de stijl was los en levendig, de gedachten diep en frisch. Het geheel schetste den man van vernuft, van fijn en innig gevoel, van een edel hart, en vrij van vooroordeelen en kleingeestigheid, maar lijdende onder den smartelijken druk van eene hopelooze liefde, en het teederst en bewegelijkst afscheid nemende voor het leven van haar, die hij zijne Antoinette noemde.

De hertogin luisterde toe met de uiterste bevreemding, maar niet zonder eenige gemoedsbeweging; het was blijkbaar, dat die uitdrukkingen van het hart en van fijn en kiesch gevoel haar onwedersprekelijk zoet waren te hooren; maar zij luisterde als eene, die ze neemt niet als aan zich gericht, maar als een roman, dit:n zij hoorde lezen, waarvan de ontwikkeling en inkleeding haar roerde en spande.

»Maar, Mevrouw! ik durf nauwelijks voortgaan,” sprak Brigitte, zelve afbrekende; »dat zou een geheim kunnen zijn, en…”

»Neen, Brigitte! ’t is onmogelijk. Ik ken niemand, die mij zóó kan schrijven… De éénige, die eenmaal zoo tot mij had kunnen spreken, en die zich misschien, schrijvende, dus zou hebben uitgedrukt,… kan dit… niet geschreven hebben.”

»En waarom toch niet? Waarom zou het niet… van hem zijn?”

»Het is onmogelijk.”

»Hij leeft niet meer?”

»Dat weet ik niet, maar…”

»Hij weet niet, waar gij u bevindt?”

»Ook dat zeker… maar er bestaat eene andere reden, eene meer droeve. — Hij kan niet schrijven!”

»Niet schrijven? Vergeef mij de onbescheidene vraag, Mevrouw! maar is dan zijne opvoeding verwaarloosd?”

»Zijne opvoeding was zoo goed als die zijn kon voor hem… maar… hij was…

»Geen edelman wellicht?” » Ik geloof niet, dat hij edelman was; maar dit zou hem niet gehinderd hebben alles te wezen wat hij wilde. Er was eene belemmering, die niet kon worden overwonnen — mijn ongelukkige vriend was blind!”

»Blind?” herhaalde Brigitte met oprechte deelneming. »Mijne arme meesteres! Daarom dus hebt gij u van hem moeten scheiden?”

»Noch dit, noch iets anders zou mij weêrhouden hebben alles voor hem te zijn, en hem mijn leven te wijden; maar er lag zooveel tusschen ons, zoo vreeselijk veel…”

»Uwe familie dwong u tot eene verbintenis met den hertog?”

»Zoo os het; maar toen die voltrokken werd was ik reeds voor altijd gescheiden van mijn armen, geliefden Edgar.”

»o Mevrouw! het moet belangwekkend en treffend zijn u dat te hooren verhalen.”

»En ik… ik zou behoefte hebben het eenmaal uit te spreken,” hernam de hertogin met tranen in de oogen. »Ik zal u mijn vertrouwen schenken, Brigitte! maar vooraf, eindig den brief, dat ik ten minste wete, wie dus aan mij schrijft. Of… daar valt mij iets in; misschien heeft hij een vriend gevonden, dien hij volkomen vertrouwt, en wien hij deze regelen in de pen kon geven. Vandaar wellicht enkel mijn doopnaam.”

»Neen, Mevrouw! dat is het niet. Die Heer schrijft zelf, luister slechts naar het vervolg. »En toch, ik moest dankbaar zijn, Antoinette, nu mijn lot, mijn leven een keer heeft genomen, zoo ongewacht, en naar het uiterlijk zoo gunstig, dat het mij zelf een wonder schijnt; maar geen van die voorrechten geniet ik in waarheid omdat ik ze niet deelen kan met u; omdat ik niet weet, wat het leven voor u is — zonder mij.” ”

»’t Is van hem! Het kan niet zijn dan van hem!” riep op eens de hertogin, en greep hartstochtelijk het geschrift uit Brigitte’s handen. Werkelijk was de onderteekening die van Edgar; maar een paar zinsneden maakten het duidelijk, dat hij haar vroeger had geschreven, en dat hij haar met de bijzonderheden zijner genezing en lotwisseling bekend achtte.

»En dien brief heb ik niet ontvangen!” zuchtte de Hertogin, »wellicht had die mij moed gegeven tot wederstand, om eene verbintenis aan te gaan met een man, die mij versmaadt… en voor wien zij evenzeer een last schijnt, als voor mij…” Doch op de dagteekening ziende, sprak zij smartelijk: »Deze is geschreven, juist toen ik te Versailles was op het verzoek van mijn gemaal.”

»En toen zich Monseigneur niet eens verwaardigde tot u te komen.”

»Ach, Brigitte! verbitter mij niet tegen dien man; gij weet niet hoezeer mijn hart hem alreede veroordeelt.”

»Zie, Mevrouw! als dit zoo is, vergeet dan liever den hertog, die u vergeet, en denk aan dien anderen, die u niet vergeten kan. Dat is in onze dagen te groot eene zeldzaamheid, om er geen acht op te geven.”

»O, maar onze liefde was ook niet als die van anderen oordeel zelve, Brigitte! Mijne allereerste jeugd was uiterst gedrukt en treurig. Ik leefde met mijne moeder op het oude kasteel de Sombreuil bij eene ongehuwde tante, die er eigenares van was. Naar ik uit de gesprekken der bedienden opmaakte, onthield zich mijn vader voortdurend te Parijs, en waren de echtgenooten in onmin gescheiden, nadat zij in weinig samenstemming hadden geleefd. Met behulp van mijne goede Berthaud, zorgde mijne moeder zelve voor mijne opvoeding. Men zou gedacht hebben, dat ik als het éénige voorwerp harer zorgen en harer liefde, als hare éénige verstrooiing in de eenzaamheid op het land… in. de hoogste mate hare moederliefde zou ondervonden hebben; maar daarvan was niets. Zij had mij niet lief; en daar eene moeder niet onverschillig kan zijn voor haar kind, was het afkeer en onwil, dien zij tegen mij had opgevat: en zonder het te willen, of te weten waardoor, wekte ik telkens haar toorn op, en mijn gezicht alleen scheen haar somwijlen pijnlijk aan te doen of smartelijke herinneringen in haar op te wekken. Al wordt zulk eene antipathie niet met daden uitgesproken, een kind voelt haar — en de woorden, die haar geweigerd worden, de liefkoozingen, die zij mist en waarop zij als bij instinct weet recht te hebben, zijn haar als zoovele pletterende hagelslagen, waaronder de bloesem reeds in knop verdort. Onze omgeving was niet schitterend, maar voldoende, — het was zichtbaar, dat het meer ontstemming van gemoed was, dan gebrek aan fortuin, die mijne moeder tot deze afzondering dwong; men kleedde mij prachtig; al mijne kinderlijke wenschen en behoeften werden voldaan, zelfs voorgekomen — maar… mijne moeder had mij niet lief, en dit benam mij juist het éénige, wat ik noodig had, om gelukkig te kunnen zijn. Juist was mijn hart zoo vrij van kinderlijke zelfzucht, dat ik met vreugde het mooiste speelgoed zou hebben opgeofferd, zoo ik de oorzaak van den tegenzin mijner moeder had kunnen uitvinden, zoo ik hare genegenheid had kunnen winnen. Maar toen ik het beproefde ondervond ik, dat iedere poging er toe haar onwil vermeerderde dus liet ik af, en werd ik schuw en schuchter. Ik benijdde de dochter van den tuinman, die soms door hare ouders werd mishandeld die men slecht kleedde en slecht voedsel gaf, die veel moest werken, en weinig kon spelen, maar die toch van tijd tot tijd door haar vader met een hartelijken kus werd omhelsd, of die aan de hand harer moeder zingende en huppelende naar den veldarbeid ging. Mijne moeder, altijd norsch, altijd ingetrokken en streng, zeide mij nooit een woord van goedkeuring, nooit een woord, dat mij aanmoedigde haar te naderen, of moed gaf haar te liefkoozen. Eens scheen zij mij met meer zachtheid aan te zien dan anders; ik bleef een half uur met haar samen, zonderdat zij mij van zich wegzond; maar onnadenkend en zonder berekening, liet ik mij door eene kinderlijke nieuwsgierigheid verlokken; ik vroeg haar naar mijn vader. Plotseling zag ik haar duisteren blik vlammen, hare wangen verbleeken, haar mond zich samentrekken; zij stiet mij met koude hoogheid van zich af — zij schelde. »Breng Mejonkvrouw de St. Var naar hare kamer,” was haar bevel aan den kamerdienaar. Zij werd gehoorzaamd. Ik bleef dagen aanéén opgesloten zonder ander gezelschap dan Berthaud, en daarna zag ik Mevrouw de St. Var niet weder dan aan tafel, in tegenwoordigheid mijner tante. Eene wijle bedelde ik om de genegenheid van deze; maar hoewel ik geloof, dat zij mij liefhad, zij meende, dat strenge ernst tegenover kinderen tot de eischen eener goede opvoeding behoorde, en de strakheid harer manieren, de bekrompenheid harer denkbeelden, het gebrek aan tact, aan gevoel in geheel haar wezen, maakte het mij onmogelijk, hare liefde te winnen, of haar de mijne te schenken.

»Begrijp dus wat het mij was, toen ik die vond bij een wezen, dat, naar het uiterlijke, onuitsprekelijk beklagenswaardig was, en dat ik toch benijdde, want hij genoot in ruimte juist dát, wat ik miste: men had hem lief. Men twistte onderling, wie hem de meeste teêrheid zou bewijzen. Ten minste zoo scheen het mij toe; maar het was slechts medelijden, dat men voor hem ge, voelde; medelijden, dat zich dikwijls met grofheid uitte, doch dat sprak van een gevoel, hetwelk niemand voor mij wilde hebben, en waaraan ik toch zooveel behoefte had. Het was Edgar, het was de blinde, van wien ik spreek.

»Hij hoorde niet op het kasteel tehuis; hij hoorde eigenlijk nergens t’huis. Te vondeling gelegd op eene pachthoeve in de nabuurschap, werd hij door de vrouw van den pachter een jaar lang verzorgd en opgekweekt, maar toen stierf de arme, en haar weduwnaar, zelf gebukt onder de lasten van een talrijk huisgezin, dacht er aan, zich van het kleine pleegkind te ontslaan, toen de jonge vrouw van den jager, die kinderloos was, aanspraak maakte op het voorrecht zijner verzorging. Zij was de eerste, die de opmerking maakte, dat hij blind was; en toen zich dit gebrek bij zijn opgroeien meer en meer bevestigde, vermeerderde zich het medelijden, dat men reeds had voor den armen vondeling. Maar de meesten waren niet in staat, het door sprekende bewijzen te toonen. De jager stond zijne vrouw toe, het kind voor het leven kost en onderhoud te schenken, inzooverre zij het zelve hadden; daarbij nog voor de kleeding zorgen konden zij niet. leder der boeren van het dorp bracht daartoe iets van het zijne bij; maar als een der pachters naar de stad was geweest, of eene goede winst had gemaakt, vergat hij nooit Edgar biscuits en andere lekkernijen mede te brengen. Naar mate men goed voor hem was, geloofde men voor zich zelven grooter recht te hebben op den zegen des Hemels, en het bijgeloof had er zich zelfs zóó mede gemengd, dat men niet gaarne het dorp uitging, zonder een groet en een woord van dank ontvangen te hebben van Edgar, die doorgaans bij eene beek zat te droom en of te zingen; want hij zong, de arme misdeelde; — hij zong de eenvoudig weemoedige liederen die zijne pleegmoeder hem had voorgezongen, en hij had eene zekere vaardigheid op de hobo, waarop hij door den orgelist van de dorpskapel was onderwezen. Hij zong mede in het koor dier kapel, en dit bracht hem nader onder de aandacht van den pastoor, die hem onderrichtte in alles, wat door de stem tot het geheugen kon gebracht worden, en de goede pastoor was verwonderd over zijne vlugge bevatting, over zijne vaardigheid in het uitspreken van namen en cijfers, die hij enkel door klanken kon kennen, over zijn scherpzinnig oordeel en ijzervast geheugen.

»Het was in dien tijd, dat ik mij het meest met hem samenvond, en mij, voor anderen althans, het nauwst aan hem vasthechtte; want, dat ik den kleinen schamel gekleeden knaap, die liefdegiften zat op te vangen bij de beek, ieder mijner vrije oogenblikken schonk, wist men niet op het kasteel, en de dorpelingen, die het wel wisten, vonden zooveel edelaardigheid in die vriendschap van mijne zijde, dat zij zonder afspraak een verbond van geheimhouding sloten

»»Het zal de jonge Gravin de St. Var goedgaan, omdat zij voor den armen blinden Edgar zoo welwillend is,” spraken zij onderling.

»Zij wisten niet, dat ik mijn geluk, mijn eenigste levensgenot reeds vond in de betrekking tot Edgar zelven. Zijne levendige verbeelding, zijne zonderlinge dichterlijke opvatting van alles, zijne vreemde denkbeelden over de dingen, die niet onder het bereik van zijne zintuigen waren, zijne hartstochtelijkheid, zijne vatbaarheid om lief te hebben, zijn hart, dat zich opende voor iederen indruk, en zelfs zijn gebrek, dat hem hulpbehoevend maakte, — bij al zijn wensch om mij te dienen, trokken mu zoodanig aan, dat nooit eenig jong edelman, onder al de schitterende en bevallige, die ik later heb leeren kennen, in mijne schatting den jeugdigen blinde is nabij gekomen. Maar ik zou u spreken van ons samenzijn bij den pastoor. Zoo haast ik wist, dat deze zich zijner had aangetrokken, wist ik mijne goede Berthaud te bewegen mij met zich te nemen, zoo vaak zij een bezoek bracht aan diens huishoudster. Wij kinderen bleven dan samen, vrij wel vergeten door de beide matronen, die harer praatzucht lucht gaven, en Edgar deelde mij mede, wat hij geleerd had, ik, wat ik geleden had; — hij weêr, hoe menig woord van liefde en goedheid zijn oor had getroffen, ik, hoezeer ik gesmacht en gehoopt had op een enkelen blik mijner moeder, maar zonder dat die mij geschonken werd, en hij mij vergoeding belovende, en die werkelijk gevende voor alles, wat ik miste.

»Als Berthaud ten laatste naar het kasteel terug moest, namen wij Edgar met ons, en somtijds wist zij het zoo te schikken, dat hij mijn kinderlijk avondmaal deelde; daarna liet ik mij getroost ter rust brengen, en altijd vond zich een der bedienden gewillig, om den armen blinde naar het huis van den jager terug te leiden. Met de hoop op zulk een dag, of de bedreiging, dien niet weêr te herhalen, kon de goede Berthaud alles van mij gedaan krijgen. Over dag nam Edgar bijna nooit een ander geleide aan dan het mijne; geduldig wachtte hij aan de afgesprokene plek, tot ik bij hem kwam, en waren wij eens samen, dan eerbiedigden alle jonge meisjes of knapen uit de nabuurschap, die gewoon waren hem tot geleiders te strekken, zoo niet mijn recht, dan toch mijn rang, en mijne hand voerde hem heen naar zijne geliefkoosde plekjes, waar het ruischen van den wind door de boom en hem was als eene zoete muziek, die hem wondre tonen influisterde en al de poëzie zijner ziel opwekte.

»Ik was dan de éénige getuige der uitstortingen, die zij hem ingaf, en veelmalen was ik er het onderwerp van. O, Brigitte! gij weet niet — niemand kan het weten, — wat mij dit was. Ik, die om liefde had gebedeld, vond meer dan dat; ik vond aanbidding, de hartelijkste. de teêrste, de vurigste aanbidding van eene ziel, die enkel liefde was en die door niets uiterlijks kon worden afgeleid.

»Zoo mochten wij vele jaren doorleven; als kinderen hadden wij elkander gevonden, en wij waren jongelieden geworden, zonder het zelve op te merken. Ik herinner mij niet, wanneer ik mij voor het eerst met Edgar samenvond, noch zelfs, wanneer ik hem het eerst had liefgekregen; maar ik was vijftien jaar geworden, en hij zeventien, en tot hiertoe was er niets in onzen omgang veranderd.

»Daar werd mij aangekondigd door mijne moeder, dat wij het kasteel de Sombreuil gingen verlaten. Gij begrijpt wel, dat het niet in mijne macht stond, haar van besluit te doen veranderen: ik beken zelfs, dat ik het niet eens beproefde, dat ik niet eens voor mij zelve als gunst durfde afsmeeken in dit afgelegen oord vergeten te mogen blijven. Het zou ook wel vergeefs zijn geweest, waar Mevrouw de St. Var het tegendeel besloten had. Hoe hartverscheurend de scheiding was van mijn armen, jongen blinde, zal ik u niet schetsen: de herinnering er van is mij al te pijnlijk. Hij ook begreep toen eerst, wat hij verloor, en hoe de liefde, die anderen voor hem hadden, eene mengeling was van medelijden en goedhartigheid, terwijl de mijne eene behoefte der ziel was, die zich moest aansluiten aan eene ziel, die haar verstond. Mijne teederheid was geen medelijden; zij was liefde, zij was eerbied voor zijn uiterlijk ongeluk en voor zijne innerlijke meerderheid. Zij ook gaf hem veel, maar als eene gift, die haar met woeker werd beloond.

»Zeker, zoo er in Edgar’s groote zwarte oogen licht had geschemerd, hij zou dit licht hebben uitgedoofd door de vele droeve tranen, die hij stortte. Ik kon noch hoop geven op weêrzien, noch zelfs de mogelijkheid berekenen, dat ik hem bericht zou kunnen geven van mijn lot; want ik wist niet eens, werwaarts mijne moeder mij met zich heenvoerde.

»Wij wisselden geene beloften van aandenken, geene van liefde of vriendschap; — wij begrepen niet, dat ze noodig waren; wij wisten nog niet, dat men zulke beloften wisselde, omdat ze wel eens geschonden werden. Wij wisten nog niet, dat menschen in zulke betrekkingen valsch en veranderlijk konden zijn; wij wisten alleen, dat wij elkander liefhadden, en voelden, dat het dus blijven moest, dat het niet anders worden kon. Het was, toch eene zonderlinge vereeniging: eene Jonkvrouw van den eersten rang en een arme, blinde jongeling zonder afkomst of vooruitzicht. Ik dacht wel nooit aan dat onderscheid, en zoo ik er aan dacht, was ik dankbaar, dat hij het ten minste vergeten wilde, en hij kon dat te lichter, daar het uiterlijk en zichtbaar onderscheid hem niet treffen kon. Zijne begrippen van menschen en zaken moesten ook daardoor anders zijn; al wat er afhankelijks en hulpbehoevends was in zijn toestand, schreef hij toe aan het gemis van het kostbare zintuig. Zijne opvoeding, sinds de pastoor zich daarmede bezighield, was beter dan de mijne; daarenboven bezat hij die echte beschaving die voortkomt uit een edel gemoed, uit een hooggestemd harte — zooveel oorspronkelijkheid van gedachte en uitdrukking…; mij dunkt, zelfs in de salons van Versailles zou hij niet misplaatst zijn geweest… Maar genoeg hiervan. Mevrouw de St. Var geleidde mij in een klooster in de nabijheid van Parijs, om daar eenige maanden te blijven als pensionnaire, en er mijne opvoeding te voltooien.

»De man, die mij, na dat tijdsverloop, kwam afhalen, was een edelman van omstreeks vijftig jaren, maar die vroeger een uitnemend bevallig man moet geweest zijn. Hij had iets fiers en gebiedends, dat ieder zijner wenschen tot een bevel scheen te maken. Hij deed mij tot zich roepen in de spreekkamer, en zeide mij, dat hij mijn vader was, en dat hij mij naar Parijs zou brengen bij mijne moeder; maar hij zeide het mij koel, hoffelijk, en zonder mij een woord van vaderlijke teederheid of welwillendheid toe te voegen, of eenige blijdschap te toonen bij het zien zijner dochter. Dit schroefde mij het hart toe, en ik ook zeide heel beleefd:

» »Zoo heb ik toch eindelijk het geluk, Mijnheer de St. Var te leeren kennen?”

»Hij kleurde sterk; of het van toorn of van iets anders was, weet ik niet, maar hij antwoordde snel:

» » Mijnheer de St. Var is sedert twee jaren overleden, en gij zult wel doen dien naam te vergeten. Ik ben de Graaf de Forbin, en gij zult van nu aan mijn naam voeren. Uwe moeder is sinds vijf maanden mijne echtgenoote, maar het is in het belang uwer moeder en in het uwe volstrekt noodzakelijk, dat dit huwelijk als sinds jaren gesloten worde beschouwd. In de wereld, waarin ik u ga inleiden, moet gij alles vergeten, wat voorafgegaan is, en op die belofte alleen voer ik u uit het klooster, dat anders zich voor het leven over u gaat sluiten.”

» Wat zou ik doen? Ik kende de wereld niet; — ik was begeerig die te kennen; — ik had altijd hoop, dat vrijheid voor mij hereeniging met Edgar kon worden. Het was mij onverschillig, hoe men mij noemde, — Mijnheer de St. Var had ik nooit gekend. Ik had nooit iets van hem gehoord, dan dat hij de gemaal mijner moeder was. Dezen of een ander als vader te erkennen en te gehoorzamen, was mij wel hetzelfde; kinderlijke liefde vroeg hij niet — behoefde ik ook niet te geven. Ik wist van mijne moeder, hoe weinig die in onze familie werd gevraagd.

»Ik beloofde, en ik volgde den Graaf naar Parijs, waar hij met mijne moeder een prachtig hôtel bewoonde, en op een schitterenden voet leefde. Ik werd wel in het salon mijner moeder aan eenige vrienden van het huis voorgesteld, en woonde eenige feesten bij, die zij gaf, maar ging verder niet in de wereld, dat mij veel vrijheid liet, en dat ik geene, schade achtte. Ik h.ad er nog niets in gezien, dat mij ook maar eenigszins dit gemis betreuren deed. Met deze verandering van toestand kreeg ik ook mijne Berthaud weder, de éénige onzer voormalige huisgenooten, die van het kasteel de Sombreuil mijne moeder gevolgd was. Als gij denken kunt, gebruikte ik de eerste oogenblikken van vrijheid en samenzijn met haar, om naar Edgar te vragen. Zij gaf mij berichten van hem, die smartelijker voor mij waren dan eenig stellig ongeluk. Hij was plotseling uit het huis van den jager verdwenen, en de pastoor had zich later over zijne verdwijning uitgelaten op eene wijze, alsof hij door bloedverwanten was herkend, opgevorderd en medegenomen.

Dit was alles, wat zij mij van hem kon mededeelen: gij begrijpt, hoe weinig het mij bevredigde, en hoe pijnlijk mij de zekerheid was, hem verloren te hebben, aan wien ik mij voor altijd zoo innig verbonden gevoelde.

»Ik had zoo omstreeks een jaar te Parijs geleefd, toen er in het huis mijner ouders een oude edelman verscheen, aan wien ik werd voorgesteld, een allerinnemendste hoffelijke grijsaard, de eerste mensch na Edgar, die mij met zachtheid en hartelijkheid toesprak en behandelde, en wiens wijze van zijn mij aantrok… het was de hertog de Thionville,”

»De Hertog De Thionville, die nu uw gemaal is?”

»Neen, het was de vader. Hij kwam met den mijnen onderhandelen over mijn huwelijk met zijn zoon; toen zij het onderling eens waren, werd het mij aangekondigd, niet als iets, waarbij men mijne toestemming noodig achtte, maar slechts als iets, waarvan men mij kennis gaf. Nu ik alle hoop verloren had Edgar weder te zien, of zelfs van hem te hooren, was het mij bijna onverschillig, welk lot men mij toedacht. Ware het de oude, minzame hertog de Thionville zelf geweest, ik had met zekere rust, met zekere blijmoedige gewilligheid het juk op mij genomen; maar de zoon, de vreemde jonge man, dien ik niet kende, van wien ik altijd slechts door derden hoorde, en dien ik zelfs niet zien zou vóór den dag van onze vereeniging — want hij bevond zich nog te Weenen, waar hij zijne studiën had voltooid; dit scheen mij het moeilijkste, wat men nog van mij gevergd had, en ik streefde tegen zooveel ik durfde en konde, maar gij begrijpt, dat mijn zwakke tegenstand vruchteloos was, en zooveel gewicht hechtten onze wederzijdsche betrekkingen er aan, dat deze verbintenis gesloten werd, dat die zelfs niet werd uitgesteld om de afwezendheid van den bruidegom op den dag van het huwelijk, daar een zijner neven mij huwde in zijn naam.

»De oude hertog trachtte in goedheid voor mij te vergoeden, waar men mij griefde door dwang of door verwaarloozing. Hij zelf geleidde mij hier naar het kasteel Thionville, dat ik mij tot verblijfplaats gekozen had. Hij kwam mij in het eerst van tijd tot tijd zien, en berichten geven van mijn zonderlingen gemaal, wiens terugkeer hij altijd als kort aanstaande voorstelde, zonderdat die ooit werkelijk plaats vond, als gij weet. Somwijlen scheen het mij, als droeg hij een geheim in het hart, dat hij op het punt was, van de lippen te laten glijden, maar toch altijd weêrhield. Eens zeide hij mij, bij wijze van troost, aan welks kracht voor mij hij zelf scheen te twijfelen: »Welke ook de uitkomst moge zijn van dit huwelijk voor u, mijn kind! uwe toekomst is verzekerd, en wellicht ook uwe onafhankelijkheid, indien mijn zoon blijft volharden bij dit vreemd gedrag.” Maar zelfs die toespraak is mij nu ontvallen. Zijne gezondheid begon wankelend te worden; hij reisde naar Nice, om onder den invloed van eene zachte, zuivere lucht zijne krachten te herstellen, en zijn zoon op te wachten bij diens terugkeer uit Madrid. Hij schijnt nog den troost gehad te hebben, dezen aan zijn sterfbed te zien, althans dat heeft de hertog mij laten berichten. Maar, ik zal hem niet weêrzien, noch hem, noch een ander, aan wien geen plicht, maar herinnering mij bindt!”

»Wie weet, Mevrouw! In het werkelijk leven gebeuren juist die dingen het eerst, die men het minst wacht…”

»Ik mag dat laatste niet eenmaal wenschen… en inder daad, ik wensch het ook niet…”

»Er kon eerder onheil en nieuwe smart uit ontstaan, dan vergoeding voor vroeger leed.”

»In het geval van Mevrouw de hertogin zou ik iedere vergoeding zeer haastig en zeer vast aangrijpen, zoo zij voorkwam, wat den hertog betreft…”

»Hij is mijn gemaal, Brigitte! en… ik zal het morgen weten, wat ik van hem te wachten heb.”

»Gij gelooft, dan nog altijd, Monseigneur morgen werkelijk te zien, Mevrouw?”

»Zeer zeker, Brigitte!”

»En gij wenscht het?”

De hertogin zuchtte. »Ik weet het zelve niet. is het een gevoel van plicht; is het nieuwsgierigheid; is het een verlangen, juist uit zijn langdurig terugblijven ontstaan. maar ik geloof het, zou mij een gevoel van teleurstelling geven, als hij nu eindelijk morgen niet verscheen… Zoo hij echter uit kracht van zijn recht zich terstond aan mij had opgedrongen — ik vreeze, ik zou gewaarwordingen van angst en afkeer tegen hem hebben opgevat; maar nu hij terugblijft, nu hij mij ten minste evenzeer schuwt als ik hem, en ik bijna zeker ben, dat hij niet dan uit dwang tot mij komt, nu begint mij dele vrijheid te wegen als verlatenheid, en ik wensch haast — ik geloof ten minste, dat…” de hertogin werd matter, en haar bevallig hoofdje, zwaar bevracht met sieraden, boog zich ter zijde, als neigde het zich tot eene sluimering.

»Mevrouw de hertogin heeft zich vermoeid met spreken; eene wijle rustens zal haar goed doen.” En Brigitte schoof zachtkens een fluweelen kussen tusschen den fauteuil en het hoofd harer meesteres; werkelijk sluimerde deze eene wijle in.

»Arme, goede meesteres!” sprak de camériste, meêwarig opziende naar het zachte, bleeke, maar lieftallige gelaat; »hoe noem ik dien man, die zulk eene liefelijke bloem in eenzaamheid laat verkwijnen? Men geeft hem eene vrouw, zooals Parijs er geene tweede heeft in deze dagen, onschuldig, onbekend met de wereld en hare intrigues, goedaardig en gevoelig, gehecht aan hare plichten, zonder er eenige vreugde van te wachten,en hij vergeet haar — hij wil haar niet eens kennen; want ik voor mij ben zeker, dat hij ook ditmaal niet zal komen.”

Een luid gerucht en geraas als van een rijtuig, dat in vollen galop het voorplein kwam oprijden, stoorde haar in hare alleenspraak… ook de hertogin werd wakker uit hare losse sluimering door dat gerucht. Zij vroeg, wat het was?

»Men hoort duidelijk de poort openen; ’t is zeker een der gasten voor morgen, die zoo laat in den nacht komt uit vrees van te laat aan ’t ontbijt te lijn,” sprak Brigitte schertsende.

»Maar er dient dan toch voor zijne goede ontvangst gezorgd te worden, Brigitte! en ik kan toch niet zelve…”

» »Mevrouw de hertogin heeft niet noodig zich daaromtrent moeite te geven; zij wordt ondersteld te rusten.”

»Gij hebt gelijk; maar verneem gij dan uit mijn naam, wie het zijn mag, die gekomen is… Zoo het de hertog ware!”

»Dat is niet te denken, en indien al — hij, minder dan een ander heeft recht op uwe voorkomendheid. ., Maar laat ons luisteren… Mevrouw! men spreekt vlak onder het venster, en ik herken de stem van Germain, den kamerdienaar van Monseigneur, die hem niet heeft verlaten, sinds hij te Parijs in zijn dienst gekomen is. — Vergeef mij, Mevrouw! maar ik moet luisteren.”

Werkelijk hoorde zij Germain zeggen: »Het rijtuig behoeft niet te worden uitgespannen; Monseigneur vertrekt binnen een kwartier.”

»En mijne paarden?” vroeg de koetsier morrend.

»Breng ze dan maar even in den stal; Monseigneur moet kunnen afrijden op zijn eersten wenk!”

»Zie toch, dat is boos opzet,” sprak de hertogin pijnlijk, die deze woordenwisseling mede had aangehoord.

»Welnu, Mevrouw! wat heb ik gezegd?”

»Hier te komen en te vertrekken, zonder mij te willen zien? want hij kan wel niet onderstellen, dat ik nog waak, en dat hij mij nu spreken kan! Maar ik wil hem zien,” sprak zij op eens, en wilde opstaan.

»Ik bid u, Mevrouw! dat niet,” riep Brigitte haastig. »De bedienden zijn met flambouwen op het voorplein; men zou u zien, en — hij… de hertog…”

»Zou weten, hoezeer hij mij grieft en beleedigt. Gij hebt gelijk. Zie, Brigitte! als hij nu heengaat, eisch ik mijne vrijheid — vrijheid, om zonder zelfverwijt aan Edgar te denken.” En de arme jonge vrouw bleef zitten, en de eerste opwelling harer verontwaardiging ging over in een zachten zucht.

Een kwartier uurs daarna hoorde men voetstappen in het vertrek, dat de slaapkamer der hertogin voorafging.

»Brigitte! ga zien wat het is!” riep de hertogin haastig.

»Men heeft niet gedacht, dat wij hier nog op waren,” sprak de kamenier, die terugkeerde met een biljet in de hand, »en dit billet doux voor u nedergelegd, om u bij het ontwaken te verrassen.”

De hertogin nam het, en opende het snel.

»Brigitte! het schemert mij voor de oogen; nauwelijks kan ik de letters onderscheiden.”

Ziehier, wat de hertogin te lezen had:

»Mevrouw! Ik ben hier gekomen, om eene belofte te vervullen, gegeven aan den hertog de Thionville, mijn vader; maar, terwijl ik haar volbreng, zie ik meer en meer het onvoegzame, van onze samenkomst, en, zooals ik ben, kan ik voor u nooit een goed echtgenoot zijn. Zoo ik mij nu bij u voege, zal het voor het leven zijn; want ik ben van die mannen, welke eene verbintenis, als de onze. in vollen ernst opnemen. Lang voordat er van deze huwelijksverbintenis sprake was, had ik eene andere liefde in het hart. Zoo ik, diens ondanks, mij geschikt heb naar den wil van mijn vader, om eene verbintenis aan te gaan, was het, omdat ik er de noodzakelijkheid en de billijkheid van had erkend — dat de fortuin van den hertog de Thionville op de familie van den graaf de Forbin overging. Dit doel althans is bereikt. Zoolang wij leven, deelen wij deze fortuin te zamen; bij mijn dood laat ik mijne gemalin of hare familie een vermogen, dat ik nauwelijks het mijne acht. Ik heb een jaar lang geworsteld, om mij van vroegere indrukken te ontslaan, in de hoop zóó tot u te komen, als gij recht had mij te wachten. Het is vergeefs geweest; ik gevoel, dat ik nog niet vrij ben, dat ik het nooit zal worden. U deze bekentenis te doen, na u gezien en gesproken te hebben, verzwaart het beleedigende er van; alleen aan eene volmaakt onbekende kan men zonder hardheid zeggen, wat ik u zeg. Vergeef mij daarom eene verandering van besluit, die mij nog dezen nacht ver van u wegvoert, wellicht voor langen tijd buiten dit werelddeel, Deze vrijwillige verbanning uit het vaderland is het éénige bewijs van achting, dat ik u brengen kan, en tegelijk een groot offer; want zij, die ik liefheb, zoo zij nog leeft, is in Frankrijk. En nu, wilt gij uwe volkomene vrijheid, deze brief geeft er u het onbetwistbaar recht op, die te vorderen. Maar ik, zoo ik u iets te vragen had, zou u bidden, die vrijheid niet openlijk terug te nemen, en mijn naam te blijven voeren. Wees zeker, dat ik u nooit rekenschap zal vragen van uwe daden; alleen heb eerbied voor mijn naam, niet om mijnentwille, maar om dien van den achtenswaardigen man, welke dezen het laatst heeft gedragen. Zoo gij alles kondet weten, zou ik in uwe oogen zeker minder verachtelijk en minder eigenbatig zijn, dan ik het nu schijne. Maar ik wil niet in uwe ziel die vriendelijke gedachte voor mij opwekken; ik wil niet, dat gij mij met iets als met deernis of belangstelling zult nastaren; ik heb niets van u verdiend dan onverschilligheid… Onze neef Marcel, die zeer vroeg hier zal zijn, is belast mijn verdwijnen uit te leggen aan onze vrienden op eene wijze, die u van alle nieuwsgierige vragen ontheft. Gij rust nog, terwijl ik dit schrijf in uwe nabijheid; als gij ontwaakt zult zijn, en dezen vinden en lezen, ben ik reeds verre, ben niets meer voor U dan een lastige droom, die bij het ontwaken is weggevaagd: laat mij nooit iets anders zijn voor u. Mocht het gedenken aan mij nooit zwaarder drukken op uw leven, dit zou mij verlichting zijn bij het gevoel van het groote onrecht, dat ik u doe!

DE THIONVILLE.”

De hertogin had den brief met haastige blikken doorlezen, en riep nu snel en hartstochtelijk: »Brigitte! Brigitte!de hertog is nog niet vertrokken; hij moet — hij mag nog niet gaan, vóór ik hem heb gezien en gesproken!”

»En waartoe dat, Mevrouw! In uw geval nam ik eene vrijheid aan, die u zoo gulhartig geboden wordt; u op te dringen aan een onverdragelijk koelzinnige…”

»Neen, neen! Gij weet niet, Brigitte! — een vermoeden gaat mij door de ziel, waarvan ik mij moet vergewissen. Die hand — zie toch — vergelijk — ik zie gelijkenis…”

»Ik ook, Mevrouw! zelfs eene zeer sprekende!” riep het meisje verrast.. »Maar dat kan toch niet zijn! Een blinde! En daarbij, Germam heeft mij nooit gezegd, dat de hertog het gezicht miste.”

»Ik kan daarover nu niet nadenken; maar gij ziet toch wel, dat ik hem niet kan laten gaan, voordat zich dit alles heeft opgehelderd.”

»Ik zie het — alleen — dan moeten wij ons haasten, want ik hoor iemand de groote trap afstijgen — en dat zal Monseigneur zijn.”

»O, spoedig dan Brigitte! spoedig!” en de hertogin wilde opstaan.

»Neen, Mevrouw! gij zelve kunt u niet bij den hertog voegen; hij kan omringd zijn van zijne bedienden, en gij weet niet hoe gij ontvangen zult worden.”

»Gij hebt gelijk,” riep de dame moedeloos. »Doch zal hij kunnen besluiten tot mij te komen?”

»Ik wil er hem desnoods toe dwingen ” sprak Brigitte »Germaim is bij hem, die zal mij niets weigeren.”

Zonder antwoord te wachten, vloog zij heen; schielijk daarna, kwam zij terug, en riep zegepralende: »De hertog komt hier!”

»Hoe hebt gij er hem toe gebracht?”

»Ik zeide, dat gij plotseling ongesteld waart geworden, dat gij buiten kennis waart, dat ik vreesde…” maar zij kon niet uitspreken.

Voetstappen klonken in de antichambre — de hertog was daar, en met eene zekere haast, die uit de noodleugen van Brigitte verklaarbaar was, trad hij binnen, zonder zich te doen aanmelden; en Brigitte scheen gelijk te hebben; de hertog droeg geen spoor van het treurige gebrek van Edgar, De hertogin kon niet opstaan, dus was zij ontsteld; en bleek als eene doode, bleef zij afwachten, tot die man haar naderde.

De hertog de Thionville was een man in den vollen bloei des levens, en zijn voorkomen weêrsprak niet den ernstigen toon van zijn schrijven; het was zwaarmoedig, maar zacht; zijne trekken waren geregeld en fijn; maar zijne groote, zwarte oogen schitterden van ongemeene levendigheid, hoewel ze nu omneveld schenen door sombere gewaarwordingen; hij was rank en rijzig van gestalte, en het eenige, wat wellicht in zijn uiterlijk te berispen viel, was eene strakheid in de houding en een ongewone eenvoud in zijne kleeding, die hem veeleer het voorkomen gaf van een Duitsch student, dan van een Fransch edelman, die Lodewijk XV had vertegenwoordigd aan verschillende Hoven, en die bestemd was in den hofkring van Versailles te schitteren.

Hij naderde Mevrouw de Thionville schielijk, als om haar hulp te verleenen; maar ziende, dat zij die niet noodig had, en dat zij zich langzaam uit hare onderstelde flauwte ophief, trok hij zich terug tot aan de tegenovergestelde zijde van het boudoir, waar hij door de schaduw van een lichtscherm als verborgen was.

»Men zeide mij, dat gij mij noodig hadt, Mevrouw!” sprak hij. »Geloof, dat ik zonder dat, niet hier zou wezen.”

De hertogin rilde even op het hooren van die stem, en met snelle ingeving veranderde zij een weinig de hare, terwijl zij antwoordde:

»Ik heb u werkelijk noodig, Mijnheer! om mij de rust te hergeven, die gij hebt verstoord.”

»Gij hebt mijn brief gelezen?” vroeg hij, met iets als koele bevreemding.

»Ja, Mijnheer! en te eerder moest ik van u vragen u niet te verwijderen, vóór wij eene verklaring hebben gehad…”

»Ik vermeed die uit achting voor u en om ons belden een smartelijk tooneel te sparen; ik moet het u herhalen, zelfs nadat ik uwe uitnemende schoonheid heb kunnen bewonderen, ik zal nooit iets anders liefhebben dan de vrouw, wier liefde mij eene duistere jeugd tot het gelukkigste tijdperk van mijn leven heeft gemaakt.”

»Maar, Mijnheer de hertog! ik verg niet van u, ik zal nooit van u vergen die herinnering uit te wisschen; integendeel, ik wil zelve die verlevendigen, en versterken, want…”

»Ik wist wel, dat gij een engel waart van goedheid en zachtaardigheid,” hernam hij levendig en geroerd, »maar toch…”

»Want ik heb zelve zulk eene herinnering in het hart, die ik om niets ter wereld zou willen opofferen,” viel zij in.

»Zoo is de vrijheid, die ik u laat, u lief?” hernam hij, zichtbaar verruimd.

»Ik wenschte alleen, dat gij weten zoudt, hoezeer ook ik vergiffenis noodig heb, opdat…”

»Wij in vrede zouden scheiden. ”

»Neen, opdat wij in liefde vereenigd zouden blijven.”

Hij scheen zeer teleurgesteld door dat antwoord.

»Mevrouw!” hervatte hij ernstig, »luister even. Men had mij de jonge Gravin de Forbin als eene der uitmuntendste jonge dames van Frankrijk geschetst, en ik zie, dat men mij niet heeft misleid; maar al waart gij eene heilige in deugd, eene Helena in schoonheid, dat ik beide geloof -- mijn hart is een zulk dat zich maar eenmaal geeft, zelfs niet, waar men het door toegevendheid zou willen winnen. Mag ik toelaten, dat gij eene proef waagt, die u, na vele moeite, bittere teleurstelling zou brengen? De vrouw, die ik liefheb, zal mogelijk niets van uwe schoonheid bezitten; het kan zijn, dat haar hart en gemoed zich niet hebben ontwikkeld, zooals hare eerste jeugd mij beloofde; — maar zij is het, die ik bemin; ik kan geene andere naast haar stellen.”

»Ik zie wel,” hernam de hertogin schalk, »men heeft u veel goeds gezegd van de jonge Gravin de Forbin, dat gij in haar zulk eene lankmoedigheid onderstelt; maar heeft men u dan niets gezegd van Antoinette de St. Var?”

Hij gaf een luiden kreet van verwondering. »Antoinette de St. Var!” herhaalde hij. »Gij weet wat mij die naam zegt? Gij weet dus alles, Mevrouw? geheel mijn verleden, hoe kan dat zijn? Sinds de hertog dood is, weet dat niemand meer.”

»Behalve Antoinette de St. Var zelve.”

»Gij kent haar, Mevrouw? Gij kent haar?” En de hertog liep haastig op haar toe, wierp zich voor haar neder, en vatte met hartstocht hare handen.

»O Mevrouw! Mevrouw! wees barmhartig! wees dan edelmoedig, meer dan ooit eene vrouw het geweest is, en zeg mij, waar zij te vinden is, en zeg mij, dat gij mij gunt haar weêr te zien, haar slechts eens weêr te zien! Neem daarna mijn leven in ruiling voor die weldaad!”

»Alleen, Mijnheer! zeg mij eerst of deze brief en deze” — zij toonde ze hem - »geschreven zijn eigenhandig door Edgar, den jongen blinde van ’t kasteel de Sombreuil!” vroeg zij met hare natuurlijke stem, maar bevende van heftige aandoening.

Geluid en stem, zijn éénigst herkenningsmiddel, had hem getroffen; hij sprong op, en drukte de hertogin hartstochtelijk in zijne armen.

»En zoudt gij haar kunnen liefhebben onder de gestalte van de hertogin de Thionville?” vroeg zij zacht.

»Moet ik het u dan zeggen, dat gij aanvingt uwe eigene mededingster te worden?” antwoordde hij onder eene nieuwe omarming.

»En welke liefderijke hand gaf u dus het gebruik van uw gezicht weder?” vroeg zij, met zachte teederheid in de gitzwarte oogen ziende.

»Dezelfde, die mij rang, fortuin en u zelve heeft gegeven: de hertog de Thionville.”

»Uw vader! hoe heeft hij u herkend?”

»De hertog was mijn vader niet; aan mijne gemalin mag ik het zeggen, maar ook aan haar alleen. Slechts bij toeval vertoefde hij in ons dorp; hoewel blind, viel het onder het bereik mijner krachten hem een kleinen dienst te bewijzen, hem bij onzen goeden pastoor te brengen; want van rijtuig en bedienden ontzet door een troep stoute roovers, die hem in het bosch overvallen hadden, doolde hij in de nabuurschap, toen ik hem ontmoette. Hij deed mij vele vragen. Ik beantwoordde ze zoo goed ik konde. Hij scheen behagen te scheppen in mijne antwoorden. Toen wij bij mijn vriend den geestelijke kwamen, gunde hij zich nauwelijks tijd, zijn ongeval te vertellen, en maatregelen te nemen, om uit de naburige stad de middelen te doen komen, ten einde zijne reis voort te zetten, zooveel haast had hij over mij te spreken met den ouden pastoor. Hij zelf had een éénig kind gehad, een zoon, die, bijna van denzelfden leeftijd als ik, een zelfde gemis met mij had gedragen. Een bekwaam geneesheer had het ondernomen, door eene zeldzame operatie den jongen edelman het gezicht weêr te geven; doch zijn lichaam bezweek onder den strengen levensregel, die daarbij onvermijdelijk was. Hij had het licht gezien, maar hij was spoedig daarna bezweken. De troostelooze vader reisde om zich te verstrooien; — hij ontmoette mij, den vondeling, die niemand behoorde. Ik herinnerde hem zijn zoon; hij wilde mij voor zoon aannemen. Antoinette! zoo gij daar waart geweest zou men mij door geene schitterende voorstellingen hebben verlokt tot heengaan; maar nu, nu — en zelfs de hoop in die wereld te komen, waar ik u onderstelde te leven, deed mij aannemen.

»Opdat ik werkelijk in de rechten kon treden van zijn zoon, die buitenslands was gestorven zonderdat er droeve, rechterlijke formaliteiten noodig waren, werd den pastoor de gestrengste geheimhouding opgelegd. Deze stelde te veel belang in mijn lot om haar niet te bewaren. Ik zelve legde die belofte af in den vorm van een eed. De kamerdienaar van den hertog was vermoord door de roovers, de postilion op de vlucht gedreven.

»Zoo reisde ik met den hertog als de zoon, dien hij gehoopt had met zich te brengen. Hij bracht mij te Weenen,. hij had een aanleg in mij ondersteld, dien hij wilde ontwikkelen. Wij ontmoetten den Italiaanschen oogarts. De hertog wilde door goud zijn stilzwijgen koopen. Hij zeide het toe op eene gansch andere voorwaarde: ik ook moest mij aan zijne kunstbewerking onderwerpen; hij wilde zijne revanche nemen in eene schitterende uitkomst, die mijn sterker gestel hem waarborgde. De hertog wilde mij aan de vreeselijke kans niet wagen; maar ik bad het hem af als de hoogste gunst. Hij stemde toe; — drie maanden duurde de spanning der angstigste verwachting, maar toen ook werd zij heerlijk beloond. Ik kon zien, en mijne gezondheid zegepraalde welhaast over de eerste schokken, en ik kon mijne studiën aanvangen. Aanvangen noemde men het — voortzetten was het, want niets van hetgeen ik hoorde of las was mij vreemd, het scheen mij herinnering: mijn goede oude pastoor had voor de vorming en voorbereiding van den armen blinde meer gedaan dan menig gouverneur voor een adellijken erfzoon. Welhaast was ik hen nabij, die lang vóór mij hunne studiën hadden aangevangen; van nu aan was mijn leven dat van alle jongelieden van rang en fortuin, hoewel gij denken kunt, dat beide voor mij andere beteekenis hadden, en anders werden genoten. Naar Parijs te komen, waar de hertog de Thionville mij eene wijle was vooruitgegaan, en daar van u te hooren en tot u te komen, zooals ik nu was u te zien Antoinette! u en den hertog mijn leven te wijden, was mijn zoetste droom, mijn idée fixe geworden; maar nog eer ik keeren kon, schreef mij de hertog over een huwelijk, dat hij reeds geheel had voorbereid, en dat slechts mijne toestemming wachtte. Gij meent wellicht, dat ik had kunnen weigeren, Antoinette! dat ik het had moeten doen; maar zie! juist dat kon ik niet. Ik was getreden in al de rechten van den zoon des hertogs mocht ik zijn eersten plicht — gehoorzaamheid — hem weigeren! En nog daarbij, door mij aan te nemen had de hertog eene onbillijkheid gepleegd jegens de familie Forbin, die aanspraak had op zijne nalatenschap; dit was niet te herstellen, dan door vermaagschapping met de belanghebbende. Ik kon den edelen grijsaard de voldoening niet weigeren, dat hij de inspraak van zijn hart had gevolgd zonder iemand te benadeelen; maar ik wenschte mij in mijn vroegeren toestand terug, zoo vreeselijk schokte mij het denkbeeld van dien band. Ik, bad om verlenging mijner vrijheid, en mijn lust om naar Frankrijk te keeren, maakte plaats voor eene onverwinnelijke zucht tot verplaatsing, tot reizen. De vrouw, die ik liefhad, had ik nooit mogen aanschouwen, en de vrouw, die mij werd opgedrongen, wilde ik niet zien. Was het dan een band enkel door het stoffelijk belang gevlochten, ik behoefde dan ook daaraan mijne ziel niet te geven; zoo dacht ik toenmaals… Mijnheer de Thionville drong er op aan, dat de uiterlijke overeenkomst gesloten werd, maar stond mij een jaar vrijheid toe, dat ik met reizen zou doorbrengen. Hij wenschte, dat ik ten minste voor het huwelijk zou overkomen. en eindigde toch met genoegen te nemen in mijn terugblijven. Hij had mij lief tot zwakheid toe, en ik voelde toen niet, hoe onbillijk ik was in mijne zelfzucht: later begon ik het in te denken, en ik liet u door Mijnheer de Thionville de samenkomst te Versailles voorstellen. Met het ernstige plan om er aan te voldoen, kwam ik naar Parijs… Daar verbeeldde ik mij op zekeren avond, bij een woelig volksfeest, in een gedrang, uit een der rijtuigen eene stem te hooren, die mij bekend klonk als een toon uit mijn vroeger leven; eene stem, die mij alles zeide, een toon, die mij niet kon bedriegen. Alleen de gedachte aan de mogelijkheid, dat de geliefde mijner kindsheid te Parijs was, dat ik haar zou kunnen terugvinden, maakte het voor mij onmogelijk, der vreemde gemalin woord te houden.”

»Maar gij hadt haar dan reeds gezien te Parijs!” riep nu Antoinette met een zachten glimlach; want ik ben werkelijk in een gedrang van rijtuigen geweest, toen ik mij naar Versailles begaf.”

» Wij hadden een half jaar vroeger gelukkig kunnen zijn, en mijn weldoener ware dan niet gestorven met de pijnlijke gedachte, dat hij óf een ongelukkige óf een ondankbare naliet.”

»En toen hebt gij dien brief aan Antoinette geschreven,” sprak de jonge vrouw, en toonde hem dien.

»Juist! maar de vorigen?”

»Geene andere zijn tot mij gekomen.”

»Zij gaven u bericht van mijn veranderden toestand; zij baden u het oord, waar gij leefdet, en hoe gij er leefdet, bekend te maken, want ik had Mijnheer de Thionville alles bekend. mijn onoverwinnelijken hartstocht, waartegen ik tevergeefs had geworsteld, en hij stond mij toe onderzoek te doen naar Antoinette de St. Var. Maar alles was vruchteloos.”

»Het tweede huwelijk mijner moeder, en hare volstrekte geheimhouding over den naam, dien zij vroeger gedragen had, was er zeker oorzaak van.”

»Ja; en te Sombreuil, werwaarts ik heenreisde, was ook alles veranderd. Het kasteel was vernieuwd, en bewoond door eene vreemde familie. Mijn goede vriend de pastoor leefde niet meer, en de jagersvrouw, voor wie ik mij zelfs nog onbekend moest houden, wist niet waar gij u bevondt. Maar zij wist toch iets, zij wist het adres van den notaris van Mevrouw de St. Var, omdat zij aan dezen eenmaal pachtgeld had moeten toezenden. Zij gaf het mij, en door dezen zond ik u mijn laatsten brief toe, die zonder antwoord bleef, hoewel ik er u in bad, eenvoudig op dezelfde wijze terug te schrijven aan Edgar.”

»Dat komt, omdat die mij eerst heden is in handen gekomen.” En de jonge hertogin vertelde hem de geschiedenis van de uren in haar armstoel gesleten, ten wille van haar kapsel.

»Danken wij het daaraan, dat ik op was, dat ik uwe hand kon vergelijken, hoop kreeg op herkenning, en dat het u niet ” mogelijk was mij in den slaap het somber ontwaken voor te bereiden, dat gij mij hadt toegedacht!” sprak zij met zacht verwijt.

»Al die wreedheid, al dat onrecht jegens Mevrouw de hertogin de Thionville was toch liefde voor Antoinette,” hernam hij, hare hand kussende.

» Mevrouw de hertogin!”

»Wat is er, Brigitte?” vroeg deze, een weinig verdrietig over de stoornis.

»Het is half zes in den ochtend, Mevrouw! en de pluimen zijn aangekomen.

»Ik begrijp u, Brigitte! gij wilt aan mijn toilet beginnen, en ik dank te veel aan mijn kapsel, om het ditmaal niet in vollen luister te dragen. Gij moogt komen, Brigitte!”

»En ik beloof u, dat ik u niet veel meer de verveling van zulk een kapsel vergen zal; want als wij deze gasten ontvangen hebben, en onze vereeniging dus op schitterende wijze hebben aangekondigd en gevierd, geloof ik, dat gij het met mij eens, zult zijn over eene eenvoudige levenswijze.”

»Ik maak mij nog altijd hetzelfde denkbeeld van geluk, als in mijne eerste jeugd, Edgar!” sprak de hertogin met beduiding.

De hertog verwijderde zich, en de kamenier voltooide het kapsel en het prachtige toilet, nu niet meer voor een slachtoffer van eene familie-overeenkomst, maar voor de gelukkige jonge vrouw.

1849.


Ingezonden op: 19 July 2001