HET ADRES VAN DE KANTWERKSTER


In zeker aanzienlijk huis, gelegen in ’t Voorhout, die liefelijke wandeling binnen de stad ’s-Gravenhage, heerschte op een na middag in Februari 1686, eene zulke wanorde en luidruchtigheid onder de bedienden, als alleen kon verklaard worden uit de afwezendheid der meesters.

Wat er in de keuken omgaat, zullen wij niet eens trachten uit te vinden; men is er vroolijk, daaraan valt niet te twijfelen, en men lijdt er geen gebrek, getuige de overblijfselen van een maaltijd, die de tafel van den heer des huizes geene oneer zou gedaan hebben.

Wij gaan liever verder om op te merken, wat er gebeurt in een vertrek, waarvan de meubelen, draperieën en tapijten terstond uitwijzen, dat het niet tot het gebied der dienstboden behoort, dan in zoover zij er diensten te doen hebben. Het is eigenlijk het boudoir van Mevrouw, maar het heeft zulk een verlokkend uitzicht naar buiten op de wandelplaats, dat de kamenier, die wij hier nu vinden, het haar recht geacht heeft als hare vreugd, om er haar werk te doen, liever dan op eenige achterkamer, die geen uitzicht heeft dan op eene binnenplaats. Ware zij al leen geweest, die vrijheid zou hare verontschuldiging gevonden hebben in de nabijheid der slaapkamer en garderobe harer meesteres, en in de voorzorg, om de prachtige robe, waaraan zij te werken heeft, niet te verplaatsen; maar zij is niet alleen, en eigenlijk zij werkt ook niet. Het kleed hangt slechts losjes over den armstoel van Mevrouw, waarin zij zich heeft neêrgezet, en zij speelt in verstrooiing met de kanten, waarmede zij het moet garneeren, terwijl zij luistert naar de zoete toespraak van mijn heer den eersten kamerdienaar, die haar onvermoeid gezelschap houdt.

Het blijkt echter, dat zij meer gewillig is in ’t hooren naar zijne taal, dan in ’t gunstig beantwoorden daarvan. »Neen, Willem!” spreekt ze, »’t is een dwaas drijven van u mij daartoe te persen; ’t is voor ons nog geen trouwtijd; we zijn beiden gewend aan eene goede tafel en licht werk, en zonder noodzaak het geval om te keeren, en voor zwaren arbeid moeizaam een stuk broods te winnen, dat lijkt mij niet, zoomin als u.

»Maar denkt gij dan, Sophie! dat de baron, dien ik zes ja ren lang gediend heb, met de meest mogelijke getrouwheid, en tot zijne groote satisfactie, mij uit zijn huis zal laten gaan zonder verzekerd te zijn, dat ik mijn brood heb; of meent gij, dat het hem aan invloed ontbreekt, om mij van eene goede officie te voorzien?”

»Ik heb er nog niet over gedacht, Willem, maar nu gij maakt, dat ik er over denken moet, zeg ik u… reken er niet te veel op.”

»Wat gij, vrouwen, toch van ongeloovige natuur zijt, betwijfelt gij den goeden wil van Mijnheer!”

Zij schudde ontkennend het hoofd.

»Nu dan, wat suft ge! Eet hij vandaag niet met Mevrouw bij den President- Burgemeester?”

Zij knikte toestemmend, en haalde even de schouders op, of de vraag te dwaas was om antwoord te verdienen.

»Is Mijnheer gisteren niet met de Hoogheemraden van Rijnland een toer wezen doen naar Rijnsburg, en werwaarts de tocht verder ging?”

»Ik heb geen reden, om hierop neen te zeggen.”

»En morgenavond gaan ze beiden naar het cercle van de Prinses, de gemalin van den Stadhouder.”

»Wel waarom zouden ze niet? Ze gaan immers overal en altijd met de Grooten en Prinsen op en neêr. Gij, die met den baron gereisd hebt, weet het beter dan ik; het zijn dan ook belden geboren edellui en van den besten adel, als ik wel gehoord heb.”

»Dat ze rijk zijn, weten wij beiden door ondervinding,” voegde Willem er bij, haar glimlachend aanziende, »en dus vraag ik: zou zulk een heer met zulke relatiën zijne bedienden uit zijn huis laten trouwen, zonder hen te verzorgen?”

»Ik zeg daar niets tegen; ik houd alleen, dat er voomamer heeren dan deze allen op zwart zaad zijn geraakt, of met de noorderzon verdwenen; ja, wat meer zegt, dat wondere rad van avontuur kan soms zoo zonderling kantelen, dat men groote Prinsen en Prinsessen naar beneden ziet buitelen, tot ze daar aêmechtig neêrliggen als visschen op het droge… Daar hadt je die arme Koningiu van Bohemen, die hier gewoond heeft, dat eene Koningsdochter was, en gekroonde Koningin, zoo goed als iemand denken durft; en nu, wat gaf het? mijne grootmoeder deed er de wasch op, maar als er geld zijn moest, geen asem hoor! en als de heeren Staten niet van tijd tot tijd waren bij gesprongen, dan zou ze op haar praalbed van honger zijn om gekomen om niet te spreken van die groote Koningin van Engeland, de eigen grootmoeder van onze Prinses, die naar ik heb hooren vertellen, indertijd hier te ’s-Hage is gekomen, om hare juweelen te verkoopen…”

»Dat is alles goed en waar, mijn lief! maar wat doet dat tot ons; kunt gij mij het ja-woord niet geven, omdat groote heeren laag kunnen dalen en vorstinnen als arme ballingen zwerven; zooveel te meer kans blijft er, dunkt me, voor ons, om op onze beurt in hoogheid te raken.”

»Kwâ kans, als je rekent op anderen, dat meen ik er meê, en daarom geef ik mijn ja-woord niet, voordat ik een aardig spaarspenningje machtig ben, en zie je, ik heb in den laatsten tijd slechte diensten gehad, en ik ben hier pas zes maanden.”

»En zes maanden lang heb ik je gebedeld, om een enkel zoet ja uit die kersroode lipjes; moet ik dan nog zes maanden vleien, eer ik het hooren zal?”

»’t Kan zijn, mits ge alreê van trouwen spreekt, eer ge ’t hebt,” plaagde zij.

»Ei, geef het mij, en ik beloof je nooit meer van trouwen te spreken;’ spotte hij, en greep naar hare hand, die met de kan ten harer meesteres speelde. Hetzij uit pruderie, hetzij uit vrees voor dr teêre stof, zij trok die hand terug; Willem, door stand en karakter, eer een vurig minnaar dan een kiesche, oordeelde, dat hij zich door die beweging niet moest laten afschrikken, en herhaalde zijne poging met zulk eene snelheld en zulk eene drift, dat hij slaagde; maar door een luiden en angstigen uitroep van Sophie werd de vreugde dier overwinning .gestoord.

»Sophie! beste Sophie! wat scheelt u? heb ik u leed gedaan of beleedigd? dat was de intentie niet. Hemel! ze wordt bleek, ze is op het punt van in zwijm te vallen,” riep hij verlegen en ietwat terugtredende van ontsteltenis.

»Zie je dan niet, Willem!” riep ze nu, in tranen uitbarstende,»wat je gedaan hebt; de kant is gescheurd!” en werkelijk, ze toonde hem in het ragfijne weefsel eene aanmerkelijke scheur, die de volle breedte der kant besloeg.

»Dat is jammer, dat spijt me,” sprak hij verslagen; »maar toch gij krijt en ontstelt u al te zeer; zoo’n ramp is het nu toch ook niet.”

»Ik zeg u, als Mevrouw het ziet, zal ze mij op staanden voet mijn afscheid geven.”

»Bah! daar is hier in huis wel ergers gebeurd, daar Mevrouw nooit van geweten heeft.”

»Maar dit zal ze weten; ze moet morgenavond deze robe aandoen op het cercle der Prinses; ik zou er de manchetten inrijgen, en daar kom jij met je linksche verliefdheid.”

»Kom, kom, Sophie! knor daar niet meer over; rijg andere kanten in die mouwen; moffel deze weg, tot ze hier of daar gemaakt kunnen worden, en ik geef je mijn woord, dat Mevrouw er niet naar omzien zal.”

»Een mooie raad: rijg er andere kanten in, alsof men van zulke soort voorraad had; en zie je dan niet, dat de geheele japon er meê gegarneerd moet worden; en dat het onderscheid in, patroon altijd zou te herkennen zijn?”

»En wie zal daar op zoo’n drukke partij zoo nauw naar zien!”

»Wie? maar dat is hier juist ’t ergste; vooreerst Mevrouw als zij zich kleedt; ten tweede de Prinses van Oranje, want je moet weten, het is oude kant, en wel point d’ Angleterre, door de Prinses Royaal uit Engeland meêgenomen, toen ze hier kwam als bruid van Prins Willem II en door deze aan Mevrouw’s moeder, die hofdame was, ten geschenke gegeven bij de geboorte van den tegenwoordigen Prins. Naar het schijnt, moet Mevrouw die bijzonderheid aan de Prinses hebben verteld, en deze, die als Engelsche en als vrouw van Willem III in alles belang stelt, wat hare moeder en schoonmoeder betreft, heeft de kant willen zien, daarop heeft Mevrouw beloofd die op, cercle aan te doen… en dat is morgen.”

En de arme kamenier was onder dit spreken opgestaan, als duldde hare innerlijke onrust niet langer, dat zij hare uiterlijke rust bewaarde. Zij hing nu het kleed met te late bedachtzaamheid zorgvuldig op een stoel, en hield de gescheurde kant samengevoegd, als ware door die schijnbare herstelling alles goedgemaakt.

»Ja, nu begrijp ik het; die kant moet niet alleen gebruikt worden, maar zelfs bekeken en gehanteerd door vele dames, te beginnen met de Prinses. Maar dat alles zal toch eerst morgenavond zijn, en kan dat dan niet vóór dien tijd worden gemaakt?”

»Een kleinigheid! zoo, scheur in één dag; en juist de kant werksters zijn zoo langzaam. Zooveel dagen zouden zij er toe vragen, als wij er uren voor houden, en dan nog den nacht mede gerekend; en eene kantwerkster, die hare oogen te sparen heeft, werkt niet bij nacht”

»Dat zou ik wel eens willen beproeven; voor grof geld krijgt men alles gedaan, en ik heb er een paar dukaten voor over, om uwe betraande oogjes en uw droevig gezicht op te vroolijken en lustig te zien”

»En ik voeg er twee toe, mits het gebeuren mocht, dat hier van niets uitlekte, en ik mijn goeden dienst behield. ’t Zou een spaarpenning minder zijn; maar in, Hemels naam, ik zou het er voor over hebben.”

»Ik ben oorzaak van de schade, en zal die willig alleen dragen; de vraag is maar hoe die te herstellen?”

»Ik ken geene kantwerkster in den Haag, waaraan ik dit werk zou toevertrouwen met hoop op goede uitkomst; ik heb wel van twee Fransche juffrouwen gehoord, die eene wondere vaardigheid hadden, maar ik weet de namen niet, noch zelfs waar ze gehuisvest zijn.”

»Als het Franschen geldt, hebben we Justin den nieuwen lakei; die jongen kent al zijne landgenooten… hier; al dat Fransche volkje hangt aan malkaâr; ’t is net als kwikzilver: als men, scheidt, voegt het zich vanzelf weêr bijeen.”

»Daar ga dan Justin roepen,” sprak zij driftig: »dat ik wete of er nog wat aan te doen is.”

Willem haastte zich aan haar verlangen te voldoen, en Justin kwam boven; maar zijne mededeelingen waren niet zeer ge ruststellend; hij kende de namen zijner landgenooten, en wist bij wie zij in den Haag hadden gewoond; ook dat zij veel ge werkt hadden voor de aanzienlijkste dames, doch hij meende, dat zij naar elders vertrokken waren; althans hij zag ze niet meer in de kerk, waar hij ze vroeger altijd had gezien.

»Kom, kom! dat is nog geen bewijs,” riep Willem, die onderstelde, dat dit slechts eene uitvlucht was, om eene lastige boodschap te ontgaan.

»Ik vrees van wel,” sprak Sophie; »die réfugiés, als zij zich noemen, gaan trouw naar de Fransche kerk, en ze moeten weg of ziek zijn, als men ze daar niet meer vindt; maar je wilt het toch probeeren, Just?” vroeg zij vleiend.

»De tout mon coeur, pauvre Sophie! want ik beklaag u van ganscher harte; geef mij gerust de manchetten mede; zijn de dames Mercier niet meer daar, wellicht weet Mad. Le Loup iemand anders, die hiervoor geschikt is.”

»Ge kunt beloven wat ge wilt, Justin?” zeide Willem, »als het maar gauw en goed wordt gedaan; alle onkosten van deze historie zijn voor mijne rekening.”

»Et au bout du compte, betaalt Mijnheer de baron,” glimlachte Justin, het hoofd schuddende.

Sophie had intusschen den geheelen japon ingepakt, en de doos in zijne hand gevende, zeide zij: »Als juffr. Mercier het aanneemt, moet zij het garneersel er maar verder oprijgen; het is er slechts opgespeld; want, zal wel op het laatste oogenblik wezen, dat het te huis komt; niet later dan zes ure morgenmiddag, of alles is ontdekt, en ik ben mijn dienst kwijt Denk daaraan, Justin! en druk het de kantwerkster op het hart.”

»Ik zal alles doen om u genoegen te geven, Mamsel Sophie!,” sprak de jonkman galant, en verwijderde zich met zijn kostbaren last.


In eene nauwe, maar toch niet geheelonaanzienlijke dwars straat der Prinselijke residentie, waar de huizen, aan populieren gelijk, zich te hooger verheffen, naarmate zij zich enger tusschen elkander zien ingeperst, stond een huis, dat drie à vier verdiepingen had, waarvan de gelijkvloersche was ingenomen door een kleinen parfumeriewinkel, toenmaals nog geen magazijn, doch waar de dames toch reeds hare Fransche pomades, blanketsel en eau-de-luce konden koopen, hoewel het waar is, dat zij er noch het nieuwste, noch het fijnste zouden vinden. De eerste verdieping was ingenomen door eene stokoude Duitsche dame, die in hare eerste jeugd als hofjuffer tot den dienst van Amalia van Solms in Holland was gekomen, en nu, te oud en te zwak om naar haar Vaderland terug te keeren, van een klein jaargeld leefde, dat intusschen voor hare geringe behoeften toereikende was. De tweede verdieping was voor ’t oogenblik onbewoond, en de derde, die, welke ons het meest aantrekt, strekt tot verblijfplaats aan een zeer jeugdig meisje, dat er in volkomene eenzaamheid en in strenge afzondering schijnt te leven, ook in de volstrekte ontbering van al wat de weelde en de gemakken des levens uitmaakt. In dit onaanzienlijk vertrekje wordt niets gevonden, dan hetgeen tot de onmisbare behoeften behoort; een klein turfvuur brandt er op den haard, dat genoegzaam ware geweest, om de kleine ruimte te verwarmen, zoo de slecht gesloten deuren en ramen niet te veel tocht hadden doorgelaten, en vooral zoo, bij de al te groote nabijheid der dakpannen, de zoldering eene meer goed verzekerde ware geweest, Vier stoelen met houten zittingen, eene kleine vierkante tafel, eene bedstede met groene karsaaien gordijnen, en eene soort van antieke commode, op drie poot en hinkende, waarvan slechts eene enkele lade meer sluiten wil, terwijl de overigen uit nooddwang half openstaan. Dit meubel, in betere dagen het pronkjuweel der eerste verdieping, en dat nog hier en daar de sporen droeg van keurige bewerking in het ingelegd hout, was zeker, uit aanzien van den toestand van invalide, naar de derde verdieping verbannen, waar het ten minste nog eenigszins meubelde.

Verder waren de muren wit en vrij ruw met kalk overtogen; eene plank met kapstokken daartegen gehecht, moest het gemis van eene hangkast vergoeden, en blijkbaar was dit voor de bewoonster voldoende, want ze waren zelfs niet alle in gebruik. Slechts één kleed en eene soort van zwart lakensche reismantel met huik of kap was er opgehangen, uitmakende, met het geen zij droeg, hare gansche garde-robe; toch getuigde die kleeding, hoe eenvoudig ook, van een zekeren smaak en keurigheid, die ver af was van de verwaarloozing der armoede; het was van eene bruine wolachtige stoffe, maar keurs en mouwen waren met smal galon van dezelfde kleur belegd en met borduursel versierd; dat kleed sloeg open en tablier, en liet een onderkleed zien van bleek groen damast, dat echter, zoowel als de robe, de sporen droeg van een langdurig gebruik; een neêrliggende kanten halskraag bedekte zediglijk een fijnen hals, die echter niet door blankheid schitterde, dat niet vreemd was, want hare groote gitzwarte oogen en donkere gelaatstint ken schetsten haar terstond als eene levendige brunette, die onder eene meer zuidelijke luchtstreek was geboren, dan die, waar zij nu leefde; het glinsterend zwart haar was losjes opgestrikt, en ter weêrszijde van hare slapen met een zwart fluweel en lint gesierd; eenige kleine platte lokjes marqueerden de welving van het voorhoofd; de armen, door de opgestrikte wijde mouwen ter helfte zichtbaar, waren fraai van vorm, zoowel als de handen, maar men kon ze eer bruin dan blank, eer krachtig dan teeder noemen; de uitdrukking van het gelaat had iets schranders en vurigs, gemengd met iets zwaarmoedigs, alsof eene levendige prikkelbare natuur door lijden en zorgen tot stille zachtheid getemperd was; maar reeds zóó vroeg zorgen en lijden? Ze kon nauwelijks twintig jaren zijn. Werkelijk had ze nog niet eens dien leeftijd bereikt, maar de rampen en de smarten des levens wachten doorgaans niet, tot een mensch den rijpen ouderdom heeft bereikt, waarop men geleerd heeft ze met kalmte te dragen; ’t is somtijds juist in de vaag der jeugd, dat het zware juk der beproeving op de schouders wordt gelegd; wel dan die het moedig en rustig weet te dragen, en wie er de krachten door weet te oefenen voor geheel den ver deren proeftijd! De jonge vrouw, die wij gadeslaan, is er niet voor bezweken, maar wellicht is zij nog niet aan het einde harer verdrukking… Toch gelooven wij, dat haar de rechte steun niet ontbreekt, en dat zij gewoon is zich door den besten gids te laten leiden. Een kleine Fransche Bijbel ligt naast haar op de tafel, waaraan zij gezeten is, en ziet er uit als een boek,. dat veel ter hand wordt genomen; en zeker ook wel ter harte;. want zij is eene van die velen, welke te dier tijd, om den wille van het vrije gebruik der Heilige Schrift en der voorrechten van het gezuiverd Christendom, zich de allerbitterste offers hebben getroost, en daarvoor strijd noch moeite hebben geschroomd; eene dier standvastige Fransche Calvinisten, die door geloofsvervolging uit het vaderland waren weggedreven, en die in de landen, waar ze eene schuilplaats zochten, onder de algemeene benaming van réfugiés werden aangeduid. Een terugblik in de geschiedenis, vóór wij het oog werpen op het lot onzer heldin, zal voor sommigen wellicht niet overbodig zijn.

Nauwelijks had Lodewijk XIV door den vrede van Nijmegen wat rust en ruimte gevonden ter voldoening van zijne andere staatkundige ontwerpen, of hij begon zich in te beelden, dat er nog een groote eertitel ontbrak aan zijn glorierijken naam: die van beschermer en handhaver des Katholieken geloofs. ’t Is waarschijnlijk, dat er onder de redenen, die hem naar dezen palm deden grijpen, ook gewichtige en geldige waren; die met de staatswijsheid van dien tijd en van dezen Monarch konden bestaan; maar, zeker lagen er in de diepte gemoedsbezwaren, die den Vorst dwongen, om de menigte zonden en zwakheden van den mensch te boeten of te bedek ken, door een pralenden ijver voor de Kerk, een ijver, dien men niet in hem zou mogen veroordeelen, indien deze hem niet had aangedreven, om bloedige vervolging te oefenen tegen een deel zijner onderdanen, die als rustige en gehoorzame burgers zouden geleefd hebben, indien hij het hun had gegund de voorrechten te genieten, door hunne vaderen, na een veel jarigen kamp en ten koste van goed en bloed, voor hen verworven. Die voorrechten waren hun bekrachtigd en wettig gewaarborgd door Hendrik IV, Lodewijk’s grootvader en voorganger op den troon van Frankrijk, en had Lodewijk XIII of zijn Minister Richelieu somwijlen voorwendsels gezocht, om ze te verminken of te bekorten, het Edict van Nantes was toch onverlet gebleven, al was ook door hem het Edict van Gratie daarnevens gevoegd. Mazarin, Italiaan en Kardinaal, had dit Edict niet aangetast, hoewel in de oorlogen van de Fronde sommige Protestantsche veldheeren en edelen zich met zijne vijanden hadden verbonden; Colbert had het willen eerbiedigen, ondanks andere staatsdienaren van Lodewijk, die zeker van oordeel waren, dat eene overeenkomst hare kracht verloor met het verloop van tijd. Maar in het eind na het toenemen van den invloed van Letellier en Louvois en van de gewetensbezwaren des Konings zelven, onder den indruk van zijne relatiën met Mevrouwen de Montespan en de Maintenon, werden daarop al meer inbreuken gemaakt, begon men de heiligs te rechten te verkrachten, de privilegiën te verminderen, de waarborgen om te stooten, en eindelijk, nadat men zich feitelijk tegen alle artikels van het Edict vergrepen had, werd dat Edict zelf herroepen, als ware dat eene daad geweest, waartoe men recht had. Maar had Lodewijk geen recht, hij had het geweld om zijn onrecht door te drijven; en daar men de ongelukkige Calvinisten door die herroeping van alle burgerlijke en godsdienstige rechten verstoken had, bleef hun slechts de keuze tusschen gewillige geloofsverzaking en verzet tegen hunnen wettigen Koning, want zelfs vrijwillige ballingschap stond hun van toen af niet meer vrij. Ook wie macht en moed hadden, namen de wapenen op en vielen in den strijd, of ondergingen den marteldood; wie nog kans zag te ontvluchten, en het verlies van have en bezitting niet ontzette, trok over de grenzen, en zocht schuilplaats in yrijer en herbergzamer landen.

Naar Holland vooral trokken die standvaste en rampspoedige Christenen heen, dat met ijverige Christelijke liefde de ellende van hun toestand trachtte te verzachten. Amsterdam, vooral hun vereenigingspunt, liet huizen voor hen bouwen; de Staten boden plaatsing en vrijdommen; de burgers brachten aanzienlijke sommen bijeen; de Stadhouder Willem III verleende pensioenen en toelagen uit eigen middelen; men bouwde kerken, richtte scholen op, en deed in één woord alles, wat men vermocht, om hun het verlaten vaderland te vergoeden. Maar was het dus voor de massa, enkelen waren er toch, voor wie zelfs deze hulp slechts ontoereikende troost bleek, of tot wie deze hulp niet reiken kon. Tot de laatsten behoorde het jonge meisje, dat wij u voorstelden. Zij was van hoogadellijke geboorte, eene Gravin de Blanchefort, en de fortuin van haar vader stond aan zijn rang gelijk. Steunende op zijn invloed en hooge betrekkingen, had de Graaf de Blanchefort vóór 1682 het hulpmiddel der uitwijking niet willen aangrijpen uit gehechtheid aan zijn vaderland, maar zijn éénig kind, zijne dochter Cesarine, was verloofd met een edelman van hare religie, en hij hoopte haar onder diens bescherming Frankrijk te doen verlaten, en door zijn terugblijven voor de fortuin der jongelieden te waken. Maar 2 October 1685 kwam; de ballingschap zelve werd niet meer vrijgelaten; de huwelijken der Calvinisten zouden niet meer gewettigd worden, hunne kinderen nooit als wettig erkend; de vreeselijke vervolgingen vingen aan, en de zwakke bruidegom trad terug; hij had geen moed dit alles te trotseeren ter liefde zijner bruid; hij voegde zich naar den wil des Konings, en hij zwoer uiterlijk een geloofsvorm af, dien hij zeker niet uit overtuiging verzaakte. De verlatene bruid wilde met haar vader samenblijven; maar deze, die nu het bloed der oude Hugenooten in zich voelde bruisen,t hief het zwaard des wederstands op, plantte den standaard van verzet op de tinnen van zijn oud vaderlijk kasteel, en tartte den aanval der woeste dragonders, voor wier overmacht hij toch eindelijk het grijze hoofd moest bukken, nadat de grijze poorten zich onder het geweld hunner sabelhouwen hadden gespleten; hij stierf onder hunne handen den marteldood, nog door de troostende tijding verkwikt in de uiterste ure, dat zijn oude dienaar Marc zich met zijne dochter door de vlucht had gered. Eene zulke vlucht met zulke herinneringen in het hart was echter voor de vluchtenden als eene gedurige vreeze des doods en der gevangenschap, die toch met iedere schrede voorwaarts ietwat terugweek, om voor andere zorgen en nol)den plaats te maken. Meer dan de volstrekt noodige kleeding had Marc niet kunnen meêvoeren, en slechts zooveel geld en kleinooden, als in der haast bijéén te zamelen was. — Hierin bestond dan ook hunne éénige fortuin, hun éénig hulpmiddel voor eene lange onzekere toekomst en dit was reeds voor een goed deel verminderd, toen zij eindelijk Holland hadden bereikt. Onder zulke zorgen, en na dit alles te hebben doorgeleefd, was Cesarine de Blanchefort met haar ouwen dienaar te ’s-Hage gekomen, waar zij eindelijk eene veilige wijkplaats had gevonden. Wat zij daar nu reeds geleden had, en hoe zij zich daaronder gevoelde, zegt zij ons zelve; want zij is bezig met schrijven, en het is ons gegund hare correspondentie in te zien. Ons oog valt echter eerst op hare casette een klein kunstwerk van ebbenhout met medaillons van geëmailleerd porselein, die familiewapens voorstellen, ongetwijfeld zoowel overblijfsel als souvenir van haar schitterend verleden, en waarop bij wijlen hare aandacht zich vestigt, hetgeen haar dan voor eene poos in een weemoedig gepeins doet verzinken. Toch heeft ze haar brief ten einde gebracht, en blijft, met het hoofd op de handpalm geleund, nadenkende, als overwoog zij het geschrevene.

Ziehier wat zij schreef:

»Het is mij zoozeer tot gewoonte geworden, mijne gewaarwordingen en ondervindingen aan u mede te deelen, mijne goede Hortense! dat ik u bijkans even geregeld schrijf, alsof wij nog te zamen in hetzelfde land woonden, in dezelfde provincie, en bovenal of ik antwoord kreeg…; want ik krijg geen antwoord, mijne waardste! Als ik mj zelve afvraag, waarom niet? vind ik de oplossing van die vraag nooit in eene oorzaak die u beschuldigt, want al heb ik ook geleerd iedere menschelijke vriendschap, en iedere wereldsche betrekking te wantrouwen, wij zijn meer voor elkaar dan vriendinnen, wij zijn geloofsgenooten; onze hoop is dezelfde, wij deelen dezelfde blijdschap en vastigheid des geloofs; hoe zou tusschen ons de liefde niet onvergankelijk zijn; en ik weet, dat juist door datgene, dat mij al het overige heeft doen verliezen, gij nader tot mij gebracht zijt dan ooit voorheen; maar hoeveel kan er niet samenloopen, dat uw antwoord doet uitblijven, al is het, dat gij mijne brieven ontvangt: ik schrijf, zooals wij afgesproken zijn, aan het adres te Straatsburg, maar ik heb geen waarborg, dat het u gelukt is veilig daar te komen, en ook, wij leven in een tijd, waarin het meer dan anders bewaarheid wordt, dat, wie zich heden gerust en zeker achtte, reeds morgen getroffen is door het zwaard, dat boven zijn hoofd was opgehangen, zonderdat hij het wist; wellicht heeft het u reeds getroffen; wellicht richt ik het woord tot eene die reeds niet meer hooren kan en verstaan; maar toch wil ik tot u spreken, als kondet gij dat, en als mocht ik op antwoord rekenen; mij is het reeds verlichting, als ik mij voorstelle, dat ik tot u spreek, en mij uitstort aan uwe trouwe borst. De laatste maal schreef ik u na mijne aankomst in deze stad, die mijn trouwe Marc met eene zekere voorliefde tot onze verblijfplaats had gekozen,in de hoop er bescherming voor mij te vinden onder de aanzienlijke Hollandsche familiën, die grootendeels protestantsch zijn, en ons als vervolgde geloofsgenooten zeer genegen, hoewel ik reeds door menige ervaring weet, dat velen hier onze natie geen bitteren haat toedragen, die maar al te veel gerechtvaardigd is, door alles wat de troepen van den Koning hier tijdens den laatsten oorlog hebben gepleegd; en als men bedenkt wat ze doen onder ons, onder landgenooten, dan kan men begrijpen wat zij plegen als overwinnaars onder vijanden. Marc schijnt het voornemen gehad te hebben om hier zijn dienst aan te bieden, als intendant of kamerdienaar bij eenig voornaam Heer, om op die wijze in mijne behoeften te voorzien, en in het vertrouwen, dat hij dit licht zou vinden, had hij ons verblijf hier ingericht op een beteren voet, dan onze beurs het gedoogde. Ik voor mij, die op dit punt geen de minste ervaring had, en alles aan hem overliet, vond mij op de tweede verdieping redelijk wel gehuisvest, zonder er over te denken, dat welhaast zelfs de derde, waar ik mij nu bevinde, mij een al te kostbaar verblijf zou zijn, en gij, Hortense! denk u uwe Cesarine in een klein vertrekje tusschen vier kille witte muren bijna onder het dak, waar zich geene meubelen bevinden, dan de volstrekt onmisbare, en terwijl zij niet zeker is, het kleine vuur, dat nu nog wat warmte aanbrengt, morgen te kunnen onderhouden; terwijl zij niet weet, of de eigenares des huizes wel genegen is, om haar nog vele dagen langer de eenvoudige spijs te doen toekomen, die zij noodig heeft; herdenk u haar dan als de Cesarine, die gij hebt gekend, nog zoo weinige maanden geleden, in het volle genot van al wat daar liefelijks te aanschouwen was voor de oogen, en dierbaars te genieten voor het hart; maar denk u dan ook, waaraan zij dit alles heeft geofferd, en geloof dan van haar, dat zij het nu wel heeft, en beter dan in dien tijd van strijd en onzekerheid, toen dit offer werd gevraagd, maar nog niet was gebracht. De armoede, mijne lieve! is eene van de wonderlijkste ervaringen, die de ballingschap mij heeft doen kennen, en die mijn goede Marc, helaas! niet beter kende dan ik… Maar laat mij geregeld vertellen. De trouwe dienaar had niet eens gelegenheid, de goedwilligheid der Hollanders te beproeven: de vermoeienissen van de reis, de angsten en worstelingen, waarmede hij te kampen had, eer wij uit Frankrijk wal en ontvlucht, en die hij met jongelings krachten scheen te trotseeren, hadden hem meer geschokt, dan hij zelfs wist of mij wilde bekennen. En toen hij mij rustig hier gevestigd zag, toen de overspanning week, die hem tot hiertoe had opgericht gehouden, viel hij machteloos en uitgeput op een ziekbed neêr, dat binnen zeer weinig dagen zijn doodbed is geworden. Gij begrijpt, hoe ik hem heb opgepast en verzorgd, hoe ik met vurige beden zijn behoud van den Heer heb afgesmeekt, hoe ik met doodelijke smarte het stervensuur zag naken van den éénigen vriend, die mij op aarde nabij was gebleven, een dienaar en verzorger naar den stand, een vader naar het hart, een broeder door geloof, een voorganger in prachtige liefde en vrome hoop. Zijn geloofsroem en geloofsblijdschap in de laatste uren waren zoo overheerschend en prachtig, dat zij hem deden heenzien over alle wereldsche bezwaren, en hij mij wist te troosten met een ernst en vastheid, als zag zijn verhelderd oog reeds de hand des Heeren uitgestrekt, om de weeze te sterken, die hij in zoo hachelijken toestand moest achterlaten.

»Ook ik geloofde aan die hand, ik blijf er op vertrouwen dat zij niet zal aflaten mij te steunen en te beschermen; maar toch, ik leef nog niet in aanschouwen… en alles om mij is zoo duister, dat mij bijwijlen het harte bezwijkt… In zulke oogenblikken valt deze eenzaamheid mij verpletterend zwaar; dan mis ik het zusterhart, waaraan ik kon uitschreien, dan de broederlijke hand, die opricht, en de broederlijke toespraak, die nieuwen moed in het harte stort, en die opwekt tot het gebed; de druk van die eenzaamheid is sterker dan het gemis van al het andere; dan is het mij, als moest ik van mij zelve zeggen, als Davids klaagstem in den Psalm:

Non, le Dieu Souverain
Ne lui tend plus la main,
N’a plus soin de sa vie

»en eerst dan als de angst der ziele mij tot het gebed heeft gedreven, mag ik weêr zeggen met volle bewustheid van ’t geloofsvertrouwen:

Mais o Dieu, mon Sauveur,
Ta céleste faveur
Fut toujours mon partage;
Plus le mal est pressant,
Plus ton secours puissant
Relève mon courage.
Toujours quand j’ai prié,
Toujours quand j’ai crié,
Dieu, touché de ma plainte,
Loin de ma rébuter,
A daigné m’écouter
De sa Montagne sainte.

»Maar gij kent het gewijde lied, dat we zoo vaak te zamen ten Hemel opzonden, ik toen nog niet als nu de volle kracht en beteekenis daarvan ervarende. Veellicht acht gij het vreemd van mij, dat ik nog eenzaam blijve, en niet naar aansluiting zoek met geloofsgenooten;… hier, waar men zegt, dat zoovele onzer landgenooten samenzijn…

»Helaas! de omstandigheden hebben als een onoverkomelijken muur van afscheiding tusschen ons opgericht. Ik woon hier in bij eene Fransche vrouw, maar zij is geene geloofsgenoote; zij behoort tot de kerk van Rome, maar zij schijnt mij eene vrij onverschillige Katholieke; zij begrijpt gelukkig niet wie en wat ik ben, en een rechtmatig wantrouwen, dat ik tegen haar heb opgevat, dwingt mij haar dat alles te verbergen. Tijdens, de korte ziekte van mijn’ trouwen Marc, heb ik hare hardheid en eigenzinnigheid opgemerkt… zij is daarbij zeer ergdenkend en baatzuchtig, op zulke wijzen dat ik haar mijne kleinoodiën heb moeten in pand geven, toen zij begreep, dat de onkosten van de ziekte en de begrafenis van Marc mijn gereed geld hadden uitgeput; aan hare beschikking moest ik dit punt overlaten, ik, die niets wist van de treurige vormen, die hier te lande bij zulke gelegenheden worden in acht genomen.

»Reeds heeft zij mij, na den dood van mijn vriend, de tweede verdieping doen ontruimen, omdat deze, waar ik nu ben, tot minderen prijs te bewonen is. Daar beneden, waar Marc ontsliep, is het nu den ganschen dag stil, als ontzag men er nog »de rust van den zieke; maar des avonds treffen wonder schrille geluiden van muziek en stemmen mijn oor, en blijven aanhouden tot laat in den nacht, alsof men zich daar bezighield met dans en spel; en ’t rinkinken van glazen, het breken of omverwerpen van flesschen of vaatwerk, schijnt mij te getuigen, dat hier onmatig gedronken wordt, of verschrikkelijke orgiën worden gevierd. Dan onderscheid ik somwijlen de klanken mijner moedertaal, maar hoe?…

»Ik schreef naar Frankrijk, of het mijner familie mogelijk zou zijn, mij eenigen onderstand te doen toekomen; doch ik wacht tot hiertoe tevergeefs op antwoord. Ik smacht om dit huis te verlaten,… maar hoe er toe te komen, daar ik, Madame Le Loup hare voorschotten niet kan teruggeven, Ik zou mij blootstellen om zonder huisvesting rond te dolen, daar zij het éénige, wat ik bezit, en waarop ik voor mijn aanvan keIijk onderhoud rekende, in hare macht heeft. Zij eischte het van mij te harer geruststelling, en ik moest toegeven, zij had anders Marc geen rustig doodbed gegund; ik kon hem niet raadplegen, en ook… ik beken het, ik begreep toen niet de gevolgen van hetgeen ik deed, noch hoe de menschen zijn, kunnen in hunne hardheid.

»Mij tot vrienden te wenden om hulp… gij zoudt mij dat raden, als gij u niet in een eenigszins gelijken toestand bevondt; ik zelve zou gedacht hebben dit te doen, als men mij, voormaals een zulken toestand had voorspeld… maar in waarheid, de rijken weten niet, hoe armoede het hart verandert en schuchter maakt, vooral niet, waar zij gepaard gaat met eene volstrekte afzondering als de mijne, en de verplichting, waarin ik mij gevoel om de eer mijner familie te bewaren, door mijn waren naam en afkomst te verbergen, Somwijlen, als ik mij in den tempel des Heeren bevindt, en mij onder broederen wete, en ik mij broederlijke en zusterlijke liefde voorstelle, meen ik naar een hunner toe te treden, en van mijn toestand te spreken; maar de gezichten zijn mij vreemd»n lokken mij niet uit tot gemeenzaamheid, of de onversschillige vraag, waarmede ik wil aanvangen, wordt koel of verstrooid, of in, geheel niet beantwoord, en ik verbeeld mij, dat zij reeds mijne bedoeling geraden hebben, en in mij eene intrigante schuwen…

»Echter toen wij nog in Frankrijk waren, hoorden wij zooveel voorbeelden aanvoeren van de onuitsprekelijke goedheid en mildheid, waarmede men hier in Holland de ballingen om des geloofs wille aanneemt en voorthelpt. Helaas! ik geloof het… maar ik heb nog geen moed gehad om er de ondervinding van te verkrijgen… Ik weet ook niet tot wie mij te wenden, ik ken de namen noch de woonplaatsen dier broederlijke vrienden, en mij bij onverschilligen aan te melden… Ik vrees dat alleen de uiterste nood, de honger, er mij toe zal drijven, want in ’t eind, ik mag den Heer niet verzoeken, zoo Hij die uiterste vernedering van mij wil… ik mag niet vrijwillig den hongerdood sterven, als ik dien door vragen zou kunnen ontgaan; maar zoover is het nog niet, en ik klaagde u zwaarder druk dan dezen. O! ik ben dankbaar, dat ik, toen ik mildheid kon oefenen, veelmalen niet heb gewacht tot men vroeg; geraden te worden is de eerste behoefte der schuchtere lijdende Madame Le Loup houdt mij ook hier, door eene belofte; zij heeft mij verzekerd, werk of plaatsing voor mij te vinden. Gij placht mij, om mijne vaardigheid in kleine vrouwelijke handwerken, eene tooveres met de vingeren te noemen. Welnu, wie weet, hoe groote gave het mij nu blijken zal te zijn! dien lust, dien ik had er mij in te oefenen, en de dienstbaarheid zal ik mij geene schande achten, mits die mij niet belemmere in den dienst van mijn Hemelschen Heer. Toch, mijne lieve! indien ’t maar eenigszins bestaan kan met dien dienst, ga gij niet in ballingschap; het is hard te leven in den vreemde, en ’t moet zoet zijn op vaderlandschen grond te sterven. God weet, dat ik mijner moeder haar rustig sterfbed niet benijde te midden van allen, wie haar lief waren, maar toch ik dank Hem, dat mijn vader liever den schrikkeIijken, maar waardigen marteldood stierf, dan deze ballingschap met mij te deelen, en noem mij niet al te zeer eene morrende en ondankbare; soms is het mij, als ware mij met dit leven, dat ik nu leve, het zwaarste lot opgelegd.

»Toch zal ik eenmaal aankomen in ’t eigen vaderland, in ’t Huis des Vaders, waar vele woningen zijn.

»Ik vreeze slechter van Madame Le Loup te denken, dan ik mag; maar in waarheid, zij haast zich niet met hare belofte te voldoen, en ik begin te gelooven, dat de lust om zich door mijn langer verblijf van mijne kleinoodiën te verzekeren, haar die goede diensten doet uitstellen; en gisteren, melieve! deed zij mij een voorslag, dien ik niet begrep, doch die mij ontrust en eene onbestemde vreeze aanjaagt. Ik ontmoet somwijlen in dit huis, als ik Madame Le Loup heb te spreken, een jongmensch van een vrijpostig en aanmatigend voorkomen, wiens manieren mij bijzonder tegenstaan, en gisteren, toen ik haar klaagde over het lastig gedruisch, dat telken male mijne nachtrust stoort, zeide zij mij, dat Mijnheer»de V. (zoo heet die jonkman) zijne dagen aan de Fransche Ambassade moest doorbrengen, en dus wel recht heeft, zijne nachten met zijne vrienden aan, vermaak toe te wijden, dat ik mij wachten moest hierover te klagen, en liever trachten de gunst te verwerven van dien jongen edelman, die mij groote diensten zou kunnen doen, en dat zij mij met hem samen wilde brengen, mits ik beloofde, hem hoffelijk te bejegenen, en gehoor te geven aan zijne wenschen. Ik begrijp niet, wat hij mij zou te vragen hebben; maar in ieder geval moet ik die samenkomst vermijden, want Mijnheer de V. is bij den Graaf d’Avaux, de vijand mijner familie, en deze had mij maar te zien om mij te herkennen. De Koning houdt strenger oog op den hoogen adel, dan op de kleine burgers; d’ Avaux zou mij, kunnen opeischen als eene Fransche wees, en dus onder de voogdij des Konings! Dan, dan eerst zou een schrikkelijk lot mij wachten, dan opende zich voor mij eene kloostergevangenis! Hortense! ik durf hierover niet langer nadenken; want mij duizelt het hoofd, en ik zal moeten vluchten, als Madame Le Loup en de Heer de V. zich tegen mij vereenigen en als ik dan denk wat Eugène lijden zou, zoo hij dit alles weten kon. en indenkt, dat hij mij voor zooveel zorg en ellende had kunnen bewaren, had hij den moed gehad, mij tot gemaal te zijn en mijne ballingschap te deelen, want ik weet, dat hij mij liefhad, en te smartelijker valt het mij aan zijne diepe zwakheid te denken… Helaas! helaas! de verleidingen van het Hof, van den rang, van de fortuin waren hem te machtig; de wet des Konings bleek hem sterker dan de wet des Heeren, en hij scheidde zich van ons, van zijne broeders en van zijn geloof, De barmhartige Heer vergeve hem en vergelde hem niet met gansche verlatenheid! Hortense! deze herinnering had ik niet moeten opwekken. Zij belet mij verder te schrijven, en ook gij hebt voor nu genoeg.” Hier volgde het einde van den brief en de aanbeveling om poste-restante te schrijven aan Cesarine Didier, welken naam zij had aangenomen. Genoeg ook voor ons te weten, wie zij is, en hoe zij leeft, om haar te beklagen, haar lief te hebben, en veel voor haar te vreezen. Zij heeft nu haar brief toegevouwen, verzegeld, en slaat haar mantel om; zij wil dien zelve naar den post brengen; intusschen herinneren wij u, dat dit dezelfde Februari-middag is, waarop wij ons verhaal aanvingen, slechts iets later, want de duisternis valt reeds, en de lakei Justin bevindt zich in den winkel van Madame Le Loup met de boodschap van de kamenier, en op deze wijze vinden mijne lezers nu zelve de verbinding van het geen wij ons voorspel konden noemen, met het tafreel, dat daarop gevolgd is; want, terwijl Cesarine de trap afkomt, zegt Madame Le Loup tot Justin: »Ik zeg u, mijn vriend! dat die kantwerksters niet meer in mijn huis wonen, ze zijn eene maand geleden vertrokken.”

»Maar weet gij dan haar adres, of eene andere, die daartoe »geschiktheid heeft?”

»Neen, ik weet niemand,” hernam zij even onwaar als onvriendelijk, want zij had toch aan Cesarine kunnen denken, en onderzoeken of deze wellicht lust en geschiktheid had voor die taak.

»Er kan veel aan verdiend worden,” hield Justin aan, Madame Le Loup antwoordde niet, zij zag naar Cesarine, die was blijven staan, en met belangstelling scheen te luisteren naar hetgeen; Justin zeide.

»Et bien, Mamsel! qu’y a-t-il donc?” vroeg Madame Le Loup met zeker vinnig ongeduld, »gij denkt uit te gaan met dit weêr, bij ’t vallen van den avond?”

»Een brief bezorgen, Madame?”

»Dat kan voor u gedaan worden, ik heb het u meer gezegd Mamsel!”

»’t Is onnoodig, ik doe het liefst zelve!”

»Bien-sûr une intrigue!” mompelde de vrouw des huizes den lakei aanziende, met een zekeren glimlach op Cesarine, en luider tot deze:

»Welnu, Mamsel! ga dan, tenzij gij u liever hier ophoudt om mijne zaken te bespieden.”

»Maar, Madame! ik geloof, dat het hier veeleer mijne zaak geldt, hernam Cesarine zachtmoedig, doch met zekere vastheid, »ik hoorde dezen man van werk spreken, naar eene kantwerkster vragen, en gij scheent niet op mij te denken?”

»Hoe kon ik weten, dat dit uw werk was?” bromde deze.

De lakei, die sinds lang opmerkzaam was geworden, sprak nu zeer verheugd: »Het zou dus mogelijk zijn, dat gij kans zaagt, Mamsel?”

»Wellicht… indien gij mij toestaat te zien, wat er gedaan moet worden.”

»Gelief slechts zelve te oordeelen”, en hij opende zijn carton, en zij kwam nader, en sloeg de kap harer mantille à la Maintenon weg, om beter te kunnen zien. Justin zag haar strak aan.

»Mon Dieu! c’est vous!” riep hij uit.

»Tais-toi, je t’ en prie!” riep zij snel en verschrikt; en luider: »Kom met mij, op mijne kamer zal ik verder met u spreken:”

Justin had niets zoo haastig te doen, dan haar te volgen; maar toen hij zich daar bevond, was het niet zijn eerste werk haar de kanten te toonen. Met de eigenaardige hartstochtelijk beid van het Fransche karakter, wierp hij zich op de knieën, en kuste den zoom van haar kleed, tot zij hem de hand toestak om hem tot opstaan te nooden. Justin had de dochter van zijn voormaligen meester herkend. Hij was niet meer bij den Graaf de Blanchefort in dienst toen Cesarine tot uitwijken werd gedwongen; maar toch had hij al tijd eene dankbare herinnering van zijne jonge meesteres behouden, en nu hij haar weêr zag in zoo veranderden toestand terwijl er gemeenschap van lot en lijden tusschen hen bestond, nu moest de goede jongeling onder tranen en uitroepingen zijne verrassing en vreugde over dit wederzien lucht geven, het al onder betuigingen zijner deelneming over den treurigen toestand, waarin hij haar terugvond. Wij kennen Cesarine nu reeds genoeg, om te weten, dat ook zij dankbaar en gelukkig was over deze ontmoeting, dat zij den jongen land- en geloofsgenoot, al was hij haar mindere in geboorte, als een vriend begroette en hem haar vertrouwen schonk, zoover dit noodig was. Hij aarzelde echter haar opnieuw van het werk te spreken; zij bracht er hem op, en toen zij het gezien had, verklaarde zij zich in staat, de begeerde herstelling te volbrengen.

»Binnen zoo korten tijd als het gevraagd wordt? maar dan zult gij den nacht moeten doorwerken!, sprak hij meêwarig.

»Dat zegt niets, men laat mij toch hier de ruste niet.” En hoewel Justin nog eenige tegenwerping maakte, omdat het hem ter harte ging, dat zijne voormalige meesteres, eene gravin de Blanchefort, voor eene Hollandsche kamenier zou werken, toch eindigde hij met het haar over te laten. Hij zou het kleed terughalen op het uur, dat zij aangaf, en intusschen vertrouwde zij hem de bezorging van haar brief; omtrent haar naam en rang had hij het stilzwijgen moeten beloven, en zou dat gehouden hebben reeds uit zich zelven. Het gevoel van de waardigheid der geboorte sprak toenmaals bij een Franschen lakei niet minder luid, dan bij de meesters zelve; ook toen hij heenging, en Madame Le Loup hem een paar nieuwsgierige vragen wilde doen, zeide hij haar vrij norsch: »Zorg gij, dat gij eerlijk en hoffelijk handelt met Mamsel Didier, of zoo niet, Mijnheer de baron F. zal weten, dat gij eene gevaarlijke intrigante zijt.”


Mevrouw de barones F. , onkundig van alles, wat er in haar huis en met haar kleed was voorgevallen, bevond zich den avond van den volgenden dag op het cercle der Prinses van Oranje, en hoewel haar toilet noch het meest schitterend, noch het meest smaakvolle was onder de vele prachtige en smaakvolle, die men er zag, had zij toch de voldoening, dat de Prinses, zoodra de étiquette het veroorloofde, tot haar kwam, haar toesprak, en met welgevallige belangstelling haar kostuum gadesloeg, maar bovenal een scherp oog richtte op de kanten manchetten, waarmede hare mouwen gegarneerd waren.

Verheugd zooveel opmerking te wekken, hoewel zij wist, waar aan die toe te schrijven, deed Mevrouw F. haar best om de ongelijkbare fijnheid en het prachtig dessin der kanten voor de Prinses te doen uitkomen; terwijl zij er bijvoegde, dat alleen eene Vorstin, als de Princesse Royale, ze had kunnen wegschenken, en dat ze ook alleen maar door eene Vorstin behoorden gedragen .te worden, gelijk het slechts was uit gehoorzaamheid aan de Prinses van Oranje, dat zij er zich nu mede had gesierd, en dat zij ze volgaarne Harer Hoogheid wilde aanbieden, indien deze ze nog ter gedachtenis harer Vorstelijke tante en schoonmoeder geliefde te bewaren.

»Volgaarne, en met veel dank neem ik ze aan, barones!” sprak Maria met bevallige gemeenzaamheid, »echter onder eene voorwaarde!”

»Die vervuld zal worden, zoo het in mijne macht staat Mevrouw!” hernam de barones zich buigende.

»Ik wenschte het adres te hebben van de persone die deze kanten heeft gedicht?”

Mevrouw F. kleurde van schrik en ergernis.

»Uwe Hoogheid meent dus,” sprak zij verlegen, maar toch gekrenkt, »dat ik de vermetelheid zou gehad hebben haar deze kanten aan te bieden, hoewel dus lang gebruikt, dat ze herstelling noodig hadden?”

»Ei neen, Mevrouw! gij moet dat zóó niet opvatten,” hemam, Maria met zachten glimlach… »Maar reeds de tijd die er tusschen ligt sinds ze nIeuw waren… Mijn wellieve heer, de Prins heeft nu ruim zijn dertig jaren, en met zoo teêre stoffe is licht een ongeluk gebeurlijk!”

»Uwe Hoogheid heeft daarin gelijk; maar het is nog niet gebeurd, en dus…”

»Ik bid u, twist niet tegen de waarheid,, hernam de Prinses en toen met de toppen der vingers op de kant wijzende deed zij naar de gestopte plaatsen opmerken, die, hoewel met merkwaardige handigheid aaneengehecht, toch de sporen een er andere behandeling vertoonden dan die van het oorspronkelijke speldewerk.

Mevrouw de barones F., verrast en beschaamd, wist niet wat te zeggen, en stond op het punt in tranen uit te barsten; maar de Prinses nam zachtkens haar arm, voerde haar ter zijde, en sprak op een minzamen toon van vertrouwelijkheid:

»Geloof mij, Mevrouw, juist de gedichte kant is mij liever dan de onbeschadigde, want zij doet mij reeds nu de vlijt en het vernuft bewonderen van eene onbekende, en zoo ik mij niet bedrieg, zal zij mij in de gelegenheid stellen, om de kennis te maken van eene belangwekkende en rampspoedige geloofsgenoote. Haar adres, Mevrouw! moet in uw bezit zijn, en zoo ik welonderricht ben, vindt gij het op het oogenblik in den zak van uw kleed”

Mevrouw F., zelve nieuwsgierig om te weten of de Prinses gelijk had, tastte in den zak van haar galakleed, en vond daarin werkelijk het adres van Cesarine Didier, benevens een klein biljet, waarin deze op de meest voegzame en bescheidene wijze zich aanbeval in de gunst der barones F., en hare aanbeveling vroeg, waar het zijn kon.

De Prinses van Oranje maakte zich van het adres meester, en noodigde Mevrouw F. uit, den volgenden morgen in de vroegte een toer met haar te doen naar het huis ter Noot, waar deze achtenswaardige Vorstin te dier tijd zich bezighield met eene inrichting daar te stellen ten behoeve van adellijke Fransche juffers, die uit oorzaak van geloofsvervolging zich in vrijwillige ballingschap hadden begeven, en naar Holland waren gevlucht.

Mevrouw F. nam die eer met dankbaarheid aan, maar bleef toch den ganschen avond peinzen over het wondere goochelspel van het adres, waarbij men eene Prinses tot medehulp had gebruikt. Te huis gekomen, werd Sophie ondervraagd; deze loochende alles met de stoutste vermetelheid; en Mevrouw F. zou nooit het woord van het raadsel hebben gevonden, zoo niet Justin met edelen moed zich zelven was komen aanklagen.

Hij had Sophie stilzwijgendheid beloofd, en hij hield woord; hij beschuldigde zich zelven van het ongeluk met de kant, liep daar losjes overheen, en kwam toen op Cesarine. Bewogen met haar hachelijken toestand bij Madame Le Loup, had hij haar hooge bescherming willen verzekeren; zonder den moed te hebben zijne meesteres daarvoor rechtstreeks in te roepen, had hij Cesarine geraden, zich door een biljet aan te bevelen bij de voomame dame, voor wie zij had gewerkt, om op die wijze zich bekend te maken. Zij had; Justin’s raad gevolgd, en hij had goedgevonden dit biljet, met het adres, in den zak van de robe zelve te bergen. Later begreep hij het ongenoegzame van dien maatregel; toen had hij zelf aan de Prinses van Oranje mede gedeeld: dat eene Fransche vluchtelinge van hooge geboorte zich in gansch verlaten toestand bevond, te bescheiden en wel licht te fier was, om iemands hulp in te roepen, dat zij door vrouwelijke handwerken haar onderhoud wilde zoeken, en dat de herstelde kanten, die Mevrouw de barones F. dien avond zou dragen, als proeve konden strekken van hare kunstvaardigheid. Men ziet hoe dit had gewerkt. Als men vraagt hoe het een lakei gelukte, zijne supplicatie zoo spoedig onder de oog en eener Prinses te doen komen, dan bewijst men zijne onkunde in de inrichting der paleizen, waar de livrei elkaar gewoonlijk de beste en snelste diensten doet. Justin was réfugié en de Prinses van Oranje, die zich bijzonder toelegde, om, zooveel zij kon, de wreede onrechtvaardigheid van Lodewijk XIV jegens zijne onderdanen goed te maken, had Franschen van zijne kennis in haar dienst.

Justin dankte zeker aan hare tusschenkomst, dat hij zijne volle vergiffenis kreeg van Mevrouw F. Cesarine kreeg den volgenden morgen eene uitnoodiging van de Prinses van Oranje, om zich op het huis ter Noot te laten vinden.

Zij achtte het onnoodig, haar waren naam voor deze edele beschermster te verbergen, en in vollen zin toonde zich Maria dat vertrouwen waardig. Cesarine de Blanchefort werd opgenomen onder de dames van het huis ter Noot onder welke, hare kunstvaardigheid haar eene onderscheidende plaats gaf, terwijl haar beminnelijk karakter en vrome zin haar zoovele vriendinnen verzekerden, als zij er geloofs- en landgenoot en vond.

Haar vast vertrouwen op den Heer der hulpe was niet teleurgesteld; zij ondervond in Holland de waarheid van des Heilands woord: »Zoo wie om Mijns naam wil zal hebben verlaten huis of broeders, of zusters of vader of moeder, hij zal honderdvoud terug ontvangen.”

Want ook zelfs in het huis ter Noot eindigde hare loopbaan niet. Een beminnelijk en deugdzaam Hollandsch edelman had meer edelmoedigheid dan haar voormalige verloofde, om de arme wees tot gemalin te kiezen, en zij werd de stammoeder van een dier aanzienlijke Hollandsch-Fransche geslachten, die nog onder ons bloeien, en waarop zich het oog met eerbied vestigt, als op de getuigenis van groote geloofsbeproeving en standvastige trouwe, door verblijdende uitkomst bekroond.

1851.


Ingezonden op: 19 July 2001