MARIA VAN OOSTERWIJK.


I.

Wij romanschrijvers hebben vrij algemeen de gewoonte aangenomen, om bij het begin van ons verhaal den lezer nauwkeurig te onderrichten van de weersgesteldheid op dien dag en in dat uur, waarop het merkwaardig feit gaat voorvallen dat wij meenen te schetsen, of waarop de ontmoeting plaats vindt, die voor onzen held of heldin van beslissenden invloed zal zijn. Ter wille van de afwisseling zou het zeker niet kwaad wezen eens met die gewoonte te breken, die bij sommigen onzer eene hebbelijkheid is geworden, waarvan zij zich niet weten los te maken en die tegen zich heeft, niet enkel haar gebrek aan nieuwheid, maar bovenal de waarschijnlijkheid, dat de lezer, om wiens belangstelling te winnen men zich zooveel moeite geeft, zulke mededeeling met dezelfde onverschilligheid zal opnemen, als waarmede weerpraatjes in ’t algemeen worden aangehoord. Maar al is de behagelijkheid van eenige variatie in dezen door mij erkend en al zou mijne mededeeling ook geen beter onthaal vinden of verdienen, toch ben ik ditmaal in de noodzakelijkheid om mij aan het traditioneele weerbericht te houden en den luisterenden of ook niet luisterenden lezer te verkondigen dat de 12de November 1693 een van die heldere, frissche, maar toch zonnige herfstdagen was, die te allen tijde in ons vaderland als jonstelijke toegift op het verloopen schoone seizoen worden beschouwd en die men daarom des te meer dankbaar geniet en te hooger waardeert. Men weet het, een enkele omzwaai van die gracelijke luim oer natuur en — men heeft het voorspel van den winter, dat schrikkelijk barre voor spel, met stortregens en hagelbuien en gierende rukwinden, die in guurheid en ruwheid het statig en ernstig drama zelf overtreffen, dat die strenge grijsaard met zijn donzen sneeuwpels en zijn baard van glinsterende ijskegels ons gaat vertoonen. Over zijn hoofd welft zich nog een heldere hemel met millioenen diamanten; zijn ijzig pad wordt nog beschenen door de stralen eener bleeke zon, die al doet wat zij kan, om licht en gloed te werpen over het witte sneeuwkleed, dat zij niet vermag te smelten; maar het najaar, het nukkige najaar, weet slechts boomen kaal te stroopen, met dorrende bladeren te stoeien en het land schap in mist en dampen te hullen, die wreedelijk spotten met de pogingen der vriendelijke zon; tenzij dan dat zij in goêlijke luim het rillend menschenkind nog eene poos wil verheugen en hare wolkensluiers opheft, om die liefelijke, gloedvolle kracht te laten oefenen. Dan gebruikt die milde koninginne des lichts dit gunstig oogenblik om alles sneller en scherper af te teekenen; de schaduwen worden breeder en dieper, de lichttinten heller en krachtiger, en treffen het oog van den schilder, die in zijne verrukking naar palet en penseelen grijpt, om het gelukkig moment waar te nemen; maar te midden zijner inspiratie het wanhopige van zijne poging beseft en de smartelijke worsteling moet aanvangen om de natuur op de daad te betrappen en na te scheppen in idealische waarheid.

Voor ieder ander die open oog en open zin heeft voor zulk genot, zonder de verplichting tot zulken arbeid, ligt er dan over de gansche natuur iets feestelijks en plechtigs dat opheft en roert, dat tot genieten uitlokt en toch tot zachten weemoed stemt. Zulke graciedagen van het najaar dat ons vaarwel zegt, doen ons denken aan den vrome, die nog eens blijmoedig glim lacht eer hij juichend sterft, en wiens brekend oog nog even verheerlijkt wordt door een afschijnsel van het hemelsche leven, eer hij dat voor het aardsche sluit!

Zie! daarom stellen wij ons dien 12den November 1693 liefst voor als zulk een helderen, zonnigen najaarsdag, omdat het de laatste is geweest van een leven, dat liefelijke bloesems toonde in de lente, in den zomer schoone bloemen gaf, in den herfst rijke vruchten had geleverd en nu werd afgesneden vóór den barren najaarstijd, om in te gaan in de winterrust des grafs. Zie! daarom wilden wij ons ditmaal van het verouderde weer bericht niet losmaken, omdat wij meenen dat er iets aandoenlijks, iets dichterlijks ligt in de mededeeling, dat de bloemschilderes Maria van Oosterwijk is heengegaan op zulk een feestdag der natuur, te gelijk met de laatste herfstbloemen; dat haar heengaan is geweest niet een bittere strijd, eene worsteling met den dood voor wie ‘t leven wenscht vast te houden, maar een heengaan in vrede, een zachtkens neerbuigen van het hoofd als eene verwelkende bloeme op haar steel, die welhaast ter aarde gebogen, zich met het stof der aarde zal vermengen om, prachtige zaaiplante als zij is, in de lente der eeuwigheid verjongd en verheerlijkt te herbloeien.

Toen des anderen daags tot de buitenwereld de nieuwsmare kwam. dat de bloemschilderes Maria van Oosterwijk overleden was ten huize van haar neef Ds. Jacobus van Assendelft, in den ouderdom van drie-en-zestig jaar, was men er zeker niet bijzonder over getroffen; men vond het »een bekwamen ouderdom”; »’t was maar een oude vrijster”; hare nalatenschap was niet groot genoeg om de begeerlijkheid van vreemden op te wekken, of twist te stichten tusschen verwanten bij de verdeeling. Daar was gansch geene stof tot opspraak, geene tot vreemde geruchten naar aanleiding van dit sterfgeval. De overledene had voormaals in de kunstwereld een goeden roep gehad, en zij was blijven werken tot in ‘t laatste jaar haars levens; maar haar talent was toen reeds overschaduwd door het opkomen van andere kunstenaars en kunstenaressen in haar genre, bij jeugdiger kracht, met schooner en rijker gaven bedeeld. Het overledene moest wijken voor de toekomst. Rachel Ruisch was opgetreden, terwijl Maria van Oosterwijk zachtkens wegkwijnde. Zoo bracht haar aftreden de kunstwereld niet in beweging; enkele kunstkoopers die in ‘t bezit waren harer voortbrengselen, mochten wat gewag maken van dit sterfgeval om de prijzen harer bloemstukken te verhoogen; ettelijke liefhebbers zich verblijden nog bijtijds eene schilderij van hare hand in hunne verzameling opgenomen te hebben dat was ook àl het gerucht dat haar overlijden maakte in haar vaderland. Zij was eene stille in den lande geweest, zij had niemands benijding opgewekt, niemand tot haat en bitterheid geprikkeld, hare vrienden hadden niet voor haar behoeven te strijden, geene vijanden hadden zich tegen haar behoeven te wapenen; zij had geleefd in den engen huiselijken kring en van daaruit had zij haar werk verspreid als de reseda hare liefelijke geuren, zonder door uiterlijke pracht de aandacht op te wekken. Schoon zij niet zonder roem en voorspoed had ge werkt, had de tijd over dien vroegeren glans zijne nevelen ge spreid, en hare tijdgenooten, die Rembrands graf zonder gedenk teeken konden laten, dachten er wel niet aan het hare door een monument te sieren!

Of ze zelfs in onze dagen geacht zou worden te behooren tot de rechthebbenden op een standbeeld zou ik niet durven beslissen. Alleen durf ik verzekeren, dat zij zelve er geene de minste aanspraak op gemaakt heeft, en dat haar de kleine spanne gronds op het dorpskerkhof te Uitdam altijd eene voldoende rustplaats was toegeschenen voor haar stoffelijk overschot; gelijk de eenvoudige zerk, waarmeê haar bloedverwant die plek liet dekken, het aanspraaklooze opschrift waarmeê hij vermeldde wier stof daar rustte, alles was wat zij zelve zou hebben gewenscht. Het kwam ook in niemands gedachten op dat er meer behoorde gedaan te worden. De maatschappij leed hier immers geen verlies; sinds vele jaren verliet zij nooit meer het Noord Hollandsche dorpje; in de gezellige kringen daarbuiten noch in den cirkel der fraaie geesten en abele kunstenaars zou zij gemist worden. Het is waar, op het dorpje zelf waren er armen die vele tranen stortten en den naderenden winter met meer kommer tegengingen, sinds de hand gesloten was, die zich helpend naar hen uitstrekte; maar toch… de dominé bleef en die was ook goed en weldadig… en overigens, geene kinderen hadden hunne moeder te beschreien, geen treurend echt genoot bleef weduwnaar achter. Een neef slechts — de eenige bloedverwant — had eener oude tante de laatste eer bewezen; derhalve was er door niemand zulk een verlies geleden, waar van de schokkende mare onder weeklachten tranen door ieders mond werd vermeld.

Geen verlies geleden! »Maar eene oude vrouw, maar eene oude vrijster!” Hoe vreemd zouden zij hebben opgezien, die zoo spraken, zoo men hun verzekerd had, dat het hart van een jonkman bijkans gebroken was onder de zwaarte van dat verlies, dat zij zoo licht achtten; dat het althans tot in de diepste vezelen was geschokt, dat de teederste snaren van zijne ziel op het pijnlijkst hadden getrild, en dat al de kracht van het geloof hem noodig was geweest, om vrede te vinden met eene uitkomst, die hij lang reeds had kunnen voorzien dat is waar,, maar waarop hij nooit den moed had gehad de oogen als nabij zijnde te vestigen. »Dat is dom en dwaas”, werpt een lezer mij tegen, die zich in eene groote mate van koel gezond ver stand mag ve heugen; »een jonkman van acht-en-twintig jaar, zooals dominé Jacobus van Assendelft was, kon vooruit berekenen dat hij eene vrouw zou overleven die meer dan tweemaal zijn leeftijd had.” Zeer zeker, die berekening was al heel gemakkelijk te maken, maar — als men een hart heeft zooals Ds. Jacobus van Assendelft bleek te bezitten, dan komt men niet licht tot zulke berekeningen, en dan blijft men liefst op zekere teedere punten bij den dag leven, in de hope dat die slag, waarvoor ons geheele zijn inwendig terugsiddert, nog zal uitblijven, zeer lang uitblijven, zoolang als ons gevoel wenscht dat die zal marren.

Dat is zeker heel onverstandig, maar… onze jonge man was nu eenmaal van zulke dwaze liefhebbende natuur en wij… kunnen noch willen hem uwe koele wijsheid toebedeelen. Waren die overvloedige tranen mogelijk niet dan vertooning, was het ook de conventioneele rouw van den neef die erft? vraagt een andere lezer die veel ervaring heeft van sociale huichelarij en wiens wantrouwen wij hem nauwelijks ten kwade kunnen duiden, als wij denken aan de plotselinge waardeering die er soms plaats vindt van nooit geliefde of geëerde personen, terstond na hun dood, bij de begrafenisplechtigheid of bij condoleanti e. bezoeken. Wij kunnen de vraag echter beantwoorden met de verzekering, dat Ds. Jocobus van Assendelft juist niet zoo overvloedige tranen vergoot ten aanschouwe van het publiek; dat zijn uiterlijke rouw stil en geruchtloos was, als het voorwerp dat hij betreurde.

Er is een rouw die niet te rouwen pleegt;
Een stille smart, des dooden hoogste hulde
De tranenvloed wordt ijlings weggeveegd,
In ‘t binnenst blijft wat heel het hart vervulde.

En… wat de erfenis betrof, sinds zeer lang was al het hare het zijne, gelijk ook al het zijne haar ten dienste was geweest. Dat men zich overigens van de werkelijkheid dier innige en innerlijke rouwe had kunnen overtuigen, als men den neef en de moei had gadegeslagen, zooals ze daar samen leefden in die rustige, vriendelijke pastorie; zoo men had kunnen gadeslaan — niet één dag van hun leven — maar al die reeks van levensjaren die ze te zamen hadden gesleten; zoo men had kun nen opmerken die zich nooit verloochenende teederheid van zijne zijde, teêder dan die van een zoon, ernstiger dan die van een gade; die fijne opmerkzaamheden, zooals alleen het raadvermogen der liefde ze uitvindt en hare volvaardigheid ze kan volvoeren; die zorgen voor het kleine als voor het groote, dat vreezen te kwetsen, die sparende goedheid — dit alles beteekende meer dan tranen, als waterbeken geschreid voor het oog der menigte; het beteekende de toewijding van het hart, en met dat harte de toewijding van geheel het leven. »Hoe aan doenlijk zal die zelfverloochenende trouwe zich getoond hebben in de zorge, waarmeê hij haar ziekbed zal hebben omringd, in die onrust, waarmede hij hare laatste uren zal hebben bewaakt”… spreekt eene lezeres, wier devinationsgabe hier echter feilt, door de bijzonderheid, dat juffer Maria van Oosterwijk in eigenlijken zin geen ziek. of sterfbed had gehad. Slechts was zij in de laatste maanden zwakker geworden, altijd zwakker, zonderdat er sprekende vermindering op haar wezen, in hare houding, in hare wijze van zijn was waar te nemen geweest. Ze mocht het zelve gevoelen, ze deed het mogelijke dat hij althans het niet bespeurde. lederen dag werd het zilvergrijze haar nog keurig opgestreken onder het stijfstaande mutsje, waaraan de zwart kanten fanchon, ook wel Bourdaloue genoemd, losjes onder de keel toegeknoopt, al de deftige pracht verleende die tot haar leeftijd behoorde. iederen dag werd het keurslijf nog aangegord; rechtop zitten was de coquetterie onzer overgrootmoeders, en de klem van het balein scheen de teêre leest niet te deren,. maar te steunen. Iederen dag werd de fijne kamerijksche halsdoek nog met keurige netheid om den hals geplooid, en de lange slippen, van akertjes voorzien, hingen neder over het gladde puntlijf der zwarte damasten samaar, waarvan de enge mouwen, slechts tot den elleboog reikende, armen lieten zien, die nog vrij blank en goed gevuld waren; maar het warme met bont gevoerde casakje met wijde mouwen dekte ze voegzaam, en een paar zwarte zijden polsmofjes lieten slechts iets zichtbaar van de fraai gevormde hand, wier kunstvaardige vingeren nog met ijver iederen dag naar de teekenstift grepen, sinds zij zich getroosten moesten het penseel neêr te leggen; want het laatste jaar haars levens schilderde zij niet meer, zooals zij voorgaf omdat zij aan hare meerderen nu de konst wilde overlaten, maar inderdaad omdat zij zich niet meer bekwaam voelde voor de krachtinspanning die de arbeid vorderde. De neef had haar vroom bedrog niet doorzien. Het verheugde hem dat ze niet meer werkte: dat zou haar vermoeienissen besparen, en bijgevolg hare gezondheid bevestigen, haar leven rekken, oordeelde hij; zoo wat bloemekens malen op ‘t papier — met potlood of waterverf — was eene aangename bezigheid, die ze als spelende kon verrichten, en waarmeê de tijd zoetelijk omging, zonderdat de kwellingen der verveling haar naakten, meende hij, en zoo bracht het terzij zetten van het palet geen al te schokkenden overgang te weeg. Iederen dag, ieder uur met haar samen zijnde, had hij het afnemen harer krachten, het allengskens verouderen harer trekken niet juist kunnen waarnemen. Wel had het hem in de laatste dagen toegeschenen, dat zij wat zwaarder op zijn arm leunde, als hij haar van uit hare slaapkamer naar het huisvertrek leidde, en dat haar gang iets mats en slepends kreeg, dat hij voorheen nooit had bespeurd; maar als hij dan fluks den grooten leuningstoel voor haar had aangeschoven, het losse kussen had opgeschud, dat den leêren zetel wat zachter deed zijn, en zij dan weêr tegen hem over zat aan de tafel, te midden van hare bloemen. die zij altijd zoozeer bleef liefhebben, en die hij voor haar kweekte en koesterde tot in ‘t verre najaar; en zij met zoo kennelijken lust en met zooveel goeden smaak een ruiker rangschikte of den krans samenlegde, dien zij meende na te bootsen, — dan kon hij zich niet verbeelden dat dit stille, bezige leven niet nog jaren lang op diezelfde wijze door haar kon worden voortgezet. In ‘t eind, ze was toch nog pas drie en zestig jaar, waarom zou zij geen tachtig worden zooals haar grootvader — waarom geen zeventig voor ‘t minst als haar vader?… was dan de zwevende gedachte zijner ziel. En of zij die vatte? de zachte blijmoedige glimlach waarmeê zij hem dan toelachte, de helderheid van blik die er nog lag in dat ingezonken oog, waarmeê ze hem zoo vriendelijk weemoedig aanzag, de zuivere klank der stem die hem dan afleidde door eene fijne opmerking of een vroolijk woord — alles versterkte hem in die, zoete dwaling, dat ze nog zoo’n vaste oude vrouw was, die niet haastelijk en niet onverwacht van hem zou heengaan.

Als de boeren dominé vleien wilden, verlieten ze nooit de pastorie zonder te zeggen, »dat de juffrouw zich maar kras hield”, en toen een onhandige eens plompweg tot hem gezegd had, »dat de juffrouw d’er jaren had, en dat de dominé er op achten moest, dat ze hem zoo ras ontvallen kon”, had zijn gelaat zulk eene pijnlijke uitdrukking aangenomen, en was hij »zoo miserabel bleek” geworden, dat de linkert zelf spijt had van zijn uitval, en ieder zich daarna bevlijtigde deze onrust te doen indommelen. En men slaagde maar al te goed: het hart gelooft zoo gaarne wat het vurig wenscht!”

Zoo trof hem de slag van den 12den November wel zeer onvoorbereid. Zij was dien dag nog opgestaan en gekleed als gewoonlijk, maar in plaats van naar haar werk te vragen, had zij met gevouwen handen en peinzenden blik naar de scherp blauwe lucht zitten uitzien. Van Assendelft haar dus ziende zitten, dieper dan gewoonlijk in haar leuningstoel gedoken, vond dat zij bleeker zag dan anders, en met eene onuitsprekelijke smart merkte hij in haar voor het eerst dat oudsche en vervallene, dat hem tot hiertoe nog nooit getroffen had.

Blijkbaar in hare gepeinzen gestoord door zijn binnenkomen, keerde zij zich tot hem en zag hem aan met een zachten glimlach. »Ik zit mij te koesteren in die lieve laatste zonnestralen, Jacob, en onder dat peinzen vliegt de geest verre weg van hier naar die zalige gewesten, waar uw vader en uwe moeder zijn heengereisd, en werwaarts ik ze welhaast hoop te volgen.” »Moei! lieve moei! spreek zoo niet,” riep hij met tranen in de oogen, »wat zoudt gij haasten… gij zijt hier, gij zijt mij nog zoo noodig.” Zij glimlachte zacht. — »Noodig mijn kind! ik die wete nut te zijn tot niets?… Maar het zij; uw hart, uw lief hebbend hart heeft zich aan mij verhecht, wees er voor gedankt; wees gedankt voor uwe liefde, die mij zooveel heeft vergoed… Alleen wat mij aangaat, ik heb altijd leeren afstaan wat mij het liefste was, en… en… het kon wel zijn dat de Heer u dat ook wilde leeren, Jacob… het kon wel zijn dat die les spoedig volgde, zeer spoedig…” »Ik kan ‘t nu nog niet dragen!” snikte hij, en zich neêrbuigende aan hare knieën, verborg hij zijn gelaat in haar schoot. »Moeie mijne! laat ons bidden dat dit van mij geweerd worde — ik voel mij zoo zwak!” »Nu dan!” sprak zij met eene zachte stem, maar toch met al de klem van toon, die men leggen kan in een woord, »zoo wil ik u niet af matten door de vreeze voor hetgeen komen kan. Ik… voel mij zeer sterk en gesterkt — in den strijd, Jacob, verkrijgt men de sterkte. Geloof mij, als ik heenga, zult gij kracht hebben en rust vinden ook. Wij hadden elkander lief, en de liefde is eeuwig!” En zij drukte zachtkens beide handen op zijne schouders en boog zich over hem heen, en kuste hem het voorhoofd.

»Wil opstaan, Jacob, en laat Geert je hier komen, ik heb hare hulp noodig.” Hij stond op en bleef haar lang en aarzelend aanzien; daar was iets ongewoons in de uitdrukking van haar fijn en edel gelaat; daar sprak zulke teedere deernis uit den blik dien zij op hem vestigde, dat hij niet besluiten kon heen te gaan…Kan ik… ik zelf u die hulp niet reiken?”

»Het belangt oude schetsboeken — het belangt papieren die zij alleen weet te vinden… Ik verlang ze in te zien… heden… ‘t is de twaalfde November — niet waar, Jacob — de verjaring van den trouwdag van uwe ouders… toen, een zware, een schoone dag voor mij…”

»Ja, lieve Mary-moei, zoo hebt ge mij altijd gezegd,” hernam hij rustiger, want hij dacht dat de gemoedsbeweging, door herinneringen in haar opgewekt, haar zoo ongewoon had gestemd; zij had het altijd gemeden hem van scheiden te spreken.

»Ik heb zekere papieren, waarin gij het later zult kunnen lezen, Jacob… en die wilde ik… ordenen weet gij… daarom roep Geert je, en dat zij mij de teekening brenge waaraan ik bezig was… ik verlang…”

»Er de laatste hand aan te leggen?”

»Juist de laatste!” sprak zij met een fijne intonatie en weêr viel de blik van diepe deernis op hem.

»Ik heb nog asters en de laatste versche roos! Die ga ik plukken.”

»Doe zoo Jacob… maar neen, laat me een wijle samen met Geert je…”

Hij ging en deed wat zij verlangde; nauwelijks was hij weg of zij liet zich doodelijk mat neêrvallen in haar stoel en sloot de oogen. Geertje Pieters bleef een half uurtje met haar alleen. Toen kon Jacob van Assendelft het niet langer uithouden; eene bange beklemdheid had hem bevangen, daar ging iets om dat hem treffen moest, voelde hij; in hare nabijheid zou het hem beter zijn.

In allerijl plukte hij zijne bloemen, zijn voorwendsel om terug te komen.

Maria van Oosterwijk lag bezwijmd in de armen van hare getrouwe dienstmaagd, zoo het hem toescheen. Helaas! het was meer dan eene bezwijming; toen hij nader kwam slaakte hij een kreet. Dit was sterven… maar het was geen harde bange doodsstrijd, het was ophouden te leven, stilstand van die lange en bange kloppingen des harten, die men leven noemt; het scheiden van de ziel uit het kleed des stofs, dat haar niet langer houden kan. Bij den smartkreet van Jacob opende zij nog even de oogen; de handen strekten zich uit naar hem, naar de bloemen die hij bracht. Zij greep ze zooals ze met hare volle bewustheid wel nimmer eene zoo frissche bloem zou hebben aangevat; maar toch, zij drukte die aan de lippen, en zij stamelde een fluisterend en voor hem alleen verstaan baar: »Wees gedankt, Jacob, wees gedankt voor alles!” en zij sloot de lippen, en zij bleef hem aanzien, met een strakken, matten blik. Op eens, daar glansden die oog en als van hemelsche verrukking, zij bracht de hand aan het hart, zij opende nogmaals den mond, de poging om te spreken, eindigde in een doffen snik; dat was de doodssnik zooals de wereld het noemt. dat was de verlossingskreet der bevrijde ziel, zooals de christen zegt.

Had Jacob van Assendelft het denkbeeld van zijn verlies vooruit niet kunnen dragen — nu het geleden was, droeg hij het waardiglijk, schoon zijn hart bijkans bezweek onder den ongewachten schok. Mogelijk wordt hij niet door al mijne lezers begrepen in die diepte van smart, bij een verlies dat zoo vaak licht wordt geacht: maar eene oude tante! Zeker, er was iets ongewoons geweest in die teedere aanhankelijkheid van dien jongen man voor die bejaarde bloedverwante, maar heeft zij niet iets eerwaardigs dat onze sympathie vraagt? Prijst men reeds kinderen, die niet dan hun plicht doen, waar ze de grijsheid van hunne ouderen met liefderijke zorgen omringen, hoe treffend moest het dan niet zijn, kinderlijke gehechtheid te zien bewijzen door een jonkman aan eene oude vrouw, waar zoo nauwe band der natuur niet bestond; waar de plicht kon ge bieden te steunen, te verzorgen, maar niet dringen tot dien koesterenden gloed der liefde, die zich zelve verzaakt. En waar zulke liefde toch bestond, daar moest niet slechts hij die haar wist te voelen edel en onbaatzuchtig van gemoed zijn, maar ook zij die zulke genegenheid had weten in te boezemen, moest die waardig zijn, of verdiend hebben door het voorbeeld te geven van eigene zelfopofferende teederheid. En zoo was het ook: de betrekking van de bloemschilderes Maria van Oosterwijk tot haar neef Dominus Jacobus van Assendelft was veel inniger en dieper dan die van moei en neef, en al was het oordeel der wereld waarheid, dat hier geen zoon behoefde te treuren om zijne moeder, meer dan eene moeder was zij voor hem geweest. Onverplichte moederzorge had zij hem bewezen van zijne jonkheid af. Het teêr weesje had zij opgekweekt, den bloeienden knaap had zij zorgelijk ontwikkeld, des jongelings zucht naar kennis en wetenschap had zij weten te voldoen door opofferingen, waarvan zij alleen het geheim had. Met kinderlijke dankbaarheid meent men, had hij hier kunnen volstaan voor deze weldaden; maar berekent het hart met hoe weinig het de schuld der liefde kan afdoen? Het zijne althans kende zulke berekening niet; bij hetgeen hij tot man gerijpt voor die vrouw voelde, stond hem niet alleen voor oogen hetgeen zij voor hem was geweest, maar wat zij zelve was, en dat was naar zijn gevoelen iets zoo edels en waardigs, iets zoo beminnelijks tevens, dat zij hem niet slechts weldoenster bleef, maar vriendinne werd en eene geliefde gezellin voor het leven, die hem hetgeen men zijne eenzaamheid noemde, volkomen vergoedde. En terwijl de wereld daar buiten mogelijk oordeelde dat hij van een groote zorg, van een moei lijken last ontheven was door het overlijden van de bejaarde tante, voelde hij zelf allermeest de pijnlijke berooving.

»Nu de oude juffrouw is gerust, zal de dominé wel eene vrouw nemen!” beslisten de Uitdamsche boerinnetjes als ze dit punt met elkaar in overweging namen. Dat vermoeden scheen klem te krijgen toen men Geertje Pieters, de getrouwe dienst maagd van »de juffrouw”, de pastorie zag verlaten »goed bezorgd voor haar leven”, zooals de nieuwsdragers durfden ver zekeren, maar toch… ze bleef niet in de pastorie; dat kon natuurlijk om geene andere reden zijn, dan omdat dominé Jacobus van Assendelft eene jonge vrouw meende te trouwen, die het met de huishoudster van de oude tante niet zou kunnen vinden. De dorpsmeid, die het huiswerk placht te verrichten, en die bleef, wist er wel niets van te zeggen, maar die was ook oliedom, ieder andere had in hare plaats er het naaste van geweten. Met gespannen verwachting bleven dus de dorpelingen toezien op hetgeen er verder zou voorvallen in de pastorie… maar… de gissingen bleken onjuist en de profetie werd niet bewaarheid.

Dominé Jacobus van Assendelft nam geene vrouw, en de ledige plaats in zijn huis ontstaan werd niet weder bezet; de ledigheid die hem bleef in het harte, trachtte hij aan te vullen door zich bezig te houden met de gedachtenis van haar die geheel zijn leven had bezield. Hij ving aan met het nazien, uitschiften, ordenen van zekere geschriften, brieven, korte aanteekeningen, die zij »hare papieren” had genoemd, en hij ondernam met behulp dier bronnen, verrijkt met alles wat zijn eigen geheugen en ervaring er had bij te voegen — het beeld te schetsen van haar die hij had liefgehad en vereerd, met andere woorden: hij zette zich aan het samenstellen van hare levensbeschrijving.

Maar had zij dan waarlijk zoo bijzondere lotgevallen gehad? wordt er met een ongeloovig hoofdschudden gevraagd. Wat kon er dan toch merkwaardigs zijn voorgevallen met die Maria van Oosterwijk, eene ongehuwde juffer, die, al was zij dan ook kunstenaresse geweest, toch geen eigenlijk kunstleven heeft ge leid; die, geboren in een klein dorpje van de provincie Zuid-Holland, in een even klein dorpje van Noord-Holland eenzaam en roemloos is gestorven; die nooit had gereisd, nooit aan vreemde hoven was gevierd, die niet eens door de dichters van haar tijd is bezongen geworden, of door de letteroefenaren vergood (en men weet hoe mild beiden te dier dagen waren met berijmde en onberijmde vleitaal) — wat kan van een zulke verteld worden, dat het publiek belangstelling zou inboezemen? Om de waarheid te zeggen, dominé Jacobus van Assendelft was ook niet voornemens het leven zijner moei te beschrijven voor het publiek; — aan personen die zich tot hem wendden »om levensbijzonderheden van de bloemschilderes” daar ze toch in de rij der Hollandsche kunstoefenaren haar rang had, vond hij goed niets anders op te geven dan hetgeen bij Houbraken staat vermeld. Geboren te Nootdorp nabij Delft, den 20sten Augustus 1630, onderwezen door den vermaarden bloemschilder Johan Davidzs. de Heem van Utrecht, oefende zij hare kunst niet zonder roem en met geen gering voordeel in de stad Delft, tot op den tijd dat zij zich terugtrok naar Uitdam, om er samen te wonen met haar bloedverwant, die daar predikant was. De prijs die er in den bloeitijd van haar talent werd betaald voor hare bloemstukken, en de personen, waaronder hoog aanzienlijken, zelfs buitenlandsche vorsten, die zich in ’t bezit gesteld hadden van hare kunstproducten en haar met geschenken vereerden, mocht er dan te zulker gelegenheid worden bijgevoegd, maar dat was ook alles wat een officieele levensbeschrijver noodig had van haar te weten, alles ten minste waarop hij aanspraak kon maken die alleen naar uiterlijke omstandigheden mocht vragen; maar onder dit eenvormige, min beduidende uiterlijke leven lag het diepere innerlijke dat gansch niet zonder beteeken is was, en dat rijke stof kon opleveren tot nadenken en medegevoel voor wie niet het meest naar belangrijke feiten vroeg of naar wonder volle gebeurtenissen.

Wij voor ons meenen althans dat het beeld van Maria van Oosterwijk, zooals het door dominus van Assendelft werd geschetst zoomin eene onbeduidende als onbehagelijke figuur is geweest, en zoo het tegendeel blijken mocht uit de bladen die nu volgen, moet het ons geweten worden die hem nàvertelden en niet aan haar die wij kozen tot heldin van onze novelle. Haar recht om het te zijn ligt niet in de vele merkwaardige avonturen waarvan zij de Amazone was, maar in den stillen, verborgen levensstrijd der vrouwe, die wel hare belangrijkheid heeft voor den opmerkzamen blik. Wat de kunstenares betreft, hopen wij het voorbeeld van Houbraken te volgen, die op haar doelende zegt: »De zedigheid die in haar uitblonk, duldt niet dat ik de waarde van haar konst door een langdradigen letterklank uitschater, of haren roem door een bochtigen bazuinklank uitbrom.”


Ingezonden op: 19 July 2001