DE TWEELINGEN VAN MALTA.


De avondzon wierp haar roodgouden schijn op het blauwe vlak der Middellandsche Zee; de geelgrauwe rotsoever van Malta spiegelde zich in dien brandgloed, gemengeld met het water—azuur. De gebouwen van het fort Manuel en de muren van de stad La Valette schetsten zich het scherpst af, voor wie het standpunt gekozen had, dat wij genomen hebben, met de zee, wier golven naar Sicilië voeren, in het noorden en zuidwaarts links af de breede reuzentrap, die heenleidt van den oever naar de strada St. Gioivanni Malta, met zijne rotsen en zijne vestingen, met zijne trotsche graniettrappen, wier schittering de oogen teistert en verblindt met zijn pestpaleis, dat voor besmetting veiligt; Malta, met zijne honderd dreigende vuurmonden en met zijne vreedzame nijverheid, met zijne eenvoudige platte daken en met zijne fantastische balkons, met zijne onmeetbare rotsgewelven, met zijne dunne lagen bouwaarde. Malta, waar de zwakke vezelen van den koornhalm stuiten tegen de korst van den steengrond, en waar de katoenboom toch zijn weligsten en fijnsten oogst geeft. Malta, waar het sap der oranjeappels bloedrood is en wedijvert met den keurigsten wijn, en waar de druiven stoven, zonder te schrompelen. Malta met zijne Arabische muildrijvers en zijne Schotsche krijgslieden. Malta, dat zich wapent tegen de pest, dat de natuur gevrijwaard heeft van giftig gedierte en dat vrijen toegang geeft aan het spleen. Malta, waar Siciliaansche priesters en Engelsche methodisten met elkander samentreffen. Malta, het grijze weeskind der ridders, door Engelsche voogden tot eeuwige minderjarigheid teruggezet. Malta, bezongen in de Eneïde en toch het lusttooneel van romantiek en ridderpoëzie. Malta is niet meer wat het was in de eerste dagen van de ridders van Rhodus, Men zou het zelfs onrecht doen met het eene schaduw te noemen van hetgeen het was voorheen; eene schaduw gelijkt nog het beeld, al is het in flauwe en onzekere omtrekken, maar Malta heeft zijne vroegere vormen verloren: een enkele schaarsche trek moge aan zijne vroegere af komst herinneren, het Malta van de negentiende eeuw gelijkt zoo weinig op dat van Hugues Payens als een Engelsch matroos op den Griekschen Herkules, of een grootmeester van Malta zelve op een president van het huis der Lords. Maar is het anders geworden, het is toch nog veel gebleven. Het is niet meer de kleinste vorstenstaat van Europa, maar het is een Europa, eene wereld in het klein, waar alle volkseigendommelijkheden, vertegenwoordigd door alle kleederdrachten, gewoonten en begrippen, zich kruisen zonder zich te botsen, en zich raken zonder zich te stooten. Het is niet meer de gevreesde vijandin van den Islam, de geestdriftvolle aanvoerster van het Kruis tegen de Halve—Maan, maar het is in de hand van protestantsche Christenen een ondoordringbaar schild, van waarachter zij de stoutste aanslagen wagen kunnen ter overheersching en vernedering hunner broederen; van Saraceenen en Turken heeft het niet meer schatting te eischen; maar het is een groot douanenhuis geworden, waar de machtige Engelsche tolgaarders hun cijnzen ontvangen uit de handen van alles wat een zeil wil ophijschen in het groote vaarwater der Middellandsche Zee! Het is niet meer de kale rots, waar iedere Paladijn zijne handvol aarde moest aanbrengen, terbe scherming waarvan ieder ridder geharnast dáár stond met het kruiszwaard in de hand; waar bekrompen vroomheid den heiden geen middelweg liet tusschen eene dwangbekeering en de slavenketen. Maar het is geworden tot een vruchtbaar eiland, verwarmd door de zon van Afrika en verlicht door de beschaving van Europa, Het is niet meer het poëtisch lustoord der ridderschap, maar het is de vaste zetel van een wereldhandel, de uitgezochte wijkplaats van commercieele politiek, en de driedekkers van Albion beschermen met niet minder trots hare havenmonden dan vroeger de galjoenen van den Grootmeester. Malta is nog altijd de gezegende plek, waar men de gezondheid indrinkt met iederen ademtocht, en tegelijk die, waar de pest zich onthaald ziet in een eigen paleis, en waar het, als Trissotin zegt, gewoonte is geworden:

»De traiter magnifiquement,
»Et de lager superbement,
»Sa plus cruelle ennemie.”

Malta heeft niet meer het voorrecht bij uitsluiting ridders te hebben tot hare burgers, maar Engelsche aristocratie en Fransche bonne société en de fashionable reizigers van alle natiën stroomen dagelijks uit het louterende vagevuur van het pesthospitaal henen naar hare heuvelstraten en begroeten elkander hoffelijk bij het op— en aftreden der trappen. Met één woord, Malta behoeft geene spijt te hebben den vooruitgang van den tijd te hebben medegemaakt; het heeft niet opgehouden van erkende beteekenis te zijn in de politiek en in de geschiedenis van het Zuiden, en het heeft niet zooveel verloren sinds het de witte banier met het achtarmige kruis verwisselde voor het blauwe spinneweb op den bloedgrond van Groot—Brittannië Maar ik heb mij daar laten wegsleepen door beschouwingen over Malta, die zoo weinig tot het doel van mijne zeer onbeduidende novelle behooren, dat ik mij vast voorneme daarin niet weder te vervallen; ik liet dit alles slechts langs mij voorbijgaan om te kunnen zeggen, dat, wat er ook veranderd moge zijn op het kleine rotseneiland, de schoonheid der vrouwen haar onveranderd eigen is gebleven; een gemengd schoon dat het midden houdt tusschen het vuur van het Arabische ras en de weelderige kwijning van het Siciliaansche; vrouwen, wier hals buigzaam en wier tred licht is als die van de geprezen strijdrossen der Arabieren; wien de hartstochten evenals dezen de neusgaten doen zwellen; wien de verzengende gloed van het oosten tintelt in den blik, en in de donkere tint; maar een gloed, getemperd en gedempt onder den koelenden adem der beschaving en onder de vermenging met zuiver Europeesch bloed. Aan de vrouwen vooral ziet men te Malta, dat Europa aanvangt en dat men met Afrika heeft afgedaan. Haar sluier is niet van zwarte zijde als die der Spaanschen, maar zij dragen hare onella met zoo keurigen smaak als eenige Andalusische hare manttilla; en zij ook weten te spelen met haar waaier op de wijze, die hare fijne vingers, hare onovertroffene handen het bevalligst doen uitkomen; zij ook weten het overkleed zoo lang te maken, dat slechts de fijnste punt van hare allerliefste voetjes daaruit tergend te voorschijn komt; zij ook… dan wij hopen u overtuigd te hebben, dat de Maltezerinnen voor niemand harer zuidelijke zusters in bevalligheid wijken.

Onder de schoonen dan, die zich in de rij der mededinging hadden kunnen stellen, waren de tweelingzusters Peppa en Magallon onbetwistbaar de meest gerechtigden, Geen rijker en meer gitzwart haar was gescheiden in een voorhoofd van een meer fijn en doorzichtig vel; hare oogen amandelvormig in de doorsnede van een blauwachtig zwart, maar een duister dat flikkeren kon als een stalen kris in de zon; tanden wit als de zuiverste parels van Coromandel, tusschen lippen frisch en rood als eene versche granaat, en de wildheid der Oosterlingen, gematigd door een zachten adel in de trekken, die aan verwantschap met de zusters der ridderen deed denken, terwijl er tegelijk over hare houding en gebaren een waas van zachte bevalligheid is verspreid, dat gansch geen onrecht doet aan de losse natuurlijkheid van hare handelingen en woorden. Opvoeding en gewoonte hebhen haar geleerd zich uit te drukken in de talen van de meeste Europeesche vreemdelingen, maar het liefst spreken ze onderling het Maltesisch—Arabisch, dat nog niet opgehouden heeft de volkstaal te zijn, en dat in welluidendheid en in kracht van uitdrukking herwint, wat het zeker in gekuischte beschaving mist. Maar nu te zeggen, waarin de schoonheid van Peppa zich onderscheidt van die van Magallon, of wie van haar de eerste rang toekomt — dit is ondoenlijk ook na de scherpste bespieding van haar gelaat, Tweelingzusters van geboorte — zijn zij het volmaakt in wezenstrekken, zijn zij elkander gelijk tot misleiding toe, in vorm, in gestalte, in stembuiging, in gang en gebaren, en zij hebben goed gevonden die gelijkheid nog te versterken door dezelfde keuze van kleederdracht. Beiden droegen de onella van licht Florentijnsche zijde, achterwaarts op het hoofd vastgehecht aan een stevig kapje van satijn en gouddraad, dat het blinkend zwart van het gescheiden haar te meer deed uitkomen. Beiden hadden het lijfje van kersenrood fluweel met keurig borduursel, en het lichtblauwe overkleed van een dun en Iuchtig weefsel; beiden verscholen niet, maar vertoonden de weelderig volle armen in mouwen van Venetiaansch zilvergaas, beiden speelden met waaiers van dezelfde kleur en grootte, maar Peppa alleen droeg ter onderscheiding een bouquet in haar kapsel, eene voorzorg zonder welke haar eigen vader, de waardige Paolo Paterno, zijne oudstgeborene niet had weten te onderscheiden van hare zuster. Gelijke opvoeding, gelijke lotgevallen, het gedurige samenzijn (ze waren tot hiertoe, tot op haar zestiende jaar, nooit een uur gescheiden geweest) moest natuurlijk dezelfde gelijkheid van zien, van opmerken, van gevoelen en van handelen teweegbrengen; dieper het peillood te werpen in haar hart en karakter vermogen wij voor dit oogenblik niet. Hare voedster zelve getuigde, dat nooit meer uitwendige gelijkenis door meer innerlijke overeenstemming was uitgedrukt geworden. Zeker is het, dat er eene onuitsprekelijke teederheid en eenheid van wil tusschen haar heerschte, als niet altijd door den nauwsten band des bloeds wordt gevormd. Zij waren zusters met verzusterde zielen.

De goede Paolo Paterno, die zijne schoone echtgenoote had verloren in den vollen bloei haars levens zonder daarna tot een tweede huwelijk te kunnen besluiten, had zijn eenigen troost gevonden in de onderlinge liefde, in de schoonheid in de beminnelijke deugden van zijne dochters, die slechts zeer zelden de spijt in hem opwekten, dat zij geene zonen waren, om de erfgenamen te zijn van zijn naam en van zijn brigantijn! want hij was bevelhebber op eene koopvaardijbrik, die zijn eigendom was geworden na lange jaren van goede fortuin ter zee, die hem tot een der meest welgezetenen van zijn stand had gemaakt in geheel La Valette.

Toen Peppa en Magallon haar veertiende jaar bereikt hadden, begon haar vader echter in de toekomstige opvolging van zijne scheepsvoogdij te voorzien. De jonge Matteo, wees van zijn eenigen broeder, die onder Napoleon was gesneuveld, had hij toen als kind opgenomen in zijn huis en verloofd aan Peppa, terwijl zich voor Magallon eene andere partij had aangeboden, eene meer schitterende zelfs, de neef en deelgenoot van een der eerste handelshuizen te La Valette, een Griek van geboorte, maar een Maltezer uit nooddwang en een koopman van ziel.

De beide jonkvrouwen hadden geen oogenblik geaarzeld de voorloopige verbintenis aan te gaan, die haar vader met die jongelieden had onderhandeld; en zij gingen kalm en zonder nadenken de ernstige plechtigheid tegemoet, waarvan de vastgestelde tijd nu al haast naderde, zooals ieder van hare medezusteren, die zij op deze wijze zagen uithuwen, toen Paolo Paterno, die gewoon was geweest jaarlijks een zijner kleinere tochtjes te doen in gezelschap zijner kinderen, haar voorsloeg nog eenmaal voor het laatst als vrije jonkvrouwen hem te vergezellen op een zeereisje naar Algiers, dat onder de hand zijner Fransche veroveraars hervormingen onderging, die even behaaglijk als merkwaardig moesten zijn om gade te slaan.

De schoone tweelingen wenschten niets beter, te meer daar zij op die wijze gemakkelijk zelve de keuze konden doen van eenige Fransche toiletbehoeften en kleederdracht, waaraan zij de voorkeur gaven boven wat van Engelsche weelde tot haar kwam. Na de terugkomst echter van die reize veranderde geheel de wijze van zijn der jonge dames. Peppa behandelde Matteo zoo vreemd als dat tegenover een huisgenoot en een verloofde mogelijk was, en Magallon deed haar trotschen geliefde lijden onder luimen van koelheid en norschheid, als hij vroeger nooit in haar had kunnen verwachten. Matteo leed en verdroeg dit met het geduld en de smartelijke bitterheid van een, die met lijden en ongeluk is vertrouwd; de Grieksche jongeling daarentegen met ongeduld en met argwaan. De vader zag die botsingen met smart en met zorg, maar hij begreep niets. Hij begreep niet, wat zijne levendige, lachende kinderen plotseling in grillige en morrende jonkvrouwen had omgetooverd, niet waarom deze lieven en zachten juist luimig en hard waren geworden tegen hen, die het meest aanspraak schenen te hebben op hare liefde;
de goede scheepskapitein had een natuurlijk gezond verstand voor het dagelijksch leven, maar om in te dringen in de fijne schakeeringen van het vrouwelijk hart en te doorgronden wat er liggen kon achter de grillen die hij zag, en waarvoor hij geen beteren naam wist, dat ging boven zijn vermogen, dat was hem niet gegeven. De waarheid is, dat de twintig dagen die de lieve meisjes bij hare terugkomst uit Afrika hadden moeten doorbrengen in de verplichte opsluiting van het pesthospitaal — hoe schijbaar eentonig ook en waarvan de vader in zijne zeetermen zou gezegd hebben »niets gepasseerd" — rijk waren geweest in gebeurtenissen en gewaarwordingen, die haar plotseling ouder hadden gemaakt en wijzer (schoon niet verstandiger). Het pestlazaret te Malta is voor de gezonden geen sombere ziekenkerker volontbering en naargeestigen dwang, de eenige dwang, dien men er ondervindt, is die van het niet te kunnen verlaten en van geene aanraking te hebben met de wereld er buiten. Maar voor het overige is het een ruim en luchtig paleis, dat u vriendelijk zou toelachen als het een anderen naam droeg, waar ieder naar zijn stand en vermogen zijne woning kan kiezen en zich inrichten naar goedvinden — en dat voor de vreemdelingen van alle oorden der wereld, die er worden samengebracht en die er zich ontmoeten, in vele opzichten niet ongelijk is aan een druk bezocht badhuis op regenachtige dagen. Op de wandelingen rondom de galerijen of op het breede terras ontmoet men elkander, maakt kennis, wisselt beleefde woorden en maakt afspraken tot wederontmoeting, zooals in de Kurzaal of in den gang naar de bron op eene badplaats, en daar het publiek hier meer beperkt is dan ginder, vestigen zich de sympathieën lichter bij minder ruimte van keuze. Zoo kwam het dat Peppa en Magallon arm in arm heenzwevende over het terras om de zoele morgenlucht in te drinken, of de laatste stralen der wegzinkende avondzon op te vangen, spoedig werden opgemerkt door alle jonge mannen, die door nooddwang verplicht waren dezelfde paden te gaan, maar bijzonder door een hunner, een Franschman, den jongen graaf Julien de St. Elme, die uit lusteloosheid in het leven, uit afschuw voor de gemaaktheid en de ondeugden van de Parjjsche hooge kringen was weggevlucht, om in andere werelddeelen onder minbeschaafden de deugden en de oprechtheid te vinden, die hij in zijn vaderland voor verloren hield. Maar de arme jonge man had in het Oosten onder anderen vorm dezelfde karakters weder gevonden, nog verscherpt en verhatelijkt door ruwere uitdrukking en meer dierlijke grofheid. Wanhopende om te vinden wat hij zocht, keerde hij droevig naar Europa terug, nog onzeker in welke harer staten hij zijn ideaal zoude gaan zoeken; want de waarheid is, dat hij na kennis gemaakt te hebben met de liefde in vele boudoirs van Parijs, waar deze vertaald wordt door coquetterie — en in menige tent van het Oosten, waar ze zinnelijkheid heet — nog niet ontmoedigd was, de vrouw te vinden, die er niet aan denken zoude, dat hij graaf De St. Elme was met twintig duizend livres inkomen, noch de lion pur sang met wiens overwinning de ijdelheid pronken kon in een salon, noch de frissche jongeling met de donkerblauwe oogen en het Grieksche profiel, maar die een hart had om zijn hart te begrijpen, en die hem verstaan konde als hij sprak, zonder daarbij te rekenen of te gapen. Bij zulke eischen vergeeft men het hem dat hij nog niet het oord voor zijn verder verblijf had bepaald, toen hij in het quarantaine-huis gelegenheid kreeg om daarover na te denken.
Onze Malteesche tweelingen waren er reeds eenigen tijd geweest toen hij er aankwam. Het was hem te vergeven dat hij in spijt van zijne droomerijen, of wellicht juist door deze, na een paar ontmoetingen van de schoone zusters en een paar gesprekken met haar tot de bittere zelfbekentenis moest komen dat hij verliefd was: niet verliefd op Magallon, niet op Peppa, maar op beiden, zonder te weten wie van beiden hij kiezen zou of verwerpen, zoo hem de keuze was toegestaan, en het was waarlijk zijne schuld niet. Als hij ze te zamen zag, als hij vier voetjes even klein, in dezelfde stof geschoeid met denzelfden zacht slependen tred wandelend zag voortschuiven, als hij vier armen zag van denzelfden vorm en dezelfde ronding, zich bewegen met gelijke levendigheid van gebaren bij alles wat haar trof; als hij vier kleine handjes hetzelfde spel zag drijven met gelijke waaiers. Als de gloed van twee paar zwarte oogen de zijne troffen, en zich tegelijk van hem wendden met dezelfde naieve zedigheid; als twee allerliefste gezichtjes met denzelfden blos overstroomd werden op hetzelfde oogenblik; als twee zoete stemmen bij zijne toespraak beurtelings antwoordden met dezelfde uitdrukking in dezelfde taal, en met die vrijmoedige losheid, die het juiste midden hield tusschen de vrijpostigheid der onbeschaafdheid en de terughouding der overbeschaving — als dit alles zich — telkens herhaalde, zoo vaak hij zich aangetrokken voelde door de onweerstaanbare bevalligheid van de groep die zij te zamen vormden, dan moest men den armen romanesken graaf beklagen — misschien een klein weinigje uitlachen, dat hij gevangen was in zulk een net, maar hem ongelijk geven, dat kon men niet. De lieve zusters die gewoon waren te leven van heden tot morgen, zonder omdenken noch terugblik, zonder herinnering noch hope, hadden van nu aan gewaarwordingen en aandoeningen, die zij elkander niet mededeelden, niet om zich voor elkaar te verbergen, maar omdat zij ze niet begrepen, niet gewoon waren haar hart te peilen en met hare gevoelens rekening te houden, en zoo min aan mededeeling dachten als vele menschen aan zelfonderzoek. Misschien had eene vreemde vrouwelijke opmerkster uit hare gesprekken naïeve bekentenissen kunnen opvangen, die zij onderling daaruit niet hadden verstaan Zeker is het dat ze onrustig werden tegen het uur dat de gewone wandeling op het terras aanving, dat zij het pesthuis het schoonste oord der wereld vonden zoo vaak de jonge Franschman haar lang en vriendelijk had toegesproken, en dat ze het pesthuis vervelend vonden en onuitstaanbaar, als de luim of weifelende zin van den graaf hem morrend en in zich zelven getrokken, had teruggehouden in zijn verblijf.

Het was zeker niet zoo vreemd, dat de bevallige Maltezerinnen zich voelden aangetrokken door den jongen Parijzenaar. Niet juist om zijne schoonheid: Matteo's mannelijke bevalligheid was de wanhoop van alle jonge Maltezels in wier midden hij leefde, en Magallons verloofde was boven menige zijner Grieksche landgenooten bedeeld met die eigenaardige schoonheid van zijn landaard, waarbij de blondheid en de bleekheid van een Parijzenaar eene flauwe en armelijke figuur moesten maken. Maar juist dat hij een Parijzenaar was, dat hij kwam uit het bewonderde en geprezene lustoord der beschaving, der kunsten en der mode, waarvan zij te Malta slechts den wederschijn zagen, en alleen als de ruwe omtrekken en afdrukken tot haar kwamen, dat was voor haar, onvoldanen als zij waren, met de eigendommelijke voorrechten van haar eiland, een groot voordeel, dat zij het snelst bij hem waardeerden. Zij hadden nooit omgang gehad met beschaafde Europeeërs uit de eerste cirkels der hoofdsteden. Zij waren niet hoog genoeg geplaatst op de maatschappelijke trap in hare geboorteplaats, om toegelaten te zijn tot de gezelschappen, die de hooge Engelsche ambtenaren en de vreemdelingen zich daar hadden gevormd. Wie van de lageren tot haar kwamen, stonden lager dan zij zelven; en Colchontris was een hardnekkige Griek en Matteo een ingeboren Maltezer, die zich liever gevestigd had tusschen de katoenplanters van GOZZO dan in het midden der natie, voor wier vreemden keizer zijn vader het leven had moeten offeren. Toen dus de jonge St. Elme zich uitdrukte in een Fransch, zooals zij het nooit gehoord hadden, doch waarvan zij de betoovering begrepen, toen hij tot haar sprak in de taal der galanterie en van den hartstocht, en waarbij zij galanterie niet wisten te scheiden van hartstocht, toen hij haar vertelde van de wonderen zijner vaderstad, met een vuur waarbij de nationale eigenliefde de persoonlijke teleurstellingen voorbijging, toen hij toeluisterde naar de beschrijving van hare reistochtjes met die belangstellende aandacht en met die wellevende verwondering die de goede toon voorschrijft, maar die zij tot hiertoe nooit hadden gevonden, toen hij de vragen harer kinderlijke nieuwsgierigheid beantwoordde met onuitputtelijke spraakzaamheid, nooit verstompte tegenwoordigheid van geest en met die goedheid, die zij van geen vreemdeling hadden durven wachten, toen van onder den fijnen toon van den hoffelijken Parijzenaar eene ziel tot haar sprak die in het Zuiden thuis hoorde. toen geraakte hare vurige Zuidelijke verbeelding in eene verrukking en in eene opgewondenheid, waarvan zij de oorzaken niet konden raden, doch waarvan zij toch Julien als den bewerker herkenden en beminden. Deze. om met zijn hart, zooals de Duitschers zouden zeggen, ins reine te komen, wenschte de gelegenheid om ieder der zusters afzonderlijk te leeren kennen, dan hoe was dit mogelijk daar zij zich nooit van elkander scheidden, en hare argeloosheid dien wensch van zijn kant noch vermoedde, noch had kunnen begrijpen. Reeds wanhoopte hij aan de vervulling er van, toen op zekeren avond, dat alles wat in het lazaret ademde, zich verkwikken kwam in de lauwe koelte van de schemering, en het dus meer dan gewoonlijk woelig was op het terras, bij meer dan gewone duisternis, hij onder eenig gedrang zich meester wist te maken van den. arm van eene der zusters, terwijl Paolo de andere voortleidde. Later verwisselde hij van gezellin op dezelfde wijze en als een tweede Don Juan, maar met minder schuldige bedoeling had hij tot haar gesproken van liefde, van herinnering, van aandenken en van wederzien! Van toen aan hadden ieder van de zusters voor zich zelve de bewustheid dat zij iets te verbergen had voor de andere. Ongelukkig voor den graaf, was dit gebeurd den avond. vóór hare bevrijding van de gezondheidskuur, den avond dus ook vóór hunne scheiding, want de arme jonge man moest nog eene gansche week in den pestkerker terugblijven met geheel zijne onzekerheid en met al zijne onvoldane wenschen. De goede Paterno was gelukkig, dat de boeien der zijnen geslaakt waren, want hij had opgemerkt, dat de gezondheid en de vroolijkheid zijner lievelingen geleden had onder het verblijf in het lazaret, hij vond ze den meesten tijd peinzende en de voedster, die haar vergezeld had ter oppassing, vertelde hem dat ze gansche uren samen waren zonder spreken! En dat twee jonge vrouwen; twee Maltezerinnen vooral! Van nu aan zou dat beter zijn, had de vader gedacht, maar wij hebben reeds gezegd dat het niet beter werd, en dat het vooral verergerde toen de jonge verloofden hun schoonen de gewone hulde kwamen brengen, maar toen deze kwamen herinneren aan de nabijzijnde plechtigheid, tot eene hoogte steeg, van verdriet en ongeduld die de omringenden in vreeze en verlegenheid bracht.

Zoolang de zusters zich zelve niet begrepen hadden, en niets van elkander hadden te raden, had de onderlinge samenstemming niet geleden onder het nieuwe zieleleven dat in haar was opgewekt, maar zoodra zij een geheim hadden, één enkel (van het ééne tot duizend is er geen afstand meer), was die innigheid des vertrouwens, was die reine overeenstemming der zielen gebroken. Het pad dat zij gingen bleef hetzelfde, maar zij gingen het voortaan ieder op hare eigene wijze. Ze waren meer gescheiden dan of ieder van haar in een tegenovergesteld oord van de wereld ware verplaatst geworden. Magallon werd toen de vertrouwde van het lijden van den fijnvoelenden Matteo, zij hoorde klagen over het leed dat hare zuster stichtte en zij kon het hooren zonder toorn tegen den klager, zij kon het hem toestemmen, dat hij recht had tot zijne klacht. Peppa luisterde zonder spijt naar de fiere beschuldigingen, die Colchontris uitsprak over de luimen zijner Magallon, en zij begon voor het eerst te zien dat hare zuster luimen had! Voor het eerst kregen hare karakters de gelegenheid om zich vrij te ontwikkelen, zich van elkander te onderscheiden, voor het eerst was die eenheid harer gedachten verdeeld, waarin ze bijna tot eene karakterlooze eenvormigheid waren weggedompeld, uit die scheuring, welke haar voor verstomping bewaarde, redde ieder van haar zich eene ziel en een hart.

O! zeker, ondanks de blijvende gelijkheid harer trekken had de scherpzinnige Franschman nu slechts een uur noodig gehad om haar onderscheiden aard te doorgronden en zijne keuze te doen.

De onrust, het verlangen, de onzekerheid en alle gewone en geheime kwellingen der liefde hadden Magallons gemoed verbitterd en verstaald. Zij was fier, ernstig, achterdochtig, hevig en hartstochtelijk geworden, maar zij ontwikkelde daarbij eene vastheid en eene kracht, die slechts haar oorsprong kon hebben uit eene groote en krachtige ziel.

Peppa daarentegen had zich neergebogen onder haar geheim lijden, zij leefde van weemoed en van verborgen tranen, zij was zachter dan ooit, buigzamer dan te voren, en scheen met hare benevelde oogen rond te zien naar een staf om hare teerheid te steunen. Zij was zwak geworden, maar het was die veerkrachtige zwakheid, die niet zoude breken onder het lijden, maar die zich zacht en lieflijk en vast zoude hechten aan wie haar hart geluk bracht en den steun dien zij noodig had.

Aan het einde van een dag, waarop de arme jonkvrouwen evenzeer waren gekweld geworden door haar vader als door hare verloofden, over de bepaling der toekomstige verbintenis, hadden beiden met eene eenheid van zin, die sinds lang niet meer de hare was, de versche lucht gezocht op een der breede vensterbalkons van het huis, dat het vrije vergezicht gaf op de zee en door de straat St. Giovanni. Zwijgend staarden beiden naar het donker en lieflijk avondrood, waarmede wij onze beschrijving van Malta aanvingen, en dat juist dáár langer aanhoudt dan in eenig oord der wereld. Beiden toch schenen hare gedachten eene andere richting te laten gaan, ten minste Peppa zuchtte bij wijlen met een verholen traantje in het oog, en Magallon bleef het vaste, vurige oog gericht houden op den zeekant en een fier en blijmoedig glimlachje plooide zich om haar mond, in het einde toch brak zij het zwijgen af en Peppa's hand nemende, zeide zij haar:

— Zuster, gij zijt treurig en ik raad de oorzaak, gij hebt den goeden Matteo uwe kwade luim getoond, en nu lijdt gij onder zelfverwijt.

Maar Peppa schudde het hoofd en trok zachtkens hare hand uit die der zuster, terwijl zij antwoordde:

— Ik mocht van u hetzelfde denken, schoon gij vroolijk zijt. Gij behandelt den edelen Colchontris met hardheid! Hij klaagt het mij somtijds, want hij zoekt bij mij troost in zijn lijden.

— Hij klaagt aan u! welnu Peppa, Matteo geeft zich lucht over u bij mij, en welhaast zal hij ophouden u te beminnen.

— Gaven dat de Heiligen! verzuchtte het meisje.

— Mocht ik datzelfde van Colchontris hopen, voegde Magallon er bij!

— Hoe! gij vergeet dus wat onze vader u gezegd heeft, dat Colchontris u eene eere heeft gedaan, met uwe hand te vragen?

— Ik vergeet dat niet, maar, ik wensch dat hij die eere terugneme. En gij zuster, denkt gij er niet aan dat Matteo de lieveling is van onzen vader, en dat hij door u in het bezit moet komen van vaders geliefde brik!

— Laat Matteo de lieveling blijven van onzen vader en laat hij meester worden van al onze bezittingen, moge hij mijn broeder worden, slechts niet mijn echtgenoot! maar gij, Magallon, waarom haat gij Colchuntris? hij verdient het niet.

— Hij is een Griek en hij haat de Franschen, die ik liefheb, voegde zij er vrij en fier achter, en gij Peppa, waarom verwerpt gij Matteo?

— Hij! hij haat den keizer der Franschen, antwoordde zij minder open en meer beschroomd. Maar gij, Magallon, hebt gij alle Franschen lief, of… het verdere van de vraag bestierf op hare verbleekende lippen.

— Zuster, sprak toen Magallon moedig, in volle vertrouwelijkheid, nu gij mij dit vraagt, wil ik u zeggen wat gij toch weten moet. Gij herinnert u dien jongen Franschen graaf… St. Elme heette hij, die ons iederen avond toesprak op de wandeling…

— Herinneren! zuchtte Peppa en sloeg de zwarte oogen smachtend op!

— Welnu, dien heb ik lief!

— Arme, arme zuster! juist heeft hij mij gevraagd of ik hem zou kunnen beminnen… En, helaas! ik weet het wel zeker, ik bemin hem.

— Afschuwelijk! hij heeft mij woorden gezegd aan dezen gelijk op dien avond vóór ons vertrek; het was bij het afscheid.
— Op dienzelfden avond sprak hij tot mij; wij zeiden eIkander toen vaarwel.

— Maar spreek toch, wat hebt gij geantwoord; ik konde niets zeggen, omdat vader mij naderde en mijn arm nam.

— Ik heb gezwegen, omdat ik niet wist wat ik moest antwoorden. Nu zou ik dat wel weten, want ik heb de zekerheid dat ik dien vreemdeling bemin — en ik heb besloten het onzen vader te zeggen, als slechts eerst…

— Wat eerst, zuster, gij hebt toch niet evenals ik?… riep Magallon met sprekende hartstochtelijkheid in gebaren en oog.
— Hoe als gij?… Wat hebt gij gedaan, zuster? vroeg Peppa angstig en bevende.

— Hij wenschte als aandenken van mij den gordel dien ik droeg, ik lachte en zeide hem: gij zoudt mij niet meer onderkennen van mijne zuster als ik u dien gaf; maar later — toen wij hier waren en ik voelde dat hij mij meer dierbaar was geworden na de scheiding, — dacht ik na, hoe zijn verlangen te voldoen. Ik had gehoord, dat vader hem Siciliaanschen wijn zou toezenden, die in het lazaret niet te krijgen is, en ik gebruikte die gelegenheid om een gordel, aan den mijnen gelijk, aan een der zakken te binden, en ik schreef daarbij alleen dit: Sier u daarmede, tot bewijs uwer liefde.

— En ik dan, ongelukkige, riep Peppa, deed ik niet hetzelfde! Mij had hij gevraagd om de roos die ik drage; ik stond die toen niet af, maar ik voelde later, dat ik niet zonder hem konde leven, en toen ik wist dat Matteo hem eenige goederen zoude zenden, die hij uit de stad verlangde, wist ik eene roos in te sluiken in dat pakket en had daaraan een briefje vastgehecht met dit woord: Draag haar als gij mij liefhebt. Maar, helaas, hij heeft mij niet lief, want hij heeft mij niet geantwoord.

— Zottin! zou een antwoord uit het pesthuis tot ons komen? Het is de twintigste dag van zijn verblijf in het lazaret; hij is heden vrij.

— Heb ik dan niet evenzeer nagerekend als gij! Maar zoude hij reeds heden komen?

— Kan de liefde uitstellen? En heeft hij het vader niet beloofd, dat hij de kennismaking vernieuwen zou na de quarantaine.

— Liefde, zeidet gij, zuster. Maar begrijpt gij hoe hij ons beiden tegelijk beminnen kan? Sinds ik hem ken, heb ik afkeer van Matteo:

— En ik haat Colchontris! Maar hij bemint ons niet beiden! Hij is of een boos mensch, die ons met opzet heeft willen bespotten, of hij aarzelt in de keuze; men zegt, wij gelijken elkander zoozeer!

— Helaas, wij zijn thans wel te onderscheiden, ik ben niet meer vroolijk.

— Gij zijt bleek geworden, Peppa!

— En uwe wangen en oogen blinken van verhoogden gloed; gij zijt de schoonste gebleven.

— Dat is ijdel spreken, Peppa! die bleekheid staat u goed. Maar ik bid u dit ééne, zuster, berust in zijne keuze, als hij den gordel draagt…

— Mijne zuster, laten wij elkander niet haten, zelfs niet al siert hij zich met mijne roos…

— Ik belove u dat, sprak Magallon met eene vastheid, die wellicht haar oorsprong nam uit eene geheime hoop, dat zij den triomf zoude wegdragen — en zij gaven elkander de hand met eene innigheid, die van Peppa's zijde de grootmoedigste was, daar zij zich niet vleide met de voorkeur van den jongen graaf.

— Laat ons toezien, hij moet de strada Giovanni afkomen! Wij zullen ons lot dan het snelste weten.

— Als hij komt… , zuchtte Peppa, maar zij spande toch niet minder dan hare zuster alle aandacht in, en bleef met even gespannen blik neerzien op de trappen in de rots gehouwen, die van de zee heenleidden naar de stad.

Zeker waren de tweelingen voor het laatst vereenigd als nu, in gedachten en handeling; voor het laatst, want als Julien zou de gekomen zijn, zoude zeker een afgrond van vreugde en smart, van vervulden wensch en wanhoor tusschen haar liggen, die niet meer kon worden aangevuld.

En Magallons vermoeden werd waar gemaakt. De jonge graaf vertoonde zich… Peppa's oogen schemerden onder den storm harer gewaarwordingen; maar Magallon bleef scherp toezien en — zij zag het… hij droeg noch haar liefdepand, noch dat harer zuster. Zij dacht, dat zij zich bedroog… — Hij komt hier binnen, riep zij en vatte heftig de bevende Peppa bij den arm. — Laat ons naar de spreekkamer gaan, wij moeten zekerheid hebben.

Zij deden alzoo. De oude Paolo was uitgegaan; zij vonden den graaf alleen.

— Ik heb niet kunnen beslissen, niet zoo spoedig, minnelijke juffers, riep hij, vergeef mij mijne aarzeling.

— Geen van beiden! beiden bedrogen, bespot! Wraak, wraak! riep de fiere en hartstochtelijke Magallon, zonder zijne woorden te hooren en alleen daarop acht gevende, dat hij geen der beide teekenen droeg, stormde zij hem wild voorbij en naar Matteo henen.

Peppa daarentegen was doodsbleek en bezwijmende neergevallen op de sofa, en had alleen uitgeroepen: Geene wraak, zuster! ik zal sterven, maar ik vergeef het hem.

Toen had de schrandere vrouwenkenner met een blik beider ziel doorzien. Toen voelde hij, dat de roerende bleekheid van Peppa hem meer aantrok, dan de gloed op Magallons wangen.

Toen begreep hij de kracht en de teederheid van die ziel, die sterven kon en vergeven, tegenover den wilden hartstocht van de andere, wier gewonde ijdelheid genoegdoening eischte bij de eerste krenking. Toen was zijne keuze ras gedaan en zijn besluit gevat. Hij knielde neder nevens de bewustelooze Peppa en riep haar in het leven terug door de zoetste woorden. En toen zij hem begrijpen kon, zeide hij alles, wat zijne liefde het meest teeders en het meest geruststellends kon uitdenken voor haar hart, en hij juichte zich zelve in stilte toe over den goeden uitslag van deze proeve.

Het zonderlingst is en toch niet geheel onverklaarbaar, dat Matteo en Magallon hunne wederzijdsche teleurstelling vereenigden in ééne liefde, onder welker invloed de schrandere jongeling de wraakzuchtige plannen der schoone Maltezerin langzaam afleidde en ten laatste verdreef. Dat verheugde den goeden Paolo te meer, daar deze verbintenis de eenige wijze was, waarop hij dien aangenomen zoon een kinderlijk aandeel kon geven in zijne erfenis. De graaf Julien de St. Elme kreeg te eerder zijne toestemming tot een huwelijk met Peppa, en deze laatste te lichter hare vergiffenis, daar de fiere Colchontris, door hare laatste aarzelingen beleedigd, haar zelf haar woord had teruggegeven.
Julien voerde zijne gade naar Frankrijk; de scheuring der verzusterde zielen maakte eene scheiding harer personen noodzakelijk.

Peppa schittert niet in de eerste kringen van Parijs, maar zij maakt op het land haar echtgenoot gelukkig in zijn huis.

1843.


Ingezonden op: 19 July 2001