HET KANTEN BRUIDSKLEED


Luid en levendig klonk de vroolijke dansmuziek op de eerste verdieping van een hôtel in de Chaussé d’Antin; zoo luid en levendig, dat de lustige tonen doordrongen tot in het dakkamertje van die andere eerste verdieping, waar men de sterren zooveel nader is dan de aarde, en waar men toch de sterren niet beter ziet dan vier kleine groene glasruiten en de omliggende hooge daken het toelaten. Eéne bewoonster slechts had dit vertrekje op dit oogenblik, en gelukkig! voor een huisgezin ware er werkelijk geene plaats geweest; nu kon de eigenares er redelijk op haar gemak zijn, zoo ze ten minste danseres was noch tooneelspeelster, en geene houding had te bestudeeren of een nieuwen pas. Ook de meubelen namen niet te veel ruimte in: vier stoelen, een geverfde houten tafel, een rustbed zonder gordijnen, eene soort van garderobe, die altijd in wiegelende beweging was door eene kleine ongelijkheid van den steenen vloer, en eene groote lichtgroene zijden paraplu ie; ziedaar alles, wat er plaats besloeg; want de kleine gebarsten spiegel hing aan die zijde van den muur, waar men, om de vochtigheid, tevergeefs had beproefd behangsel aan te brengen, en andere kleine noodwendigheden, die men zou kunnen opnoemen, pronkten, bij wijze van charges, op een hangend hoekkastje. De eigenares van dit alles zat aan hare tafel in eene kleeding, die met het huisraad in overeenstemming was; geen gebrek, maar ook niets dan het volstrekt noodige; geene wanorde; geene haveloosheid, maar ook niet een enkel toegeven aan de zucht tot opschik; geene enkele poging, die schoonheidszin verraadde; er was geen zweem van die behaagzuchtige schamelheid, die hare naaktheid dekt met morsige blondes en met verkleurd rose krip, maar ook niets van dat welgedane, dat, onder den hoogsten eenvoud, soms nog eene mate van welgesteldheid aanduidt; zelfs de aarden bloempotten met de anjers of den tunikaan, de gewone vergoeding van lieden, die zoo hoog wonen, dat zij geen voetbreed tuinaarde bezitten kunnen, ontbraken hier. en scherp contrast met die sobere en onpoëtsche omgeving maakten toch twee of drie elegante vrouwengewaden, die aan kapstokken hingen tegen een ander gedeelte van den muur, en het werk zelf, waaraan de bewoonster bezig was. Bevalliger, dichterlijk fijner weefsel en meer vorstelijk rijk was misschien nooit door vrouwenvingeren gewerkt en geschikt, dan deze tuque van echt Brusselsch speldenwerk, waarop zij bezig was volant van zilverkant vast te hechten. Maar de ongelijkheid tusschen de armelijke, stijve, onbehaaglijke werkster en haar werk, dat evenzeer aantrok door fijnen smaak als door uitnemende pracht, wordt geëfend, zoodra wij de eerste voorstellen als mejuffrouw Honorine l’Héron, naaister en borduurster voor madame Deprie, modiste in de straat du Helder, n°. 30 (ik geef het adres nauwkeurig, want het huis is bekend voor bloemen, bruidskorven en handschoenen).

Zoo ik gezegd heb, dat mejuffrouw Honorine bezig was, heb ik mij vergist; want zij liet de beide handen op de knieën rusten, hield het hoofd gebogen naar den grond, en de ooren gespitst met sterke inspanning. Zij luisterde. Ja, zij luisterde naar de muziek, naar de dansmuziek, daar beneden, die speelde, om de gelukkigen vroolijk te maken, en die haar, de ongelukkige, als met stroomen de smart en de zwaarmoedigheid in de ziel goot. Zij had slechts even vergelijkingen te maken tusschen zichzelve en hen, die zich daar bewogen; — tusschen hare eenzaamheid en hunne gezellige vreugde, hun reien van geestige jongelieden, van bevallige vrouwen, die in onbezorgde losheid dooreenwemelden, om elkander onder scherts en kout een tijd te korten, die haar zoo lang moest vallen, dien zij toch met al de uren, welke zij verschertsten, had willen verlengen, om meer werk af te doen, om een minder sober stuk brood te winnen, om een weinig meer slaap te kunnen nemen op sommige nachten; — tusschen de zorgelooze losheid, waarmede zij alleen om vermaak zich uitputteden tot vermoeidheid toe, en de bekommerde vlijt, waarmede zij den ganschen dag haar plaats niet had verlaten, tot de knieën haar verstijfd waren en de armen haar tintelden van vermoeidheid; — tusschen al die schitterende lichten, tusschen al die weelderige geuren daarbeneden, en tusschen de enkele vetkaars op hare tafel, welker walm haar verstikte, en bij wier flauw licht zij niet vermocht te werken, zonder pijnlijk oogvermoeien; — tusschen de frissche verkwikkingen, die dáár in overvloed werden aangeboden en met onverschilligheid genomen of afgewezen en tusschen de grage begeerte, waarmede zij zoo aanstonds haar karig afgemeten avondmaal zou tot zich nemen; — tusschen die jonge vrouwen daarbeneden, die schoon waren, of jong, of rijk; die men liefhad; die men aanbad; die men eerde; die men vleide, en tusschen haar, die daar alleen zat met haar werk. — o! Zoo zij vergelijkingen had willen maken… maar zij maakte die niet; zij wist dat alles zoo zeker buiten haar kring, buiten haar bereik, buiten hare hoop, dat het voor haar niet eens wensch kon zijn; en toch scheen de muziek smartelijke aandoeningen in haar op te wekken, en waarom ook niet? was er misschien niet een tijd geweest, dat ook zij had medegezweefd in de bonte reien van een dans; dat ook voor haar feesttonen hadden geklonken; dat ook zij hare heldere uitzichten had gehad; hare lachende droomen van eene schoone toekomst; hare vrienden, die liefhadden, hare vijanden, die benijdden… hare oogenblikken van zegepraal en van geluk, van voldane ijdelheid en van zoete verwachting, Dat zij jong was geweest en schoon… en het alles, nu met het beste harer jeugd verloren gegaan… kon het geene smartelijke herinneringen wekken?… Maar, neen! het was niet verloren gegaan: zij had zoo weinig te verliezen gehad… van dat alles was niets het hare geweest, niets, zelfs niet de jeugd; want zestien jaren maken de jeugd niet, zonder de zorgelooze vroolijkheid van zestien jaren, zonder den frisschen bloei, zonder den dartelen levenslust, die ten oogen uitblinkt, zonder de poëzie der hersenschimmen; zestien jaren en de werkelijkheid die haar brood moet afpassen voor den dag van morgen; zestien jaren en een gegeven kleed, dat anderen te slecht is geworden; zestien jaren en dankbaarheid in het harte, als men voor zware diensten zich aan anderer haard mag verwarmen: zou het jeugd hebben kunnen heeten? En toch zoo was de hare voorbijgegaan. Eenig kind van eene bekwame modemaakster, die niet jong een onwaardig man gehuwd, had zij hare moeder verloren, juist toen ze van deze begon te leeren, en haar vader op dien leeftijd, waarop de openbare liefdadigheid zich eene weeze niet meer aantrekt; denzelfden, waarin eene weeze die het meest behoeft. Maar Honorine was niet schoon, niet bevallig zelfs, en zij bleef dus voor de verzoeking bewaard, om beneden de armoede te zinken door rijk te worden met hare schoonheid; en Honorine had van hare moeder goede beginselen geërfd, die proef hadden gehouden tegen de indrukken van het vaderlijk voorbeeld, en zoo schaamde zij zich welhaast, van anderen dat als barmhartigheid te vragen, wat zij met geduld, met lijdzaamheid, met handenwerk kon verdienen. Van boodschaploopster aan het magazijn van madame Deprie, hief zij zich op door inspanning tot eene harer beste werksters, schoon zij nooit het geluk had gehad hare gunstelinge te worden, alleen na dien stap was hare loopbaan gesloten; zij had het al bereikt, wat ze had kunnen bereiken; van nu voortaan kon zij slechts dalen, als de ouderdom kwam; als de oogen door waken en tranen en vermoeienis zwakker geworden, telkens fijnere diensten zouden weigeren; als maand na maand grover werk haar zou worden toevertrouwd; als telkens het kleine loon kleiner zou worden, daar ze toch al niets had kunnen oversparen; als ziekte zou komen na het gebrek… dan bleef haar slechts de keuze van tweeëlei einde — den wanhoopsdood in de Seine, geen anderen lijksteen dan den afzichtelijken in de morgue, of den dood der berusting, na weken lang lijden in het Hôtel-Dieu — dat zich met akelig koude barmhartigheid voor haar openen zou.

Aan dat alles was zij onwillekeurig gaan denken, terwijl de tonen zoo vroolijk tot haar opstegen. Van de laatste huiverde zij tot hare brandende wangen kil werden, en… het orkest speelde een stormenden galop van Strauss. o! Als de gelukkige bevoorrechten der maatschappij in weelderigen roes voorttuimelen op het wegsleepend maatgeluid, wat moest het hun zijn, als zij voelen konden, hoe de weergalm van hunne feestvreugde de ongelukkigen en de misdeelden bespottend in de ooren klinkt; als ze er aan konden denken, als ze weten mochten, welke grieven de sarrende juichtonen wakker riepen, of tot welke benijding zij opwekten! Ik weet er, zachte vrouwenzielen die verbleeken zouden onder de frissche rozen van haar balkapsel; ik weet er, die schooner paarlen, dan die van haar halssieraad, in de oogen zouden hebben; ik weet er, die een kostbaar gesteente zouden afrukken van den boezem; maar ik ken er ook… neen, ik wil ze niet kennen, die dan andere g’edachten zouden kunnen hebben, dan eene van hulpe… en eene andere van dank!…

— Dit mag wel het verlovingsfeest zijn van de groote dame beneden, sprak Honorine met een dieperen zucht, en — haar bruidskleed — en ik zit ledig! — En het grootste deel van haar corbeille is mij opgedragen. — Haar bruidskleed — en
zij verzonk weer eene poos in haar gepeins. — Wanneer zou Rose-Marie de bruid worden? Zeker zal ze mij op haar feest willen hebben, en ik heb immers geen goede japon om aan te trekken!

Zoo diep neergedrukt was zij reeds door haar lot, en zoo gewoon aan de werkelijkheid, dat het denken aan eene bruid niet eenmaal een wensch naar dien staat voor haar zelve opwekte, haar niet eens bracht tot berekeningen van mogelijkheden, maar alleen tot de herinnering eener behoefte, die zij niet wist te vervullen. Toch was zij nog geen dertig jaar!

Op den leeftijd, waarin zoo menige gelukkige jonge vrouw nog rekent op het alvermogen harer bekoorlijkheden, om te schitteren in de wereld, waarin zoo menige oudere nog de jeugd vasthoudt met beide handen, op dien leeftijd was zij reeds oud, reeds zoo oud, dat zij geene hersenschim meer wist te scheppen, geene hoop meer had te verliezen.

Zij zuchtte diep, maar het was een bange zucht van zorg, geen lucht van weemoed, die verlicht. En de muziek ging van de maat eener française over in eene tuimelende wals.

Zij nam haar werk; maar hare oogen vulden zich met tranen. Plotseling hoorde men een zacht, maar driftig tikken op hare kamerdeur. Zoo ze hare aandacht niet op de muziek had gevestigd, had zij ook voetstappen kunnen hooren, die de trap waren opgegaan.

Een weinig ontsteld over bezoek op een zoo ongewoon uur — een bezoek aan haar, die niemand kende, dan de werksters uit het magazijn van madame Deprie — ging zij openen; dan, men spaarde haar de moeite, en twee lieden traden binnen. Een jonge man, in een elegant danskostuum, een gekleeden hoed, ineengevouwen onder den arm, en eene jonge dame, zoo beeldschoon en zoo onuitsprekelijk bevallig, dat zij haar balkleed van sneeuwwit krip, gegarneerd met kleine bouquetten van fijne agaatrozen, niet noodig had, om onder al de dames van het bal te worden opgemerkt. Eene wit satijnen mantille, met dons omzet, scheen zij in haast te hebben omgeslagen tegen den gevaarlijken overgang van eene danszaal naar eene tochtige trap; want dat ze die vroolijke plaats ontsnapt waren, dit allerliefste paar, bleek evenzeer uit hunne kleeding, als uit den gloed hunner wangen, die zij met het gebruiken harer waaier trachtte te bekoelen.

— Heb ik het niet gezegd, Maurice! sprak de dame tot den jongen man, die rondzag, of hij het zich maar niet duidelijk kon maken, hoe hij zich hier bevond, heb ik het u niet gezegd, dat zij nog zat te werken, de goede juffer! en nog zoo laat! en Honorine naderende, voegde zij er bij: en zie, juist aan mijn kleed, ik herken de kanten…

— Mevrouw!… Mejuffrouw! sprak de naaister verlegen… uwe tunique, gij wilt zeker passen…

— Ach! dat is onnoodig… maar, lieve juffer, wij komen u een dienst vragen, mijnheer De Cerny en ik, en een voorstel doen, iets tot uw voordeel en tot ons geluk o! Weiger niet… ik bid u… luister… en zij liet zich op een stoel nedervallen, dien zij dicht bij Honorine schoof, haar wenkende, om zich te zetten.

— Wilt gij dit… kamertje verlaten, bij ons komen inwonen, bij mijnheer De Cerny en mij, als wij gehuwd zijn? Wij krijgen een hôtel te Parijs en een buiten te Montreuil; wij zullen u huishoudster maken in het eerste of rentmeesteres op het andere, naar gij verkiezen zult… wij zullen u verzorgen voor geheel uw leven.

— Maar, mejuffrouw! waaraan kan ik te danken hebben…

— Wij zullen u genoeg verschuldigd zijn; maar gij moet ons helpen… wilt gij?

— Als het in mijne macht is, mejuffrouw…

o! Zeer zeker, zeer zeker, zie maar eens, Maurice? — en de levendige jonge dame nam Honorine, die in hare verwondering nog altijd was blijven staan, driftig bij de hand, en trad met haar voor den gebarsten spiegel. — Zie maar… zij ziet er uit als wij wenschten. Zij! en ik… o! het kan niet missen…lieve juffer! gij zijt goed en beminnelijk… en ik zal u liefhebben als eene zuster, maar gij zijt leelijk, zeer leelijk, dat moet gij bekennen, niet waar?

— Is het dan noodig, dat eene schoone rijke dame midden van haar feest wegloopt, om mij, arme, dit te zeggen? vroeg Honorine bitter.

— o! Het was alleen… sprak het meisje verlegen, Mr. De Cerny kom mij dan toch helpen, gij hebt het uitgevonden, gij moet het voorstellen…

Maurice de Cerny trad nu dichter bij, met eene mengeling en terughouding, dat hem iets gedwongens gaf. — Weet dan mejuffer dat wij, mejuffrouw Gabrielle d’Escalles en ik, een zonderlingen dienst van u wachten: wij zouden wenschen, dat gij eene korte poos in de plaats van mejuffrouw Gabrielle…

— Slechts één uur, beste Honorine! riep de voorbarige Gabrielle, niet langer dan in een enkel gesprek, morgen, als mijn verloofde komt…

— Hoe, is dan mijnheer hier…

— Die gelukkige niet, viel de jonge man met een treurig hoofdschudden in. Wij zijn verloofd voor het oog der wereld, met toestemming van onze bloedverwanten, gelukkig in elkanders liefde; wij zagen de heerlijkste toekomst tegemoet… en plotseling weten wij, dat dit alles hersenschim is, bedrog, vergissing — dat een ander recht heeft op alles, wat ik hoopte, in één woord, dat de bruidegom morgenochtend komt, en dat ik getuige mag zijn bij den maire! … als het huwelijk voltrokken wordt, voegde hij er bij met een bitteren glimlach.

— Maar, hoe kan dat mogelijk wezen! vroeg Honorine.

— Helaas! het is eenvoudig genoeg, om waar te zijn, antwoordde de jonkman. In het begin van dit seizoen kwam mejuffrouw d’Escalles met mevrouw de T.—N. hare tante, uit Touraine te Parijs; zij meenden alleen den winter hier door te brengen, en huurden appartementen in dit hôtel. Mejuffrouw Gabrielle werd in de wereld geleid door hare tante en eene dame van mijne kennis. Ik zag haar, en… ik gevoelde wat men gevoelen moet als men haar ziet… Het was eene ernstige neiging, en ik begon hoop te voeden dat zij gedeeld werd; ik was onafhankelijk, dus had ik niemand te raadplegen; ik vroeg hare hand van mevrouw de T.—N., die glimlachend zeide, dat zij mij die te eerder schonk, naar mate zij er toe verbonden was door eene overeenkomst tusschen onze ouders. Bij testament stond de overledene mijnheer d’Escalles aan zijne eenige dochter alleen groote voorrechten toe, nevens hare broeders, op voorwaarde, dat zij Maurice de Cerny hare hand zoude geven, indien deze het mocht wenschen. Even verheugd als verrast door zoodanige beschikking van een onbekende te mijner gunste, en een weinig gehaast door mevrouw de T.—N., die zich in het kalme provincieleven terugwenschte, maken wij onze verloving bekend, ontvangen de gelukwenschingen van onze vrienden en bepalen den bruidsdag. De brieven van mededeeling worden afgezonden aan alle mogelijke betrekkingen van beide kanten, tot zelfs aan hen, die wij kenden noch kennen willen. Onder deze is een oom, een broeder van mijn vader, met wien de laatste nooit in vriendschap had geleefd, die in het diepst van Angoulême woont en van wien wij niets wisten, dan dat hij bestond… En toch deze is het, die, met zijne grove handen… neen, met een regel of drie slecht schrift, al onz— schoone plannen omverwerpt, als een handig speler de negen kegels. Hij schrijft om… zooeven, in de pauze van eene wals, brengt men mij het pakket… dat er eene noodlottige naamsverwarring plaats heeft — dat mijnheer d’Escalles bij zijn leven eene overeenkomst had gesloten met hem, Charles de Cerny, waarin hij over de hand zijner dochter beschikte ten voordeele van Maurice de Cerny, zijn zoon, evenals ik, naar onzen grootvader genoemd — dat die toezegging het gevolg was van een gewichtigen financieelen dienst, dien hij zijn vriend d’Escalles indertijd had bewezen, en dat zijn Maurice reeds op weg was naar Touraine, om zich aan mejuffrouw Gabrielle te laten voorstellen, en te zien, in hoeverre zijne wenschen zich vereenigen konden met die van haar vader.

— En mijnheer Charles de Cerny heeft niet vergeten, nu zijn zoon te verwittigen van mijn verblijf te Parijs, en van alles, wat hier is voorgevallen; — en deze heeft gereisd met eene haast, die bewijst, hoezeer hij besloten is ons ongelukkig te maken, want hij is heden in Parijs aangekomen. En hij heeft aan mijne tante door een biljet kennis gegeven, dat hij mij morgenochtend zijne opwachting komt maken! — sprak Gabrielle met morrende verdrietelijkheid.

— En wat het ergste is, hernam weer haar geliefde, de bewijzen van dit alles, die mijn oom Charles overlegt, zijn waar en geldig, en in het testament van mijnheer d’Escalles wordt werkelijk van een Charles gesproken, terwijl mijn vader François heette. Mevrouw de T..N. herinnerde zich dat, toen ik haar in haast met Gabrielle uit het bal wegvoerde, om over onzen toestand te raadplegen, De goede dame verwijt zichzelve met bittere woorden, dat zij schuld heeft aan ons lijden, en zij wil al het mogelijke doen, om ons te helpen; maar ik moet terugtreden, als mijn neef dat eischt. Nu is het dit, wat wij voorkomen willen. Hij heeft mijne Gabrielle nooit gezien, hij heeft haar niet lief, hare bekoorlijkheden hebben hem niet getroffen: haar niet te bezitten kan hem dus geen offer zijn, indien hij niet in staat is, over hare volmaaktheden te oordeelen en er door te worden weggesleept. Mijne bruid en ik zijn wel besloten, hem eene ruime geldelijke schadeloosstelling aan te bieden, als hij zijne rechten wil afstaan; maar hij kan het niet willen, en hij zal het niet, als hij haar gezien heeft — en zal hij willen afstand doen vóór hij gezien heeft? zeker niet — zoo is er dan geen middel, dan…

— Maurice! wie zegt u, dat hij mij zien zal met uwe oogen? sprak de zedige schoone; wat u behaagt kan hem afschrikken, wij konden het wagen…

— En dan bitter berouw hebben, als wij verloren, niet waar? viel hij driftig in, of wijt gij misschien… hij is jonger dan ik… en Maurice zag haar argwanend in de oogen.

— Daarop antwoord ik niet, hernam zij met een allerliefst, pruilend mondje, laat mejuffrouw Honorine liever eindelijk weten wat wij van haar verzoeken.

— Ziet gij, mejuffer! begon weer Maurice, daarom wenschten wij, dat eene andere, die… die… weinig op mijne Gabrielle geleek, die niet zoo verleidend schoon was… het is een moeielijk woord, mejuffer! maar kortom eene dame…

— Die zoo leelijk was, dat mijnheer uw neef zich door haar liet afschrikken, sprak Honorine zachtmoedig, doch met een droevig glimlachje.

— Vergiffenis voor de hardheid! ik heb haar niet gezegd, antwoordde Maurice, op het knoopje van zijn wit glacé handschoen ziende, alleen — wij wenschten, dat gij de goedheid zoudt willen hebben, in plaats van Gabrielle en onder haar naam, met mijn neef Maurice te onderhandelen; misschien zou hij zich lichter laten vinden tot eene schikking.

— o! Lieve beste juffer! doe het toch! riep Gabrielle, hare beide handen vattende: wij hebben niemand dan u, niemand, die wij den dienst kunnen vragen. Mijne vriendinnen… het zou een belachelijk élcat maken, en op dit punt zijn ze allen zoo licht beleedigd; mijne kamenier, zij is oud, zoo oud, dat het niet waarschijnlijk zou kunnen wezen, en daarbij, wij kunnen niet veel tijd aan vergeefsche aanzoeken besteden; ik dacht aan u, want natuurlijk dacht ik aan mijn bruidskleed en aan de kanten, die gij mij hebt helpen uitzoeken, gij scheent mij goedhartig toe, en meer zedig, dan de luchtige werksters van madame Depriet gij scheent mij toe in omstandigheden te verkeeren, die wel verbetering noodig hadden; uwe toekomst ten minste is onzeker, bij ons zal zij verzekerd zijn, zoo gij eene enkele goedheid voor ons wilt hebben.

Honorine was eerst verrast geweest en verward, bedeesd zelfs; maar onder het spreken der jongelieden had zij langzamerhand hare bedachtzaamheid en onbeschroomdheid hernomen. Zij had zelfs somwijlen geglimlacht, bij de naïeve uitdrukkingen, die hun in hunne verlegenheid ontsnapten, en nu had zij, ondanks al het vleiende van het voorstel, den moed, om met ernst te antwoorden:

— Mijnheer De Cerny! bedenk toch, het is een bedrog!

— Dat heb ik hem ook gezegd, sprak Gabrielle toestemmend.

— Een bedrog, ja! dat moet ik erkennen, dat is zóó, hernam de jonge man; maar is het niet het onschuldigste, dat men kon uitdenken? Drie menschen winnen er alles mede, en niemand kan er bij verliezen; want hoe kan mijn neef verliezen, wat hij niet heeft bezeten, hoe kan hij waardeeren, wat hij nooit zal kennen; hem wordt slechts de grootte van het offer verborgen, dat hij toch zou moeten brengen als hij een man van eer is, want hoe kan hij de hand van eene dame wenschen, zonder haar hart; maar ik daarentegen, die Gabrielle heb leeren kennen in al hare waarde, dien zij gelukkig heeft gemaakt door hare wederliefde, die weet, wat ik zou moeten afstaan, die gerekend heb op het bezit van wat men mij wil ontnemen, ik dan, die de rampzaligs te en de verlatenste aller menschen zou zijn!… hebt gij ook niet een weinig medelijden met mij, schoone Honorine? (In zijn vuur plaatste de jonge man hier bij vergissing een woord, dat alleen voor de aangebedene had moeten gespaard blijven.) Met mij, die aan uwe voeten dat medelijden wil afsmeeken.

Gabrielle was verrukt over een minnaar, wien de liefde voor haar tot zulk een uiterste bracht; zij meende niet minder te moeten doen dan deze.

— Dat wil ik ook, riep zij, zijne beweging volgende.

De arme Honorine was als bedwelmd en duizelig van verwarring en verslagenheid: zij had nog nooit een man aan hare voelen gezien, en dan nu beide, een bevallig aanzienlijk heer en eene allerliefste jonge dame, die proef was te sterk.

— Maar hoe zal ik voor u kunnen doorgaan? mijne manieren, mijne houding… sprak zij aarzelend.

— Zij zijn volmaakt, riep de jonge man opstaande, ten minste, voor een provinciaal.

o! Zij geeft toe, riep Gabrielle, eveneens zich oprichtende; in waarheid, Honorine! in mijne kleederen zult gij zoo goed in ons salon passen als ik zelve… Zeg slechts, dat gij toestemt, en wij zullen het overige morgen in den vroegen ochtend beramen.

— Ja, want men zal ons op het bal beginnen te missen.

— Welnu dan, mijnheer — mejuffrouw! ik zal u genoegen geven.

— o! Dank, dank, duizendmaal dank! juichte Gabrielle! en vroolijk, alsof het gevaar reeds ganschelijk van hare liefde was afgeweerd, danste zij naar de deur, en sleepte Maurice mede. Toch keerde zij zich, terwijl hij vriendelijk groette, nog eens naar Honorine om. — En nu, mejuffer! ga gij slapen, en gun u.. wat rust — het heeft geene haast met mijn bruidskleed, en gij zult hierna niet meer behoeven te werken.

Dat had Honorine niet kunnen denken, dat de hoofdpersonen van het bal, uit de schitterende zaal, op haar kamertje zouden komen, om er de verhooring van hun grootsten wensch af te smeeken.


Honorine zat in het salon van mevrouw de T.—N., gekleed in het kostuum van hare rol, dat zij inderhaast voor zich passend had gemaakt. Zij had het eenvoudigste demi—négligé gekozen, dat er te vinden was in de garderobe van de elegante jonge dame. De donkergrijze kleur van het kleed van gros-de-Naples en de stemmige élégance van een zwartzijden voorschoot, met smalle volants, pasten recht goed bij het kalme en ernstige harer houding, eh de demi-coiffure van filet-tulle, met een enkel takje oranjebloesem, deed haar bruin en glanzig haar beter recht dan de dichte muts à la Jeannette, die zij gewoonlijk droeg. Zeker dit toilet kon haar niet tot eene schoonheid maken: maar het bewees toch, hoezeer een weinig zorg en een weinig smaak een minder dan middelmatig uiterlijk iets behaaglijks kunnen geven. Toch lag er niets vroolijks op haar gelaat; zelfs sloeg zij een diep zwaarmoedigen blik om zich heen in dit groote prachtige vertrek, waar zij zich misschien nog meer eenzaam gevoelde, dan op haar zolderkamertje. Daar waren ten minste de meubelen oude kennissen, geliefde vrienden, die altijd hadden toegezien bij wat haar gedrukt had of verheugd; hier waren het koele laatdunkende vreemden, die met voorname minachting op haar zagen. Hare vermomming zelve drukte haar. Haar gevoel van eer en van kieschheid verweet haar, dat zij zich gebruiken liet voor een bedrog, en zij had haar gansche leven, onder al hare bekrompenheid, nog over geene oneerlijke daad behoeven te blozen. Het is zoo, zij zou er hare toekomst door verzekeren; maar ze zou voortaan aan den oorsprong van hare fortuin niet dan met schaamte kunnen denken, en ze voelde zich pijnlijk gedaald in hare eigene schatting. Maar terug te gaan, ware de belangen van mejuffrouw Gabrielle verwaarloozen, die ze zoo vertrouwelijk aan haar had opgedragen, en dat ware evenzeer verraad. Niets redde haar uit dien pijnlijken strijd, dan de komst van mijnheer Maurice de Cerny de tweede, die haar dwong, eene vastere houding aan te nemen. Het was een jonkman van omtrent acht en twintig jaren, met een open en zedig voorkomen, dat toch gansch niet misdeeld was van schranderheid of van vastheid. Zijn linnen was fijn en sneeuwwit, zijn laken van uitgezochte stof, maar kleur en snede, gelijk alles wat hij droeg, ten minste twee jaar uit de mode, of liever, hij scheen zich eene bepaalde kleeding gekozen te hebben, die hij verder aan geene verandering dacht te onderwerpen.

Nog vóór hij Honorine naderde, liet hij zijn oog eene wijle rondgaan door het vertrek en haalde even de schouders op: daarna eerst boog hij zich beleefd, maar stroef, en begon toen op een toon, die veel deftiger klonk, dan men uit zijn blijhartig aangezicht had kunnen verwachten:

— Dat ik u als de bruid van een ander vond, mejuffrouw! maakt mij lichter wat ik voorgenomen heb u te zeggen; want er kunnen in den loop van dit onderhoud woorden gewisseld worden, die mijn beginselen mij verbieden u te sparen.

— Daar ik in mijnheer De Cerny een man van beginselen zie, durf ik hopen… hernam Honorine met eene ontroerde stem.

— Ik bid u, mejuffer! laat ons hoop en vreeze ter zijde stellen, totdat wij elkander nader kennen, viel hij in; ik zie, dat ik reeds begonnen heb mij te vergissen. Ik tref in u niet al de bekoorlijkheden aan, die men mij had geroemd, en meer zachte zedigheid, dan ik meende te mogen verwachten. Gij zult mij misschien niet zoo geheel den man van uw smaak vinden, als mijn ouderen neef, maar ook niet geheel de belachelijke, waarmee men u wellicht heeft verschrikt. Er lag in de uitdrukking van die woorden, en in geheel het voorkomen van den jongen man, iets, dat zoozeer tot Honorine voor hem sprak, dat het haar nog meer bedroefde, een man als dezen te moeten bedriegen; ook ging zij zich bijna verraden, toen zij antwoordde:

— Uwe degelijkheid en schranderheid schrikt mij af en verheugt mij tegelijk, mijnheer! want ik heb op mijne beurt u bekentenissen te doen, die…

— Zoo vergun mij, met die wederzijdsche oprechtheid te beginnen. Ik ben met hart en ziel aan het landleven gehecht en ik haat niets zoozeer dan de nietsbeduidende vormen, waaraan de mode en het stadsleven ons onderwerpen, en ik eisch in wie mijne vrouw wordt dezelfde begrippen .

— Dan doet gij toch niet wel, eene bruid te zoeken in Parijs, op de eerste verdieping van een hôtel in de Chaussé d’Antin, sprak Honorine haastig; zij kwam op een inval.

— Ook heb ik niet gezocht; maar men heeft mij aangewezen, en niet zoo verkeerd, waarlijk niet: ten minste, ik verbeeld mij, in mejuffrouw Gabrielle eene jonge dame te zien, die verheven is boven de vrouwelijke zwakheid, om met uitstekende kleederen te schitteren de stemmigheid van de uwe…

— ’t Is een demi-négligé antwoordde Honorine, gij begrijpt toch, dat uwe bruid zich kleedt, als zij uitgaat…

— Mijn hemel! deze zijde kan immers dienen bij een bruidspartij, en ik kan toch niet denken, dat gij de slechte gewoonte zoudt hebben van den halven dag voor een spiegel door te brengen, om de andere helft, bij vreemden de coquette te spelen.

— Maar zoo leven zij allen, de jonge dames van Parijs.

— Maar zoo leven wij bij ons in Angoulême niet. De vrouwen blijven daar in hare huizen, hebben daarvoor niets noodig, dan wat net is en eenvoudig en hare mannen behaagt; eten tweemaal ’s jaars bij den sous-prefect, en schikken zich dan wat op… Zoo ten minste doet mijne moeder, die eene brave, verstandige vrouw is.

— Eene moeder! o, mijnheer! hebt gij nog eene moeder? Gelukkige! zuchtte het meisje onwillekeurig.

— Eene waardige moeder! riep hij, hare hand vattende, en ik wist wel, dat mijne nicht van de hare een goed en gevoelig hart had geërfd. Daarom heb ik u een bruidsgeschenk meegebracht, zooals niet ieder jonkman het zou durven aanbieden. Het portret mijner moeder…

Een gesmoorde lach werd in de aangrenzende kamer gehoord, die alleen door eene porte-brisé van het groote salon gescheiden was. Hij zag verdrietig daarheen.

— Mijne kamenier… verontschuldigde Honorine verlegen, terwijl zij in haar hart de spotzucht en de onvoorzichtigheid van mejuffrouw d’Escalles verwenschte; zij begreep dat er een eind moest gemaakt worden aan deze scherts, dat zij een eenvoudig, maar edelaardig jonkman niet langer ten doel mocht stellen aan misleiding en bespotting tevens. — o! Gij ziet in Gabrielle geheel iets anders, dan zij is of ooit worden kan, sprak ze met eene zachte stem: laat mij haar schetsen zooals zij is, en gij zult spoedig van hier gaan naar de straat Vivienne om eene kostbare corbeille te bestellen, in de plaats van die, welke Maurice, de tegenwoordige bruidegom, reeds heeft aangeboden… want, geloof mij, gij zult door toegevendheid moeten inwinnen, wat een ander u in liefde vooruit is; gij zult u luimen en zware eischen getroosten moeten; uwe eigene plannen kunnen niet eens worden aangehoord, laat staan ingewilligd, en uwe Gabrielle verwisselt van caprices zoo vaak als van diamanten, en zij is luchtig en schitterend, als de zilverblonde van haar kanten bruidskleed.

— Hoe — wat — een kanten bruidskleed? riep Maurice in de hoogste verbaziug en als had hij haar niet recht verstaan.

— Ja zeker, met wit satijn er onder; dat behoort zoo; dat wordt zoo gedragen; wilt gij zien? en uit eene groote platte doos, die op de sofa stond, nam zij het prachtig kleedingstuk, dat wij reeds kennen. Hij sloeg de handen met verbazing ineen. — Maar is mijne bruid dan eene prinses van den bloede?

— Slechts eene dame uit de Chaussé d’Antin, eene prinses onderscheidt zich niet meer door de kleeding, dan alleen op het tooneel, in de treurspelen van Racine: wie betaalt, koopt, en wie niet betalen kan… koopt evenzeer, dat weten de modemaaksters het beste, zeide Honorine, die zich vergat in den toon der werksters van madame Deprie.

Maar de provinciaal had de tunique opgenomen, en hield die in hare volle lengte uit op de hoogte van Honorine’s corsage. Op eens wierp hij die terug op de sofa, en borst in een luiden lach uit. — Maar, mejuffrouw! gij moest u toch kleeren laten maken, die u passen, de vrouw, die dit dragen zal, moet een hoofd grooter zijn dan gij, en ten minste tweemaal zoo rank. Beken maar, dat gij mij hebt willen bedriegen; het meisje, dat tranen in de oogen krijgt bij het zien van het portret eener aanstaande schoonmoeder, kan niet dezelfde zijn met haar, die zich van vorstelijke weelde omringt! Het meisje, dat zoo weinig uiterlijke voordeelen heeft als gij, kan niet den lust hebben, zich door zoo uitstekenden pronk te onderscheiden, zonder eene volslagene zottin te zijn, waarvoor ik u, trots uwe vermomming, niet houden kan; zeg, dat ik het geraden heb, Gabrielle! zeg het, en gij maakt mij tot den gelukkigsten aller menschen; en u, o! ik durf het zeggen met vertrouwen, tot eene benijdenswaardige bruid, want ook ik heb eene rol gespeeld: ik ben niet geheel de stijve, onmanierlijke provinciaal, die ik trachtte te zijn; ik woon buiten, dat is zoo, maar ik heb de beschaving en de gemakken der eeuw lief; alleen hare overdrijving wil ik niet, ik vreesde haar in mijne bruid; ik had stellig besloten, mij niet te vereenigen met wie zich dit tot behoefte had gemaakt; om uw ongeluk en het mijne te voorkomen, had ik ons huwelijk niet voltrokken, als gij mijne proef niet hadt kunnen doorstaan, gij ziet, hoe slecht ik voor de uwe berekend was.

Honorine borst in snikken los. — Heb medelijden met mij, edelmoedig man! en veracht mij niet te zeer! riep zij; ja, gij zijt verraden; ja, gij zijt bedrogen, maar anders, dan gij meent.
Gabrielle d’Escalles, uwe verloofde, is wel de vrouw, die dat bruidskleed gekozen heeft; wel dezelfde, die zich omringt van deze prachtige meubelen; wel dezelfde, die schittert in de salons, die aangebeden wordt in de danszaal; wel dezelfde, die zich niet schikken wil in huiselijke gewoonten, die een ander met geheel haar hart bemint, en die niets liever wenscht, dan van uwe verbintenis ontslagen te worden… maar ik… ik ben Gabrielle d’Escalles niet; — ik ben niet dan een arm ongelukkig schepsel, dat zich door de hoop op eene betere toekomst heeft laten omkoopen tot een bedrog; ach! het gebrek verleidt zoo licht tot laagheid, doch dit is de eerste, waartoe ik verviel; ik ben de misdeelde door natuur en fortuin, die van een dakkamertje voor een uur slechts overgeplaatst werd in dit salon, om een man van eer af te schrikken door haar onbevallig voorkomen; ik ben de weeze, die een traan niet weerhouden kon bij de herinnering eener moeder; ik ben het behoeftige meisje zonder smaak, voor een oogenblik gesierd met het gewaad van de smaakvolle, rijke dame; ik ben niet de gelukkige bruid, maar slechts de beklagenswaardige naaister van het bruidskleed! de strafbare… En het arme schepsel leunde zich aan een stoel, en boog zich snikkend voorover.

— Strafbaar voorzeker! antwoordde Maurice ernstig, en zoo strafbaar, dat ik mijn eigen rechter wil zijn, en u al de gevolgen van uw bedrog wil doen ondergaan: gij. hebt u voorgedaan als mijne bruid, gij zult het zijn; ik sta u niet toe neen te zeggen, mijne nicht mage dan mijnentwege haar vorstinnenkleed aantrekken voor een ander; gij zult met een zediger tevreden zijn; mevrouw de T.—N. die u gekozen heeft, om hare nicht te vertegenwoordigen, moet kunnen getuigen, dat gij waardig zijt…

— Een edel man gelukkig te maken, sprak de oude dame, want de porte-brisé opende zich, en de drie samengezworenen traden binnen: Gabrielle, schaamrood aan den arm van haar geliefde; Maurice, de Parijzenaar, met eene verlegene houding tegenover Maurice, den provinciaal… En Honorine… zij zeide niets, maar zij zag op naar Maurice, als wie een Hooger Wezen aanstaart, en zij bleef op den afstand, die haar van hem scheidde; — maar toen hij, naderende, bezorgd hare hand vatte, en met bewogene stem vroeg: Gij wilt dan niet? zonk zij in zijne armen, en stamelde afgebroken: Kon ik dan zoo ras begrijpen, dat mij nog geluk bestemd was!

1841.


Ingezonden op: 19 July 2001