HET MODEL VAN PIERRE MIGNARD.


»Zij trouwden en zij leefden, vele jaren lang, tevreden en gelukkig,” is de uitkomst van menig tooversprookje voor de kinderen, van menig zedelijk verhaal voor de ouders, uit de vorige eeuw; het is tegelijk de uitkomst van de kleine novelle, die ik ga nederschrijven; en veranderen kan ik haar niet, noch wil dat; want het is de uitkomst der geschiedenis. Zoo heeft dan geene lezeres noodig, al deze bladzijden met haast om te slaan, om te zien: of zij elkander nog kregen! en de lezer doorloopt met meer geduld en licht met meer oplettendheid de geheele schets, die hem wordt aangeboden, omdat hij vooruit weet, dat de schokkende tooneelen, de belangwekkende toestanden hem niet aan het einde wachten: Zij trouwden, enz… daarvan kan hij zich geene andere gewaarwordingen beloven dan die van kalme voldoening.

Dat is nu ten minste zóóveel gewonnen voor mij, en zoo ga ik dan rustig en bedaard voort met vertellen: hoe de hooge en machtige heer Anatole, graaf De Feuquières, tot zijn huwelijk kwam met… ja, met… en nu is de helft van mijn publiek mij reeds vooruitgeloopen met het antwoord: het model van Pierre Mignard. Ik ben niet gehouden, daarop nu reeds antwoord te geven; maar wel om te zeggen, wie de graaf De Feuquières was. Hij was noch de schoonste, noch de geestigste, noch de dapperste, noch de rijkste, noch de machtigste jonge edelman aan het hof van Lodewijk XIV; noch zelfs die, welke het meest geliefd was door den vorst of door de vrouwen; of die zich prachtiger en met meer smaak kleedde dan de overigen; maar hij was bevallig, geestig, dapper, en in aanzien onder de velen aan dit luisterrijke hof, welke die deugden, eigenschappen en voorrechten met hem deelden; nog slechts korten tijd in Frankrijk terug van den veldtocht in de Palts, dien hij had medegemaakt onder den Dauphin, was hij nog ternauwernood opgemerkt geworden door den koning, en het was dus nog niet te bepalen, hoe groot de mate der hofgunst zou wezen, die hem voortaan wachtte. Hij was teruggeroepen zeer tegen zijn wensch, en vóórdat hij nog gelegenheid had gehad, om zich door eenige schitterende daad te onderscheiden, en zonderdat hij de oorzaak dier terugroeping had kunnen uitvinden. Wel had zijn voogd, de baron De Pharsin, kolonel der Fransche lijfwacht, hem geschreven, dat hij zelf zijne terugroeping van den koning had verzocht, omdat hij hem rekenschap wilde doen van zijne voogdij, daar hij zijne meerderjarigheid had bereikt; maar dat was slechts een voorwendsel, sprak de jonge man tot een vriend. Die verantwoording had zooveel haast niet. Die voogdij drukte mij niet, kon hem geene groote last zijn, en ik ben nauwelijks eene maand lang meerderjarig.

— Neen, dat kan het niet zijn, stemde de vriend toe; maar hoe staat gij met den Dauphin? Eene kleine onge­nade?

— Dat is niet waarschijnlijk; monseigneur vleide mij zelfs met de hoop, dat ik na den veldtocht den jongen hertog De Nouailles als Menin zou vervangen.

— Herinnert gij u geen duel, dat een slechten afloop had?

— Toch niet: eene enkele zaak van eer, waarin het recht aan mijne zijde was en die met eene lichte kwetsing en eene oprechte verzoening werd afgedaan.

— Of eene liefdeshistorie? — Anatole, gij kleurt sterk!

— Ik heb bekoorlijke Paltserinnen ontmoet… maar… ik ben… ik heb… hernam hij met aarzeling, en daarop meer vast en als met een snel besluit: Ik kwam, om de mannen te bevechten, en niet om de vrouwen te overwinnen. Tot dit laatste heb ik te weinig moed… en misschien te veel geweten.

— Zoo-ja, viel de andere lachend in; als gij op het stokpaardje van uwe beginselen gaat rijden… dan… geef ik de partij op. Laten we liever wat anders bedenken; en luister, ik heb het gevonden: zij willen u uithuwelijken.

— Mij? En de jonge graaf draaide zich tweemaal op zijne hielen rond, onder een aanhoudend en luid gelach. Als ze daarmede beginnen, zijn ze nog niet aan het einde.

En ondanks dat woord vinden wij Anatole de Feuquières voor het eerst weder in het boudoir van eene vrouw, staande naast haar fauteuil, terwijl zij gekapt wordt, naar het zonderlinge Fransche gebruik van die dagen, om heeren bij het toilet toe te laten. Zelfs was hij niet alleen. Een kleine, blozende jonkman, die het geestelijk gewaad droeg met zoovele afwijkingen naar het wereldlijke, als slechts mogelijk was, en een statige, forsche grijsaard met het lichtblauwoverkleed en den zilveren bandelier van de Fransche lijfwacht des konings, praatten nevens hem met elkander, terwijl de rappe handen der kamenier het kapsel voltooiden met zooveel snelheid, als de luimen en invallen van hare meesteres het haar vergunden.

Want die tallooze bewegingen van het hoofd, die gestadige verandering en verschikking der sieraden, waarbij telkens Anatole geraadpleegd werd, veroorzaakten een ongelooflijk oponthoud.

De jonge dame, wier bevallig voorkomen niet zooveel hulp van de kunst had behoeven te vragen, was eene bloedverwante van den kolonel Pharsin, en gehuwd geweest met zijn kleinzoon, met wien ze slechts drie maanden vereenigd leefde. De negentienjarige weduwe had den tijd van den rouw op haar landgoed doorgebracht, en bij hare terugkomst had zij onder al hare nabestaanden den grootvader uitgekozen, om haar opnieuw in de wereld te geleiden. Hij was zoo wel gezien aan het hof! Hare jeugd kwam zoo belangwekkend uit aan de zijde van den grijzen krijgsman! Zeker waren dit de redenen, die op het besluit van mevrouw De Pharsin een overwegenden invloed hadden. Zij had haar vorigen gemaal bemind, schoon hun huwelijk een overeenkomst was geweest tusschen hunne wederzijdsche verwanten; maar hij verloste haar van het klooster, en dat was zeer veel; later echter kwelde hij haar door ijverzucht. Zij begon het gemis harer vrijheid te gevoelen, en… de dood verloste haar van hem. Zij wilde nu hare jeugd en hare vrijheid genieten, niet meer, maar ook niet minder, dan de andere vrouwen, die zij om zich zag. Zij wilde aanbidding, zij wilde veroveringen, die men elkander zou influisteren. Zij wilde in zekere mate macht verkrijgen en invloed oefenen door hare schoonheid. Het hof was zeker het Pays de Cocagne voor dergelijke ondernemingen. En de baron De Pharsin had er haar voorgesteld! Zij wist wel, dat al die kleine intrigues, waar zij zich naar hartelust in verwikkelen wilde, opnieuw in eene verbintenis zouden uitloopen; maar Clarice zou ditmaal zelve kiezen en mocht zij niet ganschelijk vinden, wat haar hart zou voldoen, zij zou nu zoo voorzichtig wezen, bedacht te zijn op eene keuze, die in alles aan de eischen van hare verbeelding voldeed. Die keuze was reeds gedaan! Anatole de Feuquières stond naast haar als: haar verloofde. Als verloofde van eene jonge coquette, de graaf De Feuquières, die eene maand te voren nog in een luiden lach was uitgebarsten op het enkele denkbeeld van zulk eene verbintenis door bemiddeling van anderen! Was het dus uit eigen wil? De kleine, levendige, zwartoogige Clarice was bekoorlijk genoeg, om zulk eene overwinning te behalen. Maar zien wij hem aan… kenschetst zijn gelaat de verrukking van een gelukkigen hartstocht, welke de bekroning nabij weet? Eene ijskoude onverschilligheid alleen drukt loodzwaar op zijn jeugdig gelaat, dat vroeger van overmoedige vroolijkheid en levenslust schitterde. Zoo de onverschilligheid zelve nog iets konde uitdrukken, dan zou het misschien verveling zijn geweest; maar ook deze slechts bij tusschenpoozen. Zijne geheele houding, dat hangend leunen tegen den armstoel zijner schoone, de wijze zelfs, waarop hij luisterde naar de aardigheden van den kolonel en de vernuftige opmerkingen van den jongen abt, die beiden hem geen glimlach afpersten, noch een blosje van ergernis op de wangen brachten, bewezen, dat het hem volkomen onverschillig was, wat hij hoorde, wat hij deed, wat men zeide.

Op eens begon Clarice te lachen en schudde met eene enkele beweging van het hoofd een gedeelte van haar kapsel in wanorde. — Wat is dat, Pierrette? twee strikken van zilverlint ter weerszijden van mijn hoofd! Gij schikt mij op als een staatsiepaard voor de calèche van Zijne Majesteit!

— Is het niet belachelijk, Anatole?

— Belachelijk! herhaalde deze droogweg.

— Zoo komen wij nooit ten einde; gij zult dezen heeren hun geduld doen verliezen; is het niet zoo, graaf?

— O, ik heb veel geduld, hernam Anatole.

— Hoe zou de graaf het niet hebben? Het verlengt zijne audiëntie bij u, schoone nicht, riep de abt.

— En hij hoort u praten, lieve neef?

— Als hij luisterde, hernam de abt.

— Ik luisterde, mijnheer De St. Ange.

— Hoe! vergiffenis, zoo ik dat nauwelijks geloof: en, den kolonel een wenk gevende, vervolgde hij: dus stemt gij in met ons plan?

— Waarom niet? antwoordde Anatole.

Dat is minder hoffelijk, dan ik verwachtte, riep Clarice met ondeugend en triomf. De abt overlegde met mijn grootpapa, hoe de étiquette vorderde, dat ik voor ons huwelijk een bezoek ging afleggen bij mevrouw De Dauphine, die lijdende is te St. Germain.

I)e graaf werd vuurrood en beet zich op de lippen.

— Zoete verstrooiingen, riep St. Ange spottend.

De baron vertrok den wenkbrauwen zag den jongen geestelijke verdrietig aan.

— Gij moest hem sparen! het kan niet anders, fluisterde hij zacht.

— Kom, graaf, mijn bouquet! en alles is vergeven, riep Clarice vroolijk, terwijl zij Pierrette wegzond.

De graaf overreikte werktuiglijk het gevraagde.

— Ach! gij vergeet den waaier! riep de dame.

Anatole nam van een guéridon het foedraal, waarin waaiers lagen.

— Welken raadt gij mij te nemen? vroeg zij, hem schalks aanziende, of hij haar niet bewonderen zou, nu de laatste mouche was gelegd.

— Dien gij kiest, behaagt mij het meest! bracht de graaf uit op een toon, die zeggen wilde: het is mij volmaakt onverschillig, wat gij doet of hoe gij er uitziet.

— O, Pierrette was radeloos onhandig! zeide mevrouw De Pharsin, terwijl zij in den spiegel zag. Vindt gij mij niet afschuwelijk.

— Bekoorlijk, antwoordde hij met een vermomd gapen en zag over haar schouders heen in den spiegel.

Toen keerde hij zich plotseling om. Hoe komt gij aan die schilderijen? vroeg hij, wijzende naar de stukken, die hij in den spiegel had opgemerkt.

— Welk een mensch! riep Clarice, de handen ineenslaande van ergernis. Een geschenk van den baron op mijn naamdag — gisteren, — weet gij dat niet? Gij bracht mijzelf immers die aigrette van diamanten, die ik…

— Maar zij zijn verrukkelijk, ze zijn goddelijk! riep de jonge man, er zich naar toekeerende.

— Ze zijn van Mignard, zei de baron met trots.

De jonge graaf bezag nu de schilderijen die naast elkander hingen. Het eene verbeeldde eene groep uit Molières onvoltooid blijspel, Melicerte, het andere een tooneel uit Racines Esther, waar de koningin zich aan de voeten van Ahasveros heeft nedergeworpen. De figuren waren levensgroot en de beide stukken vulden geheel den achtergrond van het vertrek. De behandeling was uitvoerig, keurig, eenigszins gemaniëreerd! het gebrek van dien tijd; maar toch levendig, zielvol; het koloriet was zuiver en juist tot misleiding toe. Myrtil met de vogelkooi, en bovenal Melicerte, schenen levende wezens. — Esther scheen de oogen te sluiten van sidderend ontzag, haar flauw rood scheen weg te sterven van sterke aandoening. De beide vrouwenbeelden hadden dezelfde trekken, gewijzigd echter naar de verschillende karakters. Maar mochten ze fraai zijn, die kunstwerken, de graaf wijdde haar eene verrukking boven mate en perke. Het was, of zijne ziel, die den ganschen morgen gesluimerd had, plotseling uit den doodsslaap herleefde. Zijne wangen gloeiden, zijne oogen schitterden, hij wankelde als een duizelende van sterke ontroering; en men hoorde hem zacht, doch in geestdrift spreken. Daarop vroeg hij, zonder zich om te keeren, luide aan den kolonel: — Gij zegt van Mignard! Wie heeft voor die Esther gezeten?

De baron haalde de schouders op.

— Wie vraagt naar zoo iets? antwoordde hij misnoegd.

— Belieft het u, met ons te gaan? vroeg nu Clarice beleedigd, dat niets hem leven had kunnen geven dan een paar schilderijen.

St. Ange! geleid uwe nicht; wij volgen zoo aanstonds! Sprak de baron luid. Die lichtzinnige, fluisterde hij den abt toe; het wordt hoog tijd!

— Meer dan tijd, antwoordde St. Ange, en voerde mevrouw De Pharsin weg.

De Feuquières had intusschen een medaillon uit zijne portefeuille gehaald, vergeleek het haastig met de vrouwenbeelden, en op de knieën nedervallende, riep hij: »Ik zal haar vinden.”

— De Bastille zeker graaf! als gij dus voortgaat, sprak de baron, hem de hand op den schouder leggende. Anderen doen veel voor u, jonge man, voegde hij er hartelijk bij, doe gij iets voor uzelven en vergeet ten minste niet, dat de koning u heden wenscht te zien in de kaatsbaan.


De arme Feuquières had in waarheid geene keus gehad, dan tusschen een huwelijk met mevrouw De Pharsin en de Bastille, en de Bastille onder onteerende vermoedens. De baron De Pharsin gaf onopzettelijk de eerste aanleiding tot den ongelukkigen toestand van zijn pupil.

Toen de rouwtijd zijner kleindochter voorbij was, zag hij met leedwezen en zorg, hoezeer al hare gedachten en wenschen daarheen strekten, om de leefwijze vol ijdelheid en dwaasheid na te volgen, waarvan eenige groote dames het voorbeeld gaven, dat, helaas! niet door de minachting werd gestraft, die het gevaar van het voorbeeld had moeten afkeeren. Hij zag geen middel, om die noodlottige richting tegen te gaan, dan door haar op het schielijkst die vrijheid te ontnemen, waarop zij zoo hooge en zoo dwaze plannen bouwde. Maar hoe zou die jonge, luimige vrouw, fier op hare onafhankelijkheid, op hare jeugd, op hare schoonheid, er toe te brengen zijn, van de eerste afstand re doen, en af te zien van de ontwerpen, die zij op de beide laatste had gegrond. Het viel hem in, op hare verbeelding te werken, op haar hart.

Hij riep eene herinnering harer jeugd terug, toen de kleine graaf Anatole aan zijne hand, wees als hij was in zijne vroege kindsheid, haar bezocht in de spreekkamer van haar klooster en haar suikerwerk en kleine teekeningen toereikte door de traliën, die hen scheidden. Hij bouwde een halven roman op dien zwakken grondslag. En mevrouw De Pharsin begon ernstig te worden en zich te verbeelden dat zij, als heldin van eene liefdeshistorie, eene merkwaardige figuur zou worden in de hooge kringen. De grootvader had haar overtuigd, dat alleen wanhoop over haar huwelijk met zijn kleinzoon den jongen graaf naar het leger had gedreven, en alle aanbidding, die zij vroeger gewenscht had, scheen haar nu flauw toe, bij de gedachte aan zulk een wanhopigen hartstocht, dien zij met één woord in een gelukkigen zou herscheppen. Het kostte den ouden krijgsman geen moeite, om deze hersenschim te voeden; maar iets anders was het, onder eenigen voeglijken schijn van den koning te verkrijgen, dat een jong edelman van het huis des Dauphins zou teruggeroepen worden uit het leger, om niets belangrijkers dan een huwelijk. Hij moest dus in het gedrag van den jongen Feuquières zelf de noodzakelijkheid vinden voor die terugroeping.

Lodewijk XIV, hoezeer hij de onafhankelijkheid der oude Fransche geslachten ontzenuwde, schonk hun aan rijkdommen en hofgunst terug, wat ze in werkelijke kracht verloren, en was bijzonder kiesch op het teedere punt hunner familie-eer, omdat hij ze als een deel van zijne eigene beschouwde. Jongelingsdwaasheden — wie der jonge edellieden bedreef ze niet? — konden worden voorgesteld op eene wijze, alsof ze eene schaduw zouden werpen op het edele geslacht der Feuquières; de koning zou gereed zijn, met zijl1 gezag tusschenbeide te treden. De voogd liet dus de gedragingen van zijn pupil bespieden. Hij meende weldra gevonden te hebben, wat hij noodig had. Het toeval, of eigen keus, had Anatole in zeker Paltsisch dorp zijn kwartier doen nemen bij een Lutherschen predikant; er werd veel gesnapt over zijn omgang met de drie beeldschoone dochters van den Lutheraan. Zijne krijgsmakkers hadden hem veel geplaagd met zijn smaak voor het Lutheranisme, een hunner zelfs had eene uitdrukking van ijverzucht op de gunsten der schoone landmeisjes in een tweegevecht met den graaf moeten verantwoorden… genoeg, meer dan genoeg om te vinden, dat zijn pupil niet langer kon gewaagd worden aan het gevaarlijke der verbintenissen met listige ketterinnen. De baron was in de gelegenheid, om den koning dagelijks te zien en zonder getuigen een woord toe te spreken. Hij verkreeg alles, hij verkreeg meer zelfs dan hij gewenscht had. Het was vijf jaren na de herroeping van het Edict van Nantes, in de felle hitte der dragonnades. De oude krijgsman, die onder Condé had gediend en van die nieuwe soort van krijgstochten geen denkbeeld had, vond tot zijn schrik den koning ernstiger in dit geval, dan hij had gewacht. Lodewijk XIV was zeer teeder van geweten geworden op het punt van zijn godsdienst… Mevrouw De Maintenon werd geraadpleegd… in het belang der goede zeden; een geheim, maar streng onderzoek werd verordend in het overmeesterde Paltsische dorp… en de arme kolonel was verplet van ontzetting en droefenis, toen hem de uitkomst daarvan werd medegedeeld. Hij had naar jeugdige dwaasheden gevorscht en hij had eene misdaad uitgevonden! In de oogen van een meester als Lodewijk XIV kon dat wel niet anders zijn: een geheim huwelijk, gesloten door een Protestantsch evangeliedienaar, tusschen een Fransch Katholiek edelman en een Luthersch meisje! En dat was bewezen; slechts had de jongeling zijn familienaam verzwegen en onder valschen doopnaam en titel eene dubbele heiligschennis gepleegd. De chevalier Nicole heette hij in de huwelijksakte. De koning geraakte in een toorn, waarop al de verzachtings middelen van den baron afstuitten, en deze zelf, terwijl hij voor hem pleitte, had een zwaren kamp met zijn eergevoel, dat Anatole nog luider beschuldigde, dan het fanatisme van Lodewijk. De predikant en zijn gansche huisgezin hadden terstond na dit voorval het dorp verlaten, en niemand wist, werwaarts de chevalier zijne nieuwe familie had heengeleid. De baron, die zich zelven voor het werktuig hield van de jammeren, welke het hoofd van een aanvertrouwd kind bedreigden, en die zich tegelijk het middel zag ontnemen, waardoor hij zijne kleindochter van het breede pad der dwaasheden op den engen weg der goede tucht hoopte te leiden, verkeerde in een staat van gezonkenheid en zielsangst, die onbeschrijfelijk is. Zijn mond durfde den koning niet langer smeeken; maar zijne houding, zijne oogen waren eene aanhoudende bede; ten laatste had Lodewijk medelijden met den toestand van den ouden bevelhebber zijner lijfwacht. Hij gaf hem op een avond als wachtwoord: »Clémence” en den volgenden morgen, toen hij, als zijn recht was, zich geplaatst had voor de gulden balustrade die het koninklijke staatsie-ledikant omgaf en waaromtrent niemand mocht naderen, zonder geroepen te zijn, onder de menigte hovelingen, die tot het lever behoorden, was hij dus als alleen met den koning, die nu tot hem zeide:

— Aangaande de dwaasheden van den kleinen graaf hebben wij het volgende besloten: Zoo wij gelooven, moeten wij straffen. Wij willen dus niet gelooven, Uw pupil is teruggeroepen: laat zijn gedrag bij zijne terugkomst ons ongeloof versterken. Wij bevelen volstrekte geheimhouding en een huwelijk. Daar zijn schoone dames te over, die gravin De Feuquières willen worden. En daarmede wenkte hij hem ten afscheid. En toen de menigte hovelingen den grijsaard zagen neêrknielen met alle teekenen van verrukking, besloten zij, dat hij eene zeer groote gunst moest verkregen hebben voor zich of voor iemand der zijnen. En toen men daarop Anatole de Feuquières plotseling uit het leger zag aankomen… wat men niet al voorspelde, wie niet al benijdde!

Even na de korte woordenwisseling met een vriend, die wij opteekenden, had Anatole eene verklaring met zijn voogd, waarbij deze hem ernstig en hard toesprak. Betuigingen, eeden zelfs waren niet machtig den grijsaard van zijne onschuld te overtuigen, daar de jongeling noch zijne gemeenschap met het Luthersche huisgezin, noch het tweegevecht te dier oorzake wilde loochenen. Hij meende beter te slagen met te wijzen op zijn karakter, op zijn vroeger gedrag; werkelijk was hij onder zijne lichtzinnige vrienden om eene zekere schuwe ingetogenheid meer dan eens bespot geworden, en met den bijnaam van Hippolyte (naar den held van Racines treurspel) geplaagd; de kolonel dacht aan de wisselziekte van zijn leeftijd en schudde het hoofd. De jonkman begon met ernst te spreken van zijne grondbeginselen; de kolonel fronste den wenkbrauwen werd ongeduldig; daar is rnaar één onwederlegbaar bewijs voor uwe onschuld, dat wil gelooven zullen, de koning en ik — een huwelijk. — Maar wie zal ik trouwen? riep de jonkman in wanhoop uit, vervuld als mijn hart is… — Zwijg om ‘s Hemels wil van uw hart, viel de kolonel in, zoo verschrikt en zoo bleek, als een oud soldaat zijn kan. En daarop sprak hij van mevrouw de Pharsin, van de goede partij, die zij was van de zijde der fortuin, van die der schoonheid, van die der omstandigheden; hij was zelfs oprecht genoeg, om van hare fouten te spreken, en van de moeite, die hij gedaan had, om haar door een romanesken inval opnieuw te doen besluiten tot de opoffering eener vrijheid, die haar gevaarlijk moest zijn: van den goeden invloed, dien Anatole zou kunnen uitoefenen op een zwak en liefhebbend karakter, als het hare; en nog zeer veel waarnaar de jonkman niet luisterde of dat hij niet verstond. Slechts begreep hij zooveel — dat, in waarheid, onteering, kerkerlijke opsluiting — erger, wellicht hem bedreigde, en dat hem geene andere toevlucht overschoot, dan die hem werd aangewezen, dat geene vrouw minder dan de lichtzinnige Clarice zoude lijden onder de smart van een huwelijk uit berekening; dat hij haar zoude vergoeden, wat hij konde, dat honderden jongelieden valn zijne caste geëindigd waren, zooals hij nu gedwongen was te beginnen, en dat in ‘t eind vrijheid en leven, eer en rang, goederen waren, die men op zijn een-en-twintigste jaar niet opgeeft, zoolang men nog één middel heeft, om ze te bewaren, en dat hij ten minste beginnen moest met aan te nemen… de ongelukkige had geene betere hoop, dan op den tijd. Of liever, hetis niet eens zeker, dat hij aan dat alles dacht, toen hij zijn hoofd boog onder het vonnis van den koning en van den kolonel De Pharsin. In eene stompe en doffe moedeloosheid weggelonken, verviel hij tot de verdooving der onverschilligheid, de beste medehulp zeker, om zijn offer te volbrengen, maar de schrikkelijkste vijandin tevens van jeugd en van levenslust.


Een vroolijk en woelig tooneel gaf de koninklijke kaatsbaan van Versailles te zien op het middaguur van den ochtend, waarop wij Anatole in een boudoir wedervonden. Een aantal jonge edellieden in de schitterend rijke, zoo niet onberispelijk smaakvolle dracht van hun tijd, stonden pratend en lachend in bonte groepen rondom de spelenden. Sommigen hunner hadden geheel de aandacht gericht op het spel en gaven hunne bewonrlering over een handigen worp of afkeuring over eene linksche beweging in luide toejuiching of schelle brouhaha’s te kennen. Anderen, moêgespeeld of verhit door de sterke lichaamsoefening, rukten den dienenden lakkeien de glazen sorbet van de plateaux en ledigden ze schielijk, zonder in den overmoed der gezondheid aan het nadeelige van die verkoeling te denken; tegelijk lichtte hunne hand met bevallige achteloosheid de lange en zware lokken op der allonge-pruik, als hadden zij wel lust gehad om zich van dit drukkend en onnatuurlijk deksel te ontslaan. Anderen weder waren geene deelgenoolen geweest van het spel, noch gaven er hunne opmerkzaamheid aan, maar wijdden zich geheel aan de gesprekken die zij onderling voerden, en die voor hen belangrijk en gewichtig moesten zijn, indien men oordeelen mocht naar het vuur, waarmede zij er zich in verdiepten. Belangrijk en gewichtig! maar toch niet ernstig of treurig, want zij hadden altijd den glimlach op de lippen, de scherts op de tong en de lachende opgeruimdheid in de oogen. En hen ziende, en geheel die rijke en schitterende hofstoet op dit oogenblik te Versailles bijeen, zou men niet hebben gedacht, dat het toen juist toch die treurige tijd was, waarin de koning, de Dauphin en sommigen der rijksgrooten een deel van hun zilver hadden opgeofferd aan de behoeften van de schatkist, waarvan later de navolging met pijnlijker offers aan den uitgemergelden burgerstand zou worden opgelegd. Meestal ook is de vorstenhuishouding een slechte standmeter voor de welvaart van het volk. Het was ook blijkbaar, dat deze hovelingen eenigermate van de gunst en goeden wil huns meesters zeker moesten zijn, want echte hovelingen hebben geene vreugd, dan die hun toelacht uit den blik van hun heer. Zoo die regel een doorgaande was, moest de jonge man die geleund stond tegen het lage staketsel, dat de baan omgaf, welonder eene harde ongenade gebukt gaan, zoozeer stak zijne lustelooze dofheid af tegen den dartelenden levenslust van den joelenden kring rondom hem. Toch waren al die lieden daar getuigen, dat hij eene dier uitzonderingen was, welke den regel bevestigen. Wij herkennen in hem het slachtoffer der zonderlinge vereeniging van goedige zorg en wreede willekeur, van overgroote belangstelling en miskenning beide. Wij herkennen den armen Anatole, die nog een vroolijk en vrij jonkman zoude geweest zijn, zoo hij niet graaf De Feuquières had geheeten. Zooals hij daar stond, met het bovenlijf heen gebogen over de smalle lijst van het afschutsel, de oogen strak gericht op hetzelfde punt, scheen het, alsof hij met de opzettelijkste inspanning de bewegingen van een enkelen der spelers naging, en toch was het zeker, dat hij het niet zoude opgemerkt hebben, al had deze den bal naar zijn voorhoofd gericht. Ondanks hun werktuiglijk heenstaren was het dien oogen van een diep donkerblauw aan te zien, dat ze schitteren konden en spreken, als vroolijkheid of vernuft ze bezielden. Zijne gelaatskleur, die al zijne kennissen nog kort te voren om hare frischheid benijd hadden, was tot een vaal bleek bestorven, dat niet verzacht werd door de sterkblonde pruik, welker groote lokken ver over den schouder nedervielen. De bleeke, ingetrokken lippen en al de trekken van zijn gelaat, door eene doodsche onverschilligheid strak gespannen, lieten het nauwelijks raden, dat ze eenmaal hadden kunnen glimlachen en de verschillende hartstochten uitdrukken, die een jeugdig gemoed bewegen. Zoo vaak reeds was het onze taak, kleedingen te beschrijven, en onze lezers kennen zoowel de snede, den vorm en de pracht van die, welke in het laatste tijdperk van Lodewijks regeering werd gedragen, dat wij hen en ons de uitduiding sparen en alleen willen zeggen, dat het inkarnaat satijn, met zilver doorwerkt, hem goed zou gekleurd hebben, zoo die frischheid en dat schitteren niet als eene bespotting waren geweest van zijne stemming. Een kwartier lang moest hij reeds in die peinzende houding hebben doorgebracht, en toch waarschijnlijk zonder te denken, toen een der jongelieden hem lachende naderde, bij den arm schudde en met een heftigen uitroep sprak:

Mon Dieu, graaf! waaraan denkt gij toch sinds een uur, dat gij ons niet antwoordt?

— Gij hebt mij iets gevraagd? was zijn antwoord, met den toon van iemand, die uit den slaap wordt opgewekt.

De andere wendde zich tot de groep, die hem omringde, en riep lachende: wat dunkt u, mijne heeren, hij wil weten, of wij hem iets gevraagd hebben?

Een schaterend gelach was hun aller antwoord.

De jonge St. Ruth nam eindelijk het woord. — Het geschut van den keurvorst moet u doof gemaakt hebben. Wij roepen ons schor, om van u te weten, wat de koning u zooeven voor goeds mag gezegd hebben, dat de kolonel De Pharsin Zijne Majesteit zoo zegepralend volgde, en u zoo vroolijk toeknikte bij het heengaan.

— Is de koning vertrokken? vroeg De Feuquières driftig.

— Speelt gij eene rol, mijnheer de graaf? tot wien heeft hij het laatste woord gericht?

— O, ik herinner mij! hern:tm Anatole, zich schielijk omkeerende; zoo ga ik ook.

— Hoe hij reeds de houding van een gunsteling aanneemt! riepen de anderen spottend. »Is de koning niet meer daar, zoo heb ik hier niet meer noodig.” Voortreffelijk! Maar wij arme, stervelingen, die niet zoo gansch tot den Olymp behooren, wij die den wolkenwagen van Jupiter haastiglijk moeten zien voorbijtrekken, zonder in zijne vaart te worden opgenomen, wij willen de geschiedenis van uwe herschepping kennen. Het is zeker dat gij sinds een uur niet meer tot de aarde behoort!

— Bespotting! riep de jongeling, als ik zoo diep rampzalig ben! Hij hield de beide handen voor de oogen met eene zoo plotselinge, zoo geheel zich zelve vergetende uitbarsting van wanhoop, dat de goedhartige jongelieden er van verschrikten.

— Maar het is eene waarheid, dat hij wankelt op zijne voeten, riep St. Ruth, die hem trachtte te steunen.

— Toch niet rampzalig door het woord van den koning? vroeg een meer bejaard edelman met een medelijdenden blik.

— O, de koning was genadig! voorzeker, genadig, hernam de jonge graaf, nog meer verbleekend. Hij gevoelde, dat hij zich onvoorzichtig had prijsgegeven. — Ik heb het niet recht verstaan; het betrof, geloof ik, mijn huwelijk.

— En toch scheen de koning tevreden over uw antwoord; wij hebben allen gehoord, dat gij uitgenoodigd werdt om dezen avond van het spel te zijn. Wat hebt gij gedaan voor die eer?

— Ik heb alleen »ja” gezegd, hernam de jonkman met bitteren weemoed.

Dat was letterlijk waar. Een tweemaal herhaald »ja, sire!” was alles wat zelfs Lodewijk XIV van de onverschillige verstrooiing zijns beschermelings had kunnen verkrijgen. De baron, die naast zijn pupil stond, had het overige aangevuld en die kortheid aan schuchtere vreeze geweten en de koning, die niet ongaarne zulk een indruk maakte, tenzij uitnemende daden recht gaven tot meer vastheid, was voldaan geweest over den jongen schuldige, dien hij door zijne zachte toespraak van zijne goedheid had willen verzekeren; maar hij had tegelijk den dag van het huwelijk bepaald en op eene wijze, die geen ander antwoord toeliet, dan eene zwijgende toestemming. Dat had den jonkman verpletterd en op eens tot het volle besef van zijne geheele ellende teruggebracht, waarvan hij een oogenblik was afgeleid geworden bij het binnentreden van de plaats, waar hij menig lievelingsspel had afgespeeld, bij het wederzien van al die jonge en vroolijke gezichten, in wier midden hij voor het eerst was misplaatst. De ingeboren eerbied voor den koning alleen had eene korte wijl over zijne radelooze afgetrokkenheid gezegevierd; maar toen de betoovering van Lodewijks toespraak ophield, was hij daarin geheel teruggevallen tot die mate, die wij gezien hebben.

Zijne jeugdige kennissen beijverden zich, om hem op te vroolijken. Zij meenden, dat hem niets deerde, dan een voorbijgaand verdriet. De jonge St. Ruth, die zoo goedhartig en zacht was, als zijn vader, de oude markies, wreed en moedwillig, fluisterde zachtjes:

— Ik begrijp het; gij vindt mevrouw De Pharsin schoon en beminnelijk, maar gij vindt het nog te vroeg, om u reeds te laten kluisteren door den eerwaardigen echt! Maar de koning en de baron vinden het tegendeel. Is het zoo niet? En dat maakt u verdrietig! Wij hebben het allen gezien, toen gij hier binnenkwaamt. En nu heeft de koning wellicht den dag bepaald, en dat heeft u verschrikt. Heb ik het geraden?

— Goede St. Ruth, hernam De Feuquières, die zich intusschen een weinig hersteld had; neen, gij hebt het niet geraden. Ik ben zeer ongelukkig, maar niet zooals gij denkt.

— Dat wist ik wel, viel de vicomte d’ Arles in, met eene bruid als Clarice kan men het niet zijn. Die huwelijksband zal u sieren, zonder u te knellen. Ik voor mij laat mij bovenaan schrijven in den rang van uwe huisvrienden.

— Spreken wij van iets anders! viel Anatole heftig in, terwijl een donkerrood zijn voorhoofd kleurde, maar zijne vrienden hadden ten minste zooveel gewonnen, dat zij hem deelneming in het gesprek hadden opgedrongen. Zij begonnen hem nu te vertellen van alles, wat er in zijn afwezen was gebeurd, en dat zijne belangstelling kon opwekken, want hij was in tien maanden niet te Versailles in hun kring geweest, en in tien maanden gebeurt er zooveel in het afwisselende hofleven, waarin het aangeven van een nachtblaker zelfs eene gunst of eene ongenade kennen deed.

Op eens zeide d’Armentieres: — Ziedaar Mansard, laten wij hem een compliment maken over zijne oranjerie: behalve dat hij het altijd verdient, zullen wij het vermaak hebben hem in geestdrift te zien over zijne kunst, dat is zoo prettig.

— Hij ziet er wel uit voor aardigheden en voor geestdrift, zijn gezicht staat zoo donker als de nacht in een ballet, sprak De Varennes.

— Zou het erger zijn met Le Brun, vroegen sommigen; die was zijn vriend.

— Beter voor hem, maar erger voor ons! sprak Jules Hardouin Mansard, die genaderd was, en het laatste hoorde. Hij is van nacht overleden.

De jonge edellieden betuigden allen op eene of andere wijs hunne deelneming over het verlies van den man, die in zijn tijd voor den eersten schilder van Frankrijk werd gehouden. Hij was ten minste de hofschilder geweest en in de mode gebleven tot op zijn sterfdag toe. Reden genoeg voor al de hovelingen, om hem te betreuren. Maar deze moesten geene Franschen zijn geweest, zoo zij het konden, ook bij de oprechtste waardeering van dit verlies, zonder hunne aardigheden te mengen onder hunne klachten.

In het einde zeide St. Ruth: — Drie-en-zeventig jaren, en altijd in gunst, men kan tevreden wezen…

— En Mignard, die morgen tachtig jaar wordt en nog in volle werkzaamheid is, sprak Mansard met een zucht.

— ‘t Is onbescheiden van den heer Mignard om den hofschilder te overleven! hernam d’Armentieres.

— Mignard! Mignard! riep op eens De Feuquières met een vuur, dat zonderling afstak bij zijne flauwe deelneming aan het voorgaande, mijnheer Mansard, als ik u vragen mag, ziet gij den schilder Mignard?

— Zoo nu en dan, graaf! Ik was te wel met Le Brun, om veel in zijne gemeenzaamheid te deelen.

De graaf zuchtte. — O, maar gij kunt mij toch zeggen… en hij nam hem de beide handen met dringende vertrouwelijkheid. Gij weet zeker, wie de vrouw is, die hij als model heeft gebruikt voor zijne Esther! Met bevreemding zag de groote bouwkundige hem aan.

— Die Esther is geen zeer bekend stuk, en het model, vergeef mij! de vraag is zonderling, Neeré, Jacinthe,… hoe kan ik dat weten? Ik ben er van overtuigd, dat Pierre Mignard het zelf niet meer weet. Men ziet die wezens, men gebruikt ze, maar voor het overige… vergiffenis, mijnheer de graaf, ik ben niet in de stemming tot zulke scherts, en deze jonge heeren lachen reeds meer, dan ik om uwentwil wenschte.

Daarop ging hij verder. — Men had mij gezegd, dat ik den Koning hier zoude vinden, en ik verval midden in mijn rouw onder een troep jonge dwazen die mij naar vrouwen vragen! mij! sprak hij grommend.

— Als gij gedaan hebt met lachen, mijne heeren, sprak De Feuquières, terwijl hij zich toornig naar de jongelieden toekeerde, moest een van u de beleefdheid hebben, mij te zeggen, wat gij hier te bespotten vindt.

Maar de vroolijkheid der jongelieden vermeerderde nog door zijn ernst.

En De Varennes riep hem lachend toe: Wij vermaken ons met de nieuwe satire, die mijnheer Boileau zal maken, eene parodie op Phédra, Hippolyte bekeerd! of…

— De veldtocht in den Palts, vielen anderen in. In waarheid, uwe bekeering is volkomen, daar mengt zich geen aasje ketterij meer in!

— De Palts! wat beteekent dat? riep de graaf, uitdagend de hand aan den degen slaande.

— Niets anders, dan dat gij vroeger de strenge en stugge berisper onzer daden waart, en dat gij terug zijt gekomen als — een volslagen Lauzun. Neen, gij moogt niet boos worden; hier nemen wij geen duel aan dan met den kaatsbal; gij moet luisteren; gij hebt ons zoo dikwijls de les gelezen; thans zullen wij spreken, hernam d’ Armentieres; wij zijn allen loshoofden en erkennen het. Wij zijn niet zoo bescheiden, of de namen van sommige dames worden wel eens om onzentwille belasterd; wij zijn dikwijls dol genoeg, om ter zake onzer schoonen alles te wagen, wat er gewaagd kan worden, maar zulk een grof en vermetel overschrijden van alle perken had niemand onzer zich veroorloofd……

— Maakt er een eind aan, en zegt mij, wat gij mij te verwijten hebt, riep De Feuquières ongeduldig.

— Ongehoord! werd er geantwoord.

— Gij vraagt dat! vervolgde de spreker; van het buitenland zwijgen wij, omdat wij niets weten met zekerheid. Maar verloofd te zijn met mevrouw Clarice de Pharsin, eene van de schoonste en jeugdigste vrouwen, die in het salon der koningin werden voorgesteld, en een kwartier nadat de koning zelf u de eer aandoet, over uw huwelijk te spreken, openlijk met de allerdolste gril voor den dag te komen, die ooit door iemands hoofd is gegaan, verliefd te zijn op…

— Het model van een schilder! vielen verscheidenen in.

— En het te bekennen! riepen anderen.

— Maar, mijne heeren, gij zijt volslagen dol! riep Anatole, met den voet stampende van ergernis. Ik wil noch bedoel iets dan het heiligste…

— Tartuffe! riepen zij allen.

— Met wien uwer zal ik het genoegen hebben, mij nader te verklaren over dat woord, riep Anatole met de doffe, ademlooze stem van den uitersten toorn, en verbleekte beurtelings van verontwaardiging.

— Met niemand, als het u belieft, sprak De Varennes, die luitenant van de Mousquetaires des konings en zijn oprechte vriend was. Gij zult al uwe dwaasheden van dezen dag niet bekronen met een tweegevecht om eene zoo opzienbarende reden, en als onder het oog des konings. Ik zou u den degen moeten afvragen, fluisterde hij hem in, terwijl hij hem onder den arm nam. Ik dank u, Varennes, voor deze waarschuwing; ik heb mijne vrijheid hoog noodig, sprak De Feuquières, terwijl hij zich door dien dwang liet wegvoeren, ten minste tot…

— Op den dag van uw huwelijk, niet waar, mijn heer de Fat, riep men hem na.

— Als hij niet rijp is voor Bicêtre, dan is hij het voor de Bastille, sprak St. Ruth, hem medelijdend naziende.

De tooneelspelers van het hotel de Bourgogne en die van de straat Mazarni na den dood van Molière tot een troep vereenigd, welke zic bij uitsluiting de koninklijke mocht noemen, gaven te Parij in de nieuwe zaal m de straat des Fossez, voorstad

St. Germain,. eene voorstelllng van den Misanthrope. Clarice de Pharsin woonde die bij, in gezelschap van de markiezin weduwe Rassant, eene nabestaande van den graaf de Feuquières, begeleid door den graaf zelven en door den kolonel de Pharsin. Wel scheen Antole niet opgeruimd maar hij was met meer verstrooid,

hij was vooral niet de willooze automaat van den vorigen ochtend; er lag op zijn voorhoofd eene vastheid en eene kalmte die bewezen dat hij eenig besluit had genomen dat hem moed gaf om zijn lot te dragen, of een middel om het te verbeteren. Hij was niet spraakzaam, hij zeide geene aardigheden, maar hij gaf juiste en voldoende antwoorden op alles wat men hem vroeg, en hij luisterde telkens, zoo vaak Clarice tot hem sprak, en dat was veel, want de schoone had zeer fraaie tanden… eene reden om onophoudelijk te snappen en te lachen. Ook had zij de voldoening om de meest opgemerkte vrouw te zijn uit den ganschen kring, minder om hare schoonheid en om haar welgekozen toilet, dan wel om het gedrag van Feuquières, dat reeds niet meer geheim was gebleven; maar, dat men het oog op haar gericht hield, onverschillIg om welke reden, was harer kleingeestige ijdelheid reeds genoeg. De Feuquières leed voor beiden! al had hij niet de onbescheidene blikken begrepen, die men richtte op hem en op mevrouw De Pharsin, de waarschuwing van den ouden baron, in het begin van den avond, zou hem hebben ingelicht. — »Geloof mij, dat ik u niet verzocht zou hebben, ons hierheen te volgen,” had hij hem gezegd, »zoo ik het niet onvermijdelijk noodig had geacht, uwe fouten van gisteren in de kaatsbaan goed te maken. De graaf d’ Aubigné die nooit nadenkt bij hetgeen hij doet, is, geheel vervuld daarvan, met het versche bericht van uwe dwaasheid naar mevrouw De Maintenon geijld, om het te vertellen aan ieder, die het hooren wilde. Hij vond er den Koning, hij meende, dat men lachen zoude, maar Zijne Majesteit is zeer ernstig geworden, heeft een hard woord gesproken over u dat zoowel bedreiging kon heeten als veroordeeling, en hij beval d’Aubigné te zwijgen, toen deze voortspreken wilde. Overweeg dit en ons geene verdere onbezonnenheden. Het is niet slechts uwe eigene toekomst die gij bederft, het is de rust van een grijsaard, die gij opoffert, om niet te spreken van die arme jonge vrouw, wier jeugd en zwakheid van u verstand eischen voor twee.” Was het de overweging van de vermaning des ouden mans of een herdenken aan De Varennes of beide vereenigd, die den jongen edelman tot dit kalme en ernstige voorkomen dwong, terwijl hij toch zooveel leed: want onafhankelijk van zijn opgedrongen toestand en zorge voor de toekomst, was het reeds eene grievende smart voor een edelman van zoo strikte beginselen als hij was, met het volkomene besef van zijne onschuld, gedrukt te gaan onder eene verdenking, waarmede anderen zouden gelachen hebben en waardoor hij zich onteerd achtte. Het was eene bittere grieve, dat hij beschuldigd en gestraft zou worden juist voor die fouten waarvoor zijn verstand en hart hem hadden gevrijwaard, en die anderen schaamteloos en straffeloos bedreven, alleen omdat zij het savoir faire der ondeugd hadden, terwijl hij geene andere schuld had, dan de onvoorzichtigheid der onschuld. Het woord was toen nog niet uitgevonden, maar de eigenschap bestond, en de jonge graaf mocht doen, wat hij wilde, men hield hem voor een roué en iedere poging, die hij zoude aanwenden om die verdenking van zich af te werpen, drukte die te vaster op hem, en kon alleen strekken, om hem nog daarenboven met de laagheid oer huichelarij te bezwaren. Terwijl haar bruidegom, onder zulke gewaarwordingen gebukt, zich tot dien rustigen ernst dwong, dien hij noodig achtte, vermaakte de gedachtelooze Clarice zich uitnemend, al was het niet, dat zij de fijne scherts van Molières blijspel volkomen konde schatten, zij was er niet om gekomen en luisterde misschien slechter dan de graaf, die nog afleiding vond in het bewonderen van het vernuft des dichters en de kunst der voorstellers.

Op eens wendde de schoone weduwe het hoofd naar Anatole en zeide tot hem: Hebt gij welopgemerkt, hoe mijnheer de graaf d’Aubigné den ganschen avond de oogen naar onze loge gericht houdt?

— Ja, mevrouw, dat heb ik opgemerkt… maar gij zegt mij dat op een toon, die… alsof… kent gij den graaf d’ Aubigné?

— Den broeder van mevrouw De Maintenon? O zeker! ik ontmoette hem bij de markiezin De Rassant. Het is wel de galantste en vroolijkste cavalier, dien men zien kan en aan de wijze, waarop hij mij zooeven groette, weet ik, dat hij zijn woord zal houden…

— Heeft hij u iets beloofd? vroeg Anatole, met kalme ver­wondering.

— Ja, eene tabouret… aan het Hof, de eerste, die er zal openvallen!

— En die zou hij u kunnen geven, hernam de jonge graaf met een ongedwongen glimlach. Goede Clarice! en hij zag haar aan met een blik van goedig medelijden, waaronder een aasje spijt gemengd was. Ik zie, dat gij dezen edelman volstrekt niet kent. Het is de onbezonnenste en nietsbeduidendste dwaas, die er zijn kan. Hij heeft niet den minsten invloed, en hij is voor de markiezin eene ergernis, die zij misschien te eeniger tijd uit den weg zal ruimen. Daarbij is hij een van hen, die den goeden naam eener vrouw weten te benadeelen door een groet.

Clarice zag den spreker oplettend aan met hare groote zwarte oogen, die toch niets schranders hadden.

— Ja, maar zoo zijt gij allen, zegt mij uwe tante, de markiezin: en luister, Anatole, gij zjjt toch niet bij toeval… jaloersch?

— Op u, mevrouw! neen, waarlijk niet, hernam hij met een gullen lach.

— Zie, dat hoopte ik ook, sprak zij, en nu wij toch op dit punt komen, laten wij ernstig spreken. Ik heb u veel te zeggen…

— Ik u niet minder, barones, maar het is hier de plaats niet voor een ernstig onderhoud…

— O, zeker hier beter dan elders, hernam zij, dicht naar hem toeschuivende. Daarbij zie ik u nooit dan met den kolonel of de markiezin, en ik ben er zeker van, men zal ons niet alleen laten, dan na de teekening van het contract. Zijt gij niet recht verheugd, dat de koning het mede onderteekenen zal?

— Zooals gij denken kunt.

— En dat het in de kapel van Versailles voltrokken zal worden? Men zal er maanden lang van spreken. Is de aanteekening niet voor morgenavond?

— Voor morgenavond! herhaalde de jongeling met zonderlinge vastheid.

— Mijn hemel! wat zal ik nog veel te beschikken hebben. Maar luister, toen gij mij zeidet, dat de baron zich vergist had en dat gij mij niet bemindet… gaf mij dat een ganschen dag migraine, want ik had besloten, dat ik ditmaal uit liefde zoude huwen en niet uit convenance, maar de welvoeglijkheid laat niet toe, dat ik u alleen liefheb.

— Volstrekt niet, zeide de graaf, die zich vermaakte met dit onderhoud. — En daar ik natuurlijk niet meer terug kon, terwijl de koning van dit huwelijk kennis droeg en het goedkeurde, en daar de kolonel mij zeide, dat het volstrekt noodzakelijk was ook voor u,… zoo begreep ik, dat ik maar weer huwen zou, als vroeger, gelijk de meeste prinsessen en dochters van pairs dat doen, hetgeen maakt, dat het goede toon is,… maar ik moet toch vooraf zekerheid hebben omtrent twee zaken: Dat gij mij niet kwellen zult door ijverzucht om iedere menuet, waartoe ik mijn cavalier kies, en dat gij mij niet dwingen zult, u naar buiten te volgen, als gij in eene kwade luim zijt. Mijnheer De Pharsin handelde zoo, en daarbij heb ik mij in den laatsten tijd van den rouw zoo verveeld op het land…

— Ik kan u volkomen geruststellen, mevrouw, dat ik u nimmer tot last zal wezen door ijverzucht, en u nimmer verzoeken zal, mij gezelschap te houden op het land.

— Dat is dus afgesproken, zeide Clarice vroolijk, en reikte hem even hare fijne hand.

— Arm kind! sprak de graaf in zich zelven. De trouwe grootvader had gelijk; gij hadt behoefte aan een echtgenoot zooals ik het zou geweest zijn. — De markiezin De Rassant verhinderde verdere medcdeelingen door de aanmerking, dat zij zich reeds te lang en te in het oog loopend met elkander hadden beziggehouden, en te vertrouwelijk waren geweest naar den eisch van het oogenblik. De kolonel De Pharsin zag vroolijk en zegepralend op den graaf d’ Aubigné die het laatste bedrijf van den Misanthrope niet afwachtte, om naar de markiezin, zijne zuster, te ijlen en haar mede te deelen, welk eene teedere vertrouwelijkheid er nu scheen te heerschen tusschen het aanstaande paar.

Pierre Mignard werd reeds zoo dikwijls door ons genoemd, dat het tijd wordt tot eene nadere kennismaking. En toch zullen velen hem reeds kennen, den belangwekkenden Franschen schilder, die uit geestdrift voor die beeldende kunst den vaderlijken wil durfde weerstaan, welke hem bestemde tot een geneesmeester der kranken onder zijne landgenooten, terwijl hij liever arbeidde voor de bewondering hunner oogen en ter opwekking en voldoening van hun kunstgevoel. Een wensch, waarin hij zoo goed geslaagd is, dat hij beiden tot op zijn laatsten levensdag heeft kunnen verkwikken, dat hij zich een roem heeft verworven, dien hij niet heeft overleefd, schoon hij vijf-en-tachtig jaren oud werd, dat zijn naam en zijne levensgeschiedenis tot op ons zijn overgebracht, schoon vele geslachten intusschen hebben geleefd, dat zijne manier eene zoo geliefde was, dat de navolging zich vastklemde aan zijne vleugelen, om hare machteloosheid door die vlucht te laten opheffen, dat machtige vreemdelingen trotsch waren op het bezit van zijne voortbrengselen, en dat de grooten onder zijne landgenooten zich rijk achtten in het bezit van een zijner stukken, en dit alles niet in een tijdperk van verval der kunst, maar in den weelderigen bloeitijd der Fransche schilderschool in de XVIIde eeuw, onder de regeering van Lodewijk XIV, een monarch, die groote eischen deed aan de kunst, en terwijl hij Le Brun en Van der Meulen tot mededingers had!

Dat een kunstenaar als deze te Parijs leefde en leven moest, spreekt vanzelf, al was Champagne zijne provincie, en Troyes zijne geboortestad. De maarschalk De Vitry had er hem heengebracht; hij had z ijne ontwikkeling bespied, zijn talent begrepen, zijne geestdrift gewaardeerd; hij had hem aanbevolen aan Vouet, toenmaals de hofschilder, en van dien oogenblik af, was hem de geliefde werkkring geopend. Zijn echte kunstzin, zijne liefde tot de studie, vergenoegde zich weldra niet meer met de lessen der Fransche meesters, met de voorbeelden, die in de hoofdstad van Frankrijk onder zijn bereik waren, hij moest het betere zien, hij moest het meerdere onderzoeken, hij ging zijn leertijd eindigen in Italië. Of het zijn smaak zuiverder maakte, zijne manier verbeterde, weten wij niet, maar het maakte den kring zijner denkbeelden ruimer, het verrijkte zijne fantasie met nieuwe indrukken, het verhief hem boven de kleingeestigheden eener bekrompene nationaliteit. Bij het eindigen dier kunstreis vestigde hij zich voor altijd te Parijs, en gebruikte er de verkregene voordeelen zoo wel, dat goud en eere hem toestroomden bij iederen streek van zijn penseel, terwijl zijne onberispelijke zeden hoogachting afeischten voor zijn persoon, en zucht voor orde hem in ‘t bezit bracht eener onafhankelijke fortuin. Toch leefde hij niet als Van der Meulen en Le Brun, wie koninklijke gunst en hofambten meermalen binnen de zalen van Versailles riepen, en die hun huis inrichtten op den voet van Fransche pairs. Hij leefde stil en eenvoudig voor zich heen, en verborg als het ware zijn huiselijk leven voor het oog van de wereld, bepaalde zijn omgang ten minste tot een klein getal burgerlijke kunstvrienden, en zoo al een roode hiel zijne schilderkamer binnentrad, was die eere nooit uitgelokt door Mignard zelven, noch werd beantwoord op eene wuze, die tot nauwere gemeenschap leidde. Zoo kende men in de groote kringen van Versailles en Parijs niets van hem, dan zijne stukken, en dit was wellicht eene der oorzaken, waarom de hofgunst hem nog zoo weinig beschenen had, ondanks zijne vermaardheid; dat men zijne kunst slechts had ingeroepen ter opluistering van St. Cloud, en niet tot de prachtige ondernemingen te Versailles; dat hij nog slechts eenmaal was gebruikt ten dienste van het koninklijke huis en niet door Lodewijk zelven, maar door den Dauphin, die in eenige verwijdering leefde met zijn hoogen vader. Dat de koning hem wel tot de eere van den adelstand had opgeheven, maar evenwel niets deed om hem het voeren van den rang eens edelmans gemakkelijk te maken, dat tot hiertoe noch eereambten de werkzaamheid van zijn mannelijken leeftijd hadden ingespannen, noch jaargelden den slapperen werklust van een tachtigjarigen ouderdom hadden verlicht. Hij had anders genoeg zijne zonderlingheden en grillen, die den verwenden smaak van een altijd gevleid monarch tot den omgang met den kunstenaar hadden kunnen prikkelen, maar, zooals gezegd is, zijne persoonlijkheid was niet door den koning opgemerkt geworden, en hij stond zoo verre van het hof, dat niemand van daar hem de hand reiken kon, om hem nader te brengen. Eene zoodanige stemming in den schilder was van geene gunstige voorbeduiding voor het oogmerk, waarmede Anatole, graaf De Feuquières, op den ochtend na zijne comediepartij met mevrouw De Pharsin de schilderkamer van Pierre Mignard binnentrad.

Een bediende van het huis, die met eenige haast was vooruitgesneld, om den graaf aan te dienen, opende hem eindelijk dat heilige der heiligen der kunst, nadat men vrij lang zijn geduld op de proef had gesteld in eene antichambre — nadat het ontevreden gemor van den verstoorden meester en de zacht verontschuldigende stem van den dienstbode eene wijle onduidelijk zijn gehoor hadden getroffen.

Maar dat alles was den jongen edelman onverschillig. Hij werd ontvangen, dat was voor hem de hoofdzaak. Hij vond den priester der kunst op zijn drievoet en in Olympische verrukking, orakelen sprekende met zijn penseel, om de taal te bezigen, waarmede een auteur van zijn tijd zou hebben uitgedrukt, dat hij voor zijn ezel zat en schilderde; maar was de drievoet een hooge, gemakkelijke leunstoel, voldoende en aan de eischen van de mode, en aan den gemakzin van een grijsaard, zijne werkzaamheid scheen zich voor ditmaal te bepalen tot die der verbeelding, ten minste hij speelde met zijn penseel, zonder het te gebruiken.

De jonge graaf naderde met niet minder eerbied, dan of hij de slaapkamer van Lodewijk XIV ware binnengetreden, maar hij scheen zonderling bewogen en in zichtbare spanning. Zijne wangen en voorhoofd gloeiden, op zijne trekken en in zijne houding lag eene vastheid, die hij tot hiertoe nog niet had ontwikkeld. Zijne oogen stonden wild: na een vluchtigen blik op den schilder vlogen zij snel het vertrek rond en vestigden zich eindelijk op een der stukken, die aan den muur ten toon hingen, daarna op een ander, dat half voltooid op den ezel stond. Een diepe zucht scheen hem toen de borst te verruimen, een schichtig verbleeken en blozen bewees eenige heftige aandoening, en een half luid — eindelijk! — ontsnapte hem. Mignard beantwoordde zijne achtingvolle buiging zittende, en sprak, zonder hem aan te zien:

— Wat verlangt mijnheer de graaf De Feuquières van mij?

— Gun mij een oogenblik, om mij te herstellen, mijnheer de ridder Mignard; ik heb veel, veel te zeggen en ik ben eenigszins bewogen… ik heb geloopen, en schielijk…

— Verwijfde weekelingen! bromde Mignard tusschen de tanden, zij vechten met kanten manchetten aan, en zij vallen flauw, als zij zonder koets op straat komen. En de stem verheffende, riep hij: — Vincent, een armstoel voor mijnheer den graaf! Maar Anatole, die wist, dat hij met een zonderling te doen had, nam de hoffelijkheid niet aan en zeide beleefd: Ik dank u voor de bedoeling, mijnheer de ridder, in het oeil de boeuf leert men zich staande te houden, en hier is uwe troonzaal hier hebt gij alleen recht van den zetel. Wil nu ook slechts luisteren met koninklijk geduld.

Maar de kunstenaar voor de vleierij van den hoveling koel, antwoordde alleen, terwijl hij zelf opstond:

— Dan zoudt gij slecht uw doel bereiken; men zegt, de koning hoort het liefst zijne pairs. Wij zijn dat niet…

— Helaas, neen, sprak de jonge graaf met gevatheid, want dan zou ik u als mijn kunstbroeder bij de hand nemen en u vrijuit vragen: Wie gebruikt gij tot model voor die Psyche daar? en hij wees met den vinger naar de schilderij, die op den ezel stond.

Pierre Mignard, die hem nog niet had aangezien, keek toornig op; zijne harde trekken, door ouderdom nog verscherpt, namen eene uitdrukking aan van onwil en bitsheid, die nog scheen te klimmen bij het opnemen van het uiterlijke des jongelings, wien de gemoedsbeweging den frisschen blos der jeugd eenigermate teruggaf, en wiens oogen, zooals zij schitterden, de schoonste waren die men zich denken kan.

— Als gij mijn kunstbroeder waart, zoudt gij eene zoo onbescheiden vraag niet doen, mijnheer de graaf, en indien al, dan zou ik u antwoorden: Het kan u niet schelen.

En daarop stiet hij in drift den ezel verder van zich.

— Dat zou niet heusch zijn onder broeders, sprak de jonge graaf eenigszins verlegen.
— Het zou oprecht zijn, en het ware te wenschen, dat men dit altijd ware, mijn jonge heer. Gij ten minste zijt daar verdwaald op een omweg, dien ik u uitnoodig, zoo spoedig mogelijk te verlaten, om recht toe, recht uit te gaan. Gij zijt niet bij mij gekomen om zulk eene nieuwsgierigheid te voldoen, en zoo mij dat zijn kon wees dan gewaarschuwd, dat gij vruchteloos gekomen zijt. De geheimen mijner kunst zijn mijne geheimen, en gij vergist u, als gij meent, dat ik ze veil heb voor de vleierij van den eersten fijnen hofjonker den besten.

Anatole, die wel op een vreemden toon was voorbereid geweest maar niet op zulk een hard en voorbarig afsnijden van alle onderzoek, en toch verheugd was, dat men zoo spoedig tot het punt zijner belangstelling was overgesprongen, bedacht zich een weinig. — Mijnheer de ridder, eer ik hierop antwoord — en ik zal het doen met volkomen oprechtheid, bid ik u, in mij geen gewonen hofjonker te zien.

De grijsaard zag even op met een blik, die zeggen wilde: Ik heb nog geene reden om u voor meer te houden, maar hij zeide: Ik wil er mijn best toe doen, doch begin dan met mij niet altijd ridder te noemen. Ik heb vijf-en-zeventig jaren mijn burgerlijken naam eer aangedaan; toen kwam de koning en liet mij inschrijven in den adelstand. ‘t Is of men denkt dat de burgers het recht niet hebben, knappe lieden in hun midden te bezitten: zoodra wordt er niet een weinigje gesproken van een kunstenaar, of men plaatst een woord bij zijn naam, dat hem uit zijn stand rukt, en neerzet nevens de heeren van adel, die nog achter zijn rug wie weet welke lange gezichten trekken over de gemeenschap; arme vleermuis als hij is, die zijns gelijken waren, beginnen hem te wantrouwen en die het geworden zijn, dulden hem nauwelijks naast zich, en onder dat alles zou de nieuwe edelman van honger sterven, zoo hij niet werken kon als een burger.

Die taal klonk den jongen graaf vreemd genoeg, maar hij verklaarde haar in zijn hart door deze gedachte: Hij is vast een Hugenoot, en de eene vrijheid van denken brengt licht tot de andere… en luide hernam hij: Wil mij dan hooren, mijnheer Pierre Mignard, een naam, die voorzeker geen adel behoeft, om geëerd te zijn. Het is eene waarheid, dat ik hier om niets anders gekomen ben, dan om een onderzoek, dat ik bij den aanvang van ons gesprek als in scherts begon. Gij hebt mij verklaard, dat gij geen onbeduidenden pronker uwe geheimen zoudt mededeelen, en ik onderstel, dat gij dit nog minder zoudt doen aan een lichtzinnigen fat. Ik heb niets dan mijn woord, maar, ik zweer u, dat ik niets zoozeer haat dan de zoodanigen, schoon de zonderlingste toevalligheden mij aan het hof onder verdenking brengen, het laatste te zijn.Die uitdrukking deed zijne werking, want Mignard antwoordde met gulheid: — Het zou niet de eerste maal zijn, dat men aan het hof verkeerd heeft geoordeeld— Zij houden er Le Brun voor den eersten schilder der wereld. Een man, die de Vlaamsche manier navolgt als een papegaai, niet als een kunstenaar, die zelfs nooit begrepen heelt hoe ver Van der Meulen boven hem staat… die…

Maar Anatole, die niet gekomen was, om vertoogen aan te hooren over de schilderkunst, viel schielijk in:

— Daar ik niet een zoodanige ben, vraag ik u met eenig recht en met den heiligsten ernst, wie is de vrouw, die tot model heeft gestrekt voor uwe Esther, aan den kolonel De Pharsin verkocht; dezelfde, wier beeld gij tracht terug te geven op dit doek; dezelfde, die in gindsche groep nymphen op den voorgrond staat. En de vraag, mijnheer, is noch van een ongerechtigde, noch van een onbescheidene, dat zal ik u bewijzen, als gij goed vindt, haar te beantwoorden.

Pierre Mignard nam voor het eerst een ondeugend en geheimzinnig lachje aan. — En indien het nu een ideaal ware?

— Neen, mijnheer, riep de jongeling met vuur, dat is zoo niet; gij hebt die beelden naar het leven geteekend, naar eene jonge schoone vrouw, die bestaat — en die in Frankrijk moet zijn — in Parijs — in uwe nabijheid wellicht — onder het bereik van uwe wenken ten minste, zoo vaak gij het wilt.

— En onder het gehoor van uwe stem, mijn nobele graaf, zei de zachtjes, tusschen hare kleine, witte tanden door, eene bevallige jonge vrouw, die op den achtergrond van de schilderkamer een gordijn oplichtte. Toen zij zag dat de graaf en de schilder beiden den rug naar haar toegekeerd hielden, bleef zij staan, met de eene hand de gordijn terughoudende, terwijl de andere vaak door eenig gebaar uitdrukte, wat zij gevoelde; maar zij sprak voor zich zelve, om niet verstaan te worden, en zij scheen veel meer belang te hebben, om te luisteren; telkenmale, als in den toon van het gesprek eene beweging der sprekenden haar een omzien deed vreezen, viel het beveiligend doek neder en de luisterende werd niet ontdekt. Die bekoorlijke jonge vrouw was het orgineel van al de figuren, die zoozeer de opmerking trokken van den graaf De Feuquières: het model van Pierre Mignard.

— Dit te weten, vervolgde de jongeling, de mogelijkheid er van te onderstellen, de waarschijnlijkheid er van te doorzien, en dan kalm te blijven… en zoo opvoeding en gewoonte hem weerhielden van dat levendige gebarenspel, dat het tegendeel van die stemming aanduidde, — zijne trekken en blikken zeiden genoeg, hoe ver hij er af was.

— Blijf kalm! mijnheer de graaf, blijf kalm! zeide Pierre Mignard droogjes, want uwe gewisheid, uwe onderstelllngen en uwe gissingen zijn valsch. Ik kon bij mijn eerste woord blijven, dat ik een ideaal had gegeven. Gij zoudt mijn talent, mijne fantasie onrecht doen, zoo gij mij niet op mijn woord geloofdet. Dan ik wil het niet. Ik wil toestemmen dat de persoon, die gij bedoelt wezenlijk bestaat; maar zij bezit noch de schoonheid, noch de uitdrukking, die gij in Esther bewondert (mijn spiegel zegt mij, dat gij onwaarheid spreekt, zei de jonge dame daar tusschen in zich zelve) gij weet toch, wij schilders vleien, verfijnen beschaven idealiseeren alles. Ons penseel is de tooverstaf waarmede wij het gemeene tot waardigheid omtooveren,

en zeer alledaagsche meisjeskopjes tot nymphen- en godinnen­trekken verheerlijken.

— Mijnheer! laat ik u zeggen, dat het niet hare schoonheid is, waarom ik haar zoek.

Pierre Mignard zag hem even aan en haalde de schouders op. Daarna antwoordde hij: Jonkman, ik ben nu tachtig jaren, maat ik ben ook eens twintig geweest, en ik wenschte wel te weten, wat een jongeling, die verliefd is op eene vrouw, alleen omdat hij haar afbeeldsel zag, anders kan beminnen dan hare schoonheid. Toch niet de stem? want die hebt gij nooit gehoord.

— Helaas, neen, maar…

— Welnu dan, mijnheer, ik kan u niets beters zeggen, dan u te verzekeren, dat gij een hersenschim najaagt. Die Esther daarenboven, en die nymphengroep heb ik voor langen tijd vervaardigd. Ik heb mijn model nooit naar haar naam gevraagd:

ik zag haar nooit dan in mijn huis, en buiten mijne schilderkamer zou ik haar niet kunnen vinden.

— Nu kan men niet ontkennen, dat hij waarheid spreekt; maar hij is ondeugend trouweloos, fluisterde de opmerkster.

— Dus geen adres harer woning? vroeg Anatole met een diepen zucht. En die Psyche?

— Neem ik naar de nymph, dat is doodeenvoudig.

— Maar, mijnheer, door wien kwam zij het eerst tot u?

— Zij werd mij gezonden van den hemel, als eene goede gave ten dienste mijner kunst.

— Nu ja, antwoordde de graaf met een glimlach; maar dat was dan toch door een middel, en dat…

— Middel is dood, viel Mignard schielijk in. En nu, mijnheer De Feuquières, laat dit het laatste woord zijn over dit zotte onderwerp, niet waardig in waarheid, om een kunstenaar van zijn werk te houden, en een edelman, als gij zijt, van zijne gewichtige vermaken. Hoe zouden uwe vrienden lachen als zij wisten, welk een belangrijk onderzoek u naar het atelier van Mignard had heengevoerd.

— Zij weten dat, en zij houden mij voor lichtzinnig en dwaas. Maar dat beduidt niets. Ik trotseer wel wat anders dan hun spot. En daaruit, mijnheer Mignard, kunt gij afleiden, hoe het belang, dat ik hebben moet bij deze inlichting niet gering kan zijn: en daarom bezweer ik u bij alles, wat u het heiligst kan zijn, bij uw talent, bij uwe kunst, bij uw roem, blijf niet zoo, als gij nu doet, met een onmeedoogenden en spottenden blik op mij zien, en verheel mij de waarheid niet, als ik blijf denken, dat gij doet. Die vrouw is niet eene van diegenen wier naam, wier verbluf ons onverschillig kan zijn als men eens met haar in aanraking was. Hebt gij eenige reden om het te verbergen, en ik smeek u, zeg mij die, dat ik ze wegruime! Er hangt voor mij alles van af, mijn leven, mijne toekomst!

— Ja, daar hebben wij het, bromde de grijsaard tusschen de tanden. Zoo eindigen allen tegenwoordig hunne liefdesverklaringen; als het meisje er nu bij was, zette hij zich den degen op de borst. Maar als dat dan doorgestaan is, is de aanval afgeslagen. Overluid zeide hij met een glimlach: Het schijnt dan wel ernstig gemeend, mijnheer!

— Oordeel zelf daarover, naar hetgeen ik u zeggen zal. Ik heb reden te gelooven, dat deze dag de laatste zal zijn mijner vrijheid. Aan den avond van dezen dag zal ik gedwongen worden, iets te doen dat vele machtige en hooge personen beleedigt.

Men heeft mij een huwelijk voorgeslagen dat de koning wil, dat al mijne betrekkingen wenschen, dat mij om vele oorzaken noodzakelijk is tot behoud van mijn rang, van mijne eer. Welnu, dat huwelijk zal ik weigeren aan te gaan, ter wille van de vrouw, die ik nooit heb gezien, nooit gesproken, en wier sprekende gelijkenis gij wedergeeft in uwe voortbrengselen. Meer nog. Na zuk een openlijk tegenstreven van een koning als de onze, van de bloedverwanten mijner bruid, van de mijne, begrijpt gij wat mij te wachten staat, de Bastille zeker, erger wellicht. Welnu, den korten tijd, die mij overblijft, dien ik zou moeten gebruiken tot de noodige schikkingen, dien ik zou kunnen gebruiken tot mijne redding, tot de vlucht, ik besteed dien alleen in navorschingen omtrent de vrouw, die gij kent, uw model; en een enkel mondgesprek met haar zou mij vergoeding geven voor alles, wat ik ga lijden, zou mij redden wellicht… voegde hij er aarzelend bij.

Aha, dat begrijp ik, hernam de stugge grijsaard, die door de geestdrift van den edelman telkens koeler werd. Maar, jonkman, bij eene opgewondenheid, als de uwe, zou dat voor haar zoo gevaarlijk zijn, als hare beeltenis voor u is geweest. Mijnheer de graaf! als gij bij uw volle verstand zijt, waaraan ik twijfel, dan zijt gij ten minste in een toestand van opgewondenheid, die eenige dagen in de Bastille niet gansch onnoodig maakt. Indien gij, om deze te ontgaan, een huwelijk kunt doen, laat dat dan niet ter wille van eene hersenschim, want mijn model zal nooit iets anders voor u zijn. En hiermede wensch ik u kalmte en gezond verstand, daar gij aan beide groote behoefte hebt.

— Mijnheer! gij zegt mij beleedigingen in koelen bloede, doch gij zijt een grijsaard, gij zijt veilig voor mijn toorn; maar is het edelmoedig van uwe zilveren haren een schild te maken, om daarachter een ongelukkigen jonkman te bespotten, die ten minste aanspraak had op uwe deernis. Uw laatste woord, mijnheer! wilt gij mij helpen, kunt gij het?

— Mijn laatste woord. Zoo zij het! Ik weet, waar die vrouw is. Zij bestaat alleen voor mij en voor hen, wie ik hare bekendheid gun, en tot deze zult gij niet behooren. Gij zult haar niet kennen, dan na uw huwelijk, of nadat gij in eenigen kerker van deze grillen zijt genezen.

Een diepe zucht ontgleed hier de borst der luisterende schoone, die onder allerlei aandoeningen getuige was geweest van dit gesprek, die in het eerst met schalkheid had geglimlacht, die naderhand in diepen ernst had geluisterd; die eindelijk hare aandoening nauwelijks meer weerhouden kon, luide uit te barsten, maar die plotseling en voorgoed achter de gordijn verdween bij het heftige: Wat was dat? van De Feuquières, die nog zeide:

— Mijnheer, hoor dit eene: nu ik zeker ben, dat gij weet, heb ik recht om ook te weten.

— En waarop grondt zich dat recht?

— Die vrouw is mijne verloofde, mijne bruid, mijne vrouw!

— En gij zijt — een bedrieger, riep de oude man, die voor het eerst in vuur geraakte. Een bedrieger, mijnheer, of een gek, en voor geen van beiden heb ik mijn tijd langer veil. Hola, Vincent! De bediende kwam.

— Mijnheer wenscht te worden uitgelaten.

Getroffen door de uiterste verbazing, door den heftigsten toorn, door vele strijdige gewaarwordingen samen, wist de jonge graaf nauwelijks wat hij deed, toen hij, na de laatste beleediging, Vincent volgde, die hem medelijdend aanzag en op zijn eigen meester een verdrietigen blik wierp.


Den volgenden middag omstreeks drie uur leidde de jonge schilder Rigaut een meisje door de zalen van Versailles tot in de kleine vertrekken van mevrouw De Maintenon, tot in hare bibliotheek, waar zich deze schrandere en behendige dame alleen bevond met een paar jonge vrouwen, die terstond vertrokken. De geheime gemalin van Lodewijk XIV is meer dan eens afgeschetst; pen en penseel beide hebben zich beijverd, om ons voor altijd in het geheugen te prenten hare groote donkere oogen, welker blik zoo zoet en toch gevaarlijk kon zijn, en aan hare bleekheid, aan hare fraaie handen en armen, zal zij toch zeker niet zoozeer als aan haar geest en hare schranderheid de verovering van het vorstenhart hebben te danken, daar mevrouw De Montespan, die verlaten werd, om de schoonheid der haren beroemd was. Zoo dat… als men haar noemt, niet men haar voor zich met den zwarten kanten—sluier, die het kapsel bedekt, en de witte kanten lubben, die de armen bloot laten en het satijnen sleepkleed van eene onopzichtelijke kleur: en zoo was het ook weder, nu zij daar nederzat bij een langwerpig vierkant tafeltje, waarop het raam met haar tapijtwerk rustte. Zij werkte voort, toen Rigaut binnentrad en zijne beschermelinge aan de hand voortleidde tot bij haar armstoel.

De eerbiedige en toch hoogstwelvoeglijke buiging, welke deze maakte scheen mevrouw De Maintenon, die een vluchtigen blik op haar wierp eenigszins te verwonderen, ten minste zij vroeg, den schilder veelbeduidend aanziende: mijnheer Rigaut. Is die persoon?

Zij, op wie die weinig achtingvolle uitspraak passen moest, zag er echter niet uit als eene zulke, die haar verdiende. Nadat zij zich had opgericht uit de nijging voor de marklezin, bleef ze rechtopstaan, met eene waardige, onbeschroomde houding, waarin zedigheid en rust waren op te merken, en hief het gelaat op, waarvan de zuivere en onberispelijke schoonheld der trekken misschien nog de geringste bekoring uitmaakte, zooveel roerende eenvoud zooveel aanvallige schalkheid straalde u tegen uit die wondervol schoone oogen, van dat elpen voorhoofd, uit dat lachje rondom de frischroode lippen; zij was een weinig bleek, eene bleekheid die zij niet als menige harer tijdgenooten door blanketsel verholpen had, maar die door een zacht blosje verlevendigd werd, zoo vaak eene lichte gemoedsbeweging slechts haar aandeed. Hare kleeding was naar de mode van den tijd; de kleuren juist gekozen om elke harer schoonheden recht te doen, en van zoodanige rijke stoffe, dat het gemis van nutteloozen, overvloedigen tooi eer moest worden toegeschreven aan goeden smaak, dan aan bekrompenheid. Haar donker blosje en een licht samentrekken van den mond bewezen, dat zij het bittere gevoelde van het woord der markiezin.

— Mevrouw de markiezin! het is mejuffrouw…

— ‘t Is wel, mijnheer! viel De Maintenon snel in, en een blik slaande op eene dier groote pendules met veel verguld—, lof— en beeldwerk, en eene groote porseleinen wijzerplaat, geplaatst op den schoorsteenmantel, zeide zij: Het is drie uur! de koning zal weldra hier zijn.

— Edele vrouw! begon nu het meisje; ik wenschte eenigszins te kunnen uitdrukken de verplichting, die ik jegens uwe edelheid gevoele, en mijne groote dankbaarheid… dat zij mij wil toelaten…

— Ik doe slechts mijn plicht, mijn kind! hernam de vriendin des konings, en telde de steken op haar patroon. De graaf De Feuquières is zeker een te hoog geplaatst misdadiger, dan dat gij langs den gewonen weg recht tegen hem verkrijgen zoudt.

— Maar het is juist, om hem te redden, mevrouw! dat ik mijne schuchterheid overwon, en de hulp van mijnheer Rigaut inriep tot dezen stap, zeide de jonge vrouw, De markiezin schudde zachtjes het hoofd. Zoo zij plan had iets te antwoorden, werd zij daarin verhinderd door het openen van de glazendeur op den achtergrond van het vertrek, en het binnentreden van Lodewijk XIV zelven, die zijn hoed afnam, om mevrouw De Maintenon te groeten; de twee edellieden van zijne kamer die hem tot daar vergezeld hadden, traden niet mede binnen. De markiezin groette door op te staan en met eene buiging, en scheen willens, een armstoel aan te schuiven, doch eene snelle beweging van Lodewijk verhinderde haar dit; hij nam dien zelf. Hoewel hij reeds twee-en-zestig jaar bereikt had, was de gestalte des konings nog frisch en krachtig; en veel later eerst zoude hij de gebreken des ouderdoms te verbergen hebhen. Zijn fier en scherpzinnig gelaat droeg ook toen nog niet die trekken van verdriet en verveling, welke het later kenmerkten, toen hij geheel zijn bloeiend en talrijk kroost, van zonen af tot kleinzonen toe, om zich henen zag wegvallen, en alleen staande bleef, als zwakke grijsaard tegenover een vijfjarig kind! De groote rouwtijd, die met de Dauphine aanving en met den hertog van Bourgondië eindigde, was nog niet ingegaan; de hand des Heeren drukte nog niet zoo zwaar op de schouders van dezen trotschten aller vorsten, dat hij die voelde, en samenkromp van weedom, en toch lag er nu op zijne trekken eene tint van verdriet en ontevredenheid, die hunne gewone statelijke strengheid verhoogde. Hij bleef zijn rotting vasthouden met beide handen terwijl hij zat, en zweeg eene lange wijle; eindelijk zeide hij: — Vergiffenis, mevrouw, ik vroeg nog niet naar uw welstand. Ik heb mij geërgerd. Er zijn weer nieuwe dwaasheden voorgevallen met den jongen Feuquières; gisterenavond heeft hij hardnekkig geweigerd, zijn naam te teekenen onder het huwelijkscontract. De kolonel is wanhopig. Wij zijn gedwongen, zijne historie in de Palts te gelooven. Hij zou reeds gestraft zijn, maar hij blijft zoo ernstig volhouden, dat hij zich zou kunnen verdedigen, als men hem toestond, zekere vrouw te zien, die de schilder Mignard tot model gebruikt, dat wij hem niet willen veroordeelen, zonder te weten, in hoeverre dat voorgeven waar kan zijn. Men heeft om Mignard gezonden. Nu wordt er verteld, dat deze wel de zonderlingste grompot is, die ooit door zijn penseel zijne luimen goedmaakte, en dat het niet onmogelijk is, dat wij hier tegenstand ontmoeten zullen…

— Neen, Sire! aan het verlangen van uwe Majesteit kan ik voldoen, ik reken het mij tot een geluk u voor te komen. Het meisje is hier. — En de markiezin wenkte Rigaut en de jonkvrouw, die zich bescheiden geheel ter zijde hadden gewend bij het binnentreden van den koning.

— Zij heeft dringend gesmeekt Uwe Majesteit te spreken; zij schijnt in staat te zijn, vele ophelderingen te geven in dit zonderlingc geval, kan het zijn, Sire?

— Waarom niet? Goeden dag, mijnheer Rigaut! wanneer zult gij ons het portret van de markiezin te bewonderen geven? — En zonder het antwoord van den schilder af te wachten, vervolgde hij tot het meisje: Kom nader, juffertje, en geef inlichtingen omtrent het vreemde gedrag van den graaf De Feuquières!

De jonge dame antwoordde slechts door zich neer te werpen aan de voeten van den koning, met eene zoo zachte mengeling van waardigheid en ootmoed, dat in waarheid ieder haar op den eersten blik zou herkend hebben voor het oorspronkelijke van de bewonderde Esther, en Mignard eerder hebben berispt, dat hij beneden zijn model was gebleven, dan dat hij het gevleid had. Er sprak ten minste meer ziel uit hare oogen en er lag meer vasten moed op haar voorhoofd. Mijn koning, begon zij zacht, doch zonder aarzeling, ik weet niet waarvan men den graaf beschuldigt, maar ik onderstel, dat hij boven alles noodig heeft, de waarheid te spreken zonder achterhoudendheid en het is om hem deze vrijheid te geven, dat ik hier ben; maar het is ook de bescherming van Uwe Majeisteit in te roepen,
zoo die waarheld mij vervreemden mocht van mijne natuurlijke beschermers.

De bewondering van Lodewijk bij het aanschouwen harer uitstekende schoonheid steeg tot eene zeldzame belangstelling bij de wijze, waarop zij hem aansprak.

— Lieden van uwe soort plegen zich niet zoo uit te drukken, zeide hij; sta op, kind, en zeg ons uw naam, uwe afkomst.

— Louise Mignard! dochter van den schilder, — antwoordde zij met eenvoudigheid.

— Dus niet het model!

— Ook dat, Sire! mijn vader gebruikt mij gewoonlijk daarvoor, als hij engelen, deugden of godinnen heeft af te beelden, voegde zij er bij met naïveteit.

— Dat geloof ik gaarne, hernam Lodewijk met een glimlach tegen mevrouw De Maintenon. Maar zie, dat geeft de zaak reeds terstond eene betere houding. De dochter van den ridder Mignard die zich leent tot de kunst van haar vader, is geheel iets anders, dan een van de wezens, die zich ter beschikking stellen voor elken schilder… Hij hield zich in, zag de markiezin aan, en trachtte in hare trekken te lezen, toen hij voortging: dat verontschuldigt onze jongen wildzang…

— De dochter van den ridder Mignard zou den graaf De Feuquières kunnen huwen! was de beslissing der schrandere, dame. Er zijn grootere afstanden door de liefde overgesprongen.

— Of geëffend door groote deugden, sprak de koning hoffelijk op denzelfden toon, en tot Louise zeide hij:

— De graaf De Feuquières schijnt tot u in eenig betrekking te staan, mejuffrouw Mignard: valt het u moeilijk, ons te zeggen, welke?

— Volstrekt niet, Sire, antwoordde zij opgeruimd. Wij voerden eene innige en gemeenzame briefwisseling, vele maanden lang.

— Menige ernstige genegenheid is op die wijze begonnen, zei de koning, altijd weder zijne vriendin aanziende, die hare groote zwarte oogen nog dieper nedersloeg dan gewoonlijk.

— En dat heeft hem dus verhinderd, zijn huwelijk met mevrouw De Pharsin te voltrekken, denkt gij? vervolgde hij tot Louise.

— Dat durf ik niet beslissen, antwoordde zij, hoog blozende; indien de graaf hier voor zich zelven konde spreken…

— Gij hebt gelijk, kindlief! en dat is zeer gemakkelijk. De graaf wacht onze bevelen in de salle des Gardes. Wij zullen hem hier doen komen, als gij het veroorlooft, mevrouw!

De markiezin gaf hierop geen antwoord, dat ook niet verlangd werd, want de koning schelde en liet het vereischte bevel geven aan den kapitein der Garde, die hem tot in de antichambre was gevolgd. Rigaut kreeg zijn afscheid met deze
woorden:

— Gij hebt deze jonge dame een dienst bewezen, waarvoor wij u danken; morgen hopen wij u te spreken.

Gedurende den tijd, die er verliep, eer de held van het blijspel zou binnentreden, bleven allen zwijgen, indien men ten minste een paar korte woorden uitzondert, die de koning over onverschillige zaken wisselde met zijne vriendin. De graaf De Feuquières zag zeer bleek; hij had het hoofd gebogen, maar zijn gang was vast, en schoon hij zich in ootmoedige houding voor zijn vorst plaatste, was het geenszins met die kruipende laagheid, waarmee de zonde genade afvleit van hem, die haar lot in handen houdt. Hij wist, dat de koning misnoegd op hem zijn moest, en hij wachtte eenig hard verwijt, eenige vreeselijke uitspraak.

Door de plaatsing van de deur had hij, evenmin als Lodewijk zelf, bij het binnentreden de jonkvrouw kunnen opmerken, en nu stond hij met den rug naar haar toegekeerd. De koning wenkte haar naast hem te komen: zij gehoorzaamde vlug en zacht, met dat schalke lachje, waaruit ieder Mélicerte had herkend.

— Graaf, zeide de koning, — wij hebben u alleen geroepen, om van u te weten, in welke betrekking gij staat tot mejuffrouw Mignard?

— Mignard! herhaalde de graaf met een zucht; zulk eene vrouw ken ik niet Sire.

— Dat is vreemd, mijnheer! Zie op en zeg mij, kent gij deze dame niet? — De koning had Louise bij de hand gevat en bracht haar vlak voor hem.

De graaf bleef als verblind staan. Hij bracht de hand aan het voorhoofd met eene beweging van verwarring. Louise, riep hij eindelijk; Louise, ik ben Feuquières! Herkent gij mij? staat gij eindelijk levend voor mij? — Mag ik eindelijk die hand… en hij wilde hare hand kussen, maar Louise trad eenigszins schuchter achteruit.

En de koning zeide. — Hoe, mijnheer de graaf, in onze tegenwoordigheid — en vóórdat gij hebt opgehelderd, welke rechten gij hebt op die schoone jonkvrouw?

— Die van een verloofde, Sire! Zij is mijne bruid, mijne vrouw, als het Uwe Majesteit behagen mocht!

— Uwe bruid, hernam Lodewijk, lachende: Maar gij zijt dan een don Juan! Dit is reeds uwe derde bruid, van welke wij hooren.

— De derde! riep Louise, en trad nog meer achterwaarts.

— Mevrouw Clarisse de Pharsin was het gisteren, Uwe Majesteit vergeve mij de vermetelheid, maar zij is het niet meer, sprak Anatole snel.

— De heldin van de Paltsischc intrigue moet toch iets dergelijks zijn geweest, hertjam de koning streng; ditmaal mijnheer, willen wij alles weten, alles opgehelderd zien — gij hebt gezegd, u te kunnen rechtvaardigen, als het model van Pierre Mignard voor u stond. Uw wensch is vervuld, graaf! doe nu uw plicht!

— Mag ik, kan ik? vroeg Anatole, met onrust Louise aanziende.

— Ja, zeide zij, ik ben hier, om u die vrijheid te geven.

— Sire! mag ik dan eenige oogenblikken uwe aandacht vragen, begon de graaf vergenoegd en bedaard. Er heeft een zoodanig huwelijk plaats gehad in de Palts, als waarvan het gerucht tot Uwe Majesteit is doorgedrongen. Doch de man, die zich liet vereenigen met een Luthersch meisje, was volgens de wetten der Protestantsche kerk daartoe gerechtigd, want hij was Hugenoot, Sire!

Mevrouw De Maintenon zuchtte en sloeg haar treurigen blik ten hemel. De koning fronste de wenkbrauwen.

— Hij was Hugenoot, Sire! en behoorde tot die sekte vóór de herroeping van het edict van Nantes, vervolgde de graaf met vastheid. Die jongeling liet zich noemen de ridder Nicole, en hij vervalschte zijn naam niet — hij heette zoo — slechts Mignard had hij er moeten bijvoegen — zooals ik nu eerst ontdekte, want hij was de broeder van deze dame! Ik onderstel, dat hij den beroemden naam zijns vaders wilde sparen. Hij was reeds een geruimen tijd de gastvriend van de Paltsische familie, die nader hand de zijne werd, toen ik er huisvesting vond. Wij werden vrienden, ondanks menige tegenstrijdigheid van denkbeelden en van stand, want hij was kunstenaar en was tegen den krijgsdienst uit beginselen; maar hetgeen mij het meest tot hem trok, was hetgeen hij mij somtijds vertelde van zijne jongste zuster, van hare schoonheid, hare zeldzame huiselijke deugden, haar geest, hare schranderheid en hare zedigheid; eigenschappen, die met mijn ideaal eener toekomstige echtgenoote volkomen overeenstemden. Neen, mejuffrouw, gij moogt mij bij mijne verdediging niet in de rede vallen. Hij las mij gansche bladzijden voor uit hare brieven. — Hij schonk mij een klein miniatuurportret, dat hij van haar bezat — ik haalde hem over, om haar het mijne toe te zenden. Hij klaagde dat zij leed onder den dwang van een harden, zonderlingen vader, die haar alle kennismaking met jongelieden onthield, en die besloten had, haar nimmer uit te huwen bij zijn leven. Ik vond dien toestand beklaaglijk en belangwekkend beide. Ik waagde op zekeren dag een woord, dat zij haar broeder over mij zeide, te beantwoorden. Ik smeekte haar om de vertroosting eener briefwisseling. Zij weerstreefde eene poos, en gaf eindelijk toe, daar zij onpartijdige berichten wilde hebben omtrent de aanstaande echtgenoote van haar broeder, eene verbintenis, die de jonge Nicole, om vele redenen, die ik nu beter begrijp, voor zijn vader verborgen hield — die zelfs niet wist, noch weten mocht, waar hij zich ophield, en die hem in Champagne waande. Onze briefwisseling duurde voort, zoolang Mignard bij mij bleef, werd uitvoeriger, inniger… maar vergeving, Sire zij is niet mijn geheim alleen… Ik wist naam noch adres mijner vriendin, en hij weigerde hardnekkig, een van beide te geven, overtuigd, zeide hij, dat ik de eene of andere dwaasheid zou doen, die haar vader verbitteren moest en haar lot niet verzachten. Terstond na zijn huwelijk vertrok hij met al de zijnen; ik zelf haastte mij toen ook, om mijn vaandel te volgen, en ik hoorde niet meer van den vriend, om wiens wil ik toch zooveel zoude moeten lijden. Dat verdriet begon reeds in mijn regiment: men lachte veel over mijn lang verblijf bij zoo schoone gastvrouwen: het hart vervuld met eene ernstige genegenheid, glimlachte ik en liet ze praten; in het einde beleedigde men in mijne tegenwoordigheid de vrouw van mijn vriend door hatelijke gissingen. Ik was genoodzaakt hare eer te verdedigen; tegelijk met de mijne — Sire, vergiffenis! mijn meester, monseigneur de Dauphin heeft mijn gedrag in dezen niet misprezen. De koning wenkte hem aanmoedigend, om voort te gaan.

— Wat dit echter zijn moest ter versterking van zeer onaangename geruchten, ondervond ik weldra bij mijne terugroeping naar Parijs, daar ze zelfs tot Uwe Majesteit, tot mijne geliefdste bloedverwanten waren doorgedrongen, en daar geen beroep op mijn karakter, op mijne beginselen, geene eeden zelfs ze vermochten tegen te spreken. Met een vriend te verraden had ik mijzelven kunnen rechtvaardigen, doch welk edelman had zich tot den prijs van zulk eene laagheid willen redden? te meer, daar hij mij gezegd had, nog ter regeling zijner zaken voor eene poos naar Frankrijk te moeten wederkeeren, waar hij om zijne godsdienstige gevoelens niet voor vervolging vrij zou blijven, zoo men op hem opmerkzaam werd, en daar hij mij beloofd had, mij door een brief van zijne zuster kennis te geven van zijne ontkoming naar buitenslands. Zoodra hem die gelukt ware, zou ik de vrijheid gekregen hebben tot mijne verdediging. Die vurig verlangde tijding kwam niet; ik had slechts één middel om mijne onbekende vriendin uit te vinden: haar miniatuurportret; maar dat was eene zoo onzekere kans, dat ik niet eens meer hoopte en in eene soort van verdooving en uitputting van geest verviel, die het den kolonel De Pharsin mogelijk maakte, om mij over te halen tot den eenigen stap, die hem toescheen, mij te kunnen redden, tot een huwelijk met zijne kleindochter. Wat ik geleden heb, en zonder hoop, beschrijf ik niet. Leven en dood, beide waren mij onverschillig, toen op eens de schilderij van Mignard, het beeld der schoone Esther, mijne hoop ontvonkte mij weer moed en belangstelling gaf in het leven.

Men heeft Uwe Majesteit zeker ingelicht van de stappen, die toen af gedaan heb om mij te kunnen rechtvaardigen, en tegelijk de eenige vrouw te zien, die tot mijn hart was doorgedrongen en daarop aanspraak behield. De harde en zonderlinge luim van mijnheer Mignard stelde mij echter teleur; met één woord had hij mij het geluk kunnen hergeven, de ergernis wegnemen die ik heb moeten veroorzaken, en, ik durf het zeggen, op eene eervolle wijs het lot van zijne beminnelijke dochter verzekeren; want, behoef ik u te zeggen, Sire? — Mejuffrouw — zoo gij u mijne laatste brieven herinnert, kunt gij er an overtuigd zijn; ik had een eerlijk en oprecht aanzoek gedaan om de hand van zijn onvergelijkelijk model. Nu wij zijne tusschenkomst niet meer noodig hebben ter opheldering, zoude en woord van Uwe Majesteit zeker alvermogend wezen, om eene andele hoofdigheid van dien schilder te buigen!…

— En mevrouw De Pharsin, en al hare bloedverwanten, die gij hebt beleedigd en die zich aan mij gewend hebben om voldoening…

— Mevrouw De Pharsin wist vooruit, dat ik haar niet beminde, was zelfs ingewijd in het geheim mijner weigering, dat haar dus niet zeer getroffen heeft. Hare bloedverwanten, Sire! hebben niet veel reden, om recht te vragen tegen mij.

Haar grootvader, mijn voogd, die ons beide belangen beter had moetcn doorzien, was ingelicht van mijn toestand, hem had ik gebeden, het huwelijk, waarin ik voor het oogenblik moest toestemmen zooveel het zijn kon, te verschuiven, hij was gewaarschuwd, zelfs tegen eene uitbarsting zoo hij te snel was, en toch! Sire, en toch wist hij van Uwe Majesteit de onderteeke­ning van het contract te verkrijgen.

— In dien zin is het schandaal zeker aan de zijde van mijn ouden kolonel, die het echter met goede bedoelingen verwekte. Hij miskende u, gelijk wij, gelijk allen. Jonkman, uwe verbnntenissen met dien Hugenoot uw aandeel aan zijn schuldig huwelijk — hij een geboren Franschman met eene vreemde ketterin, zijn zeker niet onberispelijk — maar gij zijt daarvoor reeds genoeg gestraft door hetgeen gij geleden hebt. Wij vergeven u alles. En gij, mejuffrouw! voegde Lodewijk er glimlachend bij.

— Ik — Uwe Majesteit — indien ik niet gisteren achter de gordijn in mijn vaders atelier zijne nederlaag had beluisterd, zou hem niets vergeven; hij heeft in zijne biecht veel te lichtzinnig gesproken van de dwalingen mijns broeders en veel te hard van de luimen mijns vaders, die daarvoor zijne goede redenen kan hebben.

— Gij zult dus den graaf nog wel eene boetpredikatie houden, die wij hem sparen. Gij bewijst u eene zoo goede Katholieke, en eene zoo goede dochter! gij zult zeker eene te goede zuster zijn, om ons te zeggen, waar uw broeder zich bevindt, dat gij hem voor volkomen veilig houdt?

— Zijn laatste brief was uit Zweden, Sire! zijn schoonvader heeft daar eene plaats gevonden, en hij zelf maakt de portretten van de schoone Stokholmsche dames. Maar ik smeek u, Sire! laat dit een geheim blijven, mijn arme vader zoude van verbittering sterven, en stervende zou hij hem vloeken, zoo hij wist, dat…

Een der edellieden, die den koning vergezeld hadden; vertoonde zich nu voor de half geopende glazendeur.

— Wat is er, mijnheer De Behringen? vroeg de koning.

— De ridder Mignard, dien Uwe Majesteit heeft ontboden…

— Laat hem binnenkomen, zei de koning; dat brengt al onze personen op hetzelfde tooneel, als in het laatste bedrijf eener comedie van Molière. Zoo wij den kolonel De Pharsin noodig hadden, die is in de salle des valets de pied.

De schoone Louise was niet zonder onrust, toen zij haar vader zag naderen, doch een blik van Lodewijk bemoedigde haar. Wij weten niet, hoe de oude, zonderlinge kunstenaar zou zijn binnengetreden, en op wat wijze hij zijn tegenzin in hofmanieren met den verschuldigden eerbied voor zijn koning zou vereenigd hebben; maar Lodewijk, die — hoe streng hij ook zijn mocht op de eischen der etiquette tegenover zijne hovelingen — de achting voor het talent zoo waarachtig gevoelde, dat hij zelfs daaraan zonderlingheid en grilligheid toegaf — maar Lodewijk XIV, die van een pauselijken Nuntius en van een Doge verootmoediging had geëischt, voorkwam den knorrigen kunstenaar, door naar hem toe te gaan, hem op den schouder te kloppen en hem met goedheid te zeggen:

— Hoe nu, papa Mignard! waarom wilt gij uwe dochter niet tot gravin De Feuquières maken?

— Dat is mjj nog niet voorgesteld! zei de grijsaard, groote oogen opslaande naar zijne Louise, die zich een weinig ondersteunen liet door den arm van De Feuquières.

— Zoo doe ik het! zie, zooals ze daar staan, zal het een aardig paartje zijn, dat mijn hof eere zal aandoen.

En mijne schilderkamer ledig zal laten van mijn allerkostbaarst model!

— O, mijnheer Mignard, gij behoudt de kopieën! zei De Feuquières schalk.

— En daarbij zult gij voortaan niet meer zooveel in uw atelier bezig zijn, ten minste zoo gij op ons verzoek de ambten en waardigheden aanneemt, welke de dood van mijnheer Le Brun heeft doen openvallen, sprak de koning.

— Ik zal er niet lang plezier van hebben, Sire! ik ben tachtig jaar geworden! hernam de kunstenaar, en daaruit moest men begrijpen dat hij had aangenomen,

— Wij hopen het tegendeel, hernam Lodewijk glimlachend, de galerij bij de groote trap — zij zal uw naam voeren — moet nog voltooid worden, ook is er nog veel in orde te brengen op St. Cloud.

— Juist, juist mijn koning! viel de kunstenaar met levendigheid in, door het denkbeeld aan belangrijken arbeid opgewekt, en Uwe Majesteit alleen heeft meer smaak, dan al de hovelingen samen; ik zal haar raadplegen, wij zullen het samen vinden.

— Ik twijfel daaraan niet, mijn goede Mignard, hernam Lodewijk; maar doe mij nu een dienst, en zeg mij, waarom gij zoo hardnekkig hebt geweigerd dien armen graaf De Feuquières uit zijne onzekerheid te redden.

— Sire! zuchtte de grijsaard, gij eischt eene zware bekentenis, maar allen, die hier zijn, mogen het hooren. Nu ik den graaf miskend heb, moge het mijne boete zijn.

— Ik heb vier kinderen. Mijne oudste dochter liet zich door fraaie jonkers, die niet van haar stand waren, zoo lang vertellen van hare schoonheid, tot — ik haar in een klooster moest begraven, om haar tegen zich zelve te bewaren. Mijn oudste zoon wreekt aan mij, op mijn ouden dag, mijne ongehoorzaamheid aan mijn vader, die mij tot geneesheer bestemde, terwijl ik schilder werd. Hij is van mij weggegaan, zonderdat ik de reden weet van dit verlaten en bevindt zich nu in Champagne bij de bloedverwanten zijner moeder; mijne tweede dochter huwde een man beneden haar stand, die geen begrip heeft van kunst en dien ik mijn huis heb moeten ontzeggen; mij bleef niets over dan mijn jongste kind, dat ik als mijn eenige beschouwde, waaraan ik mijn lust en mijne vreugde had, die voor mijne kunst, en voor mijne huishouding, voor mijn hart zoowel als voor mijn verstand onontbeerlijk was; ik meende, dat het niet te veel zou de zijn, van de vier kinderen een enkele voor mij te behouden. Ik besloot, dat zij niet zoude huwen, dan wanneer ik haar ontberen kon in het graf; te eerder moest ik haar hart en hare schoonheid bewaren tegen vleiers en aanbidders van allen rang, maar bovenal voor dezulken, die hare zuster voor mij hadden doen sterven. Ik kon den graaf voor niets anders houden, en zijne bedoelingen voor geen betere — hoe sterker hij aandrong op hare kennismaking, hoe meer ik meende te moeten volhouden met hare onbekendheid. Ziedaar alles, mijn vorst! men heeft mij verrast en bedrogen, maar misschien was mijne eigenliefde strafbaar, en als deze jonge man nu het kind gelukkig maakt, dan zal ik in de kunst maar mijn troost zoeken voor het verlies van mijn model. Alleen gij, juffer! zult mij zeggen, hoe gij zoo schielijk naar de zijde van den vijand zijt overgegaan.

— Ik sta u in voor hare openhartigheid, sprak de koning, maar gij zult mij verplichten, dat alles af te doen in het hotel van den graaf; wij hebben reeds te lang van het geduld der markiezin misbruik gemaakt.

De Feuquières was hoveling genoeg om dien wenk te begrijpen; hij nam zijne bruid bij de hand, en kuste de hand van den koning met de eerbiedigste dankbaarheid; Louise, die hetzelfde wilde doen, werd door Lodewijk op het voorhoofd gekust; mevrouw De Maintenon volgde dit voorbeeld, en de oude schilder had zich door die eerste hofgunst reeds zoo van zijne barsche manieren ontdaan, dat hij eene diepe buiging maakte, voor den koning niet slechts, maar zelfs voor de markiezin, eer hij zijne kinderen volgde.

— Gij zij vermoeid, Sire? vroeg De Maintenon den koning aanziende.

— Integendeel, mevrouw, ik heb mij in lang niet zoo wel bevonden; ziedaar een uur doorgebracht zonder verveling, en dat ik u weder dank, voegde hij er hoffelijk bij, doch men is gewend bij u zijneverwachting overtroffen te zien.

— Gij dan dat het model van Pierre Mignard, hernam de dame zediglijk.

Was Mignard zelf daaraan ook verschuldigd de eindelijke belooning zijner verdiensten, waarvan hij nog vijf jaren lang genot had? Voor de eer van Lodewijk XIV gelooven wij het niet; maar het heeft zeker zijn roem geene schade gedaan, dat hij eene gravin De Feuquières tot dochter had.

Clarice Pharsin kreeg St. Ruth tot minnaar en den maarschalk De V… tot echtgenoot op denzelfden dag.
De kolonel De Pharsin was de eenige die reden had om onvergenoegd te zijn over de uitkomst; maar hij was edelmoedig genoeg, om De Feuquières zijn verdriet te vergeven, en zich te verblijden met den blijde.

1843.


Ingezonden op: 19 July 2001