EEN VADER.


»Het zijn niet alleen de moeders, die hare kinderen liefhebben met onbegrensde kracht; met die liefde, welke tot opofferingen leidt, die zij alleen kunnen uitdenken en volvoeren; er zijn ook vaders, die hunne kinderen zeer liefhebben kunnen; er zijn vaders, die moederlijk teeder kunnen zijn. Het is onuitsprekelijk, welk een schat van liefde hunne ziel dan bevatten kan; dan beminnen zij met al de kracht van den mannengeest; maar die kracht ontaardt in weekheid; datzelfde heilige gevoel, hetwelk der vrouwen eene bovennatuurlijke sterkte geeft, maakt hen zwak. De vader wordt vrouw; de moeder wordt man. Het is geen doorgaande regel, dat de vaders juist altijd de zonen het meest beminnen. Die zoo doen, zijn niet de teedersten; zij beminnen om een naam en voor de toekomst. Maar de meest belangelooze en sterkste is de liefde van een vader voor de dochter. Hij bemint in haar ook nog het zachtere geslacht; hij bemint in haar nog weder de vrouw zijner eerste liefde; hij heeft voor haar den eerbied, dien hij harer moeder verschuldigd is, zelfs dan als hij dien aan deze weigert. Ik heb een vader gekend, die zijne dochter liefhad.”

Als ik den lezer verhalen wilde, op welke wijze ik in kennis geraakt ben met den man, die zoo sprak, en die vertelt hetgeen men nu zal lezen, of wanneer en hoe en waarom hij het mij mededeelde, dan zou het mij niet veel moeite kosten hem met die inleiding zoo te vervelen, dat hij mij al het overige kwijt
schold; bijgevolg zal het goed zijn, zoo men mij eenvoudig weg gelouft, als ik zeg, dat het mij verteld werd, en dat ik nu behoefte heb het aan anderen over te brengen. En nu, hoor mijn vriend.

In den herfst van 1815 riep mijne betrekking mij tot eene reis naar de Friesche hoofdstad. Ik weet niet, waarom de Friezen, die zich zoo goed op vele dorpen verstaan, niet ook een weinig werk maken van de wegen, welke er heenleiden; misschien is dat wel, om ze gelijken tred te doen houden met de herbergen, met de huurrijtuigen, met… met…; dan genoeg, ik vermoed, dat dit nu alles beter is; maar in 1815 heb ik van beide nog ergerlijke ervaringen opgedaan.

Het gebeurt meer, dat er ongemak komt aan een huurrijtuig op een weg, die slechts eene afwisseling is van diepe drassige kolken en vaste steenharde knobbels van ondoorrijdbare klei; het gebeurt meer, dat zulk een ongeval plaats heeft in een dorp, waar een wagenmaker en eene goede herberg onder de pia vota behooren; maar onder zulke wanhopige bijomstandigheden als die waren, toen dit mij overkwam, heeft zeker wel nooit een reiziger in een bewoond oord van Nederland gezucht. Mijn koetsier was wel de lompste en onhandelbaarste paardenmenner, die ooit op een bok gezeten had; mijn rijtuig had dieper wonde gekregen, dan in één dag door een dorpswagenmaker zou te herstellen zijn, en een kunstenaar, zooals ik daar noemde, was eerst op uren afstands te vinden. Niet een der witharige boerenjongens, die bij de catastrophe om ons heengaapten, was er toe te bewegen den voerman behulpzaam te zijn, om het daarheen te brengen, en de herberg… De herberg zag er zoo onherbergzaam uit, als ooit een taphuis, met geen ander verblijf voor de gasten, dan eene holle, morsige gelagkamer, die tegelijk tot een woonvertrek voor een huisgezin dient, er uitzien konde. En dan de kasteleinsche! Als gij u voorstelt, dat zij het gewone hoofdsieraad der Friesche vrouwen, dat bij eenige welgesteldheid reeds goud is, van zilver droeg, zoo verdacht als het goud van een kruideniersleerjongen, die Paaschmaandag gaat houden; dat zij, in plaats van de heldere kanten muts, over het zwarte kalotje een roodbonten doek had vastgeknoopt; als gij het lange greinen jak gezien hadt, dat zwart geweest was, maar nu zeer goed roodbruin kon heeten, als gij op dien blauwen wollen rok en dat blauw linnen voorschoot hadt gelet, gij hadt mij beklaagd, als er nog eenig gevoel van menschelijkheid in u huisde, want gij hadt aan mijn middagmaal gedacht; en dan te weten, dat ik zou moeten eten, slapen, ontbijten, weder eten, weder slapen, nog eens ontbijten, in dit repaire impur et sinistre!

— Maar hebt gij dan niets voor mij, om verder te komen, geen rijtnig, geen enkelen wagen? vroeg ik in wanhoop; want ik kende in mijzelven geen fonds van lijdzaamheid, om dit martelaarschap te dragen,

Het antwoord van de vrouw, dat mij als Anglo-Saksisch in de ooren klonk, en waarvan ik niet veel meer verstond, dan dat ik iets onmogelijks had geëischt, bracht mij tot het uiterste. — Maar, beste moedertje! slechts een hooiwagen! riep ik.

— Zelfs niet voor den grietman! antwoordde zij.

De grietman! dat was eene ingeving! De grietman, dat moet een edelman zijn, een fatsoenlijk man, die al het bittere van mijn toestand zou kunnen beseffen, en die hoffelijkheid genoeg zou hebben, om er in te voorzien; die misschien niet geheel ontaard zou zijn van de gastvrijheid zijner voorvaderen; die mij ten minste met goeden raad dienen kon. Als men veel reizen moet, begint men eene zekere vrijpostigheid te krijgen in het aanspraak maken op de hulpvaardigheid van anderen; men ontmoet dan ook zoo menigeen, die ons aan het overige menschdom doet gelooven, De grietman was een ambtenaar van den staat, en ik reisde in ambtsbetrekking; hij zou mij helpen. Maar eene andere zwarigheid viel mij in; het was herfst, hij zou reeds in de hoofdstad zijn.

— Woont uw grietman hier in den omtrek?

— Te Tjerkstra-State, was het korte antwoord.

— Is dat ver van hier?

— Krek over ’t Grietenijhuus. Ik was nog niet veel verder.
— Kan ik het beloopen?

Waarom sud jou niet, als jou loopen wille?

— Lief kind! sprak ik toen tot een blauwoogig meisje met roode wangen en roode armen, die mij half vrijpostig, half schaamachtig had staan aankijken, wilt gij mij naar den grietman brengen? Zij schudde van neen, en wilde wegloopen. Dat lag niet in mijne meening; ik vatte haar bij den zoom van haar voorschoot, en liet haar den zilveren sleutel zien, die alle monden en alle voeten in beweging brengt.

— Wilt gij? vroeg ik weder. Zij schudde nogmaals; maar nu had ik de moeder tot bondgenoote. Sjoukje dou muste mit menheer gaan, was haar bevel. Ik verlangde niet beter. Ik liet mijn voerman haspelen met de boerenjongens, die hem stonden uit te gniezen, zooals hunne eigene taal dat niet onaardig uitdrukt; luisterde niet naar het schimpwoord: Hollander, dat zij mij achterna zonden, en was vluchtig voort met mijne bloode twaalfjarige gids.

— En hoe heet uw grietman? vroeg ik, nadat wij eenigen tijd waren voortgegaan; want ik diende toch den naam te weten van hem, dien ik ging overvallen.

— Jonker Ulbo Lieuwestins toe Tjerkstra, sprak het kind dat den moeielijken naam grif scheen van buiten geleerd te hebben. Ik hoorde, dat ik gered was. Een jonker Lieuwestins had een korten tijd gediend bij de compagniegardes d’honneur, met welke ik naar Frankrijk had moeten trekken. Het kon dezelfde zijn; hij zou zich zijn vorigen luitenant herinneren, het kon ook slechts een bloedverwant wezen, en in 1815 was dat toch nog eene aanbeveling: een krijgsmakker van een neef. Ik had dus heel veel moed gekregen, en toen de korte weg was afgelegd, en ik met Sjoukje op het voorplein stond, en het groote adellijke heerenhuis, dat nog geheel het voorkomen had van eene Stins uit de tijden der Podestaten, tegenover mij zag, gaf ik het kind ijlings de beloofde belooning, met al de opgeruimdheid van een schipper, die in de haven den loods uitzet. En snel ook ijlde het Friezinnetje voort, en even snel hief ik den zwaren ijzeren klopper op van de donkere, hechte, rondom met spijkers beslagene deur. Daar heerschte eene doodsche stilte rondom het somber grootsche gebouw; was het dat zwaarmoedige donkergrijs van die muren, of de dreigende klauwen van die dieren, welke tot geen bekend ras behoorden, en die dat trotsche kleurrijke wapenschild omhoog tilden; of was het de afwezigheid van ieder levend wezen op het ruime verlatene plein, waar zelfs geen hiemhond, die gewone Cerberus op elke Friesche hofstede, mij aanbaste? Ik weet het niet; maar er was iets, dat mij eene doffe beklemdheid gaf, zoodra de daad, die mij aanmeldde, onherroepelijk geworden was. Een bejaarde, statige bediende, zonder livrei, maar in diepen rouw, deed mij open; ik had lang gewacht, en blijkbaar had hij een dienst vervuld, waartoe hij niet geroepen was; want ik zag een jongeren man toeschieten, om hem te vervangen. Ook deze droeg, doch bij de livrei van zijn meester, het zwarte floers des rouws. Ik was dus ingegaan in een huis van klachte en geween. Slecht voorteeken! ik hield zooveel van vroolijkheid.

— Is mijnheer Lieuwestins te spreken? begon ik.

— Neen, mijnheer!

— Voor een oud vriend toch zeker wel?

— Mijnheer ontvangt zijne vrienden niet meer.

Dat was sterk! ik kon niet hopen eene uitzondering te maken.

— En toch verzoek ik u mij aan te melden, sprak ik stoutweg, tenzij er een lijk boven aarde sta.

— Mevrouw is reeds sinds lang gerust; maar mijnheer is…

— Uw heer zal zich verheugen mij te zien, viel ik hem in. Zeg hem, dat een krijgsmakker, een van de gardes d’honneur, Hendrik Brown, hier doorreist, en hem toespreken wil. De bediende haalde de schouders op tot een bewijs van zijn twijfel; echter liet hij mij in eene zijkamer binnengaan. Deze droeg de duidelijkste sporen van niet gebruikt te worden, in de dufheid der lucht, in het stof op ieder meubel, in de weinig confortable schikking van al het huisraad; de stoel, dien men mij aanbood, lag met meer andere in bonte verwarring op de canapé een zeker bewijs, dat niemand zich om beide bekommerde; de spiegels waren omgekeerd, iets, dat akelig doodsch stond; eer ik echter tijd had meerdere opmerkingen te maken, kwam de bediende terug met de verzekering, dat ik welkom zou zijn, zoo ik hem volgen wilde. Ik kon het hem aanzien, dat dit antwoord hem verwonderde. Hij geleidde mij naar zijn heer. Ik vond werkelijk Lieuwestins; den Lieuwestins, dien ik gekend had; maar inderdaad men moest met hem op ééne legerstede geslapen hebben, zooals ik, om te gelooven, dat dit altijd diezelfde jonge man was. Zoo ernstig, zooveel zorg op het voorhoofd, zoo iets lijdends op het gelaat! En zoo ingevallen die wangen, en zoo dof die oogen, en zoo bleek die lippen, en zoo gebogen dat hoofd! Hij stond niet op, toen ik binnenkwam, ofschoon hij mij vriendelijk doch op zwaarmoedigen toon welkom heette, en eene verontschuldiging uitsprak, toen ik dicht bij hem genaderd was, om de hand te drukken, die hij mij toereikte. Toen eerst zag ik, waarom hij niet opstond. Hij had een kind op den schoot, een lief, aanvallig meisje, omstreeks een jaar oud, nog bijna een zuigeling, maar eene zuigeling, die zich reeds begon te ontwikkelen, de heldere blauwe oogjes zagen reeds met eenige bevatting naar den vader op. Want het was de vader; al hadde geene bijomstandigheid het waarschijnlijk gemaakt, die blik, welken hij op het kind sloeg, was niet te miskennen, Zoo houdt alleen een vader zijn kind op de knieën. Gij hadt hem moeten zien, hoe hij die voetjes tusschen de handen koesterde, en hoe hij die handjes kuste; is er ook iets lievers dan die handjes, als zij zoo heel klein zijn en zoo heel rozerood? Het was ook een schat voor dien vader, die handjes en die armpjes, en dat hoofdje, en die fijne blonde haartjes, welke reeds uit het witte krip van het mutsje te voorschijn krulden: het was ook zijn eenigste schat; daar was niets, waarin hij meer belang stelde; dat was duidelijk uit den doodsangst, waarmede hij het gadesloeg, bij de onverschilligheid voor alles, wat hem verder omringde; dat was duidelijk bij de moeite, die hij zich gaf, om het toe te lachen, hoewel met een traan van bekommering en boezemwee in het oog. Die man, welke zijne gade nog diep betreurde, wischte zich de tranen af van de wangen, om zijn kind vroolijk aan te zien. O, het was een schouwspel, dat het hart toeschroeven moest, dien ernstigen man, door een zoo diepen rouw nedergedrukt, in dat sombere zwarte gewaad, die eene zoo versche wonde droeg in het hart en eene zoo zware zorg in de borst, te zien spelen met die zuigeling, voor welke hij vader was en moeder; en dan dat doffe batist! Niets staat zoo somber, als een kind in rouwkleederen! En dit hier was zoo jong!

Daar was nog iemand in het vertrek, eene niet meer jonge vrouw, waarschijnlijk eene bonne, die de min zou vervangen, welke dicht nevens zijne sofa zat, en aan welke hij, ondanks het geschikte voorkomen, zijn dochtertje nog slechts met weerzin toevertrouwde; want toen hij het haar eindelijk overgaf, omdat het eenige vrouwelijke zorg behoefde, hield hij het oog nog altijd, en als met angst, op iedere harer bewegingen gericht.

Hoe welwillend hij ook vroeg naar de oorzaken mijner verlegenheid, waarvan ik nu begonnen was te spreken, luisterde hij naar mijne antwoorden met eene verstrooiing, die ik hem vergaf. Toch wilde hij, dat ik gebruik zou maken van zijn huis en morgen van zijn rijtuig, om mij naar de stad te brengen. Laat uw voerman met de bagage nakomen, en laat hem zien, hoe hij het met den wagenmaker schikt; die lieden moeten hier hun eigen hoofd volgen, al zouden zij er elken last en elke schade van dragen. Ik zal iemand naar het dorp zenden met de boodschap, dat gij niet terugkomt. Gij zijt mij recht welkom; gij moet mij alleen vergeven, dat ik slechts een half hart heb voor mijne vrienden. Ik heb zooveel verloren, en ik heb zooveel te verliezen! Zijn angstige blik zocht weder zijn kind. Was het niet, alsof Ine kuchte? vroeg hij der vrouw.

— Zooeven een weinig, mijnheer! zij kan kou gevat hebben; het weer is zoo guur.

— Gij moet weten, ik vrees bij de kleine de zaden van de ziekte te ontdekken, die hare moeder van mij wegrukte. O die hydra met vlammende tanden! Zoo zij zich vergreep aan mijn kind!

Werkelijk had Ine een eenigszins zwak uitzicht; eene kleur, die een weinig matbleek was. Dat moest een wreed lijden voor dien man zijn, die gestadige doodvrees voor zijn kind!

Wij praatten van tijd tot tijd over onverschillige zaken; maar ons gesprek werd altijd afgebroken door zijne verstrooiing, of door zijne bezigheid met de kleine. Ik kon mij zeer goed begrijpen, dat hij zijne vrienden niet meer zag. Hij moest lastig zijn voor wie niet diep met hem voelde.

Hij verhaalde mij, dat hij eene beminnelijke vrouw had getrouwd, en nu verloren!… De tering, sprak hij met twee groote tranen in het oog, nu zes maanden geleden; zij heeft geen oogenblik onvergalde moedervreugde kunnen smaken. De geboorte mijner Ine was het begin der ontwikkeling van die langzame pest! o! Mijne Ine is alles, wat mij overblijft; maar zij ook! Er was eene wereld van liefde in den toon, waarop hij dit zeide.

— Uwe vrouw! was dat die bevallige dame van het portret? vroeg ik, om hem af te leiden. Wij hadden hem meermalen geplaagd om de kleine afgoderij, die hij pleegde met een zeker vrouwenbeeld en medaillon.

— Neen, antwoordde hij met een flauwen glimlach, daar is iets tusschengekomen; hare ouders wilden het niet; zij is nu gehuwd. Maar toch ik heb mijne gade bemind; zij was eene lieve, zachte vrouw! Zij maakte mij gelukkig; zij was de moeder van mijn kind!

Daar was niets, niets, wat hij niet op zijne dochter terugbracht, welke kunstgreep ik ook aanwendde, altijd zij, en ook voor haar alleen maar met hartstocht!

Eindelijk was het zoo laat geworden in den middag, dat de kleine rusten moest. Hij wilde, dat ik hare slaapkamer zien zoude; ik geloof, dat het was, om niet van zijne gewoonte af te gaan. Hij moest het altijd zien, hoe men haar in het wiegje legde. — Gij kunt u geen denkbeeld maken van de vindingrijkheid, den kieschen smaak en den kwistigen overvloed, waarmede het vertrek was opgesierd, dat de slaapkamer van freule Ine heette. Het boudoir eener vorstelijke bruid kon niet met meer weelde en gemak zijn toegesteld dan deze kamer. Niet Friesland, maar Parijs en Lyon hadden de schatting moeten brengen aan de behoeften van dit kind. Voor een groot eenvoudig behangen ledikant (het zijne) stond het wiegje; niets kon zoo sierlijk zijn als dat wiegje. Een groenzijden zakje, in den vorm van eene kleine hangmat, door buigzaam balein tegen te groote weekheid beschermd, schommelde met behaaglijke molligheid tusschen sierlijke pilaren van kostbaar hout. Met kant omzoomd, was het ragfijne linnen der lakentjes, en de donzen kussens weder met kant en wit satijn opgesierd. Al het overige was in evenredigheid met dit kleine meubel. Ik verhaal ze niet alle, die liefkoozingen en kussen, waarmede de kleine Ine nu eindelijk aan hare vrouwen werd overgelaten, noch ook die duizenden aanbevelingen tot zorg, altijd overtollig bij de trouw dier min, bij de liefde dier bonne, altijd overtollig en toch altijd herhaald!

Wij zaten nu weder tegenover elkander in het huisvertrek. Men had voor een keurig middagmaal gezorgd. Hij had beter wijn, dan mij op mijn ganschen tocht nog was te beurt gevallen; uit beleefdheid ledigde hij veelvuldiger zijn glas, dan hij in zijne treurige eenzaamheid gewoon was te doen. De wijn en mijn gesprek stemden hem eenigszins vroolijker. Wij hadden ook vroeger zooveel met elkander doorgebracht; zoo menige ontbering te zamen met opgeruimdheid gedragen; zoo dikwijls menigen kameraad eene poets gespeeld, of waren door anderen verschalkt; er had zoo weinig militaire étiquette geheerscht tusschen jongelieden van onzen stand, in dien gedwongen vrijwilligen diensttijd! Ik wist zoovele oude geschiedenissen op te halen, die hem vroeger zoo hadden vermaakt; hij was maar zes en twintig jaar; hij moest zich wel voor eene poos tot de stemming leenen, waarin ik hem wist te brengen.

Zijne vroolijkheid echter was de slaap van den haas, altijd onrustig, altijd luisterende, altijd met bekommering, dikwijls zelfs het oog zoowel als het oor naar de deur van het kabinet gericht dat zijne ziel van hem scheidde. Opeens stiet hij zijn stoel driftig ter zijde, en ijlde daarheen.

— Ik meen, dat ik haar hoor! was zijne eenige verontschuldiging aan mij.

Plotseling hoorde ik een schellen kreet uit het slaapvertrek. Zulk een kreet kan alleen een vader uiten of eene moeder.

Ik vloog tot zijne hulp.

— Mijn kind sterft! riep hij mij toe, en ijlde als een volslagen radelooze rond. Ik begreep, dat zijne bekommering overdreven moest zijn, en toch had zij grond. Op den schoot der min lag Ine bewusteloos, Akelig paars was haar gezichtje en hare fijne trekken waren sterk verwrongen; hevige stuiptrekkingen bewogen het borstje en de armpjes, en de zachte oogjes hadden iets wilds.

De arme vrouwen waren verslagen en buiten raad, nadat zij dien harer ondervinding vergeefs hadden uitgeput. Lieuwestins was zoo radeloos in zijne wanhoop, dat hij er niet aan dacht geneeskundige hulp in te roepen. Ik bracht het hem aan het verstand. Gelukkig was er een redelijk kundig heelmeester op het dorp; om dezen werd gezonden. Terwijl men hem wachtte, kwam ik op een denkbeeld. Ik had meer kleine kinderen bijgewoond; mijne zuster had er vele. Ik wist, dat zij ze bij lichte kinderstuipjes in de vrije lucht bracht. Ik wist niet, of dit hier baten zou. maar men kon het beproeven. Ik nam Ine van den schoot der voedster, die mij begaan liet in haar angst. Ik ging met haar voort.

— Wat wilt gij? vroeg de jonker op een wilden toon.

— Naar buiten! riep ik, dat kan goed zijn.

— Naar buiten! herhaalde hij, en stortte voor mij uit met de onstuimigheid eener wolvin, die den roover harer welpen
wil inhalen.

En waarlijk, ik kan niet zeggen, hoe innig ik er den Hemel voor dankte: toen de versche lucht hare werking deed op de longen der kleine lijderes, was het eene gunstige. Een zacht geschrei toonde, dat zij tot de bewustheid wederkeerde; het borstje verruimde zich; de kleur werd beter; de oogjes stonden weder helder, de stuip was gebroken. Ik riep het met vroolijke zelfvoldoening toe aan de vrouwen, die gevolgd waren. Lieuwestins stortte met een doordringend: Mijn kind leeft! op zijne knieën neer.


Hetgene Brown mij verder verhaalde, hoe hij het met zijn gastheer maakte, en hoe hij zijne reis vervolgde, is van geen belang voor iemand mijner lezers en zonder nut tot het volgen van Lieuwestins geschiedenis; daarom ook deel ik niets van zijne woorden mede, dan alleen waar het dezen geldt.

Vele jaren later (ik had onder mijne menigvuldige ontmoetingen Lieuwestins en Tjerkstra-State bijna geheel vergeten) werd de predikant van eene kleine Friesche stad naar mijne toenmalige woonplaats beroepen. Het was iemand die bijzonder in mijn smaak viel, en weldra een lid werd van mijn gezelligen kring. Ik praatte dikwijls met hem, en ons gesprek viel natuurlijk op Friesland. Daarbij herinnerde ik mij mijn grietman, dien hij kende. Ik vroeg hem naar Ine — Zij is nog altijd de eenige levensvreugde van haar vader, zeide hij mij; en toch, als ik wél gezien heb, mengt zij zeer veel gal in den nectar. Toen ik haar zag, was zij omtrent acht jaren, en wel een onovertroffen model van kinderlijke bekoorlijkheid. Gij hadt haar kunnen nemen voor het origineel van een Engelsch plaatje; zoo fijn die trekjes; zoo blank en zoo zachtblozend die wangen; zoo paarlwit die tandjes, en zoo frisch rood die zoete lipjes van dat fijne mondje, en zoo goudachtig blond die zijdeachtige lokjes; zij scheen mij toe talenten en kennis en oordeel te bezitten verre boven hare jaren, en geen wonder: hare goede bonne was sinds lang vervangen door eene schitterende Fransche gouvernante, en Lieuwestins, zelf een man van letteren en smaak, heeft zich geene andere taak gesteld, dan de verstandelijke vorming zijner dochter; maar ook is zij wel het allerkribbigste nufje, wat zich op dien leeftijd denken laat. Gewoon de alleenheerschende koningin te zijn van hare kleine hofhouding, ziet zij in haar vader haar eersten slaaf; ook heeft zij voor hem al de grillige gunsten en al de veeleischende willekeur van eene fiere sultane voor haar buigzamen gunsteling. Gij kunt u geen denkbeeld maken van al de hartstochtelijke inschikkelijkheid, die hij voor haar heeft; van al de opofferende teederheid, waarmede hij zich klein heeft gemaakt, om haar hoog te stellen; toen zij een jong kind was, is hij knaap geweest, om met haar te kunnen spelen; nu zij zich als meisje ontwikkelt, is hij jongeling geworden, om haar schielijk jonkvrouw te zien. En geloof mij, diezelfde onbuigzame adellijke Fries, die een verzoek van het hoofd zijner provincie met een trotsch: Ik wil niet! zoude terugstooten; die zijne meening zoude volhouden tegen een geheel lichaam van achtbare mannen, laat zich zijn gansche leven door als een getemde leeuw aan een rooskleurig lint leiden door de kleine vrouwenhand zijner dochter; zij zal met hem spelen als de moedwillige knaap met den kever dien hij aan de koord heeft, of als eene jonge dame met haar schoothondje; nu eens zal zij hem overvoeden met gevaarlijke lekkernijen (hare liefkoozingen); dan weder vergeet zij hem, en laat hem verhongeren in hare loszinnigheid.

— In waarheid, het is zoo, wij vaders hebben van die zwakheden; maar als gij, evenals ik zijn waanzinnigen angst gezien hadt, bij een licht gevaar van dat kind, gij zoudt het hem vergeven hebben.

— En wie zegt u, dat ik het niet weet? was het antwoord van mijn dominee, alleen, wat zal het einde zijn?


— Ja, wat zal er het einde van zijn? dacht ik, toen ik door eene onverwachte wending in mijn lot, voorgoed in de nabijheid geplaatst werd van den man, wiens levensbeschrijver te worden mij voorbehouden scheen. Want ik zag hem opnieuw in een toestand, waarvan ik, hoe weinig die hem scheen te deren, al het deerniswaardige diep besefte. Iedere der voorspellingen van mijn predikant was bewaarheid geworden. Men kon zich geen meisje schooner voorstellen dan jonkvrouw Ine op haar achttiende jaar, en geene vrouw was met haar te vergelijken in fijne beschaving, in juisten wereldtoon, in bevallige losheid van houding en manieren. Het was eene roos, eene prachtige roos, maar met elsscherpe doornen. Sedert zij hare intrede gedaan had in de wereld, woonde zij met haar vader te Leeuwarden, en voerde een schitterenden staat. Jonker Lieuwestins had al zijne afgebrokene betrekkingen weer aangeknoopt om zijne dochter te kunnen terugvoeren in de kringen, waaruit hij zich vroeger had losgerukt, om geheel alleen voor haar te kunnen leven. Thans behoefde zij iets anders dan haar vader alleen; zij behoefde de bewondering, het gewoel, de vermaken der wereld.

Ieder die niet geheel onkundig is van de maatschappelijke samenstelling der Friesche hoofdstad, weet dat men er nog een luisterrijk overschot heeft van den oud-Frieschen adel, vertegenwoordigers van geslachten, wier namen zich altijd wedervinden in de groote historische feiten van dat landschap. Zij hebben zich er nauw aaneengesloten; zij vormen er een engen en fieren cirkel, eene soort van faubourg St. Germain, en de lijn van afscheiding is er te scherper getrokken, naarmate de bijzondere persoonlijke betrekkingen van rechthebbenden en indringers er meer algemeen bekend kunnen zijn, en meer haarklein uiteengezet worden. In dezen kring schitterde jonkvrouw Ine. Haar vader had zich tot haar voetstuk gemaakt, en tilde zijn vrouwelijk standbeeld zoo hoog, dat zij in het oog vallen moest. Ook was zij de planeet geworden, vanwaar al die adellijke sterren haar licht hoopten; en toch, zij liet ze alle in het duister. Mijn rang en eenige kennismakingen hadden mij, zonder dat ik het wilde of wenschte, toegang gegeven tot de zalen dier Friesche aristocratie. Ik vond er Lieuwestins, en wij verbonden ons inniger aan elkander, dan ooit voorheen. Hij had een vriend noodig. Hij voelde zich niet meer geschikt voor de luidruchtige, woelige feesten, waaraan hij ontwend was; hij droeg de vermaken, zooals Atlas de wereld; hij genoot ze niet, maar hij torste ze; hij was nog genoeg in de kracht des levens, om te kunnen genieten; maar hij had een trek gekregen tot stil huiselijk geluk, tot de vriendelijke gezelligheid van het dagelijksche leven, en juist dit was het, wat hij miste. Ik hechtte mij aan hem door twee sterke banden: medegevoel en belangstelling .

Ik troonde hem soms met mij in mijn huis, mijne echtgenoote en mijne kleine kinderen, niet beter en niet slechter dan andere, geene minnegoodjes voor vreemden, maar ook geene kwelduivels voor de huisgenooten, bekoorden hem des te meer, naarmate hij helder genoeg zag, om te weten, wat hem ontbrak. Altijd echter sprak hij dan met een blik, gloeiende van verwachting en hoop.

— Als slechts mijne Ine gehuwd is, zal ik ook een jong huisgezin om mij zien; want ik scheide mij nooit van mijne Ine. — Het is reeds hard genoeg, dat zij mij dan niet meer geheel alleen zal behooren! voegde hij er treuriger bij. Dat huwelijk, hetwelk Lieuwestins hoopte en vreesde, scheen echter minder nabij te zijn, dan de vader vooronderstelde, Jonkvrouw Ine scheen tot geen besluit te kunnen komen.

Twee aanzienlijke partijen waren door haar verworpen, met eene onverschiliigheid, die bewees, hoe weinig zij nog over de toekomst dacht. Haar hart moest nog vrij zijn; dat bewees de koude beleefdheid, waarmede zij elke hulde aannam, als eene haar toekomende schatting.

Men begon te gelooven, dat zij voorgenomen had alleen te leven voor haar vader. Lieuwestins wist beter dan iemand anders, hoe weinig dit waarheid konde zijn. En toch begreep hij het gedrag zijner dochter niet; er waren zeer beminnenswaardige onder die jongelieden, die haar omgaven, en niet één, niet één enkele, die eenigen indruk op haar maakte, dat was toch vreemd! Was zij zoo geheel verloren in de vergoding van zich zelve, dat niets, niets haar trof, wat daarbuiten lag? Ik voor mij heb het lang geloofd.

Omstreeks dezen tijd kwam de barones Martha d’Elmancy, Friezin van geboorte, doch met een Noordbrabantsch edelman gehuwd, als kinderlooze weduwe te Leeuwarden terug. Het was eene levendige, vroolijke, hoogstbeminnenswaardige vrouw, nog in den bloei des levens, en onafhankelijke bezitster van een aanzienlijk vermogen. De aanwinst dezer belangrijke figuur was eene gebeurtenis voor den beperkten kring. Ook was het een, strijd, wie haar het eerst bij zich zien zoude. Mevrouw B… A droeg de zege weg. Zij wilde die vieren door een prachtig diner. Ik houd niet van diners; maar ik moest mevrouw,d’Elmancy toch zien. Ik kwam iets later dan de rigueur; ik wil niet bezweren, dat het niet met opzet was; daarenboven mijne vrouw had naar den kapper moeten wachten. Toen wij binnenkwamen, zag ik Lieuwestins bij de dames! ook zat de vrouw, met welke hij praatte, zeer ver van Ine. En toch hij sprak met vuur, met opgewektheid, met onmiskenbare zucht, om te bevallen. Zoo had ik hem nooit gezien. Al spoedig wist ik dat de dame die hem zoo bezielde, de barones Martha was. Deze verovering? Die vrouw moest een feniks zijn. Ik nam de kleine verwarring bij het aan tafel gaan te baat, om den grietman met zijne ongewone hoffelijkheid te plagen.

Ik had nooit kunnen denken, die vrouw weder te zien.

— Weder te zien? Gij hebt haar dus gekend.

— Gij zelf hebt haar gekend.

— Onmogelijk? ik!

— Herinner u slechts.

Ik dacht even na, en zag de barones aan. — Hemel! de freule Bothnia?

— Zij zelve.

Het was de allerliefste van het portret. Eene eerste geliefde, die hij terugvond. Zij was vrij. Hij was vrij. Ik was op het punt, om hem geluk te wenschen, Zoo ver was het nog niet. Na het diner, dat voor mij korter duurde dan anders (was het misschien, omdat ik mij vermaakte met op te merken, hoe altijd de blikken van Lieuwestins en zijne weduwe elkander ontmoeten?) schoolden de jongelieden om de piano samen, terwijl de gastvrouw de partijtjes regelde. Het was Ine die speelde. Zij zong met gevoel. Zij speelde met kunst. Bij zulk eene gelegenheid zonderde haar vader zich altijd van de heeren af, en plaatste zich tegenover haar en dronk hare zoete tonen in, en genoot het gelispel der bewonderiug rondom haar, en stond ademloos van geestdrift bij de geestdrift van de anderen. Ditmaal,echter
was hij niet bij die groep. Ik zag naar hem om. Hij fluisterde met de barones. Ines oog dwaalde zoekend rond. Op eens wierp zij haar blad muziek ter zijde, en stond spijtig op, zonder te luisteren naar de smeekingen van wie haar trachtten terug te houden; zij had de afwezigheid van haar dwependen bewonderaar opgemerkt. Het was geen zachte blik, dien zij der vreemde mededingster toewierp, en toch met welk eene zichtbare verrukking en trots stelde de vader zijne bekoorlijke dochter voor aan de vrouw, die hij liefhad en hoe gul, hoe geheel zonder gemaaktheid, hoe kennelijk uit het hart was:de toespraak dier vrouw tot de dochter van den vriend harer jeugd! Maar het meisje vond aanmatiging in het hartelijke woord. Ook was het met eene bitsheid, die aan het onbeleefde grensde, dat zij koel afbrak:
— Papa! ik heb erge hoofdpijn; ik wenschte te huis te zijn. Kunnen wij niet gaan?

— Liefste! dat zou opzien geven. En daarenboven u in de lucht te wagen, als gij u niet wel gevoelt, dat kon nadeelig zijn; wacht, bid ik u, tot ons rijtuig komt.

— Wachten! zich verpijnen, zich vermoeien, praten, lachen, misschien nog wel spelen, als men lijdt! hernam zij met een zucht, en liet het hoofd als machteloos ter zijde hangen.

Met onrust nam hij haar arm, en leidde haar naar een stoel, en drukte haar de hand, en fluisterde haar zachte woordjes in, die zij alleen verstond.

Mevrouw d’Elmancy haalde met verwondering de schouders op. Slechts weinigen sloegen veel acht op dit kleine tooneel. Reeds kende men Ine! De grietman wendde zich tot eene bejaarde dame, die gewoon was zeer vroeg te vertrekken,

Spoedig ook kwam het koetske voor deze. Zij zoude Ine te huis brengen. Ik zag het den jonker aan, dat hij wenschte en vreesde mede te gaan; dat hij dobberde tusschen de bekommering voor zijne dochter en de verlegenheid, onbeleefd en zonder belangstelling te schijnen tegenover Martha. Ik begreep, dat hij bij de laatste verloren zoude zijn, zoo hij het deed. Ik achtte mij verplicht zijne zwakheid te steunen. Ik volgde hem, toen Ine zijn arm nam.

— Zoo gij in ernst over de barones denkt, ga dan niet heen zeide ik hem zacht. Hier zijn anderen, die blijven; zij zullen met haar lachen over uwe zwakheid, en gij zult al het voordeel van den eersten indruk verliezen.

— Ik ga haar mijne verontschuldigingen maken; ik zal haar zeggen…

— Heel veel, dat zij aanhooren zal, maar niet gelooven. Ik ben er zeker van, dat freule Ine haar vader niet noodzaken wil onbeleefd te zijn, ging ik meer luid voort: want het oogenblik was dringend, en van zijne wilskracht had ik niets te hopen. Tot eenig antwoord leunde zij haar blond hoofdje nog matter tegen zijn schouder.

— Gij ziet, dat ik mijn kind in zulk een toestand niet alleen laten kan, sprak hij met eene diepgaande onrust en snel, als vreesde hij nog weder eene wenteling in zijn besluit, nam hij zijn afscheid, en begeleidde de beide dames.

— Ik zuchtte, en bepleitte zijne zaak bij de weduwe. Zij moest hem wel liefhebben, en van een zacht vrouwelijk karakter zijn; want zij begreep en vergaf, ofschoon zij hem beklaagde. Zij vroeg mijn arm, toen wij naar huis gingen. Ik vond dit een gelukkig voorteeken.


Dat Lieuwestins op dien avond een bangen strijd gestreden had, bewees de zorg, waarmede hij later mevrouw d’Elmancy zocht, en dat zij hem vergeven had, was licht te zien in de ongemaaktheid, waarmede zij hem ontving. Ook was het weldra voor niemand meer een geheim, dat Lieuwestins op een zeer goeden voet stond met de barones. Niemand wist echter iets bepaalds, en het was zeker, dat de jonker zich nog niet verklaard had. Dit was te meer waarschijnlijk, omdat freule Ine het huis der weduwe niet bezocht, zichtbaar elke aanraking met deze vermeed, en zich meer dan ooit in den kring der jongelieden terugtrok. Ik begreep de reden van dit alles; er hadden nog meerdere botsingen plaats gehad tusschen die beide vrouwen, en Lieuwestins aarzelde. De vader streed met den minnaar. Ondertusschen moest er een einde komen aan deze spanning. Ik zag, dat het levensgeluk van mijn vriend er van afhing; ik zag, dat zijn hartstocht voor Martha, reeds eenmaal met kracht onderdrukt, nu feller opwakkerde en met ieder samenzijn klom. De liefde voor zijn kind was wel de vervulling van zijn geheel leven geweest; maar het vergode kind was tot eene luimige, bitse jonkvrouw opgegroeid, die voortaan niet meer al de behoeften van een liefhebbend hart kon voldoen; en hij was pas veertig jaar, te jong, om van elken eisch op huwelijksgeluk afstand te doen; om zich voor altijd te bestemmen tot een leven van onvoldane wenschen; en toch dat moest zoo worden, bij eene langere aarzeling. Mevrouw d’Elmancy, van wie sommige al te voorbarige tongen reeds zeiden, dat zij alleen om Lieuwestins in Friesland teruggekomen was, begon het onderwerp te worden van gissingen en praatjes; zij kon zich beleedigd gevoelen door de aarzeling van den jonker, bij de overtuiging van zijne liefde; bij de zekerheid, dat er geen hinderpaal bestond dan zijn wil, en ik huiverde, als ik er aan dacht, tot welken stap een gewond vrouwenhart zich uit fierheid konde vermannen. Ik besloot den knoop ridderlijk door te hakken. Wij waren in het beste van den zomer; sedert den aanvang der lente bewoonde ik een der kleine landhuizen in de nabijheid der hoofdstad. Ik noodigde er Lieuwestins met de barones en een klein gezelschap. Het ijzervaste gebruik wij, dat men nooit op een buiten zijn kan, zonder er den tuin van te bezien. Hij zij klein of groot, bewonderenswaardig of te belachen, het helpt niet, er moet gewandeld en bewonderd worden, zij ook de voet onwillig en traag de tong; deze gewoonte maakte ik mij ten nutte. Ik begon mijn grietman te plagen met den smaakloozen aanleg van Tjerkstra-State, met den vervallen staat zijner grietenij. Hij trachtte zich te verdedigen; toen was hij gevangen. Het gezelschap stelde hem in het ongelijk, zoo hij hen niet van het tegendeel overtuigde. Een tochtje naar… nu was op één dag licht te doen; men vond den inval aardig, men noodigde bijna zich zelven en de dag werd bepaald. De barones had gezwegen, toen het ernst werd. Nu echter bad Lieuwestins haar van de partij te zijn. Mijne vrouw drong bij haar aan. Zij weigerde op den toon van wie op het punt is toe te geven. Lieuwestins, die aan hare zijde ging, begon zachter te spreken.

— Als ik het doe, zal men er over praten, antwoordde de lieve vrouw blozende.

— Maar wat zegt dit als… en hij was nog maar alleen voor haar te verstaan. Zij zweeg, en plukte aan de geborduurde slippen van haar zakdoek.

Wij trokken ons terug; gelukkig was er nog een klein zijlaantje. Na eenige minuten (mijn tuin is zoo klein, dat men elkander niet lang vermijden kan) hoorde men hare zachte stem, en een: Welnu dan, als ik besluit te komen, hebt gij overwonnen.
Thans eerst zagen zij naar ons om. Er schitterde hoop en zoete verwachting op zijn voorhoofd. Zij was in eene zichtbare verwarring, en voegde zich bij mijne vrouw. Wat zij toen over onze bloemen zeide, was niet heel samenhangend.

Twee dagen daarna, in den laten namiddag, liet Lieuwestins mij vragen, om spoedig bij hem te komen. Het moest zeker over het feest van morgen zijn; ik wandelde naar de stad. Toen ik kwam, vond ik Ine bij hem, bleek, met roodgeweende oogen, achteloos gekleed, zooals nooit te voren. De jonker zat verslagen, als op den dag van het kinderlijk toeval, waarbij ik haar arts geweest was. Er was een mengeling van wanhoop, van liefde en van medelijden met zijne smart, op het gelaat der dochter; zij was geene Cordelia, maar ook geene Goneril.

— Wilt gij mijn secondant zijn? sprak de jonker, zoodra hij mij zag; ik heb een tweegevecht.

— Zulk eene dwaasheid, Lieuwestins! gij een tweegevecht? En dat waarom?

— Omdat de partij op Tjerkstra-State afgesteld is, riep Ine bitter,

— Neen, omdat ik de beste en edelste der vrouwen gruwzaam heb beleedigd! sprak hij somber. Omdat ik een eerlooze schurk ben, zooals die man mij noemde; omdat ik mijn eigen geluk met den voet verschopt heb; omdat…

— Vader! vader! snikte het meisje, zijne handen grijpende; zoo gij berouw hebt…

— Neen, kind! neen, mijne Ine! sprak hij, haar met onbeschrijfelijke teederheid aanziende; het offer is gebracht, onherroepelijk gebracht; wees gerust; mijn geluk of het uwe, ik had immers geene keus!… Toch was het wreed, eindigde hij, en liet het hoofd op de hand zinken.

— Maar ik bid u, zeg mij dan toch, wat het is, vroeg ik, hoewel ik het maar al te goed begreep.

— Weet dan,… dat mijne Ine,… hij sprak slechts bij tusschenpoozen, heel veel lust had in het voorgenomen tochtje… Met blijdschap ook… regelde zij de toebereidselen… dezen morgen echter…

— Neen, vader! eerst moet mijnheer Brown weten, dat mevrouw d’Elmancy mij gisteren in een vol dameskransje eene grillige nuf heeft genoemd, er zijn wel vier juffers, die het mij verzekerd hebben! viel Ine schreiende in, en dit is het eenige niet. Altijd heeft die vrouw…

— Maar laat mij toch geregeld hooren, freule!

— Dezen morgen dan kwam mijne dochter bij mij… Vader! ik heb een verzoek aan u… Ik juist ook een aan u, antwoordde ik. Zij wilde eerst spreken; ik gaf toe; zij wilde vooruit bewilligd zijn; ik gaf weder toe; hoe kon ik ook denken, hoe kon zij ook weten, dat wij elkander zoo smartelijk wonden zouden? Zoo mevrouw d’Elmancy onder de genoodigden is, laat de partij dan niet plaats hebben, of laat ons haar afzeggen; die vrouw heeft mij bitter beleedigd; ik kan niet met haar samen zijn… Gij begrijpt nu, hoe mij dit woord schokte. Ik wilde haar juist smeeken voor mijne Martha eene vriendelijke gastvrouw te wezen. Ik moest haar mijn voornemen mededeelen. Mijn arm kind kon dien slag niet dragen. Zij stortte machteloos aan mijne voeten; zij smeekte mij roerend hare ellende en ongeluk niet te willen. Is een vader verhard tegen de smeekingen van zijn kind, van zijn eenig kind? En daarenboven, ik zag in, dat die beide vrouwen nooit samenstemmen zouden. Ik zag een onpeilbaren poel van huiselijke ellende voor mij. Ook had ik mijner Ine vroeger eenmaal, beloofd, haar geene tweede moeder te zullen geven.

— Ten minste geene stiefmoeder, hernam de jonkvrouw scherp…

— Het is zoo, ik kon toch niet weten, dat ik deze vrouw zoude wederzien… Maar nu…

— Ik weet iets, freule! gij zult weldra trouwen; een rijk en bevallig jongeling; de besten staan tot uwe keus, en zoo kan de echt van Uw vader u niets ergers geven dan eene nog rijkere bruidsgave, zei de ik, in de hoop, dat een bemiddelend woord nog niet te laat zou zijn.

— Ik denk nooit te huwen, riep zij heftig; ik bemin niemand, niemand dan mijn vader, en mij dunkt, mijn vader moet zich ook gelukkig gevoelen in de onverdeelde liefde zijner dochter.

— En wie zegt het tegendeel, engel? riep de ongelukkige verblinde, haar in zijne armen sluitende. Hij doorzag niet al de hatelijke zelfzucht van hare woorden.

— Ook om den wil van Martha zelve besloot ik af te zien van mijn innigsten wensch. Nog had ik haar antwoord niet. De kieschheid eischte van mij, het te voorkomen. Ik schreef… neen liet Ine schrijven, zelf konde ik het niet, dat de partij was afgesteld; dat ik ziek was: ik weet zelf niet recht, welk voorwendsel zij gebruikt heeft… Dat was alles gezegd; daarmede was alles uit, ook mijne laatste hoop;… ik had van Martha verkregen, dat ik haar zoo zij kwam, dien dag zoude mogen voorstellen als mijne bruid…

Hij kon niet meer… dat is nu over! waren nog de laatste doffe woorden, die hem ontglipten; hij viel bewusteloos in zijn armstoel terug, door de schokkende aandoeningen als overweldigd. Ine schreide bitter, en het waren oprechte tranen; dat meisje was niet gewoon te huichelen; ook had zij werkelijk haar vader lief; slechts wist zij de opoffering van geheel een leven niet genoeg te waardeeren. Zij gevoelde daartoe niet fijn genoeg, zij was te veel verwend aan zijne dagelijksche afgoderij, om te begrijpen, dat iets moeielijk kon vallen voor haar.

Lieuwestins had zulk een hevig zenuwtoeval, dat ik het noodig vond, zijne bedienden te hulp te roepen; wij brachten hem op een rustbed. Stilte en behoedzaamheid tegen nieuwe gewaarwordingen achtte ik noodig. Ik voerde Ine in een ander vertrek. En wat was het einde van dit alles; wat is er van dat tweegevecht? vroeg ik haar.

— Gij kent den broeder van de barones, dien zeeofficier, die sinds eenige dagen hier is? Hij kwam met haar antwoord, juist toen Albert vertrokken was met ons bericht. Mevrouw d’Elmancy had toegestemd; mijn vader moest haar broeder nu inlichten. Er vielen vreeselijke woorden tusschen hen; o! ik had op dat oogenblik wel alles willen herroepen; maar dat was ondoenlijk. De jonge man noemde papa een eerloozen schurk; zij daagden elkander uit;… dat zal morgen zijn; dat bracht mij in den doodelijksten angst; ik smeekte, dat men u zoude roepen tot raad en bemiddeling. Want zoo ik hem moest verliezen… snikken van angst en berouw belemmerden haar de spraak.

Doch alles was te laat; ik durfde niet eens meer op mevrouw d’Elmancy rekenen; anders had ik Ine op de keuze gesteld tusschen den mogelijken dood van haar vader, en de barones als moeder.

Nu wilde ik alleen trachten, dat tweegevecht te verhinderen; toen ik eenigszins gerustgesteld was omtrent den toestand van mijn vriend, verliet ik zijn huis om jonker Bothnia op te zoeken. Hij was niet te bevredigen; ook had ik juist gegist, toen ik niet meer op Martha rekende.

In de bitterheid des harten had zij Leeuwarden dien ochtend verlaten. Dit vertrek zou welopzien baren; maar het zoetste geheim van hare vrouwelijke ziel was toch reeds eene prooi geworden, waaraan zich de lasterzieke tanden der hoofdstad gretig vergrijpen zouden; en door gewaande onverschilligheid was niets meer te bemantelen.

Ik was diep getroffen door deze uitkomst; want ook ik, ofschoon met het beste doel, had er het mijne aan toegebracht.

Ik vond mij verplicht den secondant van Bothnia te gaan spreken. Wij begrepen beiden, dat de partijen van haar ongerijmd besluit niet zouden zijn terug te brengen; want ook Lieuwestins had onder alles, wat hij leed, telkens uitgeroepen: Hij zal voldoening hebben. Martha zal zich gewroken zien. Maar wij werden het eens, dat de zaak niet tot het uiterste zoude komen. De kieschheid en billijkheid van mijn ongelukkigen vriend kwam volkomen in onze bedoeling. Hij liet den beleedigden broeder het eerst schieten. Wij zorgden voor een behoorlijken afstand; Bothnia miste, ofschoon zijn kogel den arm zijner partij voorbijsiste. Toen wierp Lieuwestins, als een waardig christelijk edelman zijn wapen weg, en bekende onrecht. De jonker was voldaan. Maar die andere diepe wonde, in het hart van twee menschen, was daarmede niet geheeld. De grietman trok zich terug op zijn landhuis, waar hij zich meer dan ooit afzonderde; hij sleet voortaan een lijdend en ziekelijk leven, het leven van iemand, die zich diep rampzalig gevoelt, en die niet durft klagen; want hij wilde niet zeggen: dat heeft mij mijn kind gedaan! En een bitter gevoel van zelfbeschuldiging mengde nog meer gal in zijn beker. Hij was alleen de vader van zijne dochter geweest; hij had ook haar opvoeder moeten zijn. Ines karakter verzachtte zich ook niet na die plotselinge verbanning uit eene wereld, waarin zij vreugde had gevonden. Eerst veel later huwde zij een armen nietsbeduidenden luitenant, dien het lot in haar weg bracht. Het was niet ter vermeerdering der levensvreugde van Lieuwestins. Die schoonzoon liet zijn lastig beroep varen, om een gemakkelijk en nutteloos leven te leiden aan de zijde van eene weinig beminnenswaardige gade, die hem tot hiertoe geene kinderen geschonken heeft.

Toen ik Lieuwestins eenigen tijd na dit huwelijk wederzag, was hij een oud man. Toch is hij van mijne jaren, en niemand heeft mij nog oud genoemd.


Mijn vriend Brown heeft nooit iets gevoegd bij dit verhaal, en zoo ik het mededeelde, was het niet om het belangwekkende van eenigen toestand; niet om iets aantrekkelijks in zijn verhaaltrant, niet om vele lezers te vermaken, maar om hier of daar een ouder, die jammerend een kind nastaart, dat vroegtijdig engel werd, — met de mogelijkheid gemeenzaam te maken, dat die gehoopte oudervreugd weleens niets anders had kunnen zijn, dan folterende oudersmart.

1846.


Ingezonden op: 19 July 2001