DE VROUWEN VAN HET LEYCESTERSCHE TIJDVAK.

TWEEDE DEEL — HOOFDSTUK VI.

De Maulde’s geluk.


Wijndrik had toch gelijk: Nicolaas de Maulde kwam weder; zelfs kwam hij op het gewone uur, en hiermede was dus Ada’s vreeze in ’t ongelijk gesteld, en haar angstig voorgevoel werd, door haar broeder, gestempeld als de zelfkwelling eener al te weeke ziel en eener overspannen verbeelding; maar Ada alléén wist, al kon, al mocht zij het niet uitspreken, hoe hij tot haar was weergekeerd; en zij begreep het nu, dat zij de Maulde verloren had, al verliet hij ook nooit meer hare zijde, Twijfel rees bij haar op, of hij welooit in waarheid de hare was geweest; hij kon haar die waarheid niet meer zoo goed verbergen als voorheen; de pogingen er toe werden hem al zwaarder en zwaarder, en ten laatste dus lastig en ondoenlijk, dat hij ze onderliet, en hetzij achteloosheid, hetzij opzet, hetzij gebrek aan heerschappij over zich zelven, tot de uiterlijke vormen toe, begon hij te verwaarloozen. Reeds voelde, reeds zag het Ada, welhaast ook zouden anderen het zien; de verbintenis met haar was hem een last geworden, dien hij alléén bleef dragen, uit eerbied voor eene belofte en uit mededoogen met haar; maar dien hij zich toch zooveel verlichtte, als het mogelijk was.

En toen dit zekerheid was geworden voor den broeder als voor de zuster, toen raadt gij wat er gebeurde. op zekeren dag, dat de jonge Baron kwam om Ada te zien, vond hij Wijndrik; eene verklaring vond er plaats tusschen de beide mannen, waarbij jonker Rueel de wikkende beradenheid van zijn karakter , en geheel zijne zorgende teederheid voor zijne zuster noodig had, om zich te wapenen tegen de hartstochtelijke drogredenen van de Maulde, die door eene scheiding Ada ’s hart niet wilde breken, maar die zich toch niet ontzien had, het dagelijks, met allerlei soort van marteltuigen, te doorvlijmen.

Daarop werden er heftige woorden van verwijt en toorn gewisseld tusschen die mannen; en Wijndrik had het alléén te danken aan eene herinnering aan den vreeselijken nacht, dien hij met de Maulde op Brakel had doorgeleefd, dat hij zich meester kon blijven; want bijna werd eene vroegere overeenkomst gebroken, en hadden ze elkander tot bloedigen strijd uitgetergd.

»Maar Ada’s zielewonde ware er niet mee geheeld, als er bloed werd gestort om harentwil,” had Rueel gezegd, »en ik vreeze dat haar leed, zonder dat, wel zwaar genoeg aan u zal gewroken worden, Baron! want, al kon ’t zijn, dat uwe consciëntie u te allen tijde ruste liet over den jammer, dien gij der onnoozele toebracht, gij hebt met een plechtigen eed smaad en schande over uw hoofd opgeroepen, en gij hebt dien eed niet gehouden… Zal de vergelding uitblijven…? Ik vree ze veel meer, dat gij die tegengaat, en dat zij u zeker zal te ge moet komen op den weg, dien gij nu zijt ingeslagen. Ik bidde niet van God, dat zij u dáár treffe; ik waarschuw u liever zelf, dat gij u nog daarvan afkeert…”

»Ik weet, waarop gij doelt; maar ik heb uwe waarschuwingen niet van doen,” hernam de Maulde, met de dubbele verbittering van iemand, die zijn ongelijk voelt en het niet wil erkennen.

Maar toen Rueel zweeg en met geen nieuw verwijt het bitse antwoord vergold, bleef de Maulde eene wijle voor hem staan, zag hem strak aan, — hij was toen bleek als een doode, — en sprak toen bijna fluisterend door de samengeklemde lippen: »ij hebt gelijk; ik ga toe op mijn verderf; ik voel het; ik weet het, en toch: het booze dat mij beheerscht is sterker dan ik…, ik kan niet anders…”

»Wil slechts,” bad Wijndrik; maar de ongelukkige kon dat niet meer: hij was zijn wil zoomin meester als zijne rede, beide waren gevangen en vastgeklemd in denzelfden boei; beide werden voortgezweept door een zelfden drijver, en hij zelf was de laatste, die bepalen kon waar ze hem zouden heenjagen.

Maar men wil het weten, hoe Ada’s geluk dus was ondermijnd, en ten laatste zóó gansch verwoest, dat er haar de schijn niet eens meer van blijven kon, en wat de Maulde opnieuw dus verre wegdreef van haar, die hij was komen zoeken, als eene schutsengel, bij welke hij hulpe en heul zocht voor een verborgen leed…? Luistert, lieve lezeressen! het is een kort en droef verhaal: — Kort en droef, als de gesr:hiedenis van menigen anderen val, waarvan toch de nasleep lange blijft voortduren, tot ten laatste het vreeselijke spoor, dat hij maakt, door bloed en tranen is gevuld.

Het leed, dat wij u voorstelden, — de rampen, die nog volgen moeten, zij hadden geene andere oorzaak dan de zelfzucht en de wuftheid eener vrouw, die de hartstochten van een man gebruikte te haren bate…; om te weten, op welke wijze en met welk doel, moeten wij even achterom zien in plaats van voortgaan.

De Prinses de Chimay (want dat wij van haar spreken heeft ieder geraden), de Prinses de Chimay dan, — wij hebben het reeds éénmaal doen opmerken, — was geene listige coquette, in den gewonen zin van het woord; zij had weinig hart, dat is waar, maar veeloppervlakkig gevoel, en waar zij bedroog, begon zij bijna altijd met zich zelve; want zij had twee gebreken, die hiertoe samenwerkten: Zij kende haar uiterlijk voordeel wat al te goed en zij. was vreeselijk onkundig in haar eigen hart; de kennis van ’t eerste gaf haar zekerheid van haar onbeperkten invloed op anderen; en de onkunde in ’t andere maakte, dat zij onbevreesd bleef als onverschillig voor het kwaad, dat zij door dien invloed bedreef, zoo vaak zij daarvan partij trok; maar ook, dat zij zich zelve in gevaren bracht die zij niet vooruit had kunnen zien, noch zich uit te redden wist, als zij er eenmaal in was. Zoo had zij eene wijle de Maulde’s ongeoorloofden hartstocht toegegeven, zonder er meer in te zien, dan een vluchtig spel van galanterie, even snel vergeten als afgespeeld; en dat zij het dus opvatte, achtte zij hare deugd…! want haar echtgenoot moest zij trouwe houden; dit stond vast in hare begrippen; en zij wist wel zeker dat zij het deed, al ergerde zich ook de wereld aan een stoet van jonkers, die haar het hof maakten… En toch die vrouwe, — die zesmaal daags luide. wet:klachten uitte over de ontrouw en het verraad van haar echtgenoot, — die zesmaal daags zich zelve verbijsterde, met hare verzuchtingen over zijn gemis, met hare beden voor zijn terugkeer, — die vrouw had, zonder er zelve helder van bewust te zijn, wenschen, begeerten en uitzichten, die volstrekt strijdig waren met hare plichten aan haar gemaal, en die, vervuld, eindigen moesten met de ontsnoering van den huwelijksband dien zij zoo heilig achtte. Zij had zich namelijk ingebeeld, dat de jonge Graaf Lodewijk van Nassau, dien zij van tijd tot tijd had ontmoet op feesten en In haar prinselijken familiekring, zich tot haar getrokken voelde door eene andere stem dan die der verwantschap; en hoe meer ze die inbeelding toegaf, hoe meer die haar lief werd. De jonge schrandere Graaf had wellicht iets van den indruk, dien hij teweegbracht, opgemerkt, en wellicht had zijne gewone hoffelijkheid er eene meer ridderlijke tint door gekregen; want eene zulke vrouw in zijn belang te hebben, was hem als ridder en als staatsman, die zijne fortuin nog moest maken, niet onverschillig; maar zijn hart was reeds niet meer vrij, en nooit kon het werkelijk in zijne plannen liggen, om eene vrouw als deze, tot wier verkrijging wettige banden moesten verbroken worden, zijne hand te bieden; en de Prinses meende juist dat hare fortuin, eenmaal van die des Prinsen de Chimay gescheiden, reeds op zich zelve eene groote verlokking moest zijn voor een jongeren zoon uit het geslacht der Nassau’s, die meer in eere en in daden dan in goederen rijk waren te dien tijde; en dat een huwelijk als het hare, door den teru gval van haar gemaal tot het Pausdom te breken, en haar vast te verhechten aan een Hollandsch geslacht, een verdienstelijk werk was, dat die vrome Gereformeerde Prins, een trouw dienaar van de Unie…, als Lodewijk, met vurigen ijver zou wenschen door te zetten. Dit alles nu lag in haar geest, niet als vast plan, als geregeld ontwerp, want dan zou zij zelve er spoedig van teruggeschrikt zijn, maar als onbestemde wensch, als onuitgesproken hoop, en de politieke betrekking, die de Graaf met haar had aangeknoopt, was haar voorwendsel en voedsel tegelijk voor die hersenschim. Men begrijpt dus hare gereede inschikkelijkheid voor de betoogen en vermaningen van zijn strengen Frieschen geheimschrijver, waarvan zij intusschen heimelijk afweek, zoo haast een nevenbelang (Cosmo’s plaatsing) het eischte. Lieuwert Manninga daarentegen, eenmaal de opdracht van zijn heer aan haar vervuld, en de andere zaken met haar afgedaan hebbende, en ziende, dat zij van die vrouwen was, die gewillig raad hoorden, maar toch eigen weg volgden, of ze niet hadden geluisterd, liet haar aan zich zelve over, en te eerder, daar menigte van ernstige politieke verwikkelingen hem te Utrecht bezighielden. De Prinses zag die koelheid en die onverschilligheid met een ander oog: zij hield die voor opzet en ongenoegen over haar verachteloozen van zijn raad, en haar aanknoop en van eene nauwere betrekking met de Maulde. Toen ging de Prinses nadenken: Cosmo had nu eenmaal zijn rang bij het leger, zijne eerste vorderingen waren voldaan; de Maulde had de vreugd gehad, onder zijne mededingers onderscheiden te zijn, en niet enkel in den bonten kring van hare ontvangzaal, maar zelfs in den meer beperkten van haar boudoir te zijn toegelaten. Het was nu zóó wel; hij moest tevreden zijn, en tot de rij der eersten terugkeeren; maar daar bleek het de Prinses, dat zij zich had misrekend, en dat er tusschen eene vluchtige wisseling van galanterie en een ernstigen, diepen hartstocht, een onderscheid is, dat zij niet had doorzien, maar waarvan zij het wicht zou voelen. De bloemkrans, waarmede zij de Maulde al spelend had omslingerd en aan zich vastgehecht, en dien ze even snel en vaardig meende los te winden, was een ijzersterke keten, waarvan hij eischte, dat zij de helft zou torsen, en dien hij tot geen prijs vrijwillig verbreken zou… Integendeel! hij wilde dien vaster smeden, nauwer nog inéénklinken. Uit onrust ijverzuchtig geworden, werd hij veeleischend, heerschzuchtig, aanmatigend, kwelziek, als zij het noemde; hij was in waarheid niets voor haar geweest, dan een hulpmiddel, eene afleiding; nu werd hij iets hinderlijks; hij moest worden weggedaan. Zij begreep niet eens, dat eene toewijding van geheel zijn wezen, zooals de jonge Baron haar die bracht, ten minste eenige verschooning eischte, ten minste eenig medegevoel vroeg, ten minste rechten gaf, die ook mochten gelden… Zij dekte zich met het schild harer deugd, harer plichten, en zij verdreef hem met weergalooze onmeedoogendheid.

Toen, als wij gezien hebben, had hij troost en genezing gezocht in de reine en trouwe liefde van Ada Rueel, en hij had zelfs eene wijle gemeend, die te hebben gevonden.

De Prinses intusschen zag hare zaken niets gevorderd met zijne verwijdering. Graaf Lodewijk van Nassau vertoonde zich niet te Utrecht; hij schreef haar niet eigenhandig; zijn secretaris was wel opnieuw tot haar gekomen van zijnentwege, maar zijne bezoeken waren vluchtig, hadden kennelijk geene aanleiding dan zijn ambtsplicht, en hij uitte zich niet meer over hetgeen haar persoonlijk betrof. De Maulde’s naam werd niet genoemd, zijne verwijdering scheenniet eens opgemerkt, en dat offer (zoo het er een geweest ware) bleek zonder nut als zonder loon. Toen, tot een uiterste gebracht, liet zij zichonbedachtzaam wegslepen tegenover Manninga tot een vertrouwen, waarin hare geheime wenschen en verwachtingen maar al te helder doorschemerden; doch de eerlijke Fries, zijns meesters vertrouweling op meer dan één punt, hielp haar niet voort in hare dwaling, maar ontnuchterde snel en koel hare hersenschimmen door zekere inlichtingen, die zij niet had kunnen wachten. Zij verborg hare teleurstelling zoo goed zij kon; maar hij vond in haar daarna niet meer de gewillige volgzaamheid aan de politieke inzichten van zijn meester, die hij eerst had opgemerkt, en bij eene aanmerking op dit punt kwam het tot verwijtingen en verklaringen, waarbij men in onmin scheidde.

Intusschen had hare wijze van handelen, hare verachteloozing der Leycestersche partij en hare samenstemming met den zendeling van Graaf Lodewijk de aandacht gewekt van sommige heftige voorstanders van den Gouverneur-Generaal. Van wantrouwen in hare vaste aanhankelijkheid kwam men tot vermoedens van ontrouw, van deze tot werkelijke achterdocht, en de laatste leidde tot eene gissing, die haar gevaarlijk kon worden. Prouninck had ontdekt, dat er geheime bijéénkomsten der uitgebannen edelen en aanhangers van de Hollandsche partij werden gehouden binnen Utrecht, zonder dat men met eenige zekerheid kon uitmaken, waar de plaats dier bijéénkomsten was. De intrige-geest der Prinses was bekend; haar huis was één dier oude gebouwen, waar men zeker was geheime gangen en
onderaardsche schuilhoeken te vinden, zoowel als fondamenten. De aandacht van den waakzamen Burgemeester was dus alreede op dat huis gevestigd. Sinds het gebeurde met Jan Cornelisz. , wantrouwde Prouninck de gansche wereld, en hij stelde zich voor, huiszoeking te doen, zelfs bij de vorstelijke dame, zoo zij zekere proeve, die hij met haar wilde nemen, niet rustig doorstond; de proeve, oordeelde hij, moest voorafgaan; want in ’t eind, eene vorstin, die zoolang bekend geweest was als eene ijverige vriendin van den Graaf, een openlijk vernederend onderzoek te doen ondergaan, kon niet wel met billijkheid en hoffelijkheid bestaan, zoo daar geene ernstige redenen waren op te geven tot zijne verantwoording. Hij begaf zich dus op zekeren dag naar de Prinses, maar daar Prouninck gewoonlijk meer drift dan list tot zijn dienst had, begon hij met haar heftige verwijten te doen, dat zij zich had geschaard aan de zijde van Leycester’s vijanden, en toen zij hem met sterke verzekeringen het tegendeel betuigde, had hij haar verweten, dat zij verdacht werd, een deel van haar huis te leenen tot de onwettige en misdadige bijéénkomsten van zekere lieden, die zich te Utrecht onthielden, om daar onraad te stichten. De Prinses deed, zooals de meeste onschuldig betichten; zij verwaardigde zich niet eens te ontkennen, en tergde den Burgemeester uit tot een onderzoek, dat zij niet vreesde. Die stoutheid bevredigde Prouninck beter dan de sterkste ontkenning; toch durfde hij er niet in berusten, en hij nam zich voor van de gegeven vergunning gebruik te maken te zijner tijd; maar dit maakte niet de rekening van meester Andries, als wij ons herinneren, de trouwe dienaar van heer Aelbrecht Foeck, schoon in werkelijken dienst der Prinses. In de voorzaal op wacht, had de luide stem van Gerard Prouninck hem met alles bekend gemaakt, en ook eene zachtere ware aan zijne opmerkzame aandacht en scherp luisterend oor niet ontgaan.

Een onderzoek, dat de veiligheid van zijn meester en diens vrienden in de waagschaal stelde, moest voorkomen worden tot elken prijs. Na Prouninck’s vertrek vervoegde hij zich bij zijne meesteres, en toonde haar eene cassette met edelgesteenten en gouden sieraden, die hij zei de voort te komen uit de geheime schatten van één der vroegere bewoners van ’t huis. Hij geloofde zekerheid te hebben, dat er meer, veel meer te vinden was, en dat de rijke bezittingen van één der laatste Bisschoppen in de geheime en onderaardsche schuilplaatsen van hare woning geborgen waren. De personen, die aanspraak konden maken op die goederen, waren dood of niet meer in ’t land; geen rechtmatige eigenaar zou of kon zich opdoen, en de Prinses zoude er de bezitster van zijn. Misschien had de Burgemeester vermoeden van zoo iets, en was dit meer dan iets anders de eigenlijke reden, dat hij nasporingen wilde daarstellen in haar huis, en het andere slechts voorwendsel; maar het voorwendsel bestond en moest worden weggenomen, oordeelde de Prinses, door eigenbelang gescherpt… en zij dacht na, hoe dit aan te vangen. Andries, dien zij haar getrouwe noemde, werd een goed deel der te vinden schatten toegezegd, en hij werd reeds terstond met handen vol goud beloond. Eindelijk had zij haar middel gevonden: zij liet om Cosmo zenden. De nieuwe luitenant verscheen, . nu op helderen dag, fier op zijn rang, en gelukkig als zij meende, integendeel norsch en ontevreden, als zij spoedig opmerkte.

»Eilacen, messer Cosmo! welke tijden we doch beleven?” sprak ze hem zuchtend toe. »Eene vrouw van mijne kwaliteit, eene bekende vriendinne des Graven, genaamschend en gedrukt door zóó onteerende verdenking, als die is, waarvan zulk onderzoek als meester Gerard voor heeft, van tuigen zou! ”

»Mits ge dat zoo neemt, signora! is ’t voor u zake, God te bidden, dat de verdenking niet door de waarheid achtervolgd moge worden, sinds dat u nog dieper beschaming zou brengen, en uwe zake gansch niet ten beste keeren. Mylord Leycester is niet de man, om zulk verraad te vergeven.”

»Maar in ’t bewustzijn mijner onnoozelheid is die smet der verdenking mij tegen, en ik verhoopte van u, die mij doch wel eenigen dank schuldig zijt, dat ge mij daarvan zult helpen ontheffen, ’t zij door eenigen goeden raad, die ’t uitwerkt, ’t zij door meester Prouninck te bewegen, van zijn voornemen af te zien…”

»Signora Principessa! ik dank den Graaf mijn leven. Ik heb hem eed gedaan en trouwe gezworen, toen ik mijn degen aanvaarde. U dank ik niets; wij hebben handel gedreven, daarbij gij niet aan den slechtsten koop zijt geraakt. Ik zal dus zóó slecht een voorstander van mijns nieuwen meesters zaak niet zijn, om u hierin te vernoegen.”

»Gij houdt dus de aantijging voor waar?” riep de Prinses, even bevreemd als verontwaardigd.

»Ten minste, mevrouwe! is het waar, dat gij de partij des Graven verlaten hebt, en die der heeren van Nassau, die ’t met de Staten een zijn, in ’t heimelijk steunt…”

»Oime! als gij dat meent en staande houdt, ben ik verloren!” riep Maria de Brimeux, doodelijk verschrikt.

»Dat kan heel wel zijn, signora!” hernam hij koel.

»Want ik heb dan geen enkelen vriend, die voor mijne onschuld kan tuigen!”

»Uw geheugen is niet zeer trouw. Principessa! gij vergeet, dat ge nog uw vriend Nicolaas de Maulde tot dien dienst kunt oproepen; en zulk een jeugdige heer getuigt al wat gij wilt, ter liefde uwer schoone oogen. Alleen, zoo ge uw doel treffen wilt, rade ik u aan, die oproeping eerder heden te doen dan morgen; want hij is van meening, morgen met geheel zijn compagnie nieuwen eed te doen aan de Staten. Daarna, begrijpt ge, zou zijne tuigenis voor u niet veel gelden… ’t Is satanisch valsch van u, mevrouwe! uw gunsteling daartoe te brengen, en ge zoudt nog willen, dat iemand aan uw afval twijfelde!” En hij zag haar aan met felle, fonkelende blikken, den sarcastischen glimlach op de lippen, en de rechterhand met zóó dreigend gebaar opheffende, dat eene moediger vrouw dan deze verschrikt zou geweest zijn… Daarbij, wij weten het, zij vreesde Cosmo en zij had hare goede redenen om het te doen, en het bericht; zelf, dat zij op die wijze vernam, verhoogde de angstige en smartelijke aandoeningen, die haar overstelpten.

»Mijn God! de jonge hopman zich begeven tot die zijde! ’t Is den Hemel bekend, dat ik daaraf nietwes wete.” En haar verbleeken, haar zenuwachtig samenklemmen der handen sprak luider nog voor die waarheid, dan hare woorden.

»Maar, mevrouwe!” hernam hij, altijd spijtig en scherp, dan, voorwaar! mocht ge betere acht geven op de handelingen uwer minnaars; want dus doende, konden ze u in groote ongelegenheid en disperatie brengen, gij u begevende te dezer zijde, zij ter andere… Ik zegge u, bij die wijze van doen zult ge veeleer kans hebben, door beide partijen gehaat en geminacht te worden, dan gewaardeerd en gesteund. ”

»Maar ik zwere u, messer Cosmo! de jonge Baron is mijn minnaar niet, noch is dat ooit geweest.”

»Toch uw cavaliero-serviente, uw sigisbéo, of met welken naam, gij het noemen wilt; maar altijd toch uw afhangeling, uw vazal; — iets dat denkt zooals gij, — dat spreekt zooals gij, — dat handelt naar uwe ingeving en naar wiens handelingen men u oordeelt.”

»Mogelijk kan dat voormaals met waarheid gezegd zijn van den Baron de Maulde. Dit is nu niet meer…, de tijden zijn voorbij, dat ik invloed op hem had en dien gelden deed. De jonge cavalier was te over vermetel in zijne eischen; plichtbesef en eergevoel dwongen mij, hem uit mijne nabijheid te verbannen.”

»Ter wille van u zelve en van mij zijt ge wel te kwader ure tot dit besef van plicht en eere teruggekomen… mevrouwe!” hernam Cosmo met bitterheid en minachting; »want, wat het u kosten kan, den weg, dien hij neemt, zal ik niet berekenen; mij aangaande, mijne rekening is gemaakt; ik zal wegens insubordinatie voor een krijgsraad worden gedaagd, of van ’t vaandel verjaagd en uit den dienst gezet worden… Eene fraaie bevordering, niet waar? en gansch eene andere, dan die mij door u bij mijn in dienst treden was aangezegd.”

»Maar, messer Cosmo! gij spreekt dingen, die niet zijn kunnen… Gesteld, de jonge hopman was besloten eed te doen aan de Staten, en deed zoo; hoe zou dat u in leed brengen?”

»Omdat hij gezworen heeft, dat al de officieren en soldaten van zijne compagnie zijn exempel zouden volgen, of gehandeld worden met de uiterste rigueure van de krijgswet… En ik zie niet, hoe ik, — vreemdeling, door niemand beschermd, door niemand gekend dan op zulke wijze, die ongekend nog meer wenschelijk zou maken, — nu reeds door velen gehaat en geminacht, — aan het strenge vonnis zal ontgaan, dat die geliefde, Neerduitsche, edelboortige hopman, die aller hoofden en harten met zich trekt, zal wijzen…”

»Gij zijt niet van zins, zijn wil te doen in dezen.”

»Mevrouwe! ik heb het u meer gezegd. Ik ben, onder de verachtste en verworpenste menschen, de meest ellendige en verworpene; maar dit is waarheid: ik heb maar één woord en maar ééne trouwe, en met die breke ik niet; moge ’t mij duur te staan komen of tot winste gedijen, hiernaar vrage ik nooit. Gij ziet, Principessa! dat ge, in elk geval, u buiten mijne hulpe moet redden; want na morgen ben ik gekerkerd of verdreven… En wat u belangt, na dien dag zal Prouninck weten, waaraan zich te houden omtrent uwe gezindheid, en moeilijk daaraf zijn te brengen, als ge denken kunt. Uw vorstinnenwoord behoeft dan bij hem niet meer te geiden dan dat van een ander.”

De Prinses sidderde, maar herstelde zich snel; zij had nagedacht, overwogen.

»Mijne daden dan toch zullen geloofwaardig geacht worden!” hernam zij met zekere waardigheid.

» Certamente! daden!” herhaalde Cosmo, met een glimlach het hoofd buigende.

»Indien, bij voorbeeld, door mijne tusschenkomst, jonker Nicolaas de Maulde geen eed deed aan de Staten, maar veeleer opnieuw, en vaster dan voormaals, zich verbond aan Mylords vrienden…”

»Dat zeker zou genoeg wezen, om Prouninck te overtuigen…, en…”

»En de beschamende formelijkheid der huiszoeking…”

»Niet te doen plaats vinden; ik zelf zou hier tusschenbeide komen, om het hem te ontraden.”

»Nu dan, messer Cosmo! bewijs mij nog heden den dienst, u tot den jongen hopman te begeven, en hem in te fluisteren, op uw minst barren toon, dat ik hem spreken wil — nog heden spreken wil.”

»Och! mijn schorre toon zal hem liefelijk klinken bij dat woord,” glimlachte Cosmo. »Alleen waar moet ik hem zoeken…?”

»Gij moet hem uitvinden; sinds onze scheiding weet ik niet meer, waar hij zijne avonden slijt.”

»Nu, uitvinden is mijne zaak; ’t is nog een staaltje van mijn oud handwerk.”

En hoe Cosmo zijne zending volbracht, heuben wij gezien, evenals hoe zij slaagde. Dat zij slaagde, heeft misschien sommigen verwonderd: en men vindt er in de Maulde eene zwakheid, die hem alle leed en smart, welke hem op dit pad wachtte, waardig maakt; maar men bedenke zijne jeugd, zijn hartstochtelijk karakter, de stemming zijner ziel, juist op dat oogenblik…, en dan het plotselinge, het verrassende van de oproeping…

Had hij uren en dagen van beraad gehad, wellicht had hij nog een ander antwoord gevonden, in het herdenken aan het verleden; wij gelooven zelfs, dat het afscheid van Ada hem, bij het heengaan tot de Prinses, tot zulke overwegingen stemde, die zeer strijdige, wellicht zeer goede voornemens in zijne ziel opwekten; maar zijn eerste gevoel was blijdschap, bij de gedachte aan eene terugroeping, die hem in ieder geval de gelegenheid liet, zich nog eenmaal aan die vrouw te verklaren: iets dat zij hem niet had vergund bij haar onbarmhartig en plotseling besluit tot zijne verwijdering. En in ’t eind, zij kon toch door edeler beweegreden dan luim of wisselziekte zijn gedreven, bij dat besluit; het kon werkelijk een offer zijn geweest aan deugd en plicht; het kon haar zelve hebben gekost, en meer dan zij had willen toonen; en nu…, het offer kon haar te zwaar blijken…, zou hij zich dus onverzoenlijk toonen, dat hij niet eens hooren wilde wat zij hem nu had mede te deelen…? En werkelijk hij hoorde; en Maria de Brimeux, hetzij, waar zij zich zelve bedroog en meende waarheid te spreken, hetzij, waar de noodwendigheid der zelfzucht haar dwong, alle bedenkelijke redenen tot verschooning van het verledene aan te voeren, Maria de Brimeux zelve sprak tot den jongen Baron, juist op dien toon, waarin zijn eigen edelmoedig hart reeds voor haar had gepleit. Men denke dus, hoe ze werd aangehoord. Wij volgen den gang eener betrekking niet, waarvan de arme Ada Rueel het eerste den smartelijken invloed ondervond; men begrijpt dat zij toch niet de éénige zal blijven. Het lust ons niet ons raadvermogen in te spannen, om u de kunstgrepen aanschouwelijk te maken, waardoor eene zulke vrouw opnieuw hare heerschappij vestigde over zulken man, en misschien zou men toch, na die poging, den roman kunnen verdenken van onwaarschijnlijkheid. De werkelijkheid is niet te verdenken, en het verleden, het tegenwoordig, en de toekomst, zijn alle daar om de waarheid van zulke toestanden te bewijzen. Menige Ada Rueel,
met hare vrouwelijke deugden, met hare liefde, met hare trouwe wordt er overzien en verachteloosd; menige Prinses de Chimay, met hare blinkende ondeugden, met hare schaamtelooze zelfzucht, met hare koele loszinnigheid, trekt de hulde van harten tot zich, die zij allen aanneemt om ze te verguizen en te verbrijzelen… Genoeg voor ons, om u te bevestigen, in hetgeen gij vermoedt: dat de Maulde vergat den nieuwen eed te doen aan de Staten, dat Cosmo, dien hij vroeger had teruggezet en gewantrouwd, zijn gunsteling en vertrouweling werd, wiens raad hij meer en meer blindelings volgde, omdat hij in hem eene der schakels zag, die de geliefde vrouw aan hem vasthechtten; — dat Prouninck van onderzoek afliet, hetgeen niet belette, dat Cosmo in zijne plaats goede wacht hield op de daden der Prinses; want hij bleef haar mistrouwen. Toch strekte alles, wat hij opmerkte, om zijn argwaan gerust te stellen, die in waarheid zonder oorzaak was. Maria had vroegere hoop en verwachting opgegeven voor dat oogenblik; zij geloofde opnieuw aan Leycester’s terugkomst, aan Leycester’s vriendschap en steun, en zij wilde niets zijn dan ijverige dienaresse zijner belangen, en zij geloofde zich daardoor eene toekomst te openen van welzijn en geluk, als zij sinds lange niet had gekend.

De Maulde ook was gelukkig; — zoo gelukkig als men het zijn kan, tegen de inspraak van het geweten, dat men iederen dag moet toeschroeven en als verstompen, om te durven genieten hetgeen men zelf veroordeelt. — De Maulde was anders gelukkig dan Ada het geweest was door hem; zij, die ten minste zonder onrust der ziele hare kortstondige levensvreugd smaakte; maar, als zij, leefde hij van eene hersenschim, van een blinkenden droom vol zelfbedrog en vol misleiding… Zou voor hem de begoocheling langer duren dan voor haar?


Ingezonden op: 19 July 2001