DE VROUWEN VAN HET LEYCESTERSCHE TIJDVAK.

TWEEDE DEEL — HOOFDSTUK VIII.

De Advocaat van Holland heeft het druk.


»En gij vervorderdet alzoo rustig uwe reize, na die hindernissen overkomen te zijn, Mylord?”

»Ja, mijnheer! even rustig en met al zoo weinig hindernis, als ik mij verbeelde, dat de Advocaat van Holland zelf zulken tocht door de provinciën zou gedaan hebben,” antwoordde de ondervraagde, die Mylord genoemd werd, en die ons het meest bekend is als master Fabian.

»Heb daar niet te goeden dunk af, Mylord!” en de eerste spreker, die dit zeide met een ernstig hoofdschudden, had zeker het volste recht, op dat punt uitspraak te doen; want hij was niemand minder dan de Advocaat van Holland zelf, die zich onderhield met den Engelschman, in zijn eigen huis te ’s Hage, zittende in zijn schrijfvertrek, dat ingericht was met een strengen eenvoud, geheel in overeenstemming met de behoeften van den bewoner, die er aan niets dacht, dan om in den kortst mogelijken tijd het meest mogelijke werk af te doen, voor wien elke afleiding stoornis, en alle verfijning van gemak en weelde nuttelooze omslag is, waar de ijdelheid en de beuzelarij hare seconden bij verliezen en hare uren door gespild hebben, eer ze ’t weten. Geen der comforts van de kabinetten dier Staatsdienaren, die, hunne innerlijke nietigheid met uiterlijke wichtigheid omhullende, zich afzonderen onder voorwendsel van bezigheden, en inderdaad om zich, aan de zoetheden van het ledig zijn, aan de droomerijen der verbeelding over te geven, of zich in de genietingen der kunst te vermeien. Het kabinet van meester Johan van Oldenbarneveld sprak van beter dingen. Geen trotsche raadsheerlijke zetel voor den man, die toch van uit dit kabinet menigen raadsheer tot hoofd en leidsman strekte; — geen gemakkelijk rustbed van dons en fluweel, om de leden op uit te strekken, die niet vermoeid zijn; — maar slechts een eenvoudige houten stoel, met ronde leuning, met een los kussen van groene sergie tot zitting. Alle verdere meubelen, tot het schrijfgereedschap toe, zijn degelijk en bruikbaar als voorwerpen, die men had, omdat ze noodig waren, maar die verder aandacht noch zorge verdienden; om ’t al te zeggen: het kabinet getuigde van een meester, die stipte orde met onafgebroken ijver vereenigde, — van een Staatsdienaar, die werkelijk diende, niet met iets van zijn tijd, niet met eenige uren van zijn dag, niet met een deel van zijne aandacht, maar met geheel zijn wezen; van een man, die door ééne vaste gedachte is bezield; die reeds een deel zijner wenschen heeft bereikt, maar die meer dan dat wil bejagen; en die weet, dat hij er alléén komen kan door de krachtigste inspanning en de onvermoeibaarste volharding. De schrijftafel, waaraan hij zat, volgeladen met papieren, brieven en pakketten, en waar kennelijke scheiding was tusschen den afgedanen arbeid en dien, welke nog voltooid moest worden, getuigde, dat de dag reeds ten middag gestegen, ook heden niet werkeloos was doorleefd, en tevens, dat er nog wel voor een langen nacht overig moest zijn gebleven. En toch… (het kon niet anders), toch zou de volgende dag daar nieuwen arbeid en nieuwe bezwaren toevoegen, wellicht ze verdubbelen.

Voorwaar, de heerschzucht evenals alle andere hartstochten, laat geen rust wien zij beheerscht; zij dwingt tot onverpoosde waakzaamheid; zij dwingt het meest mogelijke zelf te onderzoeken, zelf te zien, zelf te volvoeren, opdat anderen ons het werk niet bederven of naar hunne inzichten afdoen; zij dwingt nog daarbij tot een scherp toezicht op de werktuigen, die men ondanks zich zelven gebruiken moet. En dit bedenkende, zal niemand den Advocaat van overdrijving beschuldigen, bij hetgeen wij hem nu hooren zeggen, sprekende van het Leycestersche tijdperk:

»Als ik zeide, Mylord! heb daar niet te goeden dunk af. Mijne veiligheid en de onschendbaarheid van mijn persoon is al zoo weinig verzekerd, als die van een zwervenden vreemdeling, vanwege den grooten haat, dien men mij toedraagt, daar ik, als Advocaat van Holland en de mond der Staten meest het scherp moet afbijten… in ’t belang der goede cause; zulks ik mij geduriglijk bevinde in ondenkelijke bezwarenissen, moeiten en perikelen, door de menigte der kwalijkgezinden, dier getal legio is…, en die maar daarop peinzen, mij te discrediteeren en ondienst te doen bij de Koningin, bij den Graaf en bij luiden hier te lande in hoogen staat gezeten, en om mijn naam veracht en hatelijk te maken bij ’t gemeene volk, onder hetwelk worden voortgebracht honderd leugenen, valschheden en calumniën, bij paskwillen, seditieuse libellen en anderszins, dergelijke uitwerken, dat ik met waarheid mag zeggen, dat een openlijk vervolgd man nauwelijks in minder zekerheid verkeert voor lijf en vrijheid, dan een publiek persoon van mijne conditie, wezende een gezeleerd voorstander van ’s lands vrijheden en privilegiën, en een getrouw dienaar der Staten en van Zijne Excellentie…; doch dit daargelaten," hervatte hij, van toon veranderende, bij het opmerken van een ironieken blik en glimlach op Fabian’s gelaat. »Gij hebt mij verlustigd en ’t voorhoofd ontrimpeld, door het verhaal van uw kluchtigen strijd met de manhafte vrouwe van Darthuizen en van uwe genereuse interventie ten gunste van den echtgenoot, ietwat in zijne autoriteit gekrenkt en verkort; maar gij hebt mij nog niet gezegd, waar gij het hereenigde paar hebt achtergelaten…?”

»Tot Amsterdam, waar ik eene wijle heb vertoefd, minder om mij te verzekeren, dat het hersteld hijliksgeluk voortaan niet meer door troebelen van rebellie zou gestoord worden, dan wel om mij van eenige overtollige kostbaarheden te ontdoen, en daarvoor gangbare Hollandsche munt in te wisselen, en tegelijk mijn al te opzichtelijk kostuum te verruilen voor het meer bescheiden gewaad, dat ik nu drage, en dat, naar ik achte, deftig en passend is, zonder uit te schitteren door vreemdheid of pracht.”

En in waarheid, het fijn zwart lakensch wambuis, de hozen met satijn van dezelfde kleur afgezet, en de smalle kraag van kamerijksch doek, die hij droeg, waren zóó juist gestempeld door den spreker zelf met de woorden: deftig en passend, dat zijn hoorder alléén met eene hoofdbuiging behoefde toe te stemmen, terwijl Fabian vervolgde:

»Daarbij, mevrouwe van Hemert behoefde ruste, zou ik niet een lijk, in stede van eene bondgenoote, naar uwe stad hebben gevoerd.”

»Om der wille der droeve weduwe dank ik u, dat gij haar den tijd hebt gegund hare krachten te herstellen; maar wat de bondgenoote belangt… Verschoon mij, Mylord! maar ik wacht betere diensten van u, dan die ge mij hebt bewezen met hare tegenwoordigheid hier te ’s Hage…”

»Gij vreest alzoo, dat ze u hier kwade diensten zal doen…?”

»Hm! hm! dat wil ik geenszins gezegd hebben, alleen tusschen geene kwade diensten doen, en vele goede, is nog een wijd verschil; en ik beken, dat ik op die vrouwelijke tusschenkomst, in zake van politiek, niet bijster gezet ben; ze verwikkelen die veeltijds, bemoeielijken ze niet zelden en eindigen vaak met ze te bederven ”

Master Fabian scheen dit gevoelen volstrekt niet te deelen. zelfs wierp hij een scherpen en dubbelzinnigen blik op den Advocaat, die van innerlijken spijt en toorn getuigde; maar hij zweeg en bleef eene wijle in nadenken verzonken, als overwoog hij het verschilpunt bij zich zei ven, terwijl een bittere glimlach om zijn mond speelde; toch dreef die wolk snel voorbij, en hij hervatte met kalm gelaat en op zijn vroegeren toon:

»Gij hebt gelijk, Sir! waar het de meerderheid geldt; ik zelve heb groote bezwarenissen te doorworstelen gehad met mijner, Lady’s bondgenooten; doch er zijn uitzonderingen, bij voorbeeld, de weduwe van Hemert zelve. Gij ook hebt eene wijle dat gevoelen gedeeld; bewijs daarvoor is, dat gij, door beloften van goede diensten en hulpe, die vrouwe tot uwe partij hebt getrokken, en dat gij haar uit Utrecht tot u roept.”

»Het eerste deed ik, omdat ik van opinie ben, dat de vijanden van mijne tegenpartijders tot mijne vrienden mogen gerekend worden, en dat ik, secours en protectie verleenende aan die vrouwe, daarmede recht zoude hebben hare daden eenigszins te bestieren, ze te weerhouden van dusdanige handelingen en gedragingen, die ten prejudicie konden strekken van mijne ontwerpen en de goede cause, om niet te zeggen, dat ik mij nevens die overweging heb laten leiden door het gevoel van deernis, dat eene zoo droef verweduwlijk te vrouwe in ieder menschelijk gemoed opwekt, en dat dringt ze tot steun en troost te zijn; wat het laatste belangt, ik riep ze herwaarts, omdat zij tot Utrecht gevaarlijk begost te worden. De propoosten, die zij daar openlijk voert zijn vrij al te heftig rebellisch en seditieus, tuigen meer van verbijsterde zinnen dan van goed beleid, en konnen tot toortsen dienen, om den heftigen brand van burgerkrijg aan te steken, daarvan, mits die eens is uitgeslagen, niemand de gevolgen noch den voortgang kan weren of leiden; en naardien, in ’t afwezen van den Luitenant.Generaal Harer Majesteit, de zorg voor de rust des lands ligt bij de Staten en Mijnheer den geboren Prins van Oranje, zoo is ’t aan mij te zorgen, tijdig het vuur van ’t stroo te houden.”

»Ge zult daarmee toch niet kunnen blusschen den laaien gloed van ’t felle twistvuur, die welhaast alomme gaat uitslaan…” viel Fabian in, als met zegepraal.

»Toch wel de aantijging, dat wie tot de mijnen hooren, daartoe de stokebranden zijn geweest, zoo ik meene,” hernam Barneveld met zekere waardigheid, die een vreemden indruk moest maken op iemand als Fabian, die de overtuiging had, dat de Advocaat althans tot den vrede tusschen de provinciën Holland en Utrecht niet had medegewerkt. Barneveld deed of hij die bevreemding niet opmerkte en hervatte: »Hadde mevrouwe van Hemert gansch naar mijn raad gehandeld, zij ware naar Engeland gereisd, onder het veilig en eervol geleide van het gezantschap, daaraan ik goede recommandatie had gedaan te harer gunste. Ze had dan hare grieven tegen Leycester aan de Koningin zelve kunnen voorleggen, en de overreding harer desperate bedroefdheid zou deze bewogen hebben hare partij te nemen tegen den Graaf, en al schoon het gebeurde door geene koningsmacht te herstellen ware, toch haar eene zulke satisfactie zou gegeven hebben, dat naar billijkheid haar heete dorst naar wrake gelescht moest zijn!”

»Wat ge daar weinig bekendheid toont van ’t vrouwelijk harte, zonderling van dat der Koningin Elisabeth, schrandere staatsman!” grimlachte Fabian. »Meent ge, dat zij haar gunsteling zoude opgeven, ter gunste van eene kermende vrouwe, door hem van een echtgenoot beroofd? Voorwaar! dus hoog en heilig acht ze der anderen hijliksgeluk niet, zij, die het zelve niet kent, en niet kennen wil, of het moest zijn bij wijze van roof.”

»Eene bede, en desnoods een bevel; geene calumniën of schampere uitingen over de Koninklijke Majesteit van Engeland in mijn huis, in mijn bij wezen!” viel Barneveld in, snel en als met zekeren schrik, dat hij reeds woorden als deze had aangehoord. »Vooreerst zondigt ge daarmede tegen het plakkaat van Februari, en ten tweede strijdt het…”

»Tegen uw persoonlijk gevoelen,” hernam Fabian meer bedaard, en zonder spot; want hij zelf begreep, dat hij op het punt stond zich te verraden, zoo niet reeds zijn vlammend oog, het brandend rood van zijn voorhoofd en wangen al den haat verraden hadden, die er in zijne ziel heerschte jegens de Koningin. Hij was dus Barneveld veeleer dankbaar voor eene stoornis, die hem tot zich zelven bracht dan er door gekrenkt.

»Zeg liever met de reverentie en ’t ontzag, die ik, als Hollandsch staatsman, aan de Vorstin schuldig ben, wier bondgenootschap en hulpe, of slechts de schijn daaraf ons nog altijd onontbeerlijk is; maar, ziet ge, al hadden de supplicatiën der weduwe niet gansch de uitkomst gehad die zij er van wenschte, toch beelde ik mij in, dat het Hare Majesteit tot eenigen maatregel van rigueure zoude genoopt hebben, en tot een nauwer en strenger en min partijdig onderzoek naar den staat der Hollandsche zaken, dan tot hiertoe ondanks alle onze beden, Hare Majesteit heeft gelieven daar te stellen.”

»Dus gezien, was de intentie goed, doch naar mijn gevoelen zou de uitkomst nog zeer onzeker zijn geweest. Gijlieden hier in Holland kunt Leycester niet kennen, dan als een trotschen, overmoedigen gebieder. Gij kunt niet weten wat hij is als hoveling, als vleiende gunsteling eener vrouw, die hij winnen wil of…, houden; hij zou niet overtuigen, hij zou toch overreden; zij zou zijne schuld raden, zij zou hem minachten, en toch vergeven; zij zou voelen, dat zij hem haten moest, en toch — hem geene gunst weigeren, die hij haar vroeg… Zóó heeft hij iederen gruwel straffeloos kunnen plegen, — zóó, waar en wanneer hij wilde, vrouwelijke deugd ontheiligd, mannelijke eer vertrapt, menschelijke rechten verkort, eene Koningin tot slavin gemaakt op haar troon en eene andere, — eene engel van schoonheid en liefde, slechts niet sterk genoeg tegen zijne list, — van vernedering tot vernedering heengesleept tot op een schavot.”

»Mylord! Mylord! in trouwe, gij trekt u deze zaken te zeer aan; u aanziende, zou men meenen, dat gij hem dit alvermogen, op de vrouwen in ’t algemeen, en op de Koningin in ’t particulier benijddet,” sprak Barneveld, met een glimlach en een licht schouderophalen. Het kalm gezond verstand van den doorslepen staatsman onderscheidde ras de overdrijving van den toorn, die Leycester schuldig stelde aan al de fouten en misdaden, die Maria Stuart troon en leven hadden gekost.

Fabian herstelde zich.

»Het is zoo; — ik heb het u gezegd, dat het die man is, die mijn hijliksgeluk, het geluk van heel mijn leven heeft gestoord…”

»En ’t is daarom, dat ge dus heftig naar wrake dorst?”

»’t Is daarom; want gij weet niet, hoe men dien man haat, als men hem eens haten kan…; hoe men dan niet genoeg heeft aan de zekerheid, dat men zijn leven in handen heeft, — dat men zijn bloed zou kunnen storten door een enkel woord, — dat men het in zijne aderen tot ijs kon doen stolten, door eene enkele aanraking van onze hand; — dat men meer wil dan dit, eene langere marteling vooral, dat men voor hem wil teleurstellingen bij iederen wensch, — hindernissen bij ieder ontwerp, — schande en smaad, waar hij glorie en zegepraal had
gewenscht, — verwarring en onmacht, waar hij hoopte te heerschen, — miskenning, waar hij dacht zich dank te verwerven, — haat en verachting van geheel een volk, waar hij in zijne ijdelheid zich gevleid had de verlosser te zijn van dat volk, zooals zijne vleiers hem noemden, en den schimplach der wereld bij zijn schandelijken val, en den vloek der nakomelingschap, wille van het éénige, waarom hij op haar dank had mogen rekenen…”

En de scherpe, schelle stem van Fabian had iets van het schuifelen eener ratelslang, iets van het snuiven een er hyena die rondom hare prooi heensluipt, iets ook van een fijn stylet, dat vergif brengt in de wonden die het maakt. Daarbij werden zijne trekken woest en ontsteld, zijne oogen verdraaiden zich in hunne kassen, en zijne verbleekte lippen trilden, terwijl ze vochtig werden van een fijn, bloedig schuim, bij het zwijgen door een kwaadaardig tandgeknars voortgebracht. In de uiterste opwinding, waartoe hij zich had laten vervoeren, ging hij voort:

»En omdat gij het zijt, gij machtigste en schranderste in dit land! die mij daartoe de hand wilt bieden, die den wil hebt als de macht om hem daartoe te brengen, daarom wil ik uw dienaar zijn, uw slaaf, ik de fierste van alle menschen; daarom zal mij geen dienst te gering, geene misdaad te zwart zijn, die gij mij gebieden zult tot dit doel…”

Barneveld voelde zich een oogenblik door de walging en den afkeer bevangen, dien wij ontwaren in ’t bijzijn van een uitzinnige, of van een, die door ’t misbruik van bedwelmenden drank het gebruik zijner rede heeft verloren. Zeker kwamen hem woorden van verontwaardiging op de tong, doch hij bedacht, dat de Engelschman in een toestand van overspanning was, die door terging en prikkeling zich tot razernij kon verheffen; en daarbij, hij had hem noodig; hij had nog veel met hem te bespreken, en hij overwoog snel, dat het beter was hem te beschouwen en te behandelen, zooals men met lieden in zulken toestand moet doen: die men een verzachtend middel toedient, dat hen afleidt of een ijsbad, dat hen plotseling tot zich zelven brengt. Het laatste lag meer in het karakter van den Advocaat, vooral waar hij geene sympathie voelen kon; hij zeide dus alleen:

»Ei, ik bidde u, Mylord! matig u; wat ik in dezen doen kan, is u beloofd, omdat ik ter wille van hooge belangen dus handelen moest; alleen tot zwarte crimen denk ik u niet te brengen; maar vergun mij u te zeggen, dat heer Wilkes volkomen in zijn recht was, u in te kerkeren als een gevaarlijken tegenpartijder van den Graaf, zelfs zonder bewezen feiten van uwe schuld in dezen.”

Dit ijsbad deed werkelijk goed. Fabian, die al sprekende opgestaan en Barneveld’s armstoel genaderd was, wendde zich van hem af en ging weer zitten, glimlachte, hoewel met wat ontstemde trekken, en sprak kalmer:

»Gij hebt gelijk, mijnheer! dat gij mij aan mijn toestand herinnert; gij hebt gelijk, dat gij u door mijne wilde woede niet ontvlammen laat, maar die tempert; ik ook ben niet gewoon mij dus te vergeten; en juist daardoor, juist nu ik eenmaal die ingehouden woede lucht gaf…”

»Moest zij te feller uitbarsten, dat ligt in der menschen natuur; maar, eilieve! dit brengt ons verre weg van onze zaken, zonderling van de hoofdzaak, daarover ik inlichting wenschte, uw verblijf in het leger van Parma en de onderhandelingen, door u aangeknoopt tijdens dat verblijf met den veldheer, strekkende tot opening van eenigen vredehandel…, in hope, naar men mij zegt, dat gij getuigd hebt, in hope door dezen weg de verbeurde gunst der Koningin te herwinnen. Dit zoudt gij niet ondernomen hebben, dunkt mij, dan bij volkomen overtuiging, dat zulks der Koninklijke Majesteit aangenaam ware, zoo ’t slagen, kost…”

Terwijl hij dit sprak, zag Barneveld Fabian scherp in de oogen, en Fabian was te vermetel, om dien blik, hoe doordringend ook, niet met rustige koelheid door te staan.

»Gij houdt u dus overtuigd, dat uwe Koningin in ’t heimelijk dien vrede wil?” vervolgde de Advocaat.

»Ik houd er mij van overtuigd, dat Elisabeth van Engeland alles wil, wat zij te haren bate acht, mocht dat schade of ondergang brengen aan hare vrienden of bondgenooten…”

»Luister, Mylord!” hernam Barneveld met zeker ongeduld, »gij hebt een uitnemend verstand; wil het gebruiken. Nu spreekt weer de haat uit dit antwoord. En vergeef mij, Graaf van Derby! waar het mij, als staatsman, in ’t belang van mijn land om waarheid te doen is, wil ik liefst met de aantijgingen van den haat niet te rekenen hebben, maar enkel het nuchtere oordeel der wikkende wijsheid laten gelden.”

»Het placht toch waar te zijn, dat de haat scherpziende maakt, en uit die oorzaak ben ik mijnerzijds zeker, dat Uwe Edelheid den Graaf van Leycester snel heeft doorzien!” sprak Fabian.

»Wat doorzien aangaat, ja; ik geloove het gemoed van dien heer al vrij wel te kennen, en make mij sterk, de gedichtselen van zijn harte doorgrond te hebben; alleen wat den haat belangt, daarin vergist gij u, Mylord! ik haat den Graaf niet, niet meer ten minste dan…”

»Gij een ander zoudt doen, die in zijne plaats was, of u in den weg stond, gelijk hij; is het zoo niet?”

»De vrijheden des lands bedreigde, dewelke te handhaven simpellijk mijn doel is.”

»Of uw voorwendsel…”

»Naar mijn beste weten, mijn doel,” herhaalde Barneveld. »Ik heb geene eerzucht, dan die: den lande van Holland vrij te maken en machtig…, en den Prins van Oranje… groot.”

»Men bedriegt soms zich zelven, heer van Barneveld! doch ik wil u die satisfactie niet benemen, die men soms in zelfbedrog vindt. Ik zie, gij staat er op, voor een pater patriae gehouden te worden; ik voor mij acht de eere schraal, de winst mager en ’t geheel der betwisting niet waard, mijn leermeester. Hadrianus Junius, die één uwer geleerdste landgenooten was, heeft mij altoos vermaand, niet over de smaken te twisten.”

»De heer Junius uw leermeester, Mylord? Ik wist wel, dat deze den Hertog van Norfolk in die kwaliteit had gediend, voor den Graaf zijn zoon, maar niet de Graven van Derby…”

»Ik betwijfel, mijnheer! of men hier te lande al de lotgevallen kent van dien geleerde, gedurende zijn herhaald verblijf in Engeland. Veellicht is echter de mare tot u gekomen, dat hij, bij zijn laatst oponthoud te Londen, door eene bijna wonderdadige genezing eene zeer aanzienlijke vrouw aan zich verplichtte.”

»Daarvan weet ik; ook, dat zij hem bewoog, bij haar te blijven als haar lijfarts.”

»En als de leermeester van haar kind…, Dat kind nu was ik.”

Barneveld boog zich.

»Voorwaar, mijn vermaarde landgenoot had slechter discipel kunnen treffen, gij zijt zijn onderwijs waard geweest en hebt er gebruik van gemaakt. Van nu aan verwonder ik mij niet meer over veel, dat mij in u raadselachtig scheen, onder anderen, uwe volmaakte kennis van onze taal.”

»Werkelijk dank ik hem veel; hij had eene bijzondere gave, om het verstand te ontwikkelen en het oordeel tot rijpheid te brengen vóór den tijd, en zelfs de krachtige degelijke wetenschap in teere hersens in te drukken, zonder ze te schaden. Had hij mij daarbij nog de macht kunnen geven, over mijne passiën te heerschen, hij ware mij een groot weldoener geweest,” sprak Fabian minder tot Barneveld dan wel tot zich zelven, en op een toon, alsof zijne gedachten zich, tegen zijn wil, tot woorden vormden, die hem ontvielen eer hij het wist. Maar plotseling zich hervattende, hernam hij luider en met vaste stem: »Bovenal dank ik hem de kennis van bijna alle levende talen, zoo noordelijke als zuidelijke. Hem dank ik het dus, dat ik hier in Holland taalmeester heb konnen zijn,” en hij glimlachte met pijnlijke ironie.

»Maar, heer! veroorloof mij eene opmerking,” sprak de Advocaat, »de beschermster van onzen Junius werd hier in Holland voor eene weduwe gehouden…”

»Mijne moeder was weduwe op dat tijdstip… en…”

»Zoo zijt ge dan toch eigenlijk geen zoon van den tegenwoordigen Graaf van Derby?” viel Barneveld in, met klimmend ongenoegen en mistrouwen.

»En…” vervolgde Fabian, die deed, alsof hij dit niet opmerkte, met iets als berekende koelheid: »ik geloof dat het oogenblik dáár is, om u uit eene dwaling te helpen. Ik ben niet
de jonge Graaf van Derby.”

Barneveld schrikte op.

»Niet de jonge Graaf van Derby!” riep hij, en snel nam hij een brief op, die open voor hem lag, zag dien in, terwijl hij zeide: »En Roderik, op wien ik vertrouwen kan, meldt mij…; maar toch ja… gij, groote Engelsche heeren! zijt spitsvondig op de kwestie der titels, en nu ik wel zie, is de uwe Lord Strange…”

»Maar ik ben ook Lord Strange niet!” hernam Fabian vermetel.

»Maar hoe, mijnheer! wat beduidt dan dit bedrog?” sprak Barneveld toornig.

»Dat het er geen is, om u te verstrikken, moet u blijken, daar ik zelf, vrijwillig en zonder daartoe bewogen te zijn, door eenige andere consideratie, dan die der oprechtheid, bekenne, dat het een bedrog is. ”

»Maar in ’t eind, als gij niet de jonge Graaf van Derby zijt, niet dezelfde, die in ’t leger van Parma is geweest en met dezen heeft zoeken te onderhandelen, dan ben ik teloorgesteld in de voornaamste hope, die ik op u had gevestigd; dan kunt ge mij opheldering noch inlichting geven, juist over die kwestiën, die mij zoo na aan ’t harte gaan.”

»Ik kan u die inlichtingen toch geven, en beter dan Lord Strange het zelf zou kunnen doen, zoo hij hier met u ware, en uit geene andere dan zijne eigene oogen had gezien. Want, ziet gij, ik ben het, die in zijn naam heb gehandeld en gesproken; ik ben het, die bespied heb en opgemerkt en doorgrond.”

»Voorzeker; die verwisseling van personaadje zal de wichtigheid der mededeelingen niet schaden; alleen, hoe kon zij plaats vinden, en vooral hoe kon zij stand houden?”

»Zonder groot bezwaar van zijne zijde althans, dat jonge mensch is volkomen in mijne macht, en in mijne afhankelijkheid, op zulke wijze, dat hij zich verbonden heeft niet in Holland te komen, noch naar Engeland terug te keeren, vóór ik hem derwaarts terugroepe, maar in Vlaanderen te blijven, tot ik hem van die belofte ontsla, op zulke wijze, dat hij, hier in mijne tegenwoordigheid verdaagd zijnde voor strenge rechters, zijn naam en persoon niet zou laten gelden, vóórdat hij daartoe van mij de vrijheid had erlangd.”

»Men moet veel behendigheid hebben, om eene zulke heerschappij op een mensch te verkrijgen,” sprak Barneveld, vragenderwijs en met klimmende belangstelling.

Hij ook voelde, dat het zijn belang was, de diepten dezer ziel te peilen, en in dit geheimzinnig harte te kunnen lezen, als de éénige, die den sleutel had tot dat cijferschrift.

»Minder behendigheid dan gij denkt; veel goud heeft het mij gekost, dat is waar. Ik was in Antwerpen. Ik wist, dat Lord Strange, na menigen dollen streek, die hem de ongunst van Elisabeth op den hals had gehaald, eindelijk naar Brabant was gevlucht, en nu heimelijk naar het leger van Parma was gereisd, om een vermetelen zet te wagen, waarbij hij alles, als in wanhoop, op ’t spel zette, maar toch eene kans had om alles te herwinnen: de gunst der Koningin en de verzoening met zijn vader, door een dwaas huwelijk en andere zotheden uiterst tegen hem vertoornd. Maar ik wist tevens, dat, zoo de Lord het stoute ontwerp kon opvatten, hij de persoon niet was om het te volbrengen, en dat hij zich zou laten verstrikken en verschalken, overal en zooveel men wilde; — niet omdat het hem aan vernuft gebrak, maar omdat hij het schepsel was van ’t oogenblik, die noch de noodige behendigheid, noch de noodige volharding zou hebben, om een zulk ontwerp door te zetten en vast te houden; — die in den tuimel van weinige dagen levensvreugd het werk van maanden zou kunnen verbreken; — iemand zonder karakter in ’t eind, die zich beheerschen liet door zijne zinnelijkheid en wegslepen door indrukken; — die strijdigheid tusschen de stoutheid van zijn plan en de zwakheid van zijne ziel bracht mij op een denkbeeld: in zijne plaats zijn rol te spelen, maar zóó te spelen, dat die mijne wraak diende en niet de belangen der Koningin. Zoo begaf ik mij dan naar ’t Spaansche leger, en vond er mijn jongen loshoofd, in een toestand, mijne wenschen zóó gunstig, als ik nauw had durven hopen. Hij was nog niet eenmaal in het hoofdkwartier geweest, maar had zich laten medeslepen in al de woeste en gevaarlijke vermaken, waarmede loszinnige en overmoedige jonge edellieden de gevaren van den krijg in een legerkamp weten af te wisselen, en dat zij uitspanning noemen en schadeloosstelling voor alle ontberingen en de vermoeienissen. In de Vlaamsche provinciën mocht gebrek heerschen, in het leger was het niet voor wie goud had te spillen: grof spel, drinkgelag, tweegevechten en minne spel met lustige vrouwen, dit alles had den tijd, de gedachten van Lord Strange ingenomen, en, erger nog voor hem, zijne cassette tot op den bodem geledigd. Hoe vindingrijk ook, had hij alle hulpmiddelen uitgeput; woekeraars en lombarden hadden hem in hunne netten, en tot zijne eer toe, tot de uitzichten toe, die hij niet meer kon verwezenlijken, had hij hun verpand. Bloedverwantschap gaf mij het recht hem te naderen, en het voorwendsel hem hulp te bieden. Hoe die aangenomen werd, kunt gij denken. Mijne voorwaarden echter schenen hem eerst hard en ongerijmd; daarna gaven ze hem stof tot uitgelaten vroolijkheid. Eindelijk overwoog hij in vollen ernst en nam aan. Ik zoude zijne personaadje spelen in het hoofdkwartier; zijne papieren, zijne credensbrieven, zijn vrijgeleide, waarop zijn persoon werd uitgeduid, alles werd het mijne…”

»Dat laatste moet u toch nogal geïncommodeerd hebben, naar ’t mij toeschijnt…”

»Niet bijzonder. Wij zijn uit hetzelfde geslacht, en er is tusschen hem en mij eene sprekende gelijkenis in trekken, stem, houding en voorkomen, en alleen het onderscheid van leeftijd (ik ben de oudere) kon opgemerkt worden; maar naar den weg, dien Strange gaat, zal hij binnenkort mijn oudere schijnen, en over dit verschil heb ik mij altijd met lichtheid heengezet.”

»Gij zelf opendet dus de onderhandelingen met den Hertog?” vroeg Barneveld, die verlangde op het hoofdpunt terug te komen.

»Niet rechtstreeks, als gij denken kunt…, maar ik wist schrandere en vertrouwde tusschenpersonen te vinden…”

»En hoe vonden zij den Hertog gestemd?”

»Met zekerheid dit te zeggen, is moeilijk. Parma is fijn en listig; maar — hetzij hij behoefte had aan tijdelijke ruste, — hetzij hij in ’t verschiet groote ongelegenheden zag in de toenemende verarming van de Vlaamsche provinciën, zijne voorraadschuren — hetzij hij enkel de Koningin verlammen wilde, door onzekerheid, en de Antwerpsche kooplieden vleien door hoop; — hij toonde zich gestemd voor de wenschen van Lord Strange.”

»En de Koningin Elisabeth?” vroeg Barneveld, met schitterende oogen.

»Gij kunt denken, mijnheer! dat deze, minder dan iemand, rechtstreeks met Lord Strange correspondeeren kon, maar verzekeren kan ik, zweren wil ik er op, dat men niet beter gestemd kan zijn, dan zij zelve het is, om bondgenooten te verlaten en vijanden, die zij vreest, tot vrienden te maken…, voor eene wijle altijd… De reusachtige toebereidselen, die Philips verordent bij zijne zeemacht, — de haat der geheele Katholieke Kerk, die zij onverzoenbaar weet na den moord der Koningin van Schotland, — de onrust, die dit alles heeft gebracht in haar eigen rijk, de verdeeldheid, die er heerscht in haar Staatsraad, en de ontstemming tegen de meeste leden daarvan, die zóó groot is, dat zij zelfs niet besluiten kon, de wichtigste zaken met dezen af te doen, — brengen haar in eene stemming om alle middelen aan te grijpen, waarbij hare zelfzucht tijdelijk baat kan vinden, zonder inachtnemen van de gevolgen… Zóó luistert zij… als men haar zulke voorstellen doet.” En Fabian toonde Barneveld zekere brieven uit Engeland, die daarvan bewijs gaven.

»O, ik vermoedde dat lang, sinds lang, daar moest een adder schuilen onder ’t gras!” sprak de Advocaat, nadat hij ze ingezien had. »en wat zegt hierin de Graaf?”

»Ziet gij? hier is zijne kwetsbare plek; daarom tastte ik hem niet aan door hof-intrigen, in het centrum zijner macht, maar aan de zijde der Hollandsche zaken. De eere, de fortuin en het wélslagen van Leycester hangt er aan, dat er geen vrede gesloten wordt dan met overleg der Staten van de Geuniëerde Provinciën; en de Koningin zal op niets zien dan op haar belang; er zal strijd zijn; toch zal Leycester hier moeten bukken, want over de vrouw heerscht hij als gunsteling, over de Koningin heerscht hij als staatsman niet, en Elisabeth is eene groote Vorstin, die de beide belangen, de beide toestanden wonderwel uit elkander weet te houden.”

»Ziedaar het groote vraagstuk opgelost, waarom wij ons zooveel voorstelden van den Graaf te hebben aan ’t hoofd onzer zaken, en daarbij toch zoo weinig bate vonden. ’t Is voorwaar te betreuren, Mylord! dat gij, die zoowel bekwaam zijt u van de nauwste aangelegenheid dezer zaken te informeeren, het terrein uwer observatiën verlaten hebt…”

»Dat is zekerlijk minst te betreuren door u, heer van Barneveld!” sprak Fabian, fijn glimlachend; »want naar den weg, dien de onderhandelingen namen, had het schijn, dat die welhaast in andere handen zouden overgaan, dat de onderhandelaars een officiëel karakter zouden verkrijgen, en dat het tot een vrede, of ten minste avances van vrede zou gekomen zijn, waarbij gij, heeren van Holland! jammerlijk zoudt zijn opgeofferd, als gij denken kunt.”

»Zekerlijk, dat zou onze totale ruïne zijn geweest,” hernam Barneveld ontzet; »men zou ons dwingen in voorwaarden, te stemmen, die wij niet konden accepteeren, zonder onze eigene condemnatie te teekenen, of wij verloren onze éénige beschermster en bondgenoot, en wij keerden terug tot den staat van rebelleerende provincië, als in den tijd van Alba.”

»En zonder den Prins van Oranje!” hernam Fabian, met beduiding.

»En in plaats van de Unie der verbonden edelen, de wanorden van dezen tijd, waarin nauwelijks drie hoofden één zijn van zin.”

»Gij zult mij dus toestemmen, dat ik beter deed, toen ik onder eenig voorwendsel, dat licht te vinden was, het al in duigen wierp en de onderhandeling staakte.”

»Ik ben er u dankbaar voor…”

»Neen, wees niet dankbaar, ik deed alles voor mij zelven. Ik nam de wijk naar Nederland, waar ik, in ’t afwezen van Leycester, mij met meer vrijheid bewegen kon dan in Engeland; maar ik had intusschen mijn voordeel gedaan met de gemaakte opmerkingen, als gij denken kunt, en niet verzuimd van hetgeen ik wist gebruik te. maken, op de wijze die meest aan mijne oogmerken voldeed, of liet, onderwijl ik ze voerde, en met recht, de geruchten van die onderhandelingen verbreiden, nu door genen, dan door dezen persoon, hetgeen eene onrust en een mistrouwen verwekte, dat, als ik mij verbeelde…”

»Meer dan gij u verbeelden kunt,” hernam Barneveld, »zoo hebben we dan toch den Graaf verkeerd beschuldigd…”

»Van aandeel, of zelfs van voorkennis van dien handel zeker; hij was toen nog in Nederland, en men hield die zijde van de Engelsche staatkunde wel diep geheim voor hem; wat hij er van hoorde bij geruchte, mag hem genoeg geërgerd hebben; maar nu, in Engeland teruggekeerd en op ander tooneel verplaatst, verwisselt hij licht van masker, zoo niet van zienswijze; en hiervan de waarheid uit te vinden, zou u en mij even gevallig zijn, meene ik.”

»Met de waarheid uit te vinden op dit punt, ik zeg de waarheid, Mylord! geene vervalsching daarvan…, zou ons en den lande een ondenkelijk grooten dienst bewezen zijn…, maar ik achte dat onmogelijk.”

»Niet meer voor mij, luister! ik sprak u zoo straks van mijn gouverneur…!”

»Den geleerden Junius?”

»Juist; onthoud dien naam, bid ik u, onderwijl ik voortspreek. De kennis der talen, welke die nobele vriend mij overdeed, kwam mij, als ik zeide, goed te pas, onder anderen nu onlangs te Utrecht, bij de ontmoeting van zekeren monsieur Hottoman, een Franschman.”

»Maar dat is de naam van een der secretarissen, die de Graaf van Leycester hier te lande heeft achtergelaten!” riep Barneveld verheugd.

»Het i’s een van die secretarissen,” sprak Fabian, met een vergenoegden glimlach, »en wel juist diegene, die bepaald belast is met Zijne Excellentie op de hoogte te houden van hetgene hier in Holland belangrijks omgaat. De goede man nu, als een rechtgeaard Franschman, verstaat geene taal dan zijne eigene, hetgeen hem bij de Hollanders, Engelschen en Hoogduitschers, waar ’t land hier van wemelt, al eene vrij ongemakkelijke houding geeft, vooral voor iemand, die weten wil, wat er gesproken wordt. Ondertusschen, of hij verstond of niet. hij deelde toch mede…”

»De Hemel weet, hoe en wat,” zuchtte Barneveld.

»Men kan nogal met zekerheid op dat punt conjecturen maken; de Franschen hebben eene levendige verbeelding en eene goede gave van voorstelling; onze man schreef meest fabeltjes, en gaf die voor historie; de Franschen weten daarbij, dat vleierij licht voor waarheid geldt; hij schreef den Graaf wonderveel van de liefde en achting, die zich hier op Zijne Excellentie had verhecht, en meer dat tot groote satisfactie des Graven kon strekken. Om beter onder ’t bereik van die liefelijkheden te zijn, had hij zich naar Utrecht verplaatst, waar men blind moest wezen om niet zulke observatiën te maken… als men wil…, toen zijne goede fortuin mij in zijn weg voerde.”

»Zijne goede fortuin of de uwe?” glimlachte Barneveld.

Fabian glimlachte ook en vervolgde:

»Van nu aan was ik het, die hem onderrichtte, en… — gij kunt denken, dat de toon ietwat veranderde — en, om hem een beter coup d’oeil te geven op de zaken, liet ik hem van terrein verwisselen… Hij is mij voorgegaan naar Amsterdam; hij is mij gevolgd naar ’s Hage… Gij begrijpt, dat hij, door mijne oogen ziende, of liever door mijne ooren hoorende en door mijn mond sprekende, of eigenlijk schrijvende, nogal zoo iets in Engeland zal te vertellen hebben, dat Zijner Excellentie’s donker- bruine verve ietwat zal doen verschieten, van ’t bloedrood des toorns tot het loodwit der vreeze.”

»Maar om vredes wille, Mylord! gij zult hem toch niet…”

»De waarheid in de pen geven, waarom niet? als ik weet, dat die waarheid Leycester pijnigen kan, en schaden…”

»Maar, Mylord! ik zal niet dulden, dat gij u onderstaat ietwes te doen overbrengen, dat lasterlijk kan zijn tegen de Staten, of de dissentie en de confusie vermeerdert, die er alreede heerscht tusschen Zijne Excellentie en ons…”

»Gij zult niet dulden, mijnheer Barneveld! mag ik u vragen, sinds wanneer ik in uw dienst ben…, sinds wanneer ik loon of soldij trok van u? Gij hebt mij zoo straks gezegd, mij dank schuldig te zijn; ik heb gezegd, geen dank te begeeren, Doch te verdienen. Ik werk voor mij zelven en als een vrij man; en zoo ge eenigen prijs stelt op mijn werk, vergeet dan niet, dat de éénige voorwaarde daarvan is, dat men het mij late doen, zooals ik het versta,” hernam Fabian, die vergat, dat hij in de duizeling van den haat straks andere woorden had gesproken.

Barneveld had niet veel te antwoorden. Fabian was hem op dit oogenblik te kostbaar, om hem door dreiging van zich af te keeren; hij boog zich dus zwijgend; wat hij er bij dacht, laten wij daar.

»Nu zijn we aan den naam, dien ik u te onthouden gaf,” vervolgde Fabian, alsof er geene stoornis was geweest. »Hoe was die ook?”

»De naam was Junius,” hernam Barneveld, met eenige bevreemding over die wending.

»Junius, juist! zoo was het! Welnu, zoo heet ook de collega van mijn vriend Hottoman, de andere secretaris, dien Lord Dudley hier heeft gelaten, een Hollander, en die vrij dieper in de gunst en ’t vertrouwen van zijn meester schijnt ingedrongen te zijn, dan mijn monsieur Hottoman zelf, die van deze gunst niet spreekt zonder eenige jaloerschheid; deze collega heeft mij voor de talen niet noodig, dat is waar…; doch hij bevindt zich hier in ’s Hage, en…”

»Welnu?” vroeg Barneveld gespannen, »en…?”

»En… Hottoman heeft mij beloofd, mij met hem in kennis te brengen…; dat verlangen van mijne zijde is zoo natuurlijk…, een zoon van mijn leermeester.”

»Maar ’t is niet de zoon van uw Hadrianus Junius…, meene ik…; er bestaat nog een ander geslacht van dien naam, te Dordrecht, en, als ik wel heb, is de secretaris daaruit afkomstig.”

»Maar hoe kan ik daarvan onderricht zijn? Ik! vreemdeling!” riep Fabian met zichtbaar ongeduld, tdie uit dankbaarheid jegens den vader, tot den zoon nader…, met een voorliefde, die…, die hem voor mij gewonnen heeft, eer hij het misverstand kan ophelderen… is er meer noodig dan een voorwendsel om te naderen, als men iemand winnen wil.”

De Advocaat knikte welgevallig toestemmend, terwijl Fabian vervolgde:

»De gewichtigste zaken, die Mylord hier in Holland en Utrecht te verhandelen heeft, gaan door zijne correspondentie; win ik zijn vertrouwen, en is er iets nieuws omtrent den Spaanschen vrede, of ietwes anders… gij verstaat mij nu, denke ik…”

»Volkomen, en herhale het, Mylord! gij zijt een notabel persoon, maar gevaarlijk tevens.”

»Niet voor mijne vrienden en bondgenooten althans!”

»Eene enkele vraag, met zuivere oprechtheid beantwoord, zou mij in dezen geruststellen en tot welvertrouwden waarborg zijn,” hernam Barneveld, hem sterk aanziende.

»Vraag, mijnheer! indien het doenlijk is, zal ik u dien waarborg geven; gij weet, ik heb belang bij uwe vriendschap; ik heb noodig, dat gij mij als bondgenoot vertrouwt,” sprak Fabian ernstig. »Wat eischt gij nog van mij, dan het volle inzicht in mijne intentiën en handelingen, dat ik u heb geschonken…”

»Ééniglijk, dat gij mij uw waren naam en afkomst zegt, opdat ik met eenige preciesheid wete met wien ik te doen heb.”

Fabian scheen noch zeer verwonderd, noch zeer ontsteld over dezen eisch; hij bleef eene wijle nadenken, als overwoog hij, of hij dien al of niet zou toegeven, mogelijk ook, om na te denken over het antwoord, dat hij geven wilde. Zeker is ’t, dat hij zich ophief uit zijn gepeins, en met al de openheid die hij toonen kon, antwoordde, terwijl hij Barneveld vast in de oogen zag:

»Beter is het voor u en voor mij, dat wil zeggen in ’t belang van onze zaak, dat gij vooralsnog niets weet…, maar, geloof mij daarin op mijn woold, eens komt de tijd, dat ik dien noemen zal; tot daartoe vergun mij een incognito te bewaren, dat mij noodig is om te blijven handelen, terwijl gij voor uwe belangen met de volkomene kennis van mijne persoonlijkheid nu geene winste zoudt doen.”

»Ik wenschte wel voor mij zelven de overtuiging te deelen, die gij toont op dit punt.”

»Gij twijfelt nòg?” hernam Fabian, met een minachtend schouderophalen. »Wel dan, ik zal u iets zeggen, en dat u beter bevredigt: Den Graaf van Derby zoudt gij niet kunnen verloochenen als bondgenoot, zoo u dat te eeniger tijd noodig ware, met mij, den onbekende, kunt gij doen wat gij wilt, als eens mijn doel en het uwe is gelukt. Als ik reeds gezegd heb, mijne fortuin, mijne vrijheid, mijn leven heb ik veil voor dat doel, en stel die bij u als te pand voor mijne trouwen goede diensten; verder zult gij uwe nieuwsgierigheid naar mijn naam bevredigen kunnen, als wij zegepralen en als de Graaf van Leycester ten val zal zijn gebracht, als hij bezweken zal zijn onder de zwaarte van eene taak, die hij niet heeft kunnen volbrengen en die hij in fiere vermetelheid durfde opvatten. Als hij daar zal nederliggen, uitgeput, machteloos, het trotsche voorhoofd in ’t stof der schande gebogen, en barmhartigheid zal vragen van u en van mij, en die niet zal vinden, als ik dan de hindernissen zal optellen, door mij in zijn weg gelegd, de strikken, door mij gespannen, de afgronden, door mij… door mij alléén voor zijn voet geopend, en die hem het voortgaan hebben belet, dan… dan zal het mijn tijd zijn om hem luid en schril, ten aanhoore van ieder, wie luisteren wil, mijn naam in de ooren te roepen, en ik zwere u, het zal hem geen balsem zijn in zijn leed.” En de lach, waarmede Fabian dit uitsprak, was dæmonisch boosaardig. Barneveld, hoewel als staatsman niet schuw voor de eene of andere handeling, die niet met zuivere billijkheid kon bestaan, — die als rechtsgeleerde en als diplomaat behendigheid eerder onder de onmisbare deugden achtte dan openheid; — Barneveld was toch, wat men gewoon is te noemen, een braaf mensch, een mensch van onberispelijke zeden en strenge moraliteit in het gewone leven, en de satanische blijdschap van Fabian, bij het vooruitzicht van den diepen val van een ander mensch, zijne voorstelling van den helschen triomf om, na zelf tot dien val te hebben medegewerkt, de smart en de schande er van te vertienvoudigen door bitsen spot, ontzette hem; en met eene huivering van afgrijzen, wendde hij zich weg van Fabian, terwijl hij uitriep:

»Voorwaar, Mylord! God vergeve u zulken wellust! Maar mij dunkt, het is serpenten aard, aldus te haten, de haat eener vrouw veeleer dan die van een eerlijk man.”

Fabian verbleekte.

»Gij weet niet wat gij zegt…!” hernam Fabian in verwarring. »Ik meen,” vervolgde hij, meer gevat, »gij kent den haat niet en den lust der wrake, dien zij wekt, anders zoudt gij zóó niet spreken.”

»Neen, in trouwe! booze passiën kenne ik niet in die mate, en danke er God Almachtig voor!”

»Dank er dan tegelijk voor, dat ze u dienen, alschoon gij ze niet medevoelt.”

»Overzeker, Mylord! het ware mij liever, zoo ik ze niet van noode had!”

Wij gelooven, dat .de Advocaat hier volkomen oprecht was en dat hij dit geheimzinnig en boosaardig wezen liever in den sombersten kerker van de Gevangenpoort had gezien, dan als bondgenoot in zijn huis; maar hij had hem noodig, en le diable n’y perdait rien, als de Franschen zouden zeggen.

»Hoe wilt gij, dat ik u voortaan noemen zal?” hernam Barneveld kort en als om af te breken.

»Noem mij Mylord Strange. Mijn rang geeft mij recht op den titel en den naam heb ik gekocht…”

»Wij krijgen stoornis,” viel Barneveld haastig in, en tot den man, die binnentrad, na geklopt te hebben:

»Wat is er, Franken?”

»Er is, Uwe Edelheid! dat de raadsheer Wilkes gekomen is, en verlangt onverwijld met Uwe Edelheid te confereeren.”

»De gezant Wilkes!” riep Fabian met zekeren schrik, en Barneveld een wenk gevende, »met dien kan ik niet samen zijn.”

»Wees gerust, Mylord!” sprak deze zacht, en luider voegde hij er bij, als tot Franken: »Ik onderstelle, dat Zijne Edelheid mij bij zich ontbiedt.”

»Neen, heer! Sir Thomas Wilkes is hier in huis; hij is tot u gekomen; hij wacht!”

»Hij zal niet lang wachten,” hernam Barneveld. »Met uw verlof, Mylord!” en opstaande, verwijderde hij zich schielijk, Franken, wien hij in stilte een bevel gegeven had, bij Fabian in het kabinet teruglatende.


Ingezonden op: 19 July 2001