DE VROUWEN VAN HET LEYCESTERSCHE TIJDVAK.

TWEEDE DEEL — HOOFDSTUK X.

Jonkvrouw Emerentia Sonoy.


»Nu tot onze zaken!” sprak de Advocaat, toen hij de jonkvrouw in zijn kabinet had gevoerd en zij daar rustig tegenover hem was gezeten.

»Niet voor en aleer ik het pleit voor mijne beschermelinge gewonnen heb…,” zeide Emerentia met vastheid.

»Maar, melieve! ik kan haar niet de volle vrijheid schenken; eerstelijk is het mij zeer nut en veel waard, den gezant en der Koningin dit blijk te geven van mijn goeden wil en mijne oplettendheid; tweedens zou ik het niet konnen weigeren, zonder die beiden op het uiterste te vertoornen.”

»Ik wil geene vrijheid voor haar, wat zou zij, het arme kind daarmee, onbehulpelijk als zij is… en ik…? ik kan haar doch kwalijk met mij naar Medemblik voeren.”

»Nu dan, zoo is ze, dunkt mij, best hier…”

»Niet meer, sinds gij haar samenlaat met dien Fabian, dien ik mistrouw, en die zoo wondren invloed op haar uitoefent.”

»Geen kwaden toch, daar hij wel machtig schijnt, haar de gezonde zinnen weer te geven.”

»En haar te versterken in dien haat tegen den Graaf van Leycester, die haar als zoo groote schuld wordt aangerekend, en die zij reeds nu, in hare vlagen van waanzin, met jammerlijk geroep uitgilt.”

»Doet ze dat…? onder mijn dak kan dat niet gaan…, dan kan ik ze niet hier houden…”

»Dus zult gij eindigen met ze Wilkes in handen te geven?”

»Ik ben daartoe niet verplicht, zoolang ik geene zekerheid heb omtrent haar persoon… maar ik weet iets…: ik zal ze logies bezorgen bij een vertrouwd man, bekend als een vriend, althans voorstander des Graven, op wien dus geene verdenking kan vallen, en die haar goed bewaren zal, veellicht afsluiten voor inblazers van ’t kwade.”

»En die haar goed zal handelen…?” vroeg Emerentia wantrouwend.

»Gij zult er wel verzekerd van zijn, als ik u den man noem…”

»Wien dan bedoelt gij?”

»Den Kanselier van Gelderland; hij is gastvrij; beter behuisd dan ik… Zijne vrouw, zoowel als hij, weet met allerlei slag van luiden om te gaan. En wat mij ’t meest van allen is, ontkomt ze hem, zoo zal niemand het mij wijten.”

»En zou hij toestemmen?”

»Als ik het hem vraag, — waarom niet? we zijn uitnemend goede vrienden… Ik ga dit plan op dit eigen oogenblik executeeren.” Schielijk schreef hij eenige regelen, riep zijn dienaar, en gaf hem het biljet met de woorden: »Aan mijn heere den Kanselier van Gelderland. Gij wacht op antwoord.” Toen zich wendende tot Emerentia: »Zoo hebt ge al gewonnen, wat gij winnen kost, wellieve nicht! wilt mij nu ook gansch uwe aandacht geven. Den dienst, dien ik u ga vergen, zou ik van geene andere vrouw durven vragen, zelfs niet van een man; maar ik weet, dat ik u kan vertrouwen; u kenne ik van jongs af; u heb ik liefgehad zoolang ik u ken, liefgehad als… eene jongere zuster.”

»Gij kunt mij vertrouwen,” hernam Emerentia vast. »Ik ben drie-en-dertig jaar geworden, onder allerlei lotswisseling, onder menigerlei ernstige en droeve ervaring des levens; ik heb menige bloem der vreugd en des geluks voor mijne voeten zien-, verdorren; ik heb menige zoete hope in bittere teloorstelling zien einden; maar ik heb, uit den grooten schipbreuk van verloren levensgeluk, een goeden schat gered; uit den heeten strijd des levens eene groote overwinning weggedragen, met alle verlies een groot voordeel gedaan.”

»Juist, gij hebt groote vordering gemaakt in wijsheid en kennisse, van menschen als van zaken, der gewone vrouwe vreemd.”

»Het is niet dit, dat ik bedoele, heer neef!”

»Gezegepraald ook over zulke passiën, die de mensch tot zijne vijanden heeft, zoo hij ze niet zijne slaven heeft gemaakt.”

»Ook daarin is ’t niet, dat ik het meest roeme; maar daarin, dat ik heb mogen behouden, met ’s Heeren genadige hulpe, mijne eere en goede faam in de wereld, en dat ik gevonden heb het ééne noodige, het waarachtig geloove in Christus.”

»Dat zijn zekerlijk groote voorrechten, jonkvrouw nichte! alleen ik vreeze slechts, dat Nicasius van der Clyde aan het eerste ietwat schade heeft gedaan…”

»Neen, voorwaar!” hernam Emerentia fier. »Hij heeft mij een tijdlang konnen drukken door de klem van zijne machtige hand; hij vermocht mij te doen deelen in de rampen, die hij over de zijnen haalde; hij vermocht niet mij te doen deelen in de schande van zijne daden…”

»Wat daarvan ook zij, het is voorbij; het lange verleden heeft zijne sluiers heengetrokken over goed als kwaad, en vielen er bloesems af, kostelijke vruchten zijn er gerijpt. Het leven is u iets ernstig geworden, geen zottelijk spel, daarmede de ijdelheid dartelt; en de zwakheden, die andere vrouwen doen wankelen, zoo niet vallen, zijn niet meer de uwe. Met de vreugden, als met het leed der minne, hebt gij afgedaan.”

»Gij zegt wel, daarmede heb ik afgedaan; alleen, voor gij verder gaat, aanhoor dit en gedenk er aan: ik ben voornemens te hijlikken… ”

Al had Barneveld het ons niet gezegd, dat zij niet was als de andere vrouwen, — al hadden wij het niet reeds begrepen uit menig woord, dat zij sprak, uit menige harer handelingen, wij zouden het nu verstaan hebben uit de wijze, waarop Emerentia Sonoy die laatste woorden sprak; zóó wichtig, zóó beslissend een stap te doen in het vrouwelijk leven, waarover zij sprak, met de kalme koelheid van een beraden man, die de kansen van eenigen handel heeft berekend, en die eindelijk besluit: »ik zal dat doen!” Geen glimlachje, dat zich wegschuilt onder een blos, — geen oog, dat vochtig wordt onder de neergeslagen wimpers, — geen trek, die zich bewoog op dit gelaat, dat toch zoo spreken kon, — geene hoop of geene vrees, — geene vreugd, maar ook geen weerzin sprak zich uit bij deze jonkvrouw. Het was haar aan te zien, dat het tooverwoord: huwelijk, dat voor iedere andere vrouw nog zoovele verwachtingen insluit, voor haar reeds vooruit alle begoocheling verloren had, en dat zij het uitsprak als een plicht, als eene roeping, die zij voelde te moeten vervullen, maar zonder dat het harte daaraan recht deel nam.

»Wellicht met den heer Lieuwert Manninga?”

»Juist met dien.”

»En met toestemming van uw heer vader?”

»Zoo mogelijk ja! zoo niet, ik zal mij daar buiten moeten behelpen; om moeite en onmin te voorkomen, wilde ik in dezen uwe intercessie vragen.”

»De mijne? Ach, arme! als gij mij eerst hadt aangehoord, zoudt gij weten, dat…”

»Gij op ietwat strakken voet staat met mijn heer vader; maar dat wist ik immers sinds lang, doch dat belangt uwe staatkundige partijschap; als neven zijt gij wel met den ander en daar het geene politiek betreft…”

»Geene politiek?” herhaalde Barneveld langzaam; »mij dunkt toch…”

»Gij hebt gelijk, ik moest zeggen: daar het eene zulke politiek geldt, die de partijschap tusschen u beiden veellicht dempt of effent. Mijn verloofde is geheimschrijver van Graaf Lodewijk van Nassau… Stadhouder van Friesland.”

»En noch de heeren van Nassau, noch de provincie van Friesland, hebben zich aangesloten aan de partij van Leycester, en uw vader zal nooit toestemmen, dat zijne dochter alliantie maakt met de tegenstanders dier partij.”

»Het is zoo; mijn vader dient den Graaf met ijver.”

»Zeg met overijver, jonkvrouw!”

»Te erger voor mij…”

»Te erger voor hem zelf; want het kan er hem kwalijk mee vergaan.”

»Dus zal het goed zijn, dat wij den zoen treffen en dat, gij tusschenbeide tredende, mijn hijlik met Lieuwert het begin en onderpand van dien vrede zij.”

»Dat de zoen getroffen worde, acht ik oorbaar en nut, en hoe eerder hoe beter; maar, eilacen! ik kan daarin geen middelaar zijn… De koelheid tusschen ons is nu reeds eene vriendschapsbreuke geworden, zal welhaast onbedekte vijandschap zijn, en ik voorzie openlijken strijd, tenzij een wijs geval die verhouding wende, of eenige milde tusschenkomst zijne weerbarstigheid lindere… ”

»Gij openlijke vijandschap met mijn vader, neef Oldenbarneveld?” riep Emerentia bewogen.

»Zoo is ’t, als met de gansche Leycestersche factie… Het kan niet anders, wijl de kolonel Sonoy zich verzet tegen zijn wettelijk overhoofd en de Engelsche partij hem daarin stijft.”

»Mijn vader, de kolonel Diederik Sonoy zich verzetten tegen zijne oversten? De oude krijger, die met den Prins streed, eens krijgsmans eersten plicht vergeten? Heer neef! zoo ik die aantijging uit anderen mond moest verstaan dan den uwen, ik zou antwoorden: »dat is een logen!” en verontwaardiging zou mij hinderen, meer te vragen. Nu acht ik, dat gij zelf in valschen waan zijt gebracht, en nu vrage ik: waar ligt de wortel van dien lasterboom?”

»De pit dier waarheid zal ik u wijzen. Die oude krijgsman, die wapenbroeder van den Prins rebelleert tegen het eerste overhoofd in krijgszaken.”

»Rebellie, heer van Barneveld? ga voorzichtig met dat woord, als ge van mijn vader spreekt tot mij…”

»Ik herhaal het, mejonkvrouw! dat is het éénige, wat ik doen kan.”

»Hij zou rebelleeren tegen den Graaf, wien hij eed heeft gedaan?” riep Emerentia met de hoogste verbazing.

Barneveld kleurde sterk op dat woord, dat op eens, met vrouwelijke levendigheid van opvatting en inzicht, en met onbevoordeelde rechtvaardigheid, een pleit beslechtte, waarover de staatslieden reeds maandenlang twistten, het telkens meer verwikkelend, het telkens moeilijker makend om te scheiden en altijd zonder aan een eind te komen.

»Neen, tegen den Grave Maurinck; hij verkort dien Prins in zijne rechten.”

»Hij dien prinselijken wees verkorten en verdrukken, nadat hij altijd zijn bloed voor den vader heeft veil gehad…?” en de jonkvrouw schudde ongeloovig het hoofd.

»Het getij wisselt en de menschen daarmee. Hij is een tegenstander van zijn ingeboren Vorst, ter liefde van een uitheemschen onderdaan. Oordeel zelve: hij weigert den nieuwen eed te doen…”

»Maar, heer neef! dat wist ik, en hoe wil men, dat hij dien doen zal? Hij heeft eed gedaan aan den Gouverneur-Generaal. Een krijgsman heeft maar ééne trouw.”

»’t Is juist daarom, dat men zich van de zijne wil verzekeren, ten dienste van ’t Vaderland.”

»Welnu?” vroeg Emerentia, met stouten, bijna uittartenden blik.

»Welnu, men ziet de oversten der steden en sterkten, die onder den eed des Graven staan, die steden en vestingen overgeven in handen der vijanden, zonder nooddwang en meest uit verraad. Stanley, York, Marchand, hebben allen zich aan die schandelijke crime schuldig gemaakt, tot groote prejudicie van deze landen.”

»Nu, heer! wat zegt dit tegen mijn vader? ’t Zijn allen vreemdelingen…, en mij dunkt, eene stad of een gewest in handen van jonker Diederik Sonoy loopt geen gevaar door verraad, zelfs niet door geweld aan den vijand te komen.”

»Maar als de kolonel toch dezelfde taal voert, als die luiden, die zulke crimen feitelijk gepleegd hebben…”

»Ik versta u niet wel, heer!”

»Hij neemt hetzelfde pretext in den mond als zij, te weten; hier te lande geen overhoofd over zich te kennen of te erkennen, en mits hij op dien toon gestemd blijve en ’t hem geviel, met Medemblik oft eenige andere stad, van ’t noorder-kwartier te doen, wat hem gelust te, dan zou men hem zelfs niet straffelijk kunnen vallen, zoo dat pretext geldig werd geacht.”

»Hij zal daarmede nooit ietwes doen, dan met het oorbaar van den lande, en met billijkheid kan bestaan.”

»’t Is maar de vraag, wat hij voor oorbaar acht. De staten van Holland en de Stadhouder van Holland hebben zich daarom tegen de prejudiciën uit zulk verschil van opinie of anderszins willen verzien, en een nieuwen eed gevergd, daarin klaarlijk de beteekenis en de aard der trouwe worden uitgedrukt. Dezen eed nu wil de kolonel niet doen, wat moet men daaraf denken?”

»Geen kwaad althans. Dit slechts, dat hij als krijgsman acht maar één woord te hebben, en dit verpand hebbende, geen tweede daarneffens. Leycester houdt hij, naar ik het inzie, voor éénigen Heer; is die niet hier te lande, zoo is geen overhoofd over hem daar, maar te meer zeker zal hij vaststaan in zijn eed.”

»En gebood dat overhoofd nu eens het kwade, of liet dat onderhands gebieden door zijne factieuse volgers…?”

»Dan zou de kolonel scheiden moeten tusschen zijn eed en zijne consciëntie, maar dit is nog niet…”

»Het kan komen, en daarom wil men zich vooruit tegen ongeval veiligen, door zich van de intentiën des kolonels te verzekeren…”

»Met zachtheid veellicht gelukt het…”

»Men heeft dat beproefd, dan, eilacen! tevergeefs. Toen de overste met zulke vastheid geweigerd had, dat men oordeelde, hij zou met redenen niet te bewegen zijn, heeft men hem niet verder op dit punt aangehouden, doch naar Gelderland en Overijsel gezonden, om voor de grenzen te zorgen…”

»Ik wist, dat men hem die taak had opgedragen; hij hield het een vereerenden last, een bewijs van vertrouwen.”

»Niets belette hem, dien zoo te nemen… Maar men wilde zijn afwezen gebruiken, om de zaken te Medemblik alzoo in te richten, dat hem bij zijne terugkomst geene keuze meer blijven zou, tusschen de autoriteit van den Prins en den Graaf, maar dat hij de eerste zou gevestigd zien als een fait accompli, dat hij moest aannemen…”

»O fij, heer van Barneveld! wat hij eere hield, was dus wantrouwen…, gebruik maken van zijn goed vertrouwen, van zijne volgzaamheid, van zijn afwezen, om voor hem te doen wat hij zelf nooit zou gedaan hebben… Wees daar zeker af, mijn vader zal daarin nooit berusten.”

»’t Is wel onnoodig, mij dat te zeggen; de ondervinding heeft dat geleerd. Immers, ’t is er niet toe gekomen. Men heeft gezocht, een vendel van ’t volk des oversten uit Medemblik te doen vertrekken, en de stad van een nieuw garnizoen te verzien, onder jonker Arend van Duivenvoorde; doch de luitenant van jonker Sonoy heeft met de uiterste hardnekkigheid geweigerd, buiten last van zijn overste de stad te ruimen.”

»Nobele jonker Niklaes!” sprak Emerentia.

»Zeg veeleer dwaze!” hernam Barneveld; »want die stijfzinnigheid deed ons beleid mislukken, en jonker Dirk, nu teruggekeerd, is bitter gebelgd en wil in geene voorstellingen treden, zelfs niet waar ze het kleed van gunste dragen. Men heeft hem nog weer een lastbrief van den Grave Maurits aangeboden, waarbij hij tot slotvoogd van Medemblik wierd benoemd, in de plaatse van Cornelis van Rijswijk, nu onlangs overleden, mits doende den nieuwen eed. Hij heeft geweigerd, met toorn en trots geweigerd, en ’t staat te vreezen, dat men hem geene voorstellen van gunst meer zal doen…”

»Maar, heer!” sprak Emerentia, i»k was er op verdacht, hier grieven te hoor en tegen mijn vader. Ik versta alleen, dat hij werd gekrenkt.”

»Ziet gij het zoo, Emerentia! dan vreeze ik, dat ik in u eene slechte bondgenoote ga vinden.”

»Luister, neef! Menigmaal, als de luiden strijd hadden met mijn vader, (en ze hem vreesden om zijn oploopenden en stijfzinnigen aard), zochten ze toevlucht tot mij, en heb ik het verschil weten te deelen op zulke wijze, dat mijn heer vader zijne eere, zij hun recht behielden of hun wensch verkregen; menigmaal ook en nog meer dit, als mijn vader ten onrechte toornde, of het uiterste recht met uiterste strengheid wilde oefenen, heb ik mij gesteld tusschen hem en zijn slachtoffer, tusschen hem en de daad, en bijna altijd is het mij gelukt, het ergste te weren…”

»Wel jammer, dat gij u zelve niet hebt kunnen vermenigvuldigen; want in uw afzijn…”

»Is er veel gebeurd, dat mij ’t harte doorgriefde; ik weet het, heer neef! doch gun mij in mijne rede voort te varen. Zoo zegge ik dit. Ik ben niet de verblinde, die mijn vader recht geeft bij ongelijk, maar ik ben niet en ik zal nimmer zijn de verraderische dochter, die hem afvalt en zich tegen hem stelt, waar men hem onrecht wil doen.”

»Maar juist in zijn belang, juist om hem voor groote schade te hoeden, moet gij u nevens hem plaatsen, als zijn schutsengel, en hem het hoofd doen buigen.”

»Mijn vader buigt zich nooit,…”

»Dan voor de milde wijsheid zijner Emerentia, die zijn hoofd te lief zal hebben, om het niet voor schande te veiligen.”

»Schande, heer Advocaat! schande, is niet iets, dat anderen ons geven kunnen; dat is eene smet, die men zich zelf aanbrengt; en de oude Dirk Sonoy moge ruw zijn in zijne handelingen…, laagheid en verraad zijn hem vreemd; daarom ook zal niemand hem schande kunnen opleggen.”

»Toch wel groote schade doen, en niet enkel hem, maar ook het Vaderland door hem, en daarom is ’t, melieve! dat hij er toe gebracht moet worden, te buigen. Zoo gij hem lieft, moet
gij het zijn; zwaarder zou ’t wezen voor hem en voor ons, zoo geweld hem daartoe bracht.”

»Geweld jegens een man, die nooit voor ’t uiterste geweld is geweken; wel dáárdoor aan het vreeselijkst woeden is geslagen? O, hoed u daarvoor! hoed daarvoor ’t Vaderland, dat gij geen geweld gebruikt tegen kolonel Sonoy!”

»Gij kunt het hoeden! gij, mits gij u niet weerhouden laat door flauwhertige consideratiën, dergelijke niet in den mannengeest mijner Emerentia moesten opkomen. Gij, als gij, wel besloten, nu haastelijk afreist naar Medemblik, in de vreugde van ’t wederzien accordeert hij u licht ietwat groots; gij houdt hem voor, dat hij wijs moet zijn, en zich niet schaden in de opinie van de oprechte patriotten, en vrede zoeken te houden met den Prins, die te eenigen tijde de meester -van ’t land zal wezen; dat is vrij betere en gezondere staatskunst, dan een vreemden heer naar de oogen te zien, die metterhaast zijne vrienden en dienaren in groote ongelegenheid zal brengen, en licht, eer er een paar jaren verloopen zijn, geen handbreed gezags hier meer houden zal.”

»Dus onderstelt gij, dat de Graaf niet zal keeren?”

»Zoo hij niet spoedig keert, moet hij vervangen worden; wij kunnen ’t niet langer houden met een Gouvernement, dat zich op zóó vele mijlen afstands houdt. Wij kunnen niet langer buiten eene krachtige regeering. buiten een overhoofd; en ’t gezag van den Graaf slijt bij dit afzijn zachtkens uit, dat duurt geene drie maanden meer; en zoo hij keert… zoo hij keert, Emerentia! vindt hij de zaken hier in zulke disordre, zijn gezag dus ontwricht en verward, dat voorzeker hij het hier geen half jaar zal goedmaken…, tenzij…,” de Advocaat hield zich in.

»Nu tenzij…”

»Tenzij er een mirakel gebeure. Boodschap dit gerustelijk uw heer vader, de weet daaraf zal hem heilzaam zijn, en raadt gij hem ten goede, dat hij zich dit wete ten nutte te maken.”

»Ik zal uwe commissie overbrengen, heer neef! alleen ik vertwijfel, of eigenbelang stem zal hebben in zijn raad; ik achte, hij zal naar niets luisteren dan naar plicht.”

»Hij zal wel ten leste klaarlijk inzien, wat zijn rechte plicht is, zonderling als gij hem dit schrijven overbrengt, dat ik aan geene andere hand wilde betrouwen dan aan de uwe.” Hij gaf Emerentia een toegevouwen papier, waarop zijn particulier zegel was gedrukt, in licht rood was.

»Wees zeker van ’t getrouw behandigen. Alleen, neef!” sprak zij met een glimlach, »bij deze manier heb ik ijdellijk rekening gemaakt op uwe intercessie, en voor mij zelve spreek ik niet gaarne, sinds ik eene stiefmoeder heb, die mij… altijd tegenwerkt…”

»Neen, wees gerust, mits gij hem afbrengt van zijn stijfzinnig en doldriftig voortrennen in ’t verderf, kan ik u goeden wederdienst doen. Ik spreek niet van de achterstallige gelden, die jonker Diederik te vorderen heeft, en die men hem restitueeren kon bij wijze van bruidsschat voor u. Ik weet, dat nobele harten, als het uwe, van zulke transactie afkeer hebben; maar er is ietwes anders: Toen de Graaf van Leycester van hier ging, en Sonoy tot zijn bevelhebber had benoemd, gaf hij hem daartoe eene zulke uitgestrekte macht te oefenen, ook in burgerlijke zaken, in ’t gansche noorderkwartier, dat de Staten, ontrust en geërgerd door zulk voorrecht, aan een particulier Stadhouder gegeven, daarover den Grave klachtig vielen, die, zooals zijn aard is, toegevende aan dengenen, die met hem zijn of wie hij ’t laatste hoort, zeide toe te staan, dat de Graaf Maurinck en de Staten dit gezag matigden en verkortten, waar zij ’t achtten te uitgestrekt te zijn…”

»Welk eene laagheid, welk eene trouwloosheid, en nog wel jegens zulk een volijverig vriend. Ik achte den Grave van Leycester een verachtelijk mensch.”

»Ei, neen! hij is alleen wat zwak en wat wisselziek van humeur; maar gij begrijpt, dit zeggen is ons reeds genoeg, om den overste de handen te binden, zonder dat hij krijten mag, of Leycester ons zal durven bedillen; mits nu eens de pays werd gemaakt tusschen den Prins en den kolonel, kon men hem veilig een gezag schenken, dat men hem nu niet laten zal…”

»En eene handelwijze als die van Leycester tergt, mijns inziens, tot represailles.”

»Zoo versta ik het ook; dus nemende herwint hij zich, hetgeen hij reeds verloren kan achten…, en dat hem na ter harte gaat. Ik weet het, maar daar zulke concessiën van de Staten en den Stadhouder officiël moeten zijn, zullen zij kracht van wet hebben, kan die handeling niet door uwe handen gaan. Gij begrijpt mij, niet waar?”

Zij knikte van ja.

»En zoo zullen wij daarmede een man belasten, die een officiëel karakter zal aannemen… De geheimschrijver van Graaf Lodewijk van Nassau tot buitengewoon zaakgelastigde van Prins Maurits bevorderd…, reist af naar Medemblik, en onderhandelt met jonker Diederik Sonoy op zulke wijze, dat hij ook voor zich zelven onderhandelt; een gezant, die met eene goede boodschap komt, is welgekomen, wordt goed beloond, dat is diplomatieke stijl; orders of eeretitels kan de simpele kolonel niet geven: hij geeft zijne dochter! een groot loon, maar dat Lieuwert Manninga zal weten te vragen en te verdienen.”

»Een betere zwaai kan daaraan wel nooit worden gegeven,” riep Emerentia verheugd, »en daar dit gaat onder ’t scherm van politiek, weet mevrouwe Sonoy daar niet af, voordat het beklonken is…, daar is maar één bezwaar…”

»En dat is?”

»Ik had besloten, met heer Lieuwert samen te reizen, na voor hem goede recommandatie verkregen te hebben van u.”

»Nu, dat schaadt niet; mijne zaken ook hebben groote haast; maar eer gij geslaagd zijt, gij voelt dit klaar, is noch zijn last uitvoerlijk, noch heeft mijne aanbeveling kracht.”

»Dat spreekt vanzelf; zoo zal ik haastig doorreizen tot Medemblik, zien wat ik vermag, en heer Lieuwert te Alkmaar laten vertoeven tot ik hem sein geef te komen.”

»Moge dit zoo goed slagen, als ’t is abel uitgedacht; wanneer zal ik heer Lieuwert zien?”

»Nog te avond zou hij zich aanmelden, in hope dat gij hem zoudt ontvangen.”

»En uwe afreis?”

»Is bepaald op morgen, zoo ik zekerheid heb omtrent het lot mijner beschermeling.”

»Die onzekerheid zal niet te overlang duren, want ik zie daar mijn bode die teruggekeerd is. Welnu, Franken! wat boodschap brengt ge?”

»Het mondelijk antwoord van den heere Kanselier zelf, dat de gasten, door u gezonden, hem altijd welkom zijn.”

»En nu nog eene vraag, wellieve nicht! belangende eene huishoudelijke kwestie, als wij in de Staten zeggen: hebt gij voor u reeds logies gekozen te ’s Hage? Ik zou u gaarne mijn huis bieden…, doch…”

»Gij zijt klein behuisd,” hernam Emerentia met een fijnen glimlach, »ik weet het, en juffrouw van Barneveld zou noode ongemak lijden voor eene gast als ik…”

»Het is zoo, uwe humeuren komen niet overeen…”

»Zeg veeleer, dat zij ’t mij niet vergeeft, dat ik eerder uwe vriendinne was dan zij uwe huisvrouw.”

»Vergeef deze goede vrouwe die opvatting; in hare simpelheid begrijpt zij niet, dat men mij anders kan zien dan met hare oogen. En toch,” hernam hij met gevoel, »nooit gedenke ik de zoete dagen van ons kindsche samenzijn te Amersfoort, zonder innerlijke beweging van weemoed. Wat het schoon is jonk te zijn, jonk van harte; want wat den leeftijd aangaat, ik ben nog in mijne beste kracht; alleen ik geniete het leven niet meer; de Staatszorge neemt de fijne geure des genots weg; en de moeite en bezwaren van overstraffen arbeid des geestes, dorren ontijdig het harte, wijl ze het hoofd rimpelen, zonderling in dagen als die ik doorleve; maar jonk te zijn, zooals toen te Amersfoort; zijne jeugd te voelen, die te genieten met open gemoed en heldere zinnen, als ten dage, dat ik van de Heidelbergsche Universiteit keerde en u wederzag, ook jeugdig, jolijselijk, uitnemend boven allen in volgeestig schoon, dat heette eerst leven, en ’t leven te genieten…; de eerste teloorstelling bracht gij mij aan…”

»Ei, kom! die klacht is uwe tong nu reeds lange ontwend, en ’t zou u nu niet ten goede komen mijns vaders schoonzoon te zijn.”

»Gij hebt gelijk,” hernam Barneveld, ook glimlachende, »de zaken dan staande als nu, zou dat mij uiterst kwalijk te stade komen, en nu gij, Emerentia! zoo is de Friesche edelman de rechte Joseph, de uitverkoren hartevriend?”

»Hij is mijn vriend! zekerlijk ja! Een betere kon mij wel nooit zijn te beurt gevallen. Hij is een ernstig, bestendig man van een vast karakter, en die toch geene mildheid van harte mist; slechts is ’t hem gegaan als mij, hij heeft de periculeuse wateren des levens doorzwommen, en de stortzeeën der passiën zijn ook hem over ’t hoofd gegaan; hij als ik zoekt ruste in ’t kalme hijliksleven. Ik wensch een gids en vriend, hij meer eene vriendinne dan eene liefste; hij kent mijn levensloop, ik den zijnen; ons hijliksgeluk zal niet zijn gebouwd op een zandigen oevergrond, blootgesteld aan de schuddingen van de ebbe en den vloed der passiën, maar op de rotse van wederzijdsche achting en welverzekerde genegenheid…; zijn vroommoedigen aard…”

»Al wel, mijne liefste nichte! ik houde het afbeeldsel wel voltooid, ik zal immers straks het model zien…”

»Gij hebt gelijk,” hernam Emerentia, even kleurende; hare achting voor heer Lieuwert had haar zeker tot meer uitvoerigheid verleid, dan de schuchterheid der jonkvrouwelijke liefde het zich veroorloofd zou hebben; ik wenschte doch niet van hier te gaan, zonder uwe gade even te groeten.”

»Mij dunkt, gij raakt in goed accoord, mits ge haar van Manninga spreekt,” plaagde Barneveld.

»Ik zal met haar blijven, tot gij u met dezen besproken hebt,” zeide Emerentia opstaande.

»Met oorlof dan, dat ik u tot haar geleide;” hernam de Advocaat, en bood haar den arm.


Ingezonden op: 19 July 2001